Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 juni 2011
Bij brief van 7 oktober 2010 heeft de vaste commissie voor Justitie (2010Z13785/2010D3880) de toenmalige minister van Justitie verzocht de Kamer een brief te doen toekomen waarin een uiteenzetting wordt
gegeven over de strafrechtelijke grenzen van de media op het internet. Met deze brief wordt aan dit verzoek voldaan.
Het kabinet staat pal voor de vrijheid van meningsuiting. Dat recht komt een ieder toe, zeker ook opiniemakers. Dat geldt
voor uitlatingen op internet op gelijke wijze als elders. Het juridisch kader verschilt namelijk niet per forum. Het strafrecht
speelt hierbij een secundaire rol, en kan alleen aan de orde komen indien de ruime grenzen van het strafrechtelijk acceptabele
worden overschreden. Onder invloed van jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad
zijn duidelijke criteria opgesteld ter bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting, die alle tot doel hebben de
mogelijkheid van maatschappelijk debat op elk moment te garanderen.
Het kabinet hecht aan het scheppen van zoveel mogelijk ruimte om door uitwisseling van argumenten en opvattingen het maatschappelijk
debat over uiteenlopende kwesties te verdiepen. Niemand mag zich beperkt voelen in zijn of haar bijdrage aan het maatschappelijk
debat, ook niet wanneer het een opvatting betreft die voor sommigen shockerend kan zijn. Zoals in het regeerakkoord is verwoord
dient een maatschappelijk debat midden in de samenleving plaats te vinden en bij voorkeur niet in de rechtszaal (vgl. in deze
zin ook de nota Grondrechten in een pluriforme samenleving, Kamerstukken II 2003/04, 29 614, nr. 2). Straf(proces)recht kan naar zijn aard beperkend werken ten aanzien van de uitingsvrijheid.
Het kabinet staat een opsporings- en vervolgingsbeleid voor dat terughoudend is, in de zin dat een uitlating niet snel als
strafbaar zal worden gekwalificeerd. Maar de aanpak zal ook stevig en daadkrachtig zijn als wordt vastgesteld dat een uitlating
de (ruime) grenzen van het toelaatbare overschrijdt; denk aan gevallen van antisemitisme, homohaat en bedreiging met fysiek
geweld. Die lijn is zichtbaar in de zaken die het Openbaar Ministerie de afgelopen jaren heeft afgehandeld. De afgelopen jaren
hebben slechts enkele gevallen van uitlatingen die het kader van het publieke debat zijn gedaan tot een strafzaak geleid.
In gevoelige en uitzonderlijke discriminatiezaken wordt altijd de expertise van het Landelijk Expertise Centrum Discriminatiezaken
van het Openbaar Ministerie ingeroepen. Ik wordt door het College van procureurs-generaal over een dergelijke zaak geïnformeerd.
Zoals hiervoor aangegeven zijn de grenzen ruim, maar dit betekent niet dat een uitlating nooit strafbaar kan zijn.
Het is in eerste instantie aan het Openbaar Ministerie om in het concrete geval de strafbaarheid van de uitlating te beoordelen.
Het is vervolgens uiteindelijk aan de rechter om hier definitief een oordeel over te vellen.
Voor de beantwoording van de vraag of een uitlating de grenzen van het strafrecht overschrijdt, toetsen het Openbaar Ministerie
en de rechter nauwkeurig aan de wet en de jurisprudentie – waaronder die van het EHRM. Bij groepsbelediging wordt een «drie-stappen-model»
gehanteerd, waarbij eerst de vraag moet worden beantwoord of een uitlating als beledigend valt aan te merken in de zin van
de artikelen 137c-137e Sr. Als daarvan sprake is komt de vraag aan de orde of de context waarin de uitlating heeft plaatsgevonden
het beledigende karakter aan de uitlating ontneemt. Bij deze toetsing spelen de beoogde deelname aan het maatschappelijk debat
(onder andere politieke standpunten en geloofsovertuiging), alsmede de bescherming van de vrijheid van expressie een belangrijke
rol. Als de context het beledigende karakter van de uitlating wegneemt, kan er alleen nog maar sprake zijn van strafbaarheid
als de uitlating onnodig grievend is. De toets van onnodige grievendheid ziet erop uitlatingen te voorkomen die voor wat betreft
het zwaar beledigende karakter in geen enkele verhouding staan tot het beoogde doel van bijdrage aan het maatschappelijk debat
(uitgebreider hierover o.a. voornoemde Nota grondrechten in een pluriforme samenleving, bijlagen 2 en 3).
Verslaglegging en openbaarmaking door bijvoorbeeld journalisten van discriminatie door anderen is in beginsel niet strafbaar,
omdat dit valt onder de in het Wetboek van Strafrecht opgenomen uitzonderingsgrond voor zakelijke berichtgeving.
Uitingen die een bedreiging van de fysieke integriteit van personen inhouden, zijn strafbaar. Gelet op het karakter van zo’n
uitlating kan een beroep op de vrijheid van meningsuiting of het publieke debat de strafbaarheid niet wegnemen. Wel zal de
bedreiging van dien aard moeten zijn en onder zulke omstandigheden hebben plaatsgevonden, dat deze bij het slachtoffer een
redelijke vrees heeft kunnen opwekken voor het misdrijf waarmee is gedreigd.
Aldus bestaat er een robuust kader dat veel ruimte laat voor debat, maar daadkrachtig optreden mogelijk maakt indien de grenzen
van de vrijheid van meningsuiting toch worden overschreden.
De minister van Veiligheid en Justitie,
I. W. Opstelten
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. P. H. Donner