29 574
Vaststelling van een nieuwe regeling inzake inkomensvoorziening voor kunstenaars (Wet werk en inkomen kunstenaars)

nr. 19
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 oktober 2004

Tijdens de plenaire behandeling van het bovengenoemde wetsvoorstel op donderdag 28 oktober jl. heeft het lid Noorman-den Uyl verzocht om een schriftelijke uiteenzetting betreffende de relatie tussen de hoogte van de WWIK uitkeringsnorm van een alleenstaande en het bedrag van de hoogste trede van de in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de WWIK opgenomen progressie-eis. Bij deze voldoe ik aan dit verzoek.

Op jaarbasis bedraagt de hoogte van de WWIK-uitkeringsnorm van een alleenstaande € 7776,48 bruto, inclusief vakantietoeslag (de netto uitkomst van dit bedrag is gelijk aan 70% van bijstandsnorm van een alleenstaande). De hoogste trede van de progressie-eis bedraagt € 6 000,- bruto, inclusief vakantietoeslag. De bruto uitkeringsnorm is op bruto basis berekend ca. 30% hoger dan de hoogste trede van de progressie-eis. Daar ik tijdens het debat bruto met netto heb vergeleken kwam ik abusievelijk uit op een circa 50%, waarvoor mijn verontschuldiging.

Voor de volledigheid merk ik nog op dat de bruto norm voor een alleenstaande plus de hoogste trede van de progressie-eis tezamen nog onder de maximum bijverdiengrens blijven van de in artikel 16, tweede lid, onderdeel b, van de WWIK opgenomen maximale bijverdiengrens van op jaarbasis € 16 271,76 bruto, inclusief vakantietoeslag.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof

Naar boven