Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200529574 nr. 16

29 574
Vaststelling van een nieuwe regeling inzake inkomensvoorziening voor kunstenaars (Wet werk en inkomen kunstenaars)

nr. 16
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 november 2004

Bij brief van 3 november 2004 (130-04-SZW) heeft het lid Noorman-den Uyl door tussenkomst van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de staatssecretaris van OCW en aan mijzelf een aantal vragen gesteld over de verhouding tussen de financiering van het flankerend beleid vanuit OCW en de cijfermatige gegevens in de begroting en jaarrekening van het ministerie van SZW (zie bijlage).

Via deze brief ga ik mede namens de staatssecretaris van OCW in op de gestelde vragen.

In zijn algemeenheid merk ik op dat, zeker vanaf het tijdstip dat de middelen voor het flankerend beleid naar de begroting van OCW werden overgemaakt, niet één op één een relatie kan worden gelegd tussen de uitgaven voor het flankerend beleid en de (W)WIK-begrotingen en -realisaties.

Op de eerste plaats bestaat er een gescheiden verantwoordelijkheid tussen SZW en OCW voor respectievelijk de (W)WIK en het flankerend beleid. Op de tweede plaats worden de WIK-begrotingen en -realisaties niet alleen beïnvloed door het aantal gebruikers, maar ook door fiscale factoren, de mate waarin wordt «gehip-hopt» en het gemiddelde inkomen van de WIK-gebruikers.

1

Hoe verklaart u de verschillen in cijfers? Hoe kan in 2002 een stijging van de uitgaven leiden in 2002 tot een daling van dezelfde deelnemers bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?

De middelen voor het flankerend beleid WIK zijn tot en met 2003 gebaseerd op een volumeraming uit 1998, zie de opgave die de Staatssecretaris van OCW aan uw Kamer heeft verstrekt, met in 2001 en 2002 een nacalculatie op basis van het werkelijk aantal WIK-gebruikers. Deze nacalculatie heeft in die jaren geleid tot verrekening met het budget over het daaropvolgende jaar. Omdat na verloop van tijd meer zicht kwam op het structurele bestand, is overeenkomstig de afspraak tussen OCW en SZW vanaf 2003 de toevoeging aan de begroting van OCW definitief vastgesteld op € 3,04 mln per jaar, bij een geprognosticeerd gemiddeld aantal WIK-gebruikers van 3 000, en vindt geen nacalculatie meer plaats.

De begroting WIK voor 2002, zoals opgesteld door de minister van SZW, was gebaseerd op een volumeraming van primo 4335 personen en ultimo 4690 personen in 2002. De realisatie 2002 bedroeg echter 4230 ultimo 2002. Dat de geraamde uitkeringslasten over 2002 nagenoeg gelijk waren aan de gerealiseerde uitgaven had als oorzaak dat de gerealiseerde gemiddelde uitkering (€ 11 544) aanzienlijk hoger uitkwam dan de geraamde (€ 8 898). Het effect van de bruterings- en vaststellingsmethodiek op de gemiddelde prijs is in het verleden onderschat. Dit effect weegt extra zwaar als gemeenten in enig jaar meerdere jaren tegelijk vaststellen, hetgeen in het verleden ook is gebeurd.

2

Hoe verklaart u de post kosten WWIK in de begroting 2005 ten opzichte van de kosten van de geraamde WWIK-aantallen?

De uitkeringslasten WWIK 2005 betreffen de bruto uitkeringen die in 2005 naar verwachting aan gemiddeld 3150 kunstenaars zullen worden uitgekeerd, alsmede de kosten voor de brutering van de netto WIK-uitkeringen die in 2004 zijn uitgekeerd. Voor deze dubbele brutering is de basisbegroting eenmalig opgehoogd met € 10 mln.

3

Op grond van welke aantallen WWIK-ers is de begroting 2005 geraamd?

De raming van de begroting 2005 is gebaseerd op een primostand van 3300 en een ultimostand van 3000. Dit leidt tot een gemiddeld volume van 3150 uitkeringen.

4

Is de kostprijs van een WWIK-uitkering lager geraakt?

De kostprijs van een WWIK-uitkering is niet lager geraamd. Zoals hiervoor in het antwoord op vraag 2 is aangegeven is het budget 2005 eenmalig opgehoogd met € 10 mln.

5, 6 en 7

Is het effect van de progressie-eis in de raming verwerkt?

Wat is de geraamde opbrengst van de progressie-eis?

Indien de progressie-eis achterwege blijft, wat zou dan de raming 2005 moeten zijn?

De bedoeling van de progressie-eis is uitdrukkelijk niet om een drempel te creëren waarmee het aantal personen in de WWIK wordt verminderd, maar om inkomensvorming bij kunstenaars te stimuleren, zodat op termijn, na afloop van de WWIK-periode, geen beroep hoeft te worden gedaan op de WWB. De hoogte van de in de progressie-eis opgenomen bedragen is daarop afgestemd; enerzijds stimulerend tot het verwerven van inkomsten anderzijds niet belemmerend bij de opbouw van de kunstpraktijk. Ik ben van mening dat het voor het overgrote deel van de kunstenaars mogelijk moet zijn om aan de opeenvolgende bedragen van de progressie-eis te voldoen, temeer omdat het mogelijk is om éénmalig een beroep te doen op vrijstelling van de progressie-eis.

Vanwege het te verwachten marginale effect op de uitstroom en vanwege het feit dat de progressie-eis niet de functie heeft van een uitstroombevorderend instrument is hiermee in de begroting van 2005 geen rekening gehouden. De verwachting is niet dat kunstenaars eerder, maar beter in staat zullen zijn om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te voorzien.

8

Hoe verklaart u dat tegenover een stijging van de kosten in 2003 met 13 mln een daling van de kosten in 2005 zou plaatsvinden.

Ik verklaar deze vraag tegen de achtergrond van het aantal WIK-gebruikers. Bij de volumeramingen voor 2003 was de verwachting dat het WIK-volume in 2003 aanzienlijk zou dalen (van 4690 naar 2770) als gevolg van het bereiken van de maximale uitkeringstermijn – van vier jaar – van kunstenaars die in het eerste jaar van de WIK (1999) waren ingestroomd. In de tweede helft van 2003 bleek dat meer kunstenaars dan verwacht gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om te hiphoppen en de WIK-uitkering niet ononderbroken hebben ontvangen. Uiteindelijk bleek de realisatie niet € 37,9 mln aan uitkeringslasten te bedragen maar € 49,3 mln, bij een gemiddeld aantal personen van 3625.

De lagere begroting voor de WWIK over 2005 heeft te maken met de hogere bevoorschotting van gemeenten in 2004. In voorgaande jaren bleek telkens in het volgende begrotingsjaar een nabetaling te moeten plaatsvinden in verband met extra uitgaven door gemeenten in het 4e kwartaal wegens de brutering van de in het jaar daarvoor verstrekte uitkeringen. Door de verhoging van de bevoorschotting in 2004 blijft dit effect uit in 2005, hetgeen tot uitdrukking is gebracht in de begroting 2005. Vanaf 2005 wordt de WWIK-uitkering door de gemeenten direct bruto aan de kunstenaar verstrekt, waardoor deze nabetalingen van SZW aan gemeenten niet meer voor zullen komen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof

BIJLAGE

Aan de staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Den Haag, 3 november 2004

Tijdens de Regeling van Werkzaamheden op 2 november jl. is op voorstel van het lid Noorman-den Uyl besloten de stemmingen in verband met de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) tot volgende week uit te stellen, in afwachting van onder meer een reactie uwerzijds op nog aan u voor te leggen vragen.

De onderstaande vragen zijn gerezen naar aanleiding van de brief van de staatssecretaris van OCW van 2 november over het flankerend beleid WWIK. Daarin staat dat ter vaststelling van het budget flankeerde beleid voor 2001 en 2002 de werkelijke aantallen WIK-deelnemers werden geraamd en dat tot een daling van het budget van 6,6 mln naar 4,7 mln in 2001 en 3,3 mln in 2002 heeft geleid. Dit terwijl in de begroting en de jaarrekening van het Ministerie van SZW in 2001 de raming gelijk is aan de rekening voor wat betreft de WIK-uitgaven. In 2002 is er zelfs sprake van een stijging (zie bijlage).

Het betreft de volgende vragen.

1. Hoe verklaart u de verschillen in cijfers? Hoe kan in 2002 een stijging van de uitgaven leiden in 2002 tot een daling van dezelfde deelnemers bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen?

2. Hoe verklaart u de post kosten WWIK in de begroting 2005 ten opzichte van de kosten van de geraamde WWIK-aantallen?

3. Op grond van welke aantallen WWIK-ers is de begroting 2005 geraamd?

4. Is de kostprijs van een WWIK-uitkering lager geraakt?

5. Is het effect van de progressie-eis in de raming verwerkt?

6. Wat is de geraamde opbrengst van de progressie-eis?

7. Indien de progressie-eis achterwege blijft, wat zou dan de raming 2005 moeten zijn?

8. Hoe verklaart u dat tegenover een stijging van de kosten in 2003 met 13 mln. er een daling van de kosten in 2005 zou plaatsvinden.

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Nava

BIJLAGE bij brief 130–04-SZW

Figuur overzicht begroting en raming SZW inzake de WIK

cijfers uit de begroting SZW

aantal personen WIK per 31-122002200320042005
20005 500   
20014 3354 200  
20024 6904 6904 287 
2003 2 7704 0003 571
2004  2 3703 300
2005   3 000
2006 e.v.   3 000
budget (x € 1 000 000)cijfers uit de begroting SZW 
 2002200320042005
200042,6   
200142,247,3  
200247,253,053,9 
200337,742,552,555,1
200426,730,238,260,1
200525,028,135,856,1
200625,028,135,744,0
2007 28,235,744,0
2008  35,744,0
2009   44,0
budget (x € 1 000 000)2003
 begrotingrekeningverschil
200147,347,3  0
200253,053,9– 0,9
200342,555,2– 13