Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429574 nr. 11

29 574
Vaststelling van een nieuwe regeling inzake inkomensvoorziening voor kunstenaars (Wet werk en inkomen kunstenaars)

nr. 11
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 20 september 2004

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 11, eerste lid, onderdeel b, wordt «zevenendertigste uitkeringsmand» vervangen door: zevenendertigste uitkeringsmaand.

B

Artikel 27, eerste lid, komt te luiden:

1. De uitkering is niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.

C

In artikel 40, elfde lid, wordt «recht op bijstand» vervangen door: recht op uitkering.

D

In artikel 50, vierde lid, wordt «en 24» vervangen door: of 19, derde lid,.

E

In artikel 64, onderdeel C, en in artikel 65, onderdeel C, wordt telkens in artikel 45, elfde lid, «recht op bijstand» vervangen door: recht op uitkering. Voorts wordt telkens «verlening van bijstand» vervangen door: verlening van uitkering.

F

Na artikel 72 wordt een artikel 72a ingevoegd, luidende:

Artikel 72a Algemene wet bestuursrecht

In onderdeel F, ten tweede, van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt na «Wet werk en bijstand» ingevoegd: en artikel 14 van de Wet werk en inkomen kunstenaars.

G

Na artikel 78b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 78c Omhanging besluiten

1. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 mede op artikel 2, vijfde lid, van deze wet.

2. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid mede op artikel 10, derde lid, van deze wet.

3. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK mede op artikel 10, tweede lid, van deze wet.

H

Artikel 80 komt te luiden:

Artikel 80 Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. In het koninklijk besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.

Toelichting

Met deze tweede nota van wijziging worden enige omissies hersteld.

Onderdeel B

Met het bepaalde ten aanzien van beslag in artikel 22 van de huidige Wet inkomensvoorziening kunstenaars (en artikel 27 van het wetsvoorstel) wordt beoogd personen met een WIK-uitkering extra waarborgen te geven tegen een aantasting van de voor hen geldende norm, omdat de maximale hoogte van de uitkering onder de in acht te nemen beslagvrije voet van artikel 475d van het Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ligt.

Het bepaalde ten aanzien van beslag in artikel 27 van het wetsvoorstel is feitelijk echter een overbodige toevoeging daar het Rv voldoende waarborgen biedt om bij beslag het bestaansminimum van de belanghebbenden te waarborgen.

Het onbedoelde neveneffect van het thans bepaalde in artikel 27 van het wetsvoorstel is dat ingevolge artikel 475d, zesde lid Rv de WWIK-uitkering niet in mindering kan worden gebracht op de beslagvrije voet. Het gevolg hiervan is dat bij samenloop van inkomsten met de WWIK-uitkering, waarbij de hoogte van de beslagvrije voet wordt overschreden, de situatie kan ontstaan dat de beslagvrije voet niet wordt bereikt, ondanks dat het feitelijke inkomen de beslagvrije voet wel heeft overschreden. Dit leidt tot rechtsongelijkheid ten opzichte van personen die vergelijkbare uitkeringen ter voorziening in de kosten van het bestaan ontvangen zoals de WWB van wie de uitkering wel voor beslag vatbaar is. Om bovenstaande reden is er alsnog voor gekozen de bepaling dat de WWIK-uitkering niet voor beslag vatbaar is te schrappen.

Onderdeel F

Artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij die wet. In die bijlage is onder andere artikel 52 van de Wet werk en bijstand opgenomen (voorschot). Artikel 14 van de WWIK is een soortgelijke bepaling als artikel 52 van de Wet werk en bijstand. Om die reden wordt ook artikel 14 van de WWIK opgenomen in de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht.

Onderdeel G

De in dit onderdeel genoemde besluiten zijn mede op de in te trekken WIK gebaseerd. Met dit artikel wordt duidelijk gemaakt dat het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding, het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK, na inwerkingtreding van de WWIK, voortaan mede op de WWIK is gebaseerd.

Onderdeel H

In de eerste Nota van wijziging is de inwerkingtredingsbepaling gewijzigd, aangezien de verantwoordelijkheid voor activering wordt neergelegd bij de centrumgemeenten en het kabinet het niet noodzakelijk acht dat thans een extra factor in het verdeelmodel voor het W-deel wordt betrokken. De mogelijkheid om onderdelen van de WWIK op verschillende tijdstippen te laten ingaan was dientengevolge niet langer noodzakelijk.

Uit signalen van gemeentelijke zijde is inmiddels gebleken dat het problematisch is de verordening, bedoeld in artikel 21, vierde lid, van de WWIK, met ingang van 1 januari 2005 vast te stellen. Bovendien is nog niet zeker of het Inlichtingenbureau gemeenten, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de WWIK, al op 1 januari 2005 de centrumgemeenten kan ondersteunen bij de uitvoering van de WWIK.

Deze signalen in aanmerking nemende wordt thans weer de mogelijkheid in de wet opgenomen om artikelen of onderdelen daarvan op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip te laten ingaan, teneinde mogelijke problemen bij de invoering van de wet te voorkomen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof