Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429574 nr. 10

29 574
Vaststelling van een nieuwe regeling inzake inkomensvoorziening voor kunstenaars (Wet werk en inkomen kunstenaars)

nr. 10
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG

Ontvangen 20 september 2004

Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de nadere vragen en opmerkingen van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Algemeen

De door de leden van de VVD aangehaalde zinsnede «de meest belangrijke knelpunten» moet zo worden gelezen dat punten van minder zwaar gewicht en knelpunten die al eerder waren opgelost niet expliciet in de opsomming zijn vermeld. Het gaat om de volgende knelpunten en oplossingen:

– De kwaliteit van de uitvoering werd niet overal even goed bevonden, vooral kleine gemeenten schoten tekort. Kleine WIK-gemeenten twijfelen ook zelf over de eigen deskundigheid. Dit knelpunt is reeds voor de indiening van het wetsvoorstel WWIK opgelost door wijziging van het Uitvoeringsbesluit WWIK. Met ingang van 1 januari 2004 is het aantal uitvoerende gemeenten teruggebracht van 39 naar 20, waardoor schaalvergroting is opgetreden.

– Weinig kunstenaars onderbreken en hervatten de uitkering (het zogenaamde hip-hoppen), mede door de administratieve rompslomp bij een nieuwe aanvraag. Het hip-hoppen is de laatste tijd al toegenomen en wordt in het wetsvoorstel WWIK verder gestimuleerd door bij de bepaling van het jaarinkomen het inkomen buiten de WWIK-periode tot de grens van het sociaal minimum buiten beschouwing te laten (par. 4.4 van de Nota naar aanleiding van het Verslag). Daarnaast kennen de toetsingen van de beroepsmatigheid en de progressie-eis in het wetsvoorstel eigen termijnen, die los staan van het moment van aanvraag (par. 3.3 van de Nota naar aanleiding van het Verslag). Hierdoor hoeft in veel gevallen niet de gehele aanvraagprocedure te worden doorlopen.

– In de WIK wordt voor wat betreft het inkomensbegrip naar de Abw verwezen, terwijl de WIK op andere plekken eigen inkomstenbepalingen kent. Niet altijd is duidelijk welk inkomensbegrip moet worden gehanteerd. Dit knelpunt is opgelost door van de WWIK een zelfstandig leesbare wet te maken, die zoveel mogelijk is losgekoppeld van de WWB.

De leden van de SP merken op zorg te hebben met betrekking tot de progressie-eis. Deze in hoogte oplopende minimuminkomenseis kan aldus de leden van de SP tot gevolg hebben dat de kunstenaar teveel tijd moet investeren in bijbanen, waardoor de artistieke ontwikkeling en het ontwikkelde artistiek ondernemerschap in gevaar komt.

Uitgangspunt van de progressie-eis is het creëren van voldoende zekerheid dat de kunstpraktijk zich zo zal ontwikkelen dat de betrokkene zich daadwerkelijk als kunstenaar kan gaan vestigen. Daarbij is inderdaad maatvoering geboden. Gelet op dit uitgangspunt deelt het kabinet niet de vrees van de leden van de SP-fractie dat de voorgestelde progressie-eis de artistieke ontwikkeling in gevaar brengt.

De leden van de SP-fractie vragen of de staatssecretaris kan aangeven op basis van welke gegevens het succes van de WIK in het verleden is gemeten.

Het succes van de WIK in het verleden is gemeten in het evaluatieonderzoek WIK dat in 2002 is uitgevoerd door Research voor beleid en het Erasmus Centrum voor Kunst en Cultuurwetenschappen. De resultaten van dit onderzoek zijn op 1 november 2002 bij brief (SZW0200749) aan de leden van de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden.

Vanaf de begroting/verantwoording 2005 zal de uitstroom WWIK regulier worden onderzocht via de CBS-statistiek op het uitstroomaandeel dat na uitstroom zelfstandig kan voorzien in het levensonderhoud. In 2009 is de eerste evaluatie voorzien van de WWIK. Daarbij zal aandacht worden geschonken aan de mate waarin WWIK-ers er in zijn geslaagd een, al dan niet gemengde, renderende beroepspraktijk op te bouwen.

De leden van de SP vragen of de staatssecretaris kan aangeven hoe het feit dat het inkomen van de partner wordt betrokken bij de progressie-eis zich verhoudt tot de door de staatssecretaris genoemde verplichting zelfstandig te voorzien in de kosten van het bestaan.

De verplichting om zelfstandig in het bestaan te voorzien is een uitvloeisel van de doelstelling dat een ieder in beginsel zonder hulp van de overheid in het bestaan moet kunnen voorzien. Deze doelstelling houdt in dat er ook geen hulp van de overheid nodig is als men samen met een partner in het bestaan kan voorzien. Bovendien zou het, zoals door het kabinet is aangegeven in de Nota naar aanleiding van het Verslag, onredelijk zijn om voor de progressie-eis voorbij te gaan aan het gezamenlijk inkomen terwijl dit gezamenlijk inkomen wel een rol speelt bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de WWIK-uitkering. Dat het inkomen voor de beoordeling van het recht op een WWIK-uitkering meetelt is een rechtstreeks gevolg van het feit dat uit de hiervoor genoemde doelstelling volgt dat er alleen recht is op een WWIK-uitkering bestaat als het (gezins)inkomen lager is dan het van toepassing zijnde bijstandsniveau.

Doelstelling van de herziening

De leden van de SP zijn van mening dat de staatssecretaris onvoldoende de zorg over toenemende bureaucratisering wegneemt bij de invoering van de WWIK. In aansluiting op de constatering dat volgens de staatssecretaris de gemeentelijke taakopvatting en organisatie invloed heeft op het aantal klantcontacten en op de door de staatssecretaris gedane toezegging om de gemeenten zoveel als mogelijk behulpzaam te zijn bij de organisatie van de werkzaamheden vragen de leden van de SP waaruit deze hulp zal bestaan. Tevens vragen deze leden over daarbij ook een idee is over de invulling van de organisatie, de afstemming van de werkzaamheden en het aantal contacten tussen kunstenaar en instelling.

In de reactie op daartoe door leden van de fracties van de PvdA, VVD, CDA en D66 gestelde vragen over de bureaucratisering als gevolg van de WWIK heeft het kabinet aangegeven dat het de gemeenten zoveel als mogelijk behulpzaam wil zijn bij de organisatie van de werkzaamheden. Daar de gemeenten voor wat betreft de wijze van organisatie een eigen verantwoordelijkheid hebben, strekt de hulp die door het ministerie wordt geboden niet verder dan het bieden van faciliterende voorzieningen. Al aangegeven is dat het kabinet een rekenmodule aan de gemeenten beschikbaar zal stellen waarmee de definitieve vaststelling van het recht op een WWIK-uitkering eenvoudig en snel kan plaatsvinden. In aansluiting hierop kan nog worden opgemerkt dat deze rekenmodule zal worden aangevuld met een applicatie die de vaststelling van de progressie-eis kan vereenvoudigen. In overleg met de centrumgemeenten is sinds kort een werkgroep opgericht die zich bezig zal houden met de al in de nota naar aanleiding van het verslag aangekondigde handreiking t.b.v. de vaststelling van de progressie-eis. In de bijeenkomsten met de uitvoerende centrumgemeenten zal aandacht worden besteed aan de organisatie van de taken in het kader van de WWIK.

Progressie-eis

De leden van de SP merken op dat de staatssecretaris aangeeft dat 70% van de kunstenaars een inkomen op of onder het bijstandsniveau genereert. In verband hiermee vragen zij de staatssecretaris maatregelen te formuleren om het genoemde percentage terug te brengen.

Het gegeven dat 70% van de beeldende kunstenaars permanent een inkomen uit kunst heeft dat beneden het bijstandsniveau ligt onderstreept naar de mening van het kabinet de noodzaak van een gemengde beroepspraktijk. Dit is in die situaties immers de enige mogelijkheid om duurzaam als zelfstandig kunstenaar werkzaam te zijn.

Plan van aanpak

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering bereid is om het ministerie van SZW en het ministerie van OCW gezamenlijk te laten kijken naar de mogelijkheid om kunstenaars al tijdens de studie deskundigheid bij te brengen gericht op het in eigen handen nemen van de verantwoordelijkheid voor de beroepscarrière. Zij vragen of de regering bereid is de Kamer hierover schriftelijk te informeren.

In de Nota naar aanleiding van het Verslag is het kabinet uitgebreid ingegaan op de wenselijkheid van een plan van aanpak als ijkpunt voor de beoordeling van de door de kunstenaar te realiseren progressieve ontwikkeling richting een renderende – al dan niet gemengde – beroepspraktijk als kunstenaar.

Het kabinet heeft daarbij betoogd dat een plan van aanpak geen goed ijkpunt kan zijn voor de progressie. Dit ondermeer vanwege het sterk individuele karakter van een dergelijk plan en het vaak ongewisse karakter van een kunstpraktijk – waardoor tussentijdse aanpassingen van de plannen eerder regel dan uitzondering zullen zijn – en ook vanwege de daaruit voortvloeiende uitvoeringslasten. Het kabinet heeft in zijn reactie tevens aangegeven dat in het bijzonder van academieverlaters niet verlangd kan worden dat zij al direct weten hoe zij een renderende – al dan niet gemengde – beroepspraktijk als kunstenaar denken te kunnen realiseren.

Bij een groot aantal van de kunstvakopleidingen wordt al op enigerlei wijze aandacht besteed aan de meer bedrijfsmatige kanten van de toekomstige beroepspraktijk. Vanuit het flankerend beleid wordt, zowel in overleg met de HBO-Raad als met afzonderlijke hogescholen, regelmatig gewezen op het belang van de planmatige aanpak van de beroepspraktijk. In veel gevallen is deze aandacht vervat in facultatieve modules; in andere gevallen, zoals in Groningen, wordt het belang van het volgen van deze modules al vertaald in het toekennen van studiepunten. Gelet op deze al bestaande praktijk is het naar de mening van het kabinet niet opportuun een en ander nader te regelen.

Voorlopige uitkering

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het verzamelinkomen er uit gaat zien van een kunstenaar die in 2005 een uitkering krachtens de WWIK ontvangt en tevens wordt geconfronteerd met brutering na omzetting in een uitkering om niet van de in de vorm van een geldlening uitbetaalde WIK in 2004.

De in 2005 in een uitkering om niet omgezette geldlening wordt belast als een eindheffingsbestanddeel. Dat wil zeggen dat wel loonbelasting over dit inkomen is verschuldigd, maar dat dit inkomen niet meetelt in het verzamelinkomen voor de inkomstenbelasting. De kunstenaar blijft hierdoor in 2005 gevrijwaard van cumulatie van zowel de belaste uitkering krachtens de WWIK over 2005, als de belastbare, in een bedrag om niet omgezette uitkering krachtens de WIK over 2004. Alleen de belaste uitkering krachtens de WWIK telt mee voor het inkomen ter vaststelling van de inkomstenbelasting.

Voor de inkomensafhankelijke subsidie- en kwijtscheldingsregelingen vormt het belastbare (verzamel)inkomen de berekeningsbasis. Aangezien de in 2005 gebruteerde uitkering WIK over 2004 niet wordt opgenomen in dit verzamelinkomen wordt de kunstenaar bij de inkomensafhankelijke regelingen niet geconfronteerd met gevolgen van de overgang van WIK naar WWIK.

In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie hoe met de beroepskosten van de kunstenaar wordt omgegaan merkt het kabinet op dat deze worden verrekend met de inkomsten over het jaar waarin deze beroepskosten zijn gemaakt. De kunstenaar weet zijn werkelijke jaarinkomen nadat de uitkeringsrechten WWIK over dat jaar definitief zijn vastgesteld. Overeenkomstig de wijziging van de WIK bij Wet van 9 juli 2004, Stb. 2004, 363, moet deze vaststelling plaatsvinden uiterlijk in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de uitkering is verleend en binnen acht weken nadat de kunstenaar de benodigde gegevens heeft geleverd.

Ondersteunend beleid

De leden van de PvdA-fractie zijn bezorgd over het feit dat de begeleiding binnen het W-deel van het WWB-budget plaats zal vinden. Zij stellen dat hierdoor extra activiteiten bij gemeenten worden neergelegd, zonder dat extra middelen ter beschikking worden gesteld en zelfs sprake zou zijn van een bezuiniging op het W-deel in 2005 en vragen hoe het kabinet denkt dat gemeenten de extra taken kunnen oppakken zonder extra middelen.

Het kabinet heeft in de Nota naar aanleiding van het Verslag aangegeven dat er per saldo geen sprake is van extra activiteiten. De reïntegratiekosten die de gemeente maakt zijn geen extra kosten. De bevoegdheid om aan een kunstenaar op zijn verzoek reïntegratiemiddelen toe te kennen die zijn gericht op gedeeltelijke arbeidsinschakeling, stelt de gemeente in staat al voordat er mogelijk sprake is van bijstandsafhankelijkheid een aanvang te nemen met het reïntegratietraject. Daarmee kan worden voorkomen dat een kunstenaar uiteindelijk een beroep doet op bijstand. Door deze bevoegdheid (geen verplichting) wordt de gemeente – in lijn met de systematiek van de WWB – in staat gesteld ook voor deze groep een efficiënt en effectief reïntegratiebeleid te voeren.

Er is geen sprake van een afgekondigde bezuiniging op het W-deel in 2005. Integendeel, het budget in 2005 is bijna € 20 miljoen hoger dan het beschikbare budget in 2004. Hierin is reeds rekening gehouden met een technische correctie die voor 2004 nog moet worden ingeboekt (overboeken uitvoeringskosten reïntegratie nug/anw naar gemeentefonds). Ten opzichte van de totale doelgroep waarvoor gemeenten voorzieningen uit het W-deel kunnen inzetten is het aantal kunstenaars met een WIK-uitkering marginaal zoals uit het onderstaande overzicht moge blijken.

Aantal kunstenaars dat op 1 januari 2004 een WIK-uitkering ontving

GemeenteAantalGemeenteAantalGemeenteAantalGemeenteAantal
Alkmaar72Breda112Hilversum41Den Bosch95
Almere18Eindhoven139Leeuwarden55Rotterdam360
Amsterdam818Enschede56Maastricht115Tilburg86
Arnhem253Groningen292Middelburg23Utrecht275
Assen15Haarlem105Den Haag349Zwolle73

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof