Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201629544 nr. 741

29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 741 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 26 augustus 2016

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 22 juni 2016 overleg gevoerd met de heer Asscher, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President, over:

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President d.d. 11 februari 2016 inzake reactie op een burgerbrief over de nieuwe regels rond de verrekening van inkomsten in de WAO;

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President d.d. 8 april 2016 inzake Kanker en werk (Kamerstuk 29 544, nr. 710);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President d.d. 29 april 2016 inzake hybride markt WGA (Kamerstuk 34 336, nr. 10);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President d.d. 27 mei 2016 inzake verlengen termijn garantieverklaring voor bestaande eigenrisicodragers WGA (Kamerstuk 34 336, nr. 11);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President d.d. 31 mei 2016 inzake integraal plan herbeoordelingen (Kamerstuk 26 448, nr. 569).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

De griffier van de commissie, Post

Voorzitter: Van der Burg

Griffier: Post

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Van der Burg, Pieter Heerma, Kerstens, Schut-Welkzijn, Ulenbelt en Van Weyenberg,

en de heer Asscher, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President.

Aanvang 14.02 uur.

De voorzitter:

Goedemiddag dames en heren, graag heet ik u allen van harte welkom bij dit algemeen overleg over arbeidsongeschiktheid. Ik heet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en zijn staf van harte welkom. Onze Kamerleden en de anderen heb ik al welkom geheten. Ik stel in eerste termijn een spreektijd van maximaal vijf minuten voor. Een van de leden is nog even haar tekst halen, dus we beginnen bij de heer Heerma van de CDA-fractie.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Die blij is dat hij zijn tekst wél meegenomen heeft!

Voorzitter. In mijn inbreng loop ik een aantal brieven langs die op de agenda staan. Ik ben grotendeels positief over wat er op de agenda staat en over wat de Minister ons gestuurd heeft.

Allereerst de brief van begin april over kanker en werk. Het is heel positief dat er een bredere pilot opgezet wordt. Het is mij echter onduidelijk wanneer deze precies van start gaat. Volgens mij is dat pas ergens volgend jaar. De discussie speelt echter al een tijdje. Kan de pilot dus niet toch eerder beginnen, mede naar aanleiding van het actieplan dat collega Van Weyenberg hierover eerder heeft gepresenteerd? In de brief wordt ook verwezen naar het SER-advies over chronische ziekten en verbeteringen in de ondersteuning vanuit de zorg. Volgens mij zou de Kamer nog voor de zomer hierop een reactie krijgen van deze Minister en de Minister van VWS. Ondertussen is het bijna zomer, dus wanneer kunnen we deze reactie tegemoetzien?

Dan kom ik te spreken over de brief van april over de harmonisatie, de knelpunten in het hybride WGA-stelsel (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten). Volgens mij worden daar goede stappen in gezet. Ook de laatste brief over de verlenging van de termijn voor de garantieverklaring van eigenrisicodragers is volgens mij een goede stap. Vlak voor dit AO zag ik nog een convenant dat gesloten is met het Verbond van Verzekeraars over al in de offertefase duidelijkheid bieden aan kleine en middelgrote werkgevers over wat er gebeurt met hun premies als iemand ziek wordt. Volgens mij is dit een heel goede zaak, want anders lopen we binnen dit stelsel het risico dat slecht geïnformeerde werkgevers kiezen voor het slechtste product voor de laagste prijs, met alle mogelijk grote consequenties van dien. Het is dus heel positief dat dit convenant is gesloten. Mijn vraag aan de Minister is wat hij gaat doen, ook al ligt het bij de sector zelf, om toch de vinger aan de pols te houden, opdat het in de praktijk ook gebeurt. Immers, kleine lettertjes in polisvoorwaarden zijn iets anders dan echt open transparantie vooraf dat er geen ongelukken mee gebeuren. Volgens mij stappen de meeste werkgevers niet in die val, maar het gebeurt wel en is volgens mij problematisch. Wat gaat de Minister dus doen om de vinger aan de pols te houden bij dit door mijn fractie positief beoordeelde convenant?

Het meest kritisch ben ik over de brief van 31 mei over het integraal plan voor de herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Er is daar veel en herhaaldelijk discussie over geweest in de Kamer, mede naar aanleiding van een initiatiefnota van mevrouw Schut. Een en ander eindigde in een motie. Eerder gaf de Minister aan dat het inderdaad stevig opgepakt moest worden, maar nu lijkt het toch dat hij terug is op zijn eerdere positie. Novag, de vakorganisatie voor verzekeringsartsen UWV, is in ieder geval erg kritisch en zegt dat de motie niet wordt uitgevoerd, omdat de professionele herbeoordelingen niet worden toegepast. Ik wil graag een reactie van de Minister op deze brief. Lopen we niet het risico dat we straks het slechtste van twee werelden hebben, namelijk dat de tekorten pas in 2018 worden ingelopen, dat er geen professionele herbeoordelingen komen en dat er ongekwalificeerde artsen worden ingezet om de keuringen te doen? Is de Minister tevreden over dit resultaat? Ik vond de reactie van Novag namelijk heel kritisch.

Ik krijg ook graag een reactie van de Minister op de voorbeelden die in die reactie worden aangehaald van mensen die bij beoordelingen een geschatte hersteltermijn krijgen van zes maanden waarbij de verzekeringsarts geen professionele herbeoordeling mag voorstellen. Novag schetst het risico dat deze mensen niet opnieuw worden gezien en dus jaren ten onrechte in de WGA blijven zitten terwijl ze eigenlijk kunnen herstellen. Ik hoor hier graag een uitgebreide reactie op van de Minister.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Voorzitter. Voorheen werd je aan je lot overgelaten als je arbeidsongeschikt was. Dat was in 2013 voor mij aanleiding om een initiatiefnota te maken om mensen te activeren uit hun arbeidsongeschiktheid. Het is mooi dat er nu een begin wordt gemaakt met het uitvoeren van die nota. Iedereen die nu arbeidsongeschikt raakt, wordt gevolgd. Er wordt contact gehouden en als wordt waargenomen dat er iets in de situatie verandert, wordt er een herbeoordeling gepland en uitgevoerd. Als blijkt dat mensen langdurig arbeidsongeschikt zijn, wordt aan die onzekerheid een einde gemaakt. Mensen die kunnen werken, gaan sneller aan het werk, want werk helpt bij verder herstel; we weten dat mensen die kortgeleden nog hebben gewerkt, meer kans hebben om weer aan de slag te gaan. Vorig jaar zei ik nog dat de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten eigenlijk een eindstation was geworden in plaats van een tussenstation. We verwachten dat het nu ingezette beleid een goede stap is om van de WGA weer een tussenstation te maken en meer mensen te laten uitstromen uit die WGA, zodat zij weer gaan werken zodra zij dat kunnen.

Toch heb ik nog een paar vragen over dit integrale plan. De motie van de VVD waar de brief uitvoering aan geeft, verzoekt de regering om zorg te dragen dat in de nabije toekomst alle arbeidsongeschikten in de WGA worden herbeoordeeld als de verzekeringsarts, hun werkgever of zijzelf daar aanleiding toe zien. In de brief staat echter niet expliciet dat ook wanneer de verzekeringsarts aanleiding ziet tot herbeoordeling zo'n herbeoordeling wordt uitgevoerd, de zogenoemde «professionele herbeoordeling». Ik neem toch aan dat dit beleid wordt voor alle nieuwe gevallen zodra de achterstanden zijn weggewerkt. Graag een reactie van de Minister.

Natuurlijk had ook ik het liefste gezien dat mensen niet zo lang aan hun lot waren overgelaten en dat het beleid eerder was herzien.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik heb een feitelijke vraag. Wij hebben de motie van mevrouw Schut destijds gesteund. Zij maakt nu onderscheid tussen nieuwe gevallen en bestaande gevallen. Zo heb ik haar motie en ook haar stevige optreden op dit dossier de afgelopen twee jaar echter nooit geduid. Is mevrouw Schut nu terug naar het punt dat het genoeg is als dit voor nieuwe gevallen gebeurt? Of wil zij nog steeds de professionele herbeoordeling over de gehele linie laten doen? Zo had ik haar namelijk tot nu toe begrepen.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

In mijn nota en in de motie staat dat we een nevenschikking willen tussen professionele herbeoordelingen en vraaggestuurde herbeoordelingen, dus herbeoordelingen die iedereen zelf kan aanvragen. Maar Rome is niet op één dag gebouwd; je kunt niet alles in één dag realiseren. We kunnen ook niet zomaar blikken artsen opentrekken. Dus ik ben blij dat het op termijn wel gaat gebeuren, maar zie ook in dat je het op korte termijn niet kunt realiseren.

De heer Van Weyenberg (D66):

Toen mevrouw Schut met dit plan kwam, heeft een aantal collega's gezegd dat het enige probleem was dat die artsen er niet waren. Ik begrijp nu dat zij eigenlijk zegt: ik vind het prima zo; ik was graag verdergegaan, maar ik neem hier mijn verlies. Is dat de conclusie?

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Dat er niets is gebeurd in het verleden heeft niet aan de VVD gelegen. Drie jaar geleden hebben wij dit onderwerp al op de agenda gezet. Er gebeurt nu in ieder geval iets en zelfs veel meer dan er in het verleden is gebeurd. We zullen er altijd op toezien dat dat beleid verder wordt doorgevoerd, maar je kunt niet alles in één keer bereiken.

De heer Pieter Heerma (CDA):

De VVD-fractie heeft hier in het verleden heel harde woorden over gesproken. Dan vind ik het antwoord op de vraag van collega Van Weyenberg «het heeft niet aan de VVD gelegen dat dit is opgebouwd», niet zo'n heel sterk antwoord. De discussie vanuit de VVD was namelijk altijd dat het probleem moest worden opgelost. Novag, een organisatie waarop de VVD zich in de debatten heel veel gebaseerd heeft, is heel erg kritisch over wat er nu voorligt. Het beeld dat naar voren komt uit de Novag-reactie is niet dat er heel veel gebeurd, maar dat er misschien iets gebeurt, dat echter niet voldoende is en zeker geen uitvoering geeft aan de motie van mevrouw Schut. Deelt de VVD-fractie de conclusie van Novag dat het te weinig is en niet in lijn met die motie die mevrouw Schut zelf heeft ingediend?

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Nee, ik deel die mening niet. Ik denk dat er veel meer gebeurt dan in het verleden het geval was. Ik houd mij aanbevolen voor iedereen, dus Novag maar ook het CDA of andere partijen, die op korte termijn betere oplossingen weet voor dit probleem. Ik zou ze ook zeker aanbevelen bij de Minister. In die zin denk ik dat er heel wat gebeurt, maar dat je niet alles in één dag voor elkaar krijgt.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Maar toen in alle eerdere debatten alle andere fracties stelden dat er een capaciteitsprobleem was, was het juist de VVD-fractie die zei: nee, helemaal niet; de maat is vol en er moet nu iets gaan gebeuren. Dan herhaal ik dus toch de vraag van de heer Van Weyenberg: is het niet zo dat de VVD-fractie hier in feite haar verlies neemt?

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Dat vind ik absoluut niet het geval. Er is gezegd dat het hele beleid van het UWV gaat veranderen. Nieuwe mensen, mensen die nu arbeidsongeschikt raken, worden volledig gevolgd en op hun geval wordt casemanagement toegepast. Als er iets verandert in hun situatie, worden zij herbeoordeeld. In het verleden werden deze mensen gewoon vijf tot tien jaar aan hun lot overgelaten. Er gebeurt nu dus heel wat. Laten we bekijken wat het effect is van dat beleid. Natuurlijk kan het altijd beter, maar ik vind het een heel goede stap.

De heer Ulenbelt (SP):

De VVD zei zojuist dat er nu «iets» gebeurt. De vraag is of dat iets het daglicht nog kan verdragen. Wil de VVD dan echt keuringen door mensen die er geen verstand van hebben?

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Als de heer Ulenbelt weet waar hij artsen vandaan moet halen of als hij op korte termijn artsen kan opleiden om het stuwmeer aan achterstanden weg te werken, dan houd ik mij aanbevolen, maar ik heb die oplossing niet.

De heer Ulenbelt (SP):

Dat is natuurlijk geen antwoord op mijn vraag. Het gevolg van wat er nu gebeurt, is dat mensen gekeurd worden door mensen die daartoe geen opleiding hebben. Slechts twintig dagen opleiding krijgen ze, terwijl er voor deze opleiding vier jaar staat. Dat kan de VVD toch niet accepteren? De artsen geven wel een oplossing aan, namelijk het papierwerk delegeren aan anderen. Daar zijn pilots over geweest. Het werkt veel beter, dus dat is de oplossing.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Dat is een oplossing die ik deel met zowel Novag als de SP. Ik heb nog wel de vraag in hoeverre het nu al is uitgevoerd. In die zin deel ik dat dit de oplossing is. Maar ik denk dat we hier moeten praten over en-en. Er is niet één weg die naar Rome leidt; je moet een aantal wegen bewandelen om het stuwmeer aan achterstanden in te lopen.

Voorzitter. Ik had ook het liefste gezien dat mensen niet zo lang aan hun lot waren overgelaten en dat het beleid eerder was herzien. De vijfjaarstoets wordt nu herzien. Daarin wordt gezegd dat in de toekomst nog maar één op de zeven mensen wordt herbeoordeeld. We willen niet dat het aantal beoordelingen dat geraamd wordt als een soort quotum dient, waardoor mensen die vijf jaar niet gezien zijn, tussen wal en schip vallen. Kan de Minister bevestigen dat dit niet het geval zal zijn?

De eerste twee jaar zijn nu gericht op het wegwerken van de achterstanden in de herbeoordelingen. Dat is de grootste noodzaak volgens de VVD, want al die herbeoordelingen in dat stuwmeer moeten worden uitgevoerd door verzekeringsartsen en we willen geen van allen dat de WIA een tweede WAO wordt. Helaas kan de Minister geen ijzer met handen breken. Ik heb het hem in ieder geval nog nooit zien doen. Hij kan niet als een soort Hans Klok een batterij verzekeringsartsen uit een hoge hoed toveren. Iedereen die dat wel kan, mag zich wat mij betreft bij de Minister melden, want ik kan het ook niet.

De verzekeringsartsen hebben veel kritiek geuit op het plan. Zij liggen continu in de clinch met het UWV. Ik heb echter het idee dat de verzekeringsartsen, het UWV, de Minister en de Kamer uiteindelijk hetzelfde doel hebben en hetzelfde willen bereiken: bekijken of mensen weer kunnen werken en bekijken of ze rechtmatig een uitkering krijgen. De verzekeringsartsen zelf denken dat zij tot veel meer herbeoordelingen zouden komen als ze een medisch secretaresse hadden. De Minister geeft in het plan van aanpak wel aan dat taakdelegatie voor het UWV de nieuwe norm wordt. Wat is volgens de Minister eigenlijk het probleem van de verzekeringsartsen? Kan de Minister de Kamer toezeggen dat hij gaat bevorderen dat er een einde wordt gemaakt aan de jarenlange strijd tussen het bestuur van het UWV en de verzekeringsartsen, zodat we met elkaar gaan zorgen dat mensen worden gevolgd en een herbeoordeling krijgen als dat nodig is?

Ten slotte. Werkgevers en verzekeraars zijn bezig met de invoering van de Wet verbetering hybride stelsel WGA. De VVD was daar een groot voorstander van, zoals bekend. We hopen dan ook dat verzekeraars zich nu echt gaan bewijzen op het gebied van re-integratie. De eerste tekenen daarvan zijn al te zien. Keerpunt, een privaat bureau dat zich bezighoudt met re-integratie, heeft deze week laten zien dat de kans op instroming in de arbeidsongeschiktheid in de WGA daar 47% lager ligt dan bij het UWV. Twee derde van de re-integratietrajecten daar is succesvol. Wat kan het UWV daarvan leren, vraag ik de Minister. Gaat hij dat beleid ook bij het UWV invoeren?

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter. Ik begin met het onderwerp kanker en werk. De Minister gaat een bredere no-riskpolispilot doen voor gevallen van chronisch ziek zijn. Ik ben hier buitengewoon blij mee en dat zal de Minister niet verrassen. Rond de zomer zullen we ook een AMvB ontvangen over hoe een en ander eruit gaat zien. Ik heb hier nog wel een paar vragen over. Ten eerste. De pilot wordt beperkt tot het vangnetters die 52 weken ziek zijn. Als iemand een tijdelijk contract heeft dat na 30 weken afloopt, kan dan zijn werkgever als hij die persoon in dienst wil houden, ook in aanmerking komen voor die no-riskpolis? Dat zou ik mooi vinden.

Ten tweede. Waarom wordt de pilot niet toegepast op mensen in het tweede ziektejaar indien een andere werkgever bereid is om ze in het tweede spoor een kans te geven? Volgens mij is dat, net zoals mijn eerdere punt, een manier om in de pilot ook met dit soort zaken ervaring op te doen.

Ten derde. Ik wil in dit verband ook aandacht vragen voor jonge kankerpatiënten, die nog met hun opleiding bezig waren of nog maar heel kort werkten toen ze ziek werden. Zeker als ze nog geen werkervaring hebben, zijn ze vaak niet bekend bij het UWV. Als het een beetje tegenzit, worden ze ook geen vangnetter. Hoe zorgen we ervoor dat deze groep niet wordt vergeten? Immers, het verliezen van je werk is erg, maar überhaupt nooit aan werk kunnen beginnen, is ook een groot probleem. Ik vraag de Minister heel concreet om bij de uitwerking van de AMvB ook contact op te nemen met het Nationaal AYA Platform, om te bekijken hoe we in de pilot ook voor deze groep, die helaas groeiende is, ervaring op kunnen doen.

Verder heb ik nog één feitelijke vraag. Ik begrijp toch goed dat het gaat om mensen die 52 weken ziek zijn en niet om mensen die 52 weken vangnetter zijn en soms al veel langer thuiszitten? Begrijp ik dat zo goed?

Tot slot op dit punt. De Minister is ingegaan op een aantal punten uit de twee actieplannen van D66, maar op enkele punten heb ik nog geen appreciatie gezien. Misschien is er een misverstand. Ik doel op één informatieportaal, een businesscase voor het UWV voor re-integratie zodat het ook voor vangnetters expertise kan inkopen, het probleem dat mensen met een kankergeschiedenis zich niet kunnen verzekeren en de rol van de overheid als werkgever. Ik wil de Minister vragen om voor 1 september nader in te gaan op deze vier punten. Tenzij ik het gemist heb, zijn er op deze punten nog geen vervolgacties van de Minister aangekondigd en is er ook geen appreciatie ontvangen.

Wat betreft de herbeoordeling sluit ik mij aan bij de gestelde vragen. Waarom wordt het het UWV verboden om verzekeringsartsen al een herbeoordeling te laten inplannen bij de groep WGA 35-80 of WGA 80-100 arbeidsdeskundig, als je weet dat dit toegevoegde waarde heeft? Waarom is er niet gekozen voor die assistente? Verder sluit ik mij op dit punt aan bij alle andere vragen.

Tot slot kom ik te spreken over het SER-advies over loondoorbetaling bij ziekte en het initiatief van de heer Heerma. De zomer is begonnen, vandaag ook zowaar echt, als je naar buiten kijkt. De SER zou dan ongeveer klaar zijn. Wat wordt nu het tijdpad? Een van de dingen die de Kamer heeft gevraagd, is of de variant van de heer Heerma – ik noem het toch maar even zo – ook echt zal worden doorgerekend en terug zal komen. Mocht de SER nu vertragen, wat ik niet hoop, zou de Minister dan op een andere wijze kunnen borgen dat we die doorrekening door het CPB van de SER-variant wel op 1 september hebben? Dan kunnen we er allemaal ons voordeel mee doen. Ik gok dat ook de heer Heerma daar nieuwsgierig naar is. Ik vraag dit voor het geval dat we het op dat moment niet terug kunnen lezen in een afgerond SER-advies. Daar hadden we de vraag gesteld, maar ik maak me daar wat zorgen over het tijdspad.

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. Vorig jaar tijdens een overleg over arbeidsongeschiktheid en beroepsziekten heeft de Minister beloofd om een gesprek aan te gaan met het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB), om te komen tot een verbeterde registratie van beroepsziekten in Nederland, op een manier dat de arbeidsinspectie er iets mee kan. We hebben daar nog niets van gehoord. Ik ben heel erg benieuwd waarom niet en wanneer die reactie dan wel komt.

We krijgen weleens anonieme post. Vorige week zat daar bij mij het opleidingsplan in voor de basisartsen van het UWV. Toen ik dat las, schrok ik mij een hoedje. Hoe kun je nu iemand in 28 dagen, waarvan 15 dagen e-learning, opleiden om herbeoordelingen te gaan uitvoeren? Herbeoordelen is een nauwkeurige kwestie waar een opleiding van vier jaar voor staat. Dit kán niet. Het is dan ook terecht dat vanochtend de vakbond van verzekeringsartsen zijn collega's adviseert om er niet aan mee te doen, om niet te contrasigneren. De vakbond wijst daarbij op tuchtrechtelijke aspecten, dus meer beroepszaken. Wil de Minister de manier van keuren die het UWV op dit punt wil, ter toetsing wil voorleggen aan de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), om te bezien of het zo wel kan? Ik denk namelijk dat de verzekeringsartsen gelijk hebben.

Ik heb gesproken met de voorzitter van deze bond. Hij wijst erop dat er een heel andere oplossing mogelijk is, namelijk delegatie van administratieve taken van de verzekeringsarts aan ander personeel. Dit is al uitgeprobeerd in pilots. Die bleken efficiënt; het was een succes. Ik snap werkelijk niet waarom is gekozen voor een oplossing in strijd met medische zaken. Daar ziet het tenminste wel naar uit. Waarom wordt er niet voor gekozen om op die andere manier de herbeoordelingen te doen? Een herbeoordeling moet namelijk in de eerste plaats goed zijn. Als het niet goed kan, moeten we er wat mij betreft maar langer over doen. Bovendien hebben deze mensen maar een jaarcontract; het zijn flexibele baantjes. Daar is de Minister toch ook niet erg van geporteerd? Dat lijkt me een extra argument om voor de oplossing van delegatie te kiezen. Heel concreet is mijn vraag: wil de Minister die weg opgaan, wil hij de professionaliteit en vaktrots van de verzekeringsartsen waarderen en een oplossing kiezen waarmee zij kunnen werken en die zicht biedt op eerlijke en fatsoenlijke herbeoordelingen?

De heer Kerstens (PvdA):

Voorzitter. Ik begin met het verontschuldigen van mijn collega Tanamal. Wie haar een beetje kent, weet dat zij het liefste vanmiddag hier had gezeten. Maar helaas is zij door een fikse griep geveld en heeft zij mij gevraagd om als stand-in. De aanwezigen moeten het dus vanmiddag met mij doen.

Ziek worden, niemand vraagt erom. Soms ben je met een dag of wat weer de oude, zoals collega Tanamal, maar soms is het letterlijk het begin van een lange lijdensweg, lichamelijk, psychisch en regelmatig ook in je portemonnee. Aandacht voor ziekte en voor arbeidsongeschiktheid en vooral voor de mensen die dat treft, is dan ook van groot belang. Ik ben dus blij met het, zij het voetje voor voetje en stap voor stap, weer langzaamaan terugkeren van wat ik maar de «menselijke maat» noem in de contacten die de overheid en overheidsinstanties met burgers hebben. We zien het bij het weer introduceren van een meer persoonlijke begeleiding van oudere werkzoekenden. Dat is de kern van de diverse decentralisaties, waarbij gemeentes de regie krijgen omdat ze het dichtste bij hun inwoners staan en dus geacht worden om maatwerk te kunnen leveren. En we zien het nu ook hier, in de contacten met mensen die langdurig arbeidsongeschikt zijn.

De Partij van de Arbeid heeft waardering voor het feit dat de Minister de in de loop der jaren ontstane achterstanden bij het UWV waardoor mensen letterlijk uit beeld raakten, oppakt en aanpakt. We zien dat er forse extra inspanningen worden gepleegd en dat die resultaat gaan hebben, zij het niet van de ene op de andere dag, zoals zojuist al werd gezegd.

Specifieke aandacht vraag ik voor de positie van mensen die voorlopig, tijdelijk 80% tot 100% WGA zijn afgekeurd. Ik wil ervoor pleiten om mensen van wie het eigenlijk al helder is dat zij blijvend volledig arbeidsongeschikt zijn, sneller te laten instromen in de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA). Dat maakt een einde aan onzekerheid bij betrokkene en is wellicht ook vanuit de anders benodigde keuringscapaciteit effectiever. Heeft de Minister, eventueel bij benadering, in beeld om hoeveel mensen het hier gaat? Is hij bereid om over mijn suggestie na te denken?

Ik vraag de Minister ook wat hij gaat doen als de nu voorliggende prognoses niet worden gehaald en de achterstanden blijven bestaan. Trekt hij dan alsnog een blik artsen open? Zijn er andere creatieve oplossingen te bedenken? Eén daarvan is zojuist al de revue gepasseerd: het delegeren van werkzaamheden. Of is het een mogelijke volgende stap om in bepaalde gevallen van keuring of herbeoordeling af te zien omdat we anders achter de feiten aan blijven lopen? Ik noem in dit verband bijvoorbeeld de oudere Wajongers of de groep jongeren die vooralsnog in het zogenoemde doelgroepregister in het kader van de afspraken over 125.000 banen zijn geplaatst. Graag krijg ik hier wat meer informatie over van de Minister. Welke andere mogelijkheden ziet hij nog als de prognoses niet worden gehaald?

De Partij van de Arbeid wacht met interesse de reactie af van het kabinet op het door de SER medio maart uitgebrachte advies over hoe mensen met een chronische ziekte aan het werk blijven of komen. Dat advies komt, zo lezen we, nog voor het zomerreces. Wij zijn in ieder geval blij met de op te starten pilot over een no-riskpolis voor een bepaalde groep kankerpatiënten en andere zogenoemde vangnetters, als ook met de andere stappen – de heer Van Weyenberg refereerde er net al aan – die de Minister heeft gezet of wil gaan zetten om de positie van voormalig kankerpatiënten op de arbeidsmarkt te verbeteren. Dat is hard nodig en het is goed dat er nu wat extra's gebeurt op dit punt.

In de stukken die we voor vandaag met betrekking tot de hybride WGA-markt hebben ontvangen, lezen we ook dat de maximumpremie voor de uitzendbranche lager wordt. Graag hoor ik van de Minister meer over waarom dit gebeurt. Er wordt heel in het kort iets over gezegd in de stukken, maar dat is me, met alle respect uiteraard, toch nog iets te vaag. Ik ben er geen voorstander van om de prijs van flexibele arbeid nog verder te verlagen en zo een normaal arbeidscontract kunstmatig duurder te maken. We zouden juist moeten streven naar meer vastigheid en meer perspectief voor mensen in arbeidscontracten. Graag hoor ik van de Minister wat meer informatie over waarom hij voornemens is om die premie voor de uitzendbranche te verlagen.

Samen met mijn collega mevrouw Tanamal heb ik een tijdje terug schriftelijke vragen gesteld over de diverse signalen rondom asbest in de bakkersbranche. Graag hoor ik van de Minister wanneer we de antwoorden daarop tegemoet kunnen zien.

Ook heb ik vragen gesteld over het feit dat uitkeringsgerechtigden in Tilburg in het kader van re-integratieactiviteiten zijn blootgesteld aan chroom-6 en daarbij mogelijk schade aan hun gezondheid hebben opgelopen. De antwoorden op die vragen zijn inmiddels binnen. Daarin kunnen we lezen dat er inmiddels van alles gebeurt in de richting van betrokkenen. Dat is op zich positief nieuws natuurlijk, maar ik wil de Minister in aanvulling daarop toch vragen om eens met zijn Staatssecretaris om tafel te gaan zitten om te bekijken op welke wijze er bijvoorbeeld richting gemeentes extra aandacht kan worden besteed aan aspecten rondom arbeidsomstandigheden, veiligheid en gezondheid in het kader van dergelijke re-integratieactiviteiten. Ik vang in het land weleens vaker signalen op dat dat beter zou kunnen en moeten. Re-integratieactiviteiten zijn bedoeld om de kans op arbeid te vergroten, niet de kans op arbeidsongeschiktheid.

De vergadering wordt van 14.29 uur tot 14.40 uur geschorst.

Minister Asscher:

Voorzitter. De afgelopen periode is veel lof, maar minstens evenveel kritiek geuit op het stelsel van arbeidsongeschiktheid dat we in Nederland kennen. Het stelsel kent stevige verplichtingen, die soms schuren met het ondernemerschap, maar juist door die verplichtingen zijn we erin geslaagd om onnodig ziekteverzuim aanzienlijk terug te dringen. Voor anderen is de bescherming vaak veel minder goed geregeld. Het valt niet altijd goed uit te leggen waarom dat zo is. De komende tijd staan we voor de opgave om het stelsel weer toekomstbestendig te maken, waarbij we ervoor moeten zorgen dat het kind niet met het badwater wordt weggegooid. Om die reden heb ik vorig jaar naar aanleiding van ons begrotingsdebat aan de SER gevraagd om met superspoed een advies uit te brengen over een sluitend stelsel voor een inkomenswaarborg tijdens ziekte voor zowel werknemers als zelfstandigen.

Sinds ons vorige algemeen overleg is er veel gebeurd op dit terrein. De stapjes die zijn gezet zijn vaak klein maar wel degelijk belangrijk. Voorbeelden daarvan zijn de verschillende initiatieven op het gebied van kanker en werk – D66 is daar in de Kamer over begonnen – en het wetsvoorstel over de verbetering van de hybride WGA-markt, dat aan de Kamer is aangeboden. Door dat soort mooie stappen wordt ons stelsel een beetje beter gemaakt.

Twee jaar geleden kwam er aandacht voor het idee om met patiënten, werkgevers, werknemers en wetenschappers een actieplan Kanker en Werk te initiëren. Het is goed om te zien dat er heel veel initiatieven zijn ondernomen op dat gebied, want samen kunnen we het taboe doorbreken dat toch nog rust op werken met kanker.

Samen kunnen we er ook voor zorgen dat de hybride WGA-markt weer goed gaat werken. Zowel private als publieke instanties als werkgevers spannen zich in om die markt weer optimaal te laten functioneren. Vanaf 1 januari 2017 moeten werkgevers voor hun totale WGA-lasten kiezen voor hetzij een publieke verzekering, hetzij een eigen risico. Die aanpassing verbetert de verhouding tussen publiek en privaat en draagt daardoor bij aan een evenwichtiger hybride stelsel. Zo komt de focus meer op de re-integratie van zieke en gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers te liggen en dat willen we.

Ik zal eerst het een en ander zeggen over het onderwerp kanker en werk, dan over het integraal plan herbeoordelingen, dan over loondoorbetaling bij ziekte, dan over het convenant over verzuimverzekeringen, en ten slotte over een aantal losse punten. Zoals gezegd is het onderwerp kanker en werk twee jaar geleden door de heer Van Weyenberg op de agenda gezet. Dat kon ook rekenen op grote steun van de andere partijen. Ik heb toen een werkgroep met stakeholders ingesteld. Die werkgroep heeft verkend waar mensen die kanker hebben of hebben gehad, tegen aanlopen als zij aan het werk willen. Ik heb daarvan geleerd dat er nog een wereld te winnen is. Dat komt niet doordat er in de praktijk niets gebeurt met dit thema. Integendeel: er wordt heel veel onderzoek gedaan en er zijn prachtige projecten en initiatieven om patiënten en werkgevers te ondersteunen. Kanker is en blijft echter een beladen onderwerp. Het taboe dat nog altijd rust op werken met kanker wil ik doorbreken. Dat doe je nooit in één keer en dat doe je ook niet zomaar, want de problematiek blijkt heel weerbarstig te zijn. Om daar meer grip op te krijgen heb ik onderzoek laten doen bij werkgevers en werknemers. De centrale vraag daarvan was: waar loop je tegen aan en hoe is daarmee omgegaan? Dat onderzoek is recentelijk opgeleverd. Ik zal het de Kamer nog voor het reces aanbieden, waarbij ik me realiseer dat dat echt al snel is.

Door het onderzoek wordt bevestigd dat werken met kanker nog een taboe kan zijn en dat het lastig is om erover te praten, zowel voor de werkgever als voor de werknemer. Het gebeurt vaak dat mensen hun baan verliezen als gevolg van kanker. Er zijn ook mensen die in een andere baan aan de slag gaan wanneer hun oude werk te zwaar is geworden. Ik heb ook mensen horen zeggen dat zij door hun werk juist weer grip op hun leven hebben gekregen en dat zij daarin bijzonder goed zijn gesteund door hun werkgever. Er zijn gelukkig dus ook succesverhalen. Ik wil met de werkgroep bekijken hoe we die positieve en negatieve ervaringen zo kunnen gebruiken dat werknemers en werkgevers die daarmee te maken krijgen, niet iedere keer zelf het wiel hoeven uit te vinden.

Er komt ook een experiment met de vervroegde inzet van de no-riskpolis. De Kamer refereerde daar al aan. Ik verwacht dat dit in het eerste kwartaal van 2017 kan. Aanvankelijk wilde ik het experiment beperken tot kankerpatiënten alleen, maar dat bleek om organisatorische en uitvoeringstechnische redenen niet uitvoerbaar voor het UWV. We hebben daar eerder over gesproken. Ik heb toen besloten om de pilot niet alleen te richten op kankerpatiënten, want de kans was groot dat er dan onvoldoende basis zou zijn voor een onderzoek, waardoor je er te weinig van zou leren en je ook geen betrouwbare gegevens zou hebben. Je zou er dan weinig aan hebben. We willen het experiment daarom verbreden tot alle vangnetters die 52 weken ziekengeld hebben gehad en die toekomen aan de eerstejaarsbeoordeling.

Ik heb de AMvB die de pilot mogelijk maakt recentelijk aangeboden aan het UWV, zodat men daar kan kijken naar de uitvoerbaarheid. Daarna zal ik de AMvB voorhangen bij de Tweede en de Eerste Kamer, zodat er alle gelegenheid is om daarop te reageren en om daar vragen over te stellen en opmerkingen over te maken. We hebben daar met het UWV naar gekeken, ook met het oog op de uitvoerbaarheid. Er moet een juridische basis worden gelegd in de vorm van de AMvB die ik net noemde. Het lukt niet om dat sneller te doen, want de vereiste stappen moeten worden doorlopen; je hebt een AMvB nodig, je moet het hele proces door en het moet uitvoerbaar zijn. Maar als we het op deze manier doen en het wordt een succes, dan hebben we wel echt een basis om op te kunnen doorgaan. Het is dus bepaald geen onwil. Ik heb al heel veel energie in dit onderwerp gestoken. We willen echt tot een goede pilot komen.

Er werd gevraagd wanneer er een kabinetsreactie komt op het advies van de SER over chronisch zieke werkenden. Dat advies dateert van maart dit jaar. Het is gevraagd door mijn collega van VWS. Zij heeft dus ook het voortouw bij het opstellen van de reactie op dat advies. We doen ons best om dat nog voor het reces aan de Kamer aan te bieden. Anders wordt het in september.

De heer Van Weyenberg heeft een aantal suggesties gedaan en vragen gesteld over het gebruik van de no-riskpolis. Die zijn allemaal logisch en begrijpelijk. Hij vroeg naar jonge kankerpatiënten, het tweede spoor en wilde weten of het ook kan als iemand daar geen 52 weken in zit. Dat zijn allemaal logische en begrijpelijke elementen, maar ik wil proberen om dit experiment op een vrij overzichtelijk ingedeelde basis in te richten, zodat we het snel in uitvoering kunnen brengen. Ik realiseer me dat het eerste kwartaal van 2017 niet voor iedereen snel klinkt, maar voor de uitvoeringspraktijk is dat wel snel. Ik wil ervoor zorgen dat het zo betrouwbaar mogelijke gegevens gaat opleveren, zodat we weten of dit leidt tot een verhoogde arbeidsparticipatie. Ik kan mij heel goed voorstellen dat alle varianten die genoemd zijn, in de fase daarna van belang kunnen zijn, maar ik vrees dat we het experiment verzwaren en dat het wellicht niet snel genoeg kan worden uitgevoerd als we er nu dingen aan toevoegen. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het neerleggen van de no-riskpremie bij de andere werkgever; dat heeft misschien weer effect op de prikkel. Daar kun je ook mee gaan experimenten, maar ik zou nu eerst willen bekijken of de no-riskpremie in deze vorm kan bijdragen aan meer arbeidsparticipatie. Als dat zo blijkt te zijn, zijn we al een hele stap verder. Wat mij betreft kunnen die logische uitbreidingen daarna zeker worden overwogen. We kunnen hier bij de behandeling van de AMvB natuurlijk over doorpraten. Het is geen harde njet, maar ik wil de Kamer wel meegeven hoe ik erover denk.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik snap de worsteling van de Minister. Hij wil tempo maken en hij wil iets hebben waaraan straks wetenschappelijke conclusies kunnen worden verbonden, maar tegelijkertijd hebben we allemaal de neiging om de problemen die we zien, zo veel mogelijk daarin te laten meenemen. Ik begrijp nu van de Minister dat je 52 weken ziek moet zijn en dat je niet 52 weken vangnetter hoeft te zijn. Mijn vraag ging specifiek daarover. We komen hier nog op terug in het kader van de pilot, maar ik wil de Minister vragen om bij het voorbereiden van de AMvB nog eens het gesprek aan te gaan met het platform van aanjagers, en om te bekijken wat kan. Dingen die niet kunnen, kunnen niet, maar dan hebben we in ieder geval maximaal verkend wat wel kan zonder het doel van het experiment – dat is wat mij betreft het vertrekpunt – in de wielen te rijden.

Minister Asscher:

Natuurlijk. Zo zit ik er ook in. Het heeft tijd gekost voordat we samen met het UVW tot de constatering kwamen dat een experiment alleen toegespitst op kankerpatiënten niet zou gaan werken omdat er dan onvoldoende basis zou zijn voor een deugdelijk experiment. We hebben vervolgens de steven gewend naar deze variant. Ik wil die zo snel mogelijk, maar ook goed uitvoerbaar realiseren. Vanzelfsprekend ben ik bereid om het gesprek daarover te voeren. Als het «no regret» is, wil ik het met liefde doen. Je hoopt natuurlijk dat het een aanvulling kan zijn om mensen in deze positie sneller weer aan het werk te krijgen. Zo simpel is het. Ik denk dat we dat eerst moeten zien te bewijzen en dat we het daarna verder moeten uitrollen en groter moeten maken. Er kunnen dan ook dingen aan toe worden gevoegd. Als dat in deze fase al kan, ben ik daar niet tegen, maar de randvoorwaarden met betrekking tot de uitvoerbaarheid en de snelheid waarmee de pilot kan worden gestart, blijven hetzelfde.

De voorzitter:

De heer Van Weyenberg in tweede instantie.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dit is helemaal helder. Ik dank de Minister voor zijn bereidheid om het gesprek daarover aan te gaan en daarnaar te kijken. Wat niet kan, kan niet, als dat het experiment in de weg staat. Maar wat wel kan, moet wel gebeuren.

Minister Asscher:

Ik kom te spreken over het integraal plan herbeoordelingen. We hebben op 25 november 2015 daarover gesproken. Ik heb toen toegezegd om daarmee te komen. Een taskforce van ambtenaren van SZW en het UWV is aan het werk gezet om dat plan op te stellen. Met de brief van eind mei heb ik het aan de Kamer gestuurd. Ik wilde dat ooit in maart doen, maar het werd dus eind mei.

Bij de uitwerking bleek dat het probleem van het tekort aan verzekeringsartsen hardnekkiger was dan aanvankelijk gedacht en dat het breder speelde dan alleen bij de WIA-herbeoordeling. Vanaf 2018 is de balans tussen de vraag naar de inzet van verzekeringsartsen en de beschikbare capaciteit van verzekeringsartsen weer hersteld. In de eerste plaats gaat het om een aantal maatregelen die ik in de brief van februari reeds heb aangekondigd. Doordat het aantal artsen is uitgebreid en doordat er in 2016 meer met taakdifferentiatie wordt gewerkt, zullen er dit jaar 10.000 extra herbeoordelingen worden uitgevoerd. Het integrale plan voegt daar nog een aantal maatregelen aan toe. Bovendien wordt een en ander in een bredere context geplaatst waarbij rekening wordt gehouden met de tijd en de soort herbeoordeling die moet plaatsvinden. Het gaat om maatregelen als het uitstellen van de beoordeling banenafspraak van enkele specifieke groepen, een andere invulling van de vijfdejaarstoets, extra dienstverlening voor het instroomcohort 2012 in de WIA, aanpassing van de voortgezette werkregeling in de Wajong, verbeterd casemanagement in de WIA en een latere invoering van het arbeidsmogelijkhedenadvies. De implementatie van de diverse maatregelen en het wegwerken van de achterstanden vergen een hele hoop werk. Ik zal de Kamer medio oktober de eerste rapportage toesturen.

Het CDA heeft mij gevraagd om te reageren op de brief van de Novag aan de Kamer, die in de krant van vandaag ook werd geparafraseerd. Die vraag werd geëchood door de SP. Het is helder dat mijn opdracht aan het UWV om dit jaar 10.000 extra herbeoordelingen uit te voeren, een enorme druk zet op die organisatie. Dat voelt iedereen binnen het UVW, dus ook de Novag. Het UWV denkt dat het te doen is. Ik heb daar niet voor niets uitgebreid met de mensen van het UWV over gesproken, voordat ik het in februari aan de Kamer heb gemeld. Ik vertrouw op dat oordeel.

De achterstanden en het tekort zijn zo groot dat ik het gerechtvaardigd vind om te kijken naar andere werkwijzen. Natuurlijk had ik ook liever gezien dat alleen gespecialiseerde verzekeringsartsen de herbeoordeling zouden doen. Ik snap dat de inzet van basisartsen met argusogen wordt gevolgd door de gespecialiseerde verzekeringsartsen. In die fase zitten we nu. Het UWV gaat het gesprek met de eigen artsen aan om uit te leggen hoe het dit wil doen en hoe de kwaliteit van het werk geborgd kan worden. Ik wil het UWV de tijd en de gelegenheid geven om dat gesprek te voeren. Het werk moet echter wel gedaan worden, dus ik houd de vinger aan de pols. Ik onderhoud nauw contact met het UWV en ik zal de Kamer uiteraard op de hoogte houden. Ik ga nu dus niet reageren op de inhoud van de brief, want ik ben van mening dat de artsen en het UWV hier samen over moeten praten. Zij zullen samen een oplossing moeten vinden, want dat werk moet daar worden gedaan. Ik zal de Kamer in september laten weten wat daaruit is gekomen. Het is inderdaad niet de eerste keer dat er wat licht te zien is tussen de opvatting van de Novag en het UWV. Ze zullen hier wel samen moeten uitkomen om deze opgave te kunnen waarmaken.

De heer Pieter Heerma (CDA):

In de brief van eind mei wordt over 50 basisartsen en 14 verpleegkundigen gesproken. De pilot ging over taakdifferentiatie. In andere takken van de zorg, bij huisartsen maar ook in ziekenhuizen, zie je dat de inzet van praktijkondersteuners en nurse-practitioners goede resultaten oplevert en dat het ook vaak kostenbesparend werkt. De zorgverzekeraars die daar onderzoek naar doen, zien dat de kosten hier voor de baten uit gaan. Is er nagedacht over de vraag of het verschuiven van taken naar verpleegkundigen, taakdifferentiatie dus, tot betere resultaten zou kunnen leiden? Is dat onderzocht?

Minister Asscher:

We doen het allebei. We kijken naar taakdifferentiatie en -delegatie en we kijken naar de inzet van meer artsen. Gezien de huidige problematiek moeten we het allebei doen. Als je de achterstanden in 2018 wilt hebben weggewerkt – de opdracht van de Kamer was om dat nog sneller te doen; het is dus moeilijk zat – dan zul je het allebei nodig hebben. Er moeten dan extra artsen bij komen en je moet dan op een verantwoorde manier, lerend van andere gebieden in de zorg, blijven kijken naar mogelijkheden om via taakdifferentiatie en -delegatie meer capaciteit te krijgen. Het zit er allebei in. Als iemand een gouden idee heeft over hoe je daar meer kunt uithalen, dan sta ik daar zeer voor open. Deze discussie wordt hier niet uit luxe gevoerd; deze discussie moet echt gevoerd worden om ervoor te zorgen dat er capaciteit is om voldoende herbeoordelingen uit te voeren.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Novag gaat heel expliciet in op het wegvallen van de professionele herbeoordeling. In de motie staat dat op aangeven van de verzekeringsarts wordt herkeurd, maar dat is in de uitwerking weggevallen. Waarom is daarvoor gekozen? Waarom is ervoor gekozen om de professionele herbeoordeling te laten vervallen?

Minister Asscher:

Die is niet vervallen, maar er is sprake van prioritering. Op dit moment is het vanwege een tekort aan verzekeringsartsen nodig om te prioriteren. Zodra de capaciteit weer beter in balans is, zal een dergelijke prioritering niet meer nodig zijn. Het doel is alle herbeoordelingen te laten doen indien daartoe aanleiding is. Dat betekent dus niet dat herbeoordelingen worden verboden, zoals D66 zei. Prioritering kan wel betekenen dat professionele herbeoordelingen soms later worden gedaan, dat is waar. Dat is echter een noodzaak, gegeven de huidige situatie.

De heer Ulenbelt (SP):

De Minister zegt: vinger aan de pols houden en in september nadere berichten. Een vinger aan de pols houden redt het leven van een patiënt echter niet. Je weet alleen hoe het gaat. We hebben de verhalen gehoord en we hebben de reacties gezien. Ik heb de Minister gevraag om dit voor te leggen aan de KNMG, gewoon om te zien of de professionele standaards worden gehanteerd. Als dat niet kan, en daar ziet het naar uit, is de Minister dan bereid om te zeggen: dan die 10.000 dit jaar maar niet?

Minister Asscher:

De beroepsvereniging van de verzekeringsartsen is de NVVG (Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde). Dat is een onderdeel van de KNMG. De NVVG is met het UWV in gesprek over de inzet van basisartsen. De NVVG heeft haar twijfels geuit en uiteraard heeft het UWV hierop gereageerd. Dus ja, het moet op een zorgvuldige manier gebeuren. Het UWV heeft het zodanig georganiseerd dat men meent dat het op een goede manier kan. De basisarts krijgt een opleiding van twee maanden, gericht op het doen van deze herbeoordelingen, begeleid door geregistreerde verzekeringsartsen. Er wordt pas voor akkoord getekend als de verzekeringsarts ervan overtuigd is dat de herbeoordeling op de juiste manier is uitgevoerd. Juist omdat het UWV en Novag met elkaar in gesprek gaan, wil ik nagaan of het een toegevoegde waarde kan hebben om dit additioneel nog voor te leggen aan de KNMG, waarvan de NVVG dus een onderdeel is. Ik denk dat wij het in deze zaal erover eens zijn dat een herbeoordeling kwalitatief op orde moet zijn en zorgvuldig moet gebeuren. Nu hebben we een situatie dat er snel extra capaciteit nodig is. Daarvoor is dit plan gemaakt. Als dat niet zou kunnen, redden we niet wat we zouden moeten willen redden. Maar het moet wel op een zorgvuldige manier gebeuren. In de eerste plaats moeten het UWV en Novag hierover samen praten. Ik ben er helemaal niet tegen om de KNMG hierbij te betrekken, maar wij gaan het in deze zaal niet oplossen. Dat moet tussen de verzekeringsartsen en het UWV gebeuren. «Vinger aan de pols» gaat dus niet over het leven van de patiënt, maar over het gesprek tussen de verzekeringsartsen en het UWV, hun werkgever. In september kom ik hierop bij de Kamer terug.

De heer Ulenbelt (SP):

Je hoeft toch niet supergeleerd te zijn om te zien dat vijftien dagen e-learning, waarbij iemand achter de computer zit, en dertien contactdagen niet voldoende zijn om iemand in staat te stellen om moeilijke gesprekken te voeren? Mensen zitten er misschien al lang in. Ze kunnen een goed bericht krijgen, maar ook een slecht bericht. Daarvoor heb je ervaring nodig. In de opleiding van verzekeringsartsen werd gewerkt in koppeltjes. Zo leerde je het. Deze mensen moeten het vanaf dag één alleen doen. Vervolgens moeten ze voor een handtekening met hun rapportje naar een verzekeringsarts. Dat kan zo niet doorgaan tot september.

Minister Asscher:

Laten we nu niet doen alsof dit mensen zijn die van de Haagse Markt zijn geplukt. Het zijn basisartsen. Ik ben het ermee eens dat de opleiding voldoende moet zijn om het werk goed te kunnen doen. Overigens wijs ik erop dat de Kamer zegt: moet je niet wat meer aan taakdifferentiatie en taakdelegatie doen? Dan heb je ook geen gespecialiseerde verzekeringsarts. Het is niet ideaal, we zitten met een enorm capaciteitsgebrek, maar het moet op een verantwoorde manier gebeuren. De heer Ulenbelt zegt: ik ben niet heel erg geleerd. Dat is hij natuurlijk best, zeker op dit onderwerp. We zijn echter geen van allen zo geleerd, dat wij hier kunnen bepalen of het voldoende is. Dat moet echt gebeuren tussen het UWV en Novag, waar nodig of nuttig met hulp van de daarvoor bestaande gremia. Wij gaan dat niet doen, vandaar dat ik de brief van Novag verder ook niet wil bespreken, weerleggen, aanvullen et cetera. Het zal daar moeten gebeuren. Het is duidelijk, vandaar ook het integrale plan, dat er wat moet gebeuren om de achterstand weg te werken. Als er geen achterstand was geweest en de omstandigheden ideaal waren, was er ook geen capaciteitsgebrek en hoefden we niks te doen. Er moet wat gebeuren, binnen de eisen die we daaraan stellen op basis van zorgvuldigheid.

De heer Van Weyenberg (D66):

De Minister refereerde net aan het verbod. Het is prima om dingen over te laten aan het UWV en de verzekeringsartsen, maar dit is wel een puntje voor de wetgever. In de brief van Novag lees ik dat de verzekeringsarts niet mag herbeoordelen, ook niet als hij verwacht dat cliënt binnen een bepaalde termijn volledig zal herstellen op basis van verdere behandelingen. Klopt dat dan niet?

Minister Asscher:

Nogmaals, ik kan niet reageren op wat in de brief van Novag staat. Ik weet dat we met het UWV hebben afgesproken dat men prioriteert. Dat is iets anders dan het verbieden van professionele herbeoordelingen. Als daartoe aanleiding is, moet dat nog steeds kunnen gebeuren. Het kan zijn dat die herbeoordeling later plaatsvindt dan men eigenlijk wenselijk had geacht. Dat is een kenmerk van een situatie waarin sprake is van achterstand, maar het is geen verbod. Verder ga ik niet treden in wat er wel of niet in de brief staat en of dat wel of niet waar is.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik vind dit best ingewikkeld. Stel dat een verzekeringsarts zegt dat een herbeoordeling op zijn plaats is omdat cliënten wellicht kunnen werken. Ik vind het dan wel relevant om te weten of dat ook gebeurt. De Minister gaat over zijn eigen woorden, maar ik vind dit onbevredigend. In de brief van de Minister staat heel veel over fte's, capaciteit dus. Kan straks worden gemonitord hoeveel herbeoordelingen zijn uitgevoerd? Is de Minister bereid om doelstellingen te formuleren en die te delen met de Kamer? Ik lees veel over capaciteit, maar niets over targets. Dan weten we ook waarop we de Minister kunnen afrekenen. Ultiem gaat het mij om de uitkomst, niet om de input.

Minister Asscher:

Dat begrijp ik. Daartoe ben ik bereid.

Nog even over dat verbod. Artsen willen zelf bepalen wanneer ze met wie dan ook, al is het iedereen, een herbeoordeling plannen. Op zichzelf is dat niet in overeenstemming met vraaggestuurd beleid. Daar zit een spanning. Toch moet het zo zijn dat er een herbeoordeling kan plaatsvinden als daartoe aanleiding is. Overigens, als er, zoals wordt geschetst, sprake is van een mogelijkheid tot werkherstel, gaat men naar het Werkbedrijf. Dan is een herbeoordeling ook niet nodig. Met andere woorden, ik houd toch even afstand tot wat er wel of niet in de brief staat, maar ik ben graag bereid om doelstellingen op te nemen over het aantal herbeoordelingen. Dat er nu een zekere prioritering is, is ook waar. Dat heeft ook te maken met de achterstanden. We zullen die achterstanden moeten wegwerken door een reeks maatregelen en extra middelen. Dat zijn middelen niet van mevrouw Schut, maar voortkomend uit de motie van mevrouw Schut. Er worden basisartsen ingezet, hoewel dat niet ideaal is. Taakdelegatie et cetera is allemaal nodig om in 2018 de achterstanden te hebben weggewerkt.

De VVD-woordvoerder vraagt of we de geraamde herbeoordeling bij een alternatieve invulling van de toets moeten zien als een quotum of niet. Nee, het is geen quotum maar een raming. Het is echt een verwachting, een voorspelling. De herbeoordelingen worden uitgevoerd als dat nuttig is. Achteraf kunnen we dan vaststellen of de raming realistisch was of niet.

De heer Kerstens vroeg hoeveel mensen er structureel in de categorie 80–100 zitten. Moet daarvoor niet een structurelere oplossing worden gevonden? Als er geen kans is op medisch herstel, moet er een overgang plaatsvinden naar de IVA. Die overgang moet echter niet te licht worden opgevat. De IVA is bedoeld voor gerechtigden van wie je niet langer kunt verwachten dat ze in de toekomst zullen deelnemen aan de arbeidsmarkt. Onnodig afschrijven van WGA-gerechtigden moet worden voorkomen. In de praktijk blijkt dat het vaststellen van de duurzaamheid van een ziekte of aandoening soms lastig is. Bij twijfel blijft de gerechtigde dan in de groep 80–100 hangen. In 2017 zal er een beleidsdoorlichting plaatsvinden ten aanzien van de WIA. De overgang WGA 80-100 naar IVA is een specifiek onderdeel van die beleidsdoorlichting. Ook de vraag of en, zo ja, hoeveel WGA-gerechtigden structureel in de categorie 80-100 zitten, wil ik daarbij betrekken, want de vraag lijkt mij zeer relevant.

De heer Kerstens vraagt verder welke mogelijkheden er alsnog zijn als het niet lukt om de UWV-tekorten weg te werken of de voorgestelde maatregelen niet werken of niet mogelijk zijn. Voor 2016 en 2017 zijn in mijn optiek werkelijk alle mogelijke maatregelen genomen die wij kunnen verzinnen. Ik vrees dan ook dat we het hiermee zullen moeten doen. Een beoordeling van de doelgroep kan en hoeft pas als er weer capaciteit is. De herindeling Wajong wordt binnen de eigen operatie voltooid. Ik kan geen capaciteit aan verzekeringsartsen toveren, helaas.

De werkgevers hebben de verplichting het loon van de zieke werknemer twee jaar door te betalen. Daar worden – dat is geen geheim – knelpunten bij ervaren. De SER is gevraagd advies uit te brengen. Ik ben verder bezig met de uitwerking van de variant voor kleine werkgevers. Ik heb alvast drie maatregelen aangekondigd om een aantal prangende knelpunten te verminderen: de re-integratie tweede spoor, vervroegde IVA-keuring en transparantie en premiestelling van de verzuimverzekering. Momenteel werken we deze drie maatregelen nader uit, uiteraard met inachtneming van de gebruikelijke juridische haalbaarheids- en uitvoeringsconsequenties. Het komt samen rond de zomer. Kort na het zomerreces, in september of oktober, zal ik de Kamer informeren over de uitwerking van de maatregelen uit de aprilbrief en de variant voor kleine werkgevers. Ik heb tijdens het AO van 9 juni over het arbeidsmarktbeleid al toegezegd dan ook met een reactie op het SER-advies te komen, voor zover dat er dan is; anders is het moeilijk reageren. D66 vraagt naar het tijdpad. Kan ik de variant van het plan-Heerma wel laten doorrekenen? Ik heb de SER gevraagd om voor de zomer advies uit te brengen. Het lijkt erop dat dit niet lukt. De voorzitter van de SER verliet net deze zaal. Ik heb haar niet getackeld met deze vraag. De zomer is nabij; het is hier een sauna en over twee weken hebt u reces. Of dat lukt, valt te betwijfelen, maar men is wel druk met elkaar in gesprek. De SER zal ook aandacht besteden aan het voorstel van het CDA, maar het ingezonden stuk kan ik niet naar het CPB sturen voor een doorrekening. Een doorrekening van een ruwe variant levert ook ruwe uitkomsten op. Volgens mij is dat niet zo nuttig. Ik zal bij de SER wel aandringen op spoed, ook bij de sociale partners in de SER, zodat we toch wat in handen krijgen. Ik weet dat juist dit punt – hoe ga je om met loondoorbetaling bij ziekte en hoe ga je om met de positie van zzp'ers? – terecht veel aandacht heeft.

De heer Van Weyenberg (D66):

Het is dus even afwachten wanneer de SER ermee komt. Stel dat er nog geen advies ligt als de Minister zijn brief stuurt, wil de Minister dan in contact met de SER treden? Misschien heeft men de variant-Heerma, om het zo te noemen, al wel in een bepaalde vorm laten doorrekenen en kunnen we dat in afwachting van het definitieve advies alvast krijgen. Dit is enigszins een als-danvraag, maar ik maak me zorgen over het tijdpad, en ik denk dat dit ook geldt voor de Minister. Ik zou het zonde vinden als die informatie maanden zou blijven liggen in afwachting van de afronding van het advies. Het is een beetje in de toekomst kijken, maar dit laat misschien ook zien hoe graag ik een doorrekening zie van het plan van mijn gewaardeerde collega.

Minister Asscher:

Ik wil het best vragen, maar ik weet niet of de SER dat wil doen. Ik weet ook niet of ik het zou willen als ik de SER was, tenzij men een variant heeft waarvan men zegt: die laten we doorrekenen. Om nu halffabricaten … Als de SER vindt dat het relevante informatie is voor bijvoorbeeld het opstellen van verkiezingsprogramma's – ik denk dat de heer Van Weyenberg graag het plan van de heer Heerma wil betrekken bij zijn verkiezingsprogramma – staat aan het delen van die informatie niets in de weg, maar ik kan het niet beloven.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik kan me voorstellen dat de SER de informatie niet wil delen als men nog druk bezig is, maar er lag een variant van de heer Heerma met acht weken en heldere contouren en volgens mij was de afspraak dat we die zouden kunnen terugzien in de doorrekening van het planbureau. Misschien kunnen we dat stukje krijgen. Ik snap dat de Minister dit niet kan toezeggen, maar ik zou het waarderen als hij het kan vragen. Ik hoop overigens dat we gewoon het SER-advies hebben, want dan is mijn vraag ingehaald door de actualiteit.

Minister Asscher:

Precies. Verder kan de heer Van Weyenberg natuurlijk altijd zelf varianten aan de SER voorleggen. Dat bureau werkt voor u allen. Als u de variant-Heerma/Van Weyenberg wilt voorleggen, hebt u mij daarvoor niet nodig.

De voorzitter:

Vooruit, mijnheer Van Weyenberg, u mag nog een keer.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik vond dat niet zo chic. Ik ben gewoon nieuwsgierig naar de uitkomst. Om nu zelf de variant van de heer Heerma te laten doorrekenen … Ik dacht: de SER doet het al, dus daar doe ik graag mijn voordeel mee.

De voorzitter:

Dat had u al buiten de microfoon gezegd. De Minister vervolgt zijn betoog.

Minister Asscher:

De heer Heerma merkte het al op: ik heb vanochtend afspraken gemaakt met het Verbond van Verzekeraars. We hebben het er al vaker over gehad, dit is een van de drie punten die in de aprilbrief stonden. Aanleiding zijn de knelpunten die worden ervaren door middelgrote en vooral de kleinere werkgevers met plotselinge premieveranderingen en het gevoel dat het toch anders is dan wat men had gekocht. Werkgevers hebben bovenal behoefte aan een stabiele premie. In de praktijk wordt die niet altijd geboden. Ik heb in de aprilbrief beloofd om hierover te praten met verzekeraars. We hebben nu een convenant gemaakt over een transparante premiestelling en een transparant product. Van het klassieke probleem van de kleine lettertjes bij de verzekering wil men af. Dat is natuurlijk ook niet echt goed voor de reputatie. Ik ben best enthousiast over het feit dat hierover nu afspraken zijn gemaakt. Ik denk dat dit een begin is. Uiteindelijk biedt dit een voorwaarde om in gesprek te gaan over de vraag wat de werkgevers nodig hebben. Ook vanochtend weer hebben we daarover doorgepraat. Op het vlak van het ontzorgen van kleine werkgevers – het brengt stress met zich mee, er worden risico's gepercipieerd – valt nog een wereld te winnen. Naar ik meen de heer Heerma zei: dan is goedkoop soms ook duurkoop. Je wilt voor een redelijke prijs de zorgen weg kunnen verzekeren. Misschien in het kader van het SER-traject en misschien ook wel los daarvan is een verbetering mogelijk. Het heeft hopelijk ook tot effect dat werkgevers bewuster een keuze kunnen maken voor de verzuimverzekering die ze willen. Verzekeraars geven meer inzicht, ook in de totstandkoming van de premiestelling en in de factoren die van invloed zijn op de premie, bijvoorbeeld hoe zwaar langdurig verzuim hierin meeweegt. Ook zullen ze duidelijke informatie geven over de vraag hoe om te gaan met langdurig ziekteverzuim van een werknemer en over de manier waarop de verzekeraar daarbij ondersteuning biedt. Dit wordt nader uitgewerkt in bindende zelfregulering door het Verbond van Verzekeraars, waardoor verzuimverzekeraars zich ook individueel binden aan de afspraken. Met ingang van 1 januari zal dat ook van toepassing zijn en weten we zeker dat alle partijen die verzuimverzekeringen aanbieden, gebonden zijn aan dit convenant en de afspraken, dus ook aan een betere transparantie. VNO-NCW en MKB Nederland hebben mij laten weten hierover positief te zijn. Ze zijn ook betrokken bij de nadere uitwerking van de afspraken. De praktische vragen van de bedrijven, van de markt zelf dus, worden meegenomen.

Hoe houden we de vinger aan de pols? Dat is het themawoord van de dag. Waarschijnlijk omdat ik geen ijzer kan breken, krijg je toch een wat zwakkere variant. Het verbond gaat de afspraken uitwerken in bindende zelfregulering, zoals ik al zei. MKB Nederland en ikzelf natuurlijk ook zullen betrokken zijn bij de uitwerking. Met de werkgevers zelf willen we dus de monitoring vormgeven. Dat moet leiden tot afspraken waarvan zij zeggen: hier hebben we wat aan. Het is bindend, dus kun je partijen aanspreken die zich niet aan de afspraken houden.

De heer Kerstens maakte zich zorgen over het voornemen om de hogere maximumpremie voor de uitzendsector los te laten. Ik snap die zorg heel goed. Als ik de heer Kerstens goed heb beluisterd, staat die zorg los van de WGA-aspecten en heeft het meer te maken met de prijs voor flexibele arbeid. Het doel van de WGA-premie is dat werkgevers het risico dragen voor werknemers die ziek worden. Op die manier ervaren ze ook een prikkel om te investeren in preventie en re-integratie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. De maximumpremie beschermt individuele werkgevers tegen uitschieters als gevolg van samenlopende schadegevallen. De maximumpremie is niet bedoeld om een sector of een contractvorm duurder of goedkoper te maken. Destijds was de verwachting dat vanuit de uitzendsector veel meer mensen in de WGA zouden instromen. Daarom is de premie toen verhoogd, maar we moeten nu, een aantal jaren later, vaststellen dat dat niet zo is. Er is geen sprake van een hogere instroom dan in andere hoogrisicosectoren. Dan is het vanuit het systeem van wetgeving gezien niet meer fair om een hogere maximumpremie overeind te houden. Dat laat onverlet dat het belangrijk is en blijft om mensen vooral in staat te stellen om over te stappen naar een vast dienstverband, maar daar zou de WGA niet voor moeten zorgen.

De heer Kerstens (PvdA):

Wat de Minister zegt, begrijp ik uiteraard. Dan zou ik nog wel een paar manieren weten om de kosten van flexwerk wat hoger te laten zijn. Het ging mij meer om het volgende. In de stukken die wij hebben gekregen, is de motivering wel heel summier. Er staat een zinnetje in de trant van «het blijkt toch anders te zijn dan we destijds hebben ingeschat». Dat was meer de achtergrond van mijn vraag. Kan de motivering niet wat steviger door duidelijke aantallen te noemen? Kan worden aangegeven: het is dat en dat percentage en daarmee wijkt het niet af van andere risicosectoren?

Minister Asscher:

Volgens mij kan dat. Ik geloof dat er zeventien sectoren zijn met een hoger risico. Laten we even kijken bij welke volgende rondzending we hierover wat meer toelichting kunnen geven.

De heer Kerstens (PvdA):

Dank u wel.

Minister Asscher:

De VVD heeft geput uit het onderzoek van Keerpunt over re-integratie. Vanochtend heb ik daar ook kennis van genomen. Die kennis is dus relatief en ik hoop dat u daarvoor begrip hebt. Er worden mooie resultaten bereikt. Ik hoor rechts van mij gelach over mijn opmerking dat mijn kennis relatief is. Op zich is dat een fenomeen dat al langer bekend is. Er wordt respectvol geglimlacht. Het stelsel biedt op zichzelf juist ruimte aan private partijen om hun meerwaarde te tonen. Dat is juist een van de potentiële voordelen van een hybride stelsel. Het rapport laat echter zien dat Keerpunt aan de slag gaat voordat sprake is van een WGA-uitkering. Dat blijkt te werken. Dat lijkt me logisch en dat ondersteun ik ook. Ik juich dat toe. Het biedt nog weinig inzicht in de effectiviteit van daadwerkelijk ingezette re-integratie-instrumenten. In die zin kan ik niet onmiddellijk zeggen dat het UWV hiervan kan leren. Het onderzoek laat vooral zien dat re-integratie-inspanningen in de eerste twee ziektejaren effectief zijn, dus voordat de WGA-verzekering van toepassing is. Ik denk dat dit een van de winsten is van het huidige stelsel: twee jaar volle druk om te proberen tot een succesvolle re-integratie te komen. Ik ben van plan om ook zelf onderzoek te laten doen naar de meerwaarde van een hybride markt. Bij dat onderzoek wil ik uiteraard het UWV en de private verzekeraars betrekken. Wat mij betreft wordt het iets breder vormgegeven dan het Keerpuntonderzoek.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Het onderzoek is gedaan door Panteia. Het is een onafhankelijk onderzoek. Fijn dat de Minister de positieve effecten onderschrijft. Het mooie is dat twee derde van de re-integratietrajecten succesvol blijkt te zijn. Natuurlijk gaat het over de eerste twee jaar. In het WGA-traject van het UWV moet meer worden ingezet op re-integratie. Vanuit dat oogpunt kan het UWV misschien leren van de succesvolle re-integratietrajecten van de private markt. Hoe denkt de Minister daarover?

Minister Asscher:

Om te bekijken wat er te leren valt, wil ik dus dat bredere onderzoek laten doen. Keerpunt laat heel frisse, groene appeltjes zien die echter lastig te vergelijken zijn met peren. Je kunt moeilijk zeggen: die appel is zo groen, daar moet de peer zich wat van aantrekken. Het gaat immers over de eerste twee jaar versus de periode daarna. Dat het belangrijk is om te kijken naar de effectiviteit van re-integratie om ervoor te zorgen dat mensen weer snel aan het werk gaan, daarover zijn we het roerend eens, vandaar dat ik dat onderzoek wil. Daarin worden dezelfde fruitsoorten vergeleken. Dan kun je ook conclusies trekken over de meerwaarde van een hybride markt.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Ik ga niets afdoen aan het onderscheid tussen de appels en de peren van de heer Asscher.

Minister Asscher:

De woordvoerder van de Partij van de Arbeid vroeg wanneer de beantwoording volgt van de vragen over asbest in de bakkersbranche. De brief met antwoorden komt voor het reces.

De SP vroeg naar het contact met het NCvB. Ik zal de Kamer een brief sturen waarin kond wordt gedaan van het besprokene. Ik moet even checken wanneer. Dat hoort thuis bij het arbeidsomstandighedenclubje van mijn departement. Er is gepraat met het NCvB en ik zal ervoor zorgen dat de resultaten in een brief terechtkomen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn we toegekomen aan de tweede termijn. Ik stel een spreektijd voor van één, maximaal twee minuten. Het woord is aan de eerste spreker, mevrouw Schut.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Voorzitter. Ik dank de Minister voor de bevestiging inzake de professionele herbeoordeling door de verzekeringsarts zodra de achterstanden zijn weggewerkt. Dat is hartstikke goed. Uiteindelijk moet iedereen een herbeoordeling krijgen als dat nodig is. Ik heb uit de woorden van de Minister opgemaakt dat hij zegt: je moet alle zeilen bijzetten, dus én taakherschikking én taakdelegatie. Ik vind het mooi dat er in deze Kamer zo veel steun is voor de taakdelegatie. Dat punt stond ook al in mijn initiatiefnota uit 2013. Iedereen die taakdelegatie steunt, kan dan ook rekenen op mijn steun. Ik denk echter dat er niet één oplossing is, maar dat we er alles aan zullen moeten doen.

Ik heb gehoord dat de Minister er bij het UWV op gaat aandringen om eruit te komen met de verzekeringsartsen. Ik begrijp dat hij een beetje afstand wil houden. We hopen dat men het gezamenlijk doet. Het doel van het herbeoordelen van mensen en het nagaan of ze een rechtmatige uitkering krijgen, mag niet uit het oog worden verloren. Ik hoop dat alle partijen daarnaar zullen streven en zich daarvoor zullen inzetten, zodat we uiteindelijk bereiken wat we graag willen, namelijk dat mensen gaan werken zodra ze daartoe in staat zijn.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Voorzitter. De uitleg van de Minister waarom de pilot rondom kanker en werk niet eerder kan ingaan, is voor mij overtuigend genoeg. Dank voor dit antwoord.

De Minister heeft uiteengezet waarom het convenant goed is en waarom goedkoop soms duurkoop is. Mijn angst is dat het risico bestaat dat toch het slechtste product voor de laagste prijs wordt gekocht. Ik zal niet vragen om de vinger aan de pols te houden. Op welke manier laat de Minister zich, zonder ijzer met handen te willen breken, informeren over de vraag of het convenant in de praktijk ook werkt en of het geen dode letter is? Worden er daadwerkelijk betere producten aangeboden? In ieder geval moet er helderheid zijn bij de kleine werkgever over het soort product dat wordt afgesloten.

Ik kom op het integrale plan. De Minister geeft aan dat het en-en is: én meer capaciteit én meer taakdelegatie. 50 basisartsen, ongekwalificeerde artsen, gaan keuren en ter ondersteuning komen er 14 verpleegkundigen. De focus lijkt te liggen op meer artsen die keuren, maar met taakdelegatie en het weghalen van bureaucratie bij artsen kun je ook meer keuringen per arts bereiken. Stel dat je kiest voor andere verhoudingen, dus verhoudingsgewijs meer verpleegkundigen, waardoor er meer keuringen per arts kunnen worden uitgevoerd, leidt dat dan niet tot nog meer resultaat?

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter. Bij dat laatste punt van collega Heerma sluit ik mij graag aan. Ik was wat verrast door de verhouding basisartsen versus ondersteuning. Ik had het eerder andersom verwacht. Ik ben overigens blij met de toezegging van de Minister om heldere doelstellingen vast te leggen.

Ik houd een wat onprettig gevoel over aan dat verbod. Ik begrijp dat de Minister zegt dat het UWV en de artsen met elkaar in gesprek moeten. Dit is een punt waar de D66-fractie bovenop blijft zitten, juist omdat zij geen kansen wil missen.

De Minister spreekt wat mij betreft mooie woorden over kanker en werk. Er is in de praktijk helaas sprake van baanverlies, van een taboe, maar gelukkig zijn er ook succesverhalen. Ik zie uit naar de brief van de Minister. Ik ben blij dat hij nog eens met het Nationaal AYA Platform zal nagaan wat er mogelijk is binnen de randvoorwaarden. De pilot mag daarvan geen hinder ondervinden. Misschien kan de Minister ook nog eens kijken naar mensen wier contract na 30 weken afloopt. Ik zou dat een gemiste kans vinden. Ja, er komt nog een tweede ronde na de pilot, maar alles wat nu al kan, is mooi meegenomen. Ik vind dit een mooi voorbeeld van een zaak waarin Kamer en kabinet eensgezind optrekken.

In de eerste termijn heb ik een vraag gesteld waarop ik nog geen antwoord heb gekregen, namelijk of de Minister nog nader wil ingaan op een punt uit het actieplan van D66. Ik weet niet of de Minister daar wat mee wil gaan doen. Ik doel op het ene informatieportaal voor werkgevers. Ik kan me voorstellen dat dit terugkomt in het advies van Minister Schippers of in de kabinetsreactie op het SER-advies.

Ik kom op de businesscase rond re-integratie. Mevrouw Schut legt de lat hoog voor het UWV. Geeft zij dan ook de middelen om bijvoorbeeld gespecialiseerde begeleiding te kunnen inkopen, bijvoorbeeld voor kankerpatiënten?

Over de verzekeringsproblematiek hebben we al vaker gesproken met de Minister. Wat kan de overheid als werkgever doen? Ik begrijp dat een aantal van die punten bij collega's van de Minister liggen. Ik ga het niet meer over eisen of iets dergelijks hebben, maar op die punten zou ik een reactie wel waarderen. Daarbij geldt dat er natuurlijk al een debat met de Minister van VWS plaatsvindt over wat je in de zorg doet aan psychosociale begeleiding. Mijn fractie hoopt echt dat we op dat punt een oplossing kunnen vinden, juist omdat dit de kans op werk en daarmee ook het welbevinden van patiënten en het maatschappelijk belang bevordert. Dat debat voeren we inmiddels intensief met de Minister van Volksgezondheid.

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. De Minister zegt dat het UWV en Novag het samen moeten oplossen en dat hij de vinger aan de pols houdt. Als een patiënt met deze symptomen binnenkomt, moet een dokter iets meer doen dan de vinger aan de pols houden. We zien de correspondentie van de onderdeelscommissie met het UWV. Er is een conflict. De verzekeringsartsen roepen er om goede redenen toe op om dat contrasigneren niet te doen. Dan moet de Minister niet de vinger aan de pols houden; hij moet daarnaartoe. De oplossing die de verzekeringsartsen bieden – zij denken immers heus wel mee – zou omarmd moeten worden. Daar is het UWV hartstikke sloom mee. Ik heb mij laten vertellen dat 60 basisartsen duurder zijn dan 75 administratieve medewerkers en net zoveel kunnen doen. Als dat nou de oplossing is, vind ik dat de Minister de vinger niet aan de pols moet houden en dat opereren meer op zijn pad ligt.

De heer Kerstens (PvdA):

Voorzitter. Het is goed dat de Minister bevestigt dat ook tijdens deze inhaaloperatie herkeuringen op een verantwoorde en zorgvuldige manier moeten plaatsvinden, maar we hebben zojuist gemerkt dat daar nog enige discussie over is. Ik ben blij met de opmerking van de Minister dat in de al voorziene beleidsdoorlichting specifiek aandacht zal worden besteed aan de positie van 80% tot 100% tijdelijk afgekeurde mensen en met zijn toezegging dat hij schriftelijk meer informatie zal verstrekken over de uitstroomcijfers in de richting van de WGA en dergelijke van de uitzendbranche ten opzichte van andere hogerisicosectoren.

Net als bij collega Van Weyenberg is bij mij één vraagje blijven liggen uit de eerste termijn. Die vraag herhaal ik dus. Onder andere naar aanleiding van mijn schriftelijke vragen over het in het kader van re-integratieactiviteiten blootstellen van uitkeringsgerechtigden aan chroom-6, de mogelijke gezondheidseffecten daarvan en de signalen die ik elders uit het land weleens krijg, heb ik de Minister gevraagd of hij – samen met de Staatssecretaris, denk ik – wil bezien of het niet nodig is om extra aandacht te besteden aan aspecten met betrekking tot arbeidsomstandigheden, veiligheid en gezondheid in het kader van re-integratieactiviteiten. Ik heb gezegd dat die activiteiten naar arbeid toe moeten leiden en niet naar arbeidsongeschiktheid.

Minister Asscher:

Voorzitter. Het antwoord op de vraag van de heer Heerma over de verhouding tussen extra basisartsen en administratieve werkzaamheden is: dit is maximaal. Als er meer kan, zal ik dat doen. Er liggen voorstellen bij de medezeggenschapsraad om dit uit te rollen en uit te breiden om zo veel mogelijk taakdelegatie plaats te laten vinden. Ook dat is niet onomstreden. Als er meer kan, ben ik daar helemaal voor. Dit is wat ik de Kamer op basis van het UWV als maximaal durf voor te leggen. Als in de komende periode blijkt dat er meer mogelijk is en dat de verhouding beter kan, ben ik daar zeker niet tegen. Wat dat betreft, kan ik de Kamer weinig keuzes aanbieden. Ik heb geprobeerd om alles uit de kast te halen om bij te dragen aan het wegwerken van de achterstanden in 2018. Dat is wat hier voorligt.

De heer Ulenbelt (SP):

Wanneer horen we daar iets over? Ik zou graag willen zien dat de Minister zich hier nog eens in verdiept, gelet op de noodkreet van de verzekeringsartsen. Dat zijn geen beroepsrevolutionairen, om het zomaar te zeggen.

Minister Asscher:

We kunnen niet allemaal «Ulenbelt» heten; ik zal mij gedragen, voorzitter. Ik heb al aangegeven dat ik de Kamer hierover in september zal informeren. Ik vind dat het UWV en de verzekeringsartsen hier samen over moeten praten. Dat heeft niets te maken met de vraag wat voor dokter ik ben. Ik sta helemaal open voor vingers aan de pols, ijzer breken en opereren, maar ik ben daarvoor niet altijd de meest geschikte persoon. Een probleem tussen de verzekeringsartsen en hun werkgever, het UWV, moet eerst daar worden opgelost. Ja, ik ga daar niet alleen maar naar staan kijken en afwachten; ik zal de Kamer daar in september over berichten.

Het gesprek met het AYA Platform zal zeker plaatsvinden. Ik zal bekijken wat we verder kunnen doen, maar qua verwachtingsmanagement wil ik de heer Van Weyenberg wel verwijzen naar mijn antwoord in de eerste termijn over de pilot.

Op enkele punten heb ik nog niet echt gereageerd. Ik dacht dat ik dat in de brief wel had gedaan, maar misschien heb ik daarbij niet goed verwezen. We hebben op het Arboportaal inmiddels specifieke informatie geplaatst over kanker en werk. Dat gaat in de richting van een speciaal portaal, maar dan op de plek waar werkgevers kijken als zij te maken krijgen met arbovragen. Daar staat een roadmap over hoe je daarmee om kunt gaan. Daarnaast hebben patiëntenverenigingen die nadere informatie inmiddels op hun websites. Als de patiënt dit niet vindt via de kant van de werkgevers, het Arboportaal, kan hij via de patiëntenverenigingen de eigen werkgever daar alsnog op wijzen. Ik denk dat daarmee recht wordt gedaan aan de suggestie in de notitie, want als er sprake is van weer een apart portaal, moet je er weer voor zorgen dat mensen dat gaan vinden. Op zich vind ik dit dus een logische en praktische manier om hiermee om te gaan.

D66 heeft ook het punt van de levensverzekeringen opgeworpen. Het Verbond van Verzekeraars is hierover in gesprek met de Patiëntenbeweging Levenmetkanker om te bekijken wat er wel en niet mogelijk is. Wat het inkopen van gespecialiseerde interventies naar aanleiding van een eventuele businesscase betreft: het UWV besteedt al aandacht aan het bijzondere karakter van kanker, leidt artsen daarvoor op en organiseert specifieke workshops en congressen over dit onderwerp. Aanstaande woensdag is er bijvoorbeeld een congres over borstkanker. Op zich is die bereidheid er dus. Ik heb nu niet de instrumenten in handen om een nog specifiekere businesscase te doen, ook omdat ik denk dat juist het hiervoor inzetten niet altijd alleen in het kader van een businesscase zou moeten. Dit draagt immers bij aan re-integratie. Ik heb zelf ook niet de overtuiging dat op dit punt nog specifieker inkopen meteen zou uitkomen in de businesscase, hoewel ik wel wil blijven investeren in de opleiding van artsen om hier op een goede manier mee om te gaan, maar dan meer vanuit de maatschappelijke verantwoordelijkheid.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dank voor de toelichting over het portaal. Dat lijkt mij inderdaad conform de suggestie. Ik heb ook de overheid als werkgever genoemd. Zou de Minister in de brief, die hij toch al gaat sturen in september, kort kunnen aangeven hoe het op dit punt staat met verzekerden en de businesscase? Ik vond namelijk dat het met de verzekeringen allemaal heel lang duurde. Op de businesscase ga ik zelf nog even kauwen. Ik heb namelijk de indruk dat het probleem niet alleen bij de artsen ligt – op dat punt onderneemt de Minister inderdaad actie – maar ook bij het feit dat werkgevers tegenwoordig soms zeer gespecialiseerde re-integratieondersteuning kunnen inkopen. Wij kunnen het UWV niet verwijten dat het die kennis en expertise en de middelen om die in te kopen, niet in huis heeft. Dat is het specifieke gat dat ik nog zag. Ik zou graag willen dat de Minister in de volgende brief nader ingaat op die twee punten.

Minister Asscher:

Ja.

Het CDA gaf mij alle ruimte voor de manier waarop, maar wil wel graag weten of het convenant over de verzuimverzekering gaat werken. Ik denk dat de beste check is dat ik aan de bedrijven vraag of de verzuimverzekering helpt. Wat ik er verder van vind, is één ding, maar ik ga dit dus gewoon betrekken in het reguliere overleg met de verzekeraars en de werkgevers. Eerst moeten die afspraken verder worden uitgewerkt. Daar zal ik de Kamer ook van op de hoogte brengen, maar vervolgens zal ik dat reguliere overleg gebruiken om te bekijken of dit helpt en of we hier iets aan hebben. Ik heb hier stiekem best wel de verwachting van dat dit echt kan helpen.

Op chroom-6 zal ik ingaan in de zojuist na de vraag van de SP aangekondigde brief over het overleg met de NCvB over beroepsziekten en extra aandacht voor arbo binnen de re-integratie. Ik maak dat iets breder en ik zal dat punt van de heer Kerstens daarbij meenemen.

De voorzitter:

Ik zie de Kamerleden instemmend knikken. Zoals gebruikelijk in deze commissie noem ik de toezeggingen. Het zijn er vier. Luister goed mee.

  • In september zal de Minister de Kamer informeren over de uitkomsten van het gesprek van het UWV en Novag.

  • De Minister gaat graag het gesprek aan met het Nationaal AYA Platform over de pilot op het punt van kanker en werk en zal de Kamer hierover indien nodig informeren. Is daar een termijn aan verbonden?

De heer Van Weyenberg (D66):

Mag ik een praktische suggestie doen?

De voorzitter:

Dat mag.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik kijk even naar de Minister. Ik twijfel niet aan de intentie, maar als we straks de AMvB krijgen, merken we of dit tot iets heeft geleid of niet. Dat scheelt weer aparte correspondentie.

De voorzitter:

Dat is prima. Dan doen we het bij de AMvB.

  • De Minister komt schriftelijk terug op de specifieke vragen van de heer Kerstens over de uitstroomcijfers naar de WGA in de uitzendbranche in relatie tot andere sectoren. Kan daar een termijn aan worden verbonden?

Minister Asscher:

Het is nu zomer. Dat wordt dus na de zomer.

De voorzitter:

September? Is dat goed?

Minister Asscher:

September.

De voorzitter:

Dan doen we september.

  • De Minister informeert de Kamer per brief over het gesprek met de NCvB.

Minister Asscher:

Daarbij betrek ik bij de vragen van de heer Kerstens over chroom-6.

De voorzitter:

Is daar nog een termijn aan te verbinden? Ook september?

Minister Asscher:

Prima. September is het nieuwe «voor de zomer».

De voorzitter:

Oké, dat wordt dus ook september. De heer Van Weyenberg mist nog iets.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ja, ik mis twee punten. De Minister zou ook doelen voor de herbeoordeling noemen. Ik weet niet op welke manier wij die doelen krijgen, maar die toezegging zou ik wel graag genoteerd willen hebben.

Minister Asscher:

Medio oktober.

De heer Van Weyenberg (D66):

Medio oktober lijkt mij prima. Het tweede punt kwam zojuist helemaal aan het eind. Ik begrijp dus dat dat nog niet op het lijstje staat. De Minister zei dat hij nog even naar twee punten gaat kijken: ten eerste de verzekeringen en de update na de zomer en ten tweede de overheid als werkgever en de re-integratie. De Minister zei dat hij daar nog even naar gaat kijken. Ik neem aan dat hij daarop terugkomt in een brief. Dat kan niet in die AMvB, want volgens mij komt die eerder.

Minister Asscher:

Ja, dit staat los van die AMvB. U wilt ook op dit punt een termijn. September.

De voorzitter:

Ik wil de mensen die dit overleg volgen en eigenlijk ook de Kamerleden aangeven dat toezeggingen niet worden genoteerd als er geen brief of specifieke reactie wordt afgesproken met de Kamer. Dat was bij deze twee punten het geval, maar de heer Van Weyenberg heeft ze nu wel voor elkaar gekregen. Vandaar dat dat allemaal niet wordt opgenoemd, want dan kunnen we het hele debat overdoen, maar als er iets naar de Kamer komt, leggen we dat vast, ook met de termijn.

Ik dank de Minister, zijn staf, de Kamerleden en het aanwezige publiek hartelijk.

Sluiting 15.39 uur.