Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201229544 nr. 393

29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 393 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 april 2012

Naar aanleiding van het ordedebat van 20 maart jl. (2012Z05650) over de jeugdwerkloosheid heeft u mij verzocht nadere informatie te zenden. Met deze brief voldoe ik aan dat verzoek.

Ontwikkeling jeugdwerkloosheid

De werkloosheid onder jongeren was in maart 2012 11,8 procent. Het algehele werkloosheidscijfers lag op 5,9%. Het feit dat de jeugdwerkloosheid stijgt is verontrustend. Niettemin is het voor een goed begrip nuttig om die ontwikkeling in historisch en internationaal perspectief te plaatsen. De werkloosheid onder jongeren ligt altijd hoger dan de gemiddelde werkloosheid (15–65 jaar). Dit wordt onder andere veroorzaakt door de jaarlijkse toestroom van schoolverlaters, het gegeven dat jongeren veelal werken op een tijdelijk contract en de conjunctuurgevoeligheid van de sectoren waarin jongeren vooral werkzaam zijn (uitzendbranche, horeca, bouw). Hierdoor is niet alleen het niveau van de jeugdwerkloosheid hoger, maar is de jeugdwerkloosheid ook conjunctuurgevoeliger. De werkloosheid onder jongeren stijgt daarom altijd wat harder op het moment dat de conjunctuur verslechtert. En andersom, wanneer de conjunctuur weer aantrekt, zijn jongeren de eersten die hiervan profiteren (zie figuur 1).

Figuur 1. Werkloosheidspercentage1 (nationale definitie) totaal 15–64 jaar en jongeren 15–24 jaar, 2003–2011

Figuur 1. Werkloosheidspercentage1 (nationale definitie) totaal 15–64 jaar en jongeren 15–24 jaar, 2003–2011

1 Voor seizoen gecorrigeerd.

Bron: SZW, op basis van CBS.

Sinds de aanvang van de recessie eind 2008 bereikte de jeugdwerkloosheid 15–24 jaar (seizoensgecorrigeerd) zijn hoogste punt in maart 2010 (12,8%). De jeugdwerkloosheid is vervolgens gedaald naar 9,0% in april 2011. In diezelfde periode daalde de werkloosheid (15–64 jaar) van 5,7% naar 5,0%. De jeugdwerkloosheid daalde dus – conform verwachting – sneller dan de gemiddelde werkloosheid.

Vanaf de tweede helft van 2011 is de werkloosheid weer gestegen, tot 5,9% in maart 2012. De jeugdwerkloosheid steeg in dezelfde periode harder, tot 11,8% in maart 2012. De oploop van de jeugdwerkloosheid in de tweede helft van 2011 werd voor een belangrijk deel veroorzaakt door een groter aantal jongeren dat zich aanbiedt op de arbeidsmarkt dan gebruikelijk. Hieraan kunnen verschillende factoren ten grondslag liggen, waaronder een vergrote uitstroom van jongeren op de arbeidsmarkt die tijdens de kredietcrisis besloten langer of opnieuw te gaan studeren.

Om de ontwikkeling te volgen en te duiden, wordt tevens gebruikt gemaakt van de ratio jeugdwerkloosheid gedeeld door de gemiddelde werkloosheid. Door de snellere oploop van de jeugdwerkloosheid is deze ratio in maart 2012 groter dan in april 2011, en ligt nu weer op het lange termijn gemiddelde van twee. Het huidige percentage (11,8%) ligt ruim onder de top van maart 2010 (12,8%) en de top van de vorige recessie (14,2% eind 2004).

Vergeleken met de rest van Europa presteert Nederland goed. Op Duitsland en Oostenrijk na heeft Nederland de laagste jeugdwerkloosheid van de EU-27 (zie figuur 2).

Figuur 2. Internationale vergelijking van de jeugdwerkloosheid 15–24 jaar1, februari 2012, gecorrigeerd voor seizoensinvloeden

Figuur 2. Internationale vergelijking van de jeugdwerkloosheid 15–24 jaar1, februari 2012, gecorrigeerd voor seizoensinvloeden

1 Werkloosheid volgens internationale definitie.

Bron: Eurostat, bewerking SZW.

De huidige ontwikkeling van de jeugdwerkloosheid vraagt om nauwgezette monitoring. Onderstaand ga ik in op de maatregelen die het kabinet neemt over de brede linie van de keten van dienstverlening aan jongeren.

Maatregelen van het kabinet

Voor een goed werkende regionale arbeidsmarkt is het van belang dat opleidingen van goede kwaliteit worden gerealiseerd die voldoende aansluiten bij de vraag van de arbeidsmarkt. Met het Actieplan MBO «Focus op vakmanschap 2011–2015» wordt hier door mijn ambtgenoot van OCW extra op ingezet. Op 2 april jl. heeft de minister van OCW in een brief1 aan de Tweede Kamer aanvullende maatregelen aangekondigd om een arbeidsmarktrelevant, doelmatig en toegankelijk aanbod aan mbo-opleidingen te versterken. In dat kader wordt de transparantie vergroot van de mate waarin het beroepsonderwijs aansluit op de arbeidsmarkt. Ook wordt een licentiesysteem ingevoerd om het aanbod van populaire opleidingen met gering arbeidsmarktperspectief te verminderen. Voorts verankert de Inspectie van het Onderwijs het toezicht op de naleving van de wettelijke zorgplicht arbeidsmarktperspectief door mbo-instellingen vanaf mei 2012 structureel in het risicogerichte toezicht. Hiermee wordt beoogd te borgen dat mbo-instellingen de aspecten van arbeidsmarktperspectief voldoende mee laten wegen bij het vaststellen van hun opleidingenaanbod, met inbegrip van een voldoende dialoog met het bedrijfsleven.

Ook zet het kabinet in op het aantrekkelijker maken van beroepsopleidingen die zich richten op de tekortsectoren. Voor jongeren liggen er kansen in die sectoren die menskracht tekort komen, nu en in de toekomst. Het kabinetsbeleid houdt onder meer een gecoördineerde aanpak in van overheid (SZW, OCW, EL&I), bedrijfsleven en onderwijsinstellingen om het tekort aan technici in de toekomst tegen te gaan. Uw Kamer is hierover per brief van 16 april jl. geïnformeerd.

Belangrijk onderdeel in de aanpak van jeugdwerkloosheid is het voorkomen van voortijdige schooluitval. Met het landelijk programma «Aanval op de schooluitval» wordt dit voortvarend aangepakt. De scholen en de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie hebben tot taak preventief en curatief het voortijdige schoolverlaten te verminderen door middel van intensieve begeleiding. Daarnaast hebben scholen via hun zorgadviesteams en de regionale plusvoorzieningen tot taak jongeren met multiproblematiek te ondersteunen bij het oplossen van hun problemen en het behalen van een startkwalificatie. De werkschool stimuleert op experimentele basis de arbeidstoeleiding vanuit het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs in de regio.

Met het Actieplan Jeugdwerkloosheid zijn de samenwerkingsverbanden tussen de domeinen zorg, onderwijs en arbeidsmarkt in veel regio’s versterkt. Het is aan de regionale partijen om de regionale samenwerking en infrastructuur te bestendigen. Het kabinet heeft hiervoor bijzondere aandacht. In dat kader heb ik samen met de minister van OCW en de staatssecretaris van VWS op 18 januari en 28 maart 2012 in een breed bestuurlijk overleg gesproken met landelijke en regionale organisaties over de aansluiting zorg, onderwijs en arbeidsmarkt voor kwetsbare jongeren. Afgesproken is dat de VNG en andere betrokken partijen werkconferenties in de regio gaat organiseren. In de werkconferenties kunnen partijen in de regio samen aan de slag om de gezamenlijke aanpak rond kwetsbare jongeren te bestendigen en verder te ontwikkelen.

De beschikbaarheid van voldoende banen en of leerwerkplekken bij werkgevers is essentieel in de aanpak van jeugdwerkloosheid. De toeleiding naar banen van jongeren met een beperking wordt gestimuleerd met de inzet van onder andere proefplaatsingen, werkplekaanpassingen en begeleiding op de werkplek.

Werkgevers zijn gebaat bij een goed gecoördineerde toeleiding van werkzoekenden. UWV en gemeenten krijgen samen, op basis van het wetsvoorstel SUWI, de verantwoordelijkheid om te zorgen voor één aanspreekpunt voor werkgevers in de regio.

Ten slotte blijft het uitgangspunt van het kabinet de eigen verantwoordelijkheid van jongeren om zelf te zoeken naar scholing of een baan. Zij moeten zelf de regie nemen om hun kansen op de arbeidsmarkt te benutten. Het kabinetsbeleid om de Wet werk en bijstand (WWB) activerender te maken draagt hieraan bij. Een opleiding gaat voor een uitkering en werk wordt leidend. Jongeren worden gestimuleerd om eerst hun school af te maken en daarna zelf op zoek te gaan naar een baan. Ook neemt het kabinet maatregelen om de armoedeval te verkleinen en om werk lonend te laten zijn. Het kabinet geeft uitkeringsontvangers daarom scherpere verplichtingen om op zoek te gaan naar werk. Ook heeft het kabinet maatregelen genomen om te voorkomen dat de bijstand hoger wordt dan het wettelijk minimumloon. Werken moet immers lonen. Zo wordt de overdraagbaarheid van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon geleidelijk afgebouwd. Daarnaast heeft het kabinet voorgesteld om de armoedeval voor alleenstaande ouders in de bijstand op te lossen door het stelsel van kindregelingen te hervormen.

De economische groei is teruggevallen, maar op de arbeidsmarkt is nog steeds een grote dynamiek en door de vergrijzing komen er ook de nodige banen vrij. Het is zaak om geen groepen aan de kant te laten staan. Met het hier beschreven beleid zet het kabinet in op een goede toeleiding van jongeren naar de arbeidsmarkt.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, P. de Krom


X Noot
1

«Aanbod van mbo-opleidingen» (Kamerstuk 31 524-129).