Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201231524 nr. 129

31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie

Nr. 129 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 april 2012

1. Inleiding

In deze brief kunt u lezen welke aanvullende maatregelen het kabinet neemt om een arbeidsmarktrelevant, doelmatig en toegankelijk aanbod aan mbo-opleidingen te versterken. Nederland heeft immers goede vakmensen nodig. Zo dreigt door ontgroening en vergrijzing een tekort aan vakmensen in met name de techniek en de zorg1. Het middelbaar beroepsonderwijs speelt een cruciale rol in het opleiden van vakmensen voor de arbeidsmarkt en voor de doorstroom naar het hbo. Graag wil ik met uw Kamer overleg voeren over de voorgestelde maatregelen.

Met deze brief kom ik mijn toezegging2 na uw Kamer te informeren over de uitwerking van het voornemen in het Actieplan mbo «Focus op vakmanschap 2011–2012» om de macrodoelmatigheid in het mbo te verbeteren.

2. Samenvatting

De belangrijkste maatregelen zijn:

  • De herziening van de landelijke kwalificatiestructuur voor het mbo. Het beperken en aanpassen van kwalificaties draagt bij aan een doelmatiger organisatie van het onderwijs dat goed aansluit op de arbeidsmarkt;

  • Een betere informatievoorziening om de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt op sectoraal, regionaal en instellingsniveau inzichtelijker (transparanter) te maken;

  • Op instellingsniveau: het versterken van het opleidingenportfolio door betere afspraken met bedrijfsleven en andere instellingen en door beter toezicht;

  • Op regionaal niveau: invoering van een escalatiemechanisme (onderzoek, bemiddeling, geschillenbeslechting en desnoods beëindigen van aanbod) als instellingen, in samenwerking met bedrijfsleven, niet tot afstemming komen;

  • Op landelijk niveau: het aanbod van kleine, specialistische opleidingen concentreren en het aanbod van populaire opleidingen met gering arbeidsmarktperspectief verminderen, door dergelijke opleidingen alleen nog na voorafgaande ministeriële goedkeuring te bekostigen («licentiesysteem»).

3. Huidige situatie

De verantwoordelijkheid voor het aanbod aan mbo-opleidingen is ruim tien jaar geleden gedecentraliseerd naar de mbo-instellingen3 vanwege de sterke regionale oriëntatie van het mbo. Bekostigde mbo-instellingen bepalen nu zelf, binnen wettelijke kaders4 en in onderlinge competitie, welke opleidingen zij aanbieden. Dit heeft voor- en nadelen, zo is gebleken.

Een belangrijk voordeel voor studenten is dat de toegankelijkheid van het mbo is vergroot door uitbreiding van het aanbod aan opleidingen op regionaal niveau. Mbo-studenten kiezen vaak een opleiding in de eigen regio en instellingen hebben daar op geanticipeerd door uitbreiding van het aanbod aan opleidingen. Deze uitbreiding was ook mogelijk door de groei van het aantal bekostigde studenten5.

Een nadeel is dat de kwaliteit van opleidingen onder druk komt te staan nu het aantal bekostigde studenten stabiliseert en in een groot aantal regio’s zelfs gaat dalen6. Steeds minder studenten per opleiding per instelling7 leidt tot minder financiële ruimte voor investeringen in de kwaliteit van de opleiding. Een ander nadeel is dat door concurrentie om de student bepaalde populaire opleidingen met een beperkt arbeidsmarktperspectief te veel worden aangeboden. Hierdoor neemt de kans op een bijpassende baan af8.

De commissie Onderwijs en Besturing BVE9 constateerde in november 2010 dat het de sector zelf onvoldoende lukt om de nadelen van onderlinge concurrentie het hoofd te bieden. Daarom stelt het kabinet in deze brief aanvullende maatregelen voor. Hiervoor is o.a. gebruik gemaakt van het advies van de commissie Kwalificeren en Examineren10, het advies van de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en van de evaluatie van de recent uitgevoerde pilot macrodoelmatigheid (zie bijlage 1 bij deze brief).11

4. Het doel

Het doel van de voorgestelde maatregelen is dat mbo-instellingen:

  • voldoende kunnen investeren in de kwaliteit van opleidingen door versnippering van het aanbod tegen te gaan (doelmatigheid);

  • aansluiten op de vraag vanuit de regionale arbeidsmarkt en (top)sectoren waarvoor zij werken (arbeidsmarktrelevantie);

  • rekening houden met de bereikbaarheid voor studenten (toegankelijkheid).

Er zit altijd onderlinge spanning tussen deze doelstellingen. Het gaat om het bereiken van een goed afgewogen doelmatig, arbeidsmarktrelevant en toegankelijk aanbod, binnen het bestaande systeem van onderlinge competitie. Niet alleen op individueel instellingsniveau, maar juist ook op regionaal en sectoraal, landelijk niveau.

5. Reeds in gang gezette maatregelen

Op basis van het Actieplan mbo «Focus op vakmanschap 2011–2012» is reeds een aantal maatregelen in gang gezet dat ook bijdraagt aan een doelmatiger en arbeidsmarktrelevant middelbaar beroepsonderwijs.

  • De belangrijkste hiervan is de herziening van de landelijke kwalificatiestructuur voor het mbo. Ik heb de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) gevraagd vóór 1 januari 2013 te komen met een voorstel voor herziene, flexibele kwalificatiestructuur met substantieel minder kwalificaties (diploma’s) dan de huidige. De beperking en aanpassing van kwalificaties draagt bij aan het tegengaan van versnippering en daarmee aan een doelmatiger organisatie van het onderwijs dat goed aansluit op de vraag vanuit de arbeidsmarkt.

  • Intensiveren en verkorten van opleidingen, beëindigen van de drempelloze instroom in het mbo vanaf niveau 2, de introductie van de entreeopleiding en modernisering van de bekostiging, dragen eveneens bij aan de doelmatigheid en kwaliteit van de leerwegen in het mbo. Uw Kamer heeft recent het betreffende wetsvoorstel ontvangen. De beoogde inwerkingtreding is per 1 augustus 2013.

Onderstaande aanvullende maatregelen om de doelmatigheid, arbeidsmarktrelevantie en toegankelijkheid van het aanbod aan opleidingen te versterken, moeten bezien worden in samenhang met deze reeds in gang gezette maatregelen.

6. Aanvullende maatregelen voor een arbeidsmarktrelevant, doelmatig en toegankelijk aanbod aan mbo-opleidingen.

De aanvullende maatregelen zijn vooral gericht op het versterken van het huidige systeem waarbij instellingen, in samenwerking met het bedrijfsleven en andere belanghebbenden, zelf verantwoordelijk zijn voor hun aanbod aan opleidingen (opleidingenportfolio). Een landelijke planning door de Rijksoverheid van al het aanbod heeft in het verleden niet gewerkt door de sterke regionale oriëntatie van het mbo. Er zijn echter uitzonderingen die wel op landelijk niveau geregeld gaan worden.

De aanvullende maatregelen worden ingedeeld in vier rubrieken:

  • 1. Het inzichtelijker maken van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt.

  • 2. Het versterken van het opleidingenportfolio op instellingsniveau.

  • 3. Het versterken van het aanbod aan opleidingen op regionaal niveau.

  • 4. Het versterken van specifiek aanbod op landelijk niveau door invoering van een systeem van ministeriële goedkeuring vooraf («licentiesysteem»).

6.1 Inzichtelijker maken van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt.

De beschikbaarheid van goede, betrouwbare feiten en cijfers is belangrijk om de aansluiting tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt te versterken. Zulke gegevens zijn onder andere nodig om jongeren te kunnen voorlichten over het arbeidsmarktperspectief van een opleiding, om sectoraal en regionaal tot goede afstemming tussen bedrijfsleven en onderwijsinstellingen te komen over het aanbod aan opleidingen en om de arbeidsmarktrelevantie van kwalificaties te kunnen beoordelen. Daarom wordt het volgende gedaan.

Om meer objectieve gegevens te verzamelen over de aansluiting van vraag en aanbod van beroepsopleidingen, zet de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een databank op. Deze bevat gegevens over het aanbod van en deelname aan beroepsopleidingen en over de arbeidsmarktpositie van gediplomeerde schoolverlaters. De databank maakt niet alleen analyses op landelijk en sectoraal niveau mogelijk, maar voortaan ook op regionaal- en instellingsniveau. Uit de uitgevoerde pilot blijkt dat dit een belangrijke randvoorwaarde is om op regionaal niveau tot een betere afstemming van het aanbod van opleidingen te komen.

De databank wordt stapsgewijs opgezet. De eerste stap is het ontsluiten van bestaande gegevens over het aanbod aan opleidingen. De tweede stap is uitbreiding van het basisregister onderwijsnummer (BRON) met een locatiecode. De wetgeving hiervoor treedt naar verwachting op 1 januari 2013 inwerking. Ten derde is, als proef, de polisadministratie (met gegevens over werkenden en uitkeringsgerechtigden) van het UWV eenmalig gekoppeld aan het basisregister onderwijs zodat gedetailleerder inzicht ontstaat in waar schoolverlaters op de arbeidsmarkt terecht komen. Als dat inderdaad waardevolle beleidsinformatie oplevert, wordt de koppeling permanent hetgeen wetgeving vereist. De gehele ontwikkeling is naar verwachting in de loop van 2014 klaar.

Het doel is de databank toegankelijk te maken voor onderwijsinstellingen, kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, SBB, branches, onderzoeksinstellingen en overheid. Zij kunnen de gegevens, samen met eigen gegevens, gebruiken om beleidsinformatie op te stellen. Enkele voorbeelden:

  • kenniscentra geven op mijn verzoek voor elke beroepsopleiding periodiek het arbeidsmarktperspectief aan. Via bewerking van de databankgegevens van DUO wordt aangegeven hoeveel leerlingen de afgelopen jaren eenzelfde opleiding volgen en bij welke onderwijsinstelling (spreiding). Tevens wordt een prognose gegeven van toekomstige leerlingaantallen. In de herziene kwalificatiestructuur12 wordt in het kwalificatiedossier verplicht verwezen naar deze informatie.

  • Informatieproducten voor loopbaanoriëntatie en beroepskeuzevoorlichting voor studenten. Denk onder andere hierbij aan de uitwerking van het idee voor een «studiebijsluiter» waarin ook aandacht besteed wordt aan het arbeidsmarktperspectief van een mbo-opleiding.

  • Arbeidsmarktanalyses door het UWV Werkbedrijf voor de arbeidsmarktregio’s, die op hun beurt weer bruikbaar zijn voor het beroepsonderwijs. Denk bijvoorbeeld aan de gezamenlijke publicatie «Basiscijfers jeugd» van UWV en SBB;

  • Het jaarlijks schoolverlatersonderzoek en tweejaarlijks arbeidsmarktonderzoek van het Researchcentrum Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA);

  • Toezicht door de Inspectie van het Onderwijs op naleving van de zorgplicht arbeidsmarktperspectief.

6.2 Het versterken van het opleidingenportfolio op instellingsniveau

Gelet op de sterk veranderende omgeving waarbinnen het mbo de komende jaren moet opereren, zoals demografische krimp en de noodzaak het economisch groeivermogen te versterken via o.a. topsectoren, is het noodzakelijk dat instellingen hun opleidingenportfolio opnieuw tegen het licht houden. Dit in samenhang met de maatregelen genoemd in paragraaf 5. De uitgevoerde pilot en de voortgangsrapportages van MBO’15 laten zien dat steeds meer mbo-instellingen hier ook zelf het belang van inzien en de komende jaren een helder profiel aan opleidingen willen neerzetten. Niet méér opleidingen, maar betere opleidingen aanbieden. Dit kan alleen vorm krijgen in afstemming met het bedrijfsleven en andere mbo-instellingen. Het is daarbij niet de bedoeling de onderlinge competitie in het mbo te veel te beperken. Enige mate van competitie tussen mbo-instellingen kan juist de kwaliteit van het onderwijs ten goede komen. Er is echter wel meer afstemming nodig om ondoelmatig aanbod van opleidingen tegen te gaan. Dit wordt als volgt uitgevoerd:

  • Het Programmamanagement MBO’15 ondersteunt individuele instellingen bij het tot stand brengen van een geactualiseerd opleidingenportfolio, in samenhang met de in paragraaf 5 genoemde maatregelen om de kwaliteit te bevorderen. De bestaande twee programmalijnen in MBO’15 (kwaliteit en macrodoelmatigheid) worden daarom samengevoegd tot één aanpak gericht op de individuele instelling. Vanaf schooljaar 2012–2013 zet MBO’15 het opleidingenportfolio jaarlijks op de agenda voor de gesprekken met de Colleges van Bestuur. Op basis van gesprekken wordt de voortgang gevolgd en bekeken of ondersteuning nodig is en hoe daarin voorzien kan worden.

  • Mbo-instellingen stemmen hun opleidingenportfolio op regionaal en/of sectoraal niveau actief af met het bedrijfsleven en andere belanghebbende onderwijsinstellingen en vertalen dit in hun aanbod. De afstemming met bedrijfsleven en andere belanghebbenden is reeds vastgelegd in de (bindende) code «Goed bestuur in de bve-sector». Deze code bevat specifieke richtlijnen voor afstemming met het bedrijfsleven en andere belanghebbenden over het aanbod aan opleidingen. Belangrijk aspect is dat deze afstemming al plaatsvindt over voornemens tot aanpassing van het aanbod aan opleidingen. Op deze wijze kunnen bedrijfsleven en andere instellingen tijdig anticiperen. Uitvoering van de code op dit punt vraagt meer inspanning van mbo-instellingen, mede omdat uit de pilot blijkt dat het bedrijfsleven regionaal lastig te organiseren is. Bij het organiseren van het bedrijfsleven en de afstemming met instellingen kan SBB ondersteuning verlenen (zie ook volgende paragraaf).

    Om de afstemming de benodigde prioriteit te geven, moeten de instellingen daarover in hun openbare jaarverslag verantwoording afleggen. In het jaarverslag legt ook de Raad van Toezicht verantwoording af over het intern uitgevoerde toezicht, waaronder het tot stand komen van het opleidingenportfolio.

  • Als sluitstuk verankert de Inspectie van het Onderwijs het toezicht op de naleving van de wettelijke zorgplicht arbeidsmarktperspectief vanaf mei 2012 structureel in het risicogerichte toezicht. De Inspectie gaat na of instellingen de aspecten doelmatigheid en arbeidsmarktperspectief voldoende meewegen in besluiten over hun opleidingenportfolio en of hierover voldoende dialoog met het betrokken bedrijfsleven en andere belanghebbende onderwijsinstellingen plaatsvindt. Het toezicht wordt proportioneel uitgevoerd. Bij ernstig tekortschieten t.a.v. de zorgplicht arbeidsmarktperspectief start een vervolgtraject dat kan leiden tot een sanctie.

    Tevens houdt de Inspectie toezicht op het aspect of (nieuwe) studenten tijdens de werving, de intake en de opleiding voldoende, objectief en zo actueel mogelijk geïnformeerd worden over de arbeidsmarktperspectieven van de opleiding.

6.3 Het versterken van het aanbod aan opleidingen op regionaal niveau.

De optelsom van opleidingenportfolio’s van individuele instellingen hoeft nog niet altijd te leiden tot een arbeidsmarktrelevant, doelmatig en toegankelijk aanbod aan opleidingen op regionaal niveau. Het mbo-onderwijs en het georganiseerd bedrijfsleven hebben aangegeven als SBB gezamenlijk zich in te willen zetten voor een arbeidsmarktrelevant, doelmatig en toegankelijk aanbod aan mbo-opleidingen op regionaal en sectoraal niveau13. De volgende aanvullende maatregelen worden voorgesteld:

  • Allereerst gaat SBB regio’s en sectoren ondersteunen bij het realiseren van een arbeidsmarktrelevant, doelmatig en toegankelijk aanbod aan opleidingen. Dit gebeurt bijvoorbeeld door overleg tussen instellingen en bedrijfsleven te bevorderen waar dit moeizaam van de grond komt (zie paragraaf 6.2), of voor (top)sectoren waar dit prioriteit heeft. Daarnaast kan dit overleg ondersteund worden met regionale en/of sectorale analyses naar vraag en aanbod van opleidingen.

  • Ten tweede wordt een toetsingskader uitgewerkt en vastgelegd in wet- regelgeving. Op basis hiervan kan een afweging plaatsvinden of er op regionaal niveau sprake is van een arbeidsmarktrelevant, doelmatig en toegankelijk aanbod van een opleiding. In bijlage 211 treft u de hoofdlijnen aan van dit kader. De aspecten arbeidsmarktrelevantie, doelmatigheid en toegankelijkheid zijn uitwerkt in een beperkte set indicatoren met bijbehorende signaleringswaarden. Arbeidsmarktrelevantie weegt het zwaarst in het model. De beschikbaarheid van stageplaatsen is daarvoor één van de belangrijkste indicatoren. De vraag vanuit de arbeidsmarkt is leidend voor de omvang van het aanbod en de locatie van het aanbod. Indien één van de signaleringswaarden wordt overschreden, is dat reden voor nadere analyse van de specifieke situatie. Het kan immers zijn dat een afwijking goed beargumenteerd kan worden. Het toetsingskader is bedoeld voor bestaand en nieuw aanbod aan opleidingen. In samenwerking met SBB en in samenhang met de code «Goed Bestuur in de bve-sector» wordt dit toetsingskader verder uitgewerkt en getest in de praktijk.

  • Als instellingen «freerider-gedrag» tonen en in strijd met het toetsingskader opleidingen worden aangeboden, gaat een procedure van onderzoek, bemiddeling en indien nodig onafhankelijke oordeelsvorming (ook wel aangeduid als arbitrage of beslechting van geschillen) inwerking. Daarvoor wordt een organisatie aangewezen die op initiatief van belanghebbenden, of op eigen initiatief, deze «escalatie» kan uitvoeren om tot een oplossing te komen die past binnen het toetsingskader. Het kabinet wil de uitvoering hiervan beleggen bij SBB. Mocht deze escalatie echter niet leiden tot actie van instellingen om hun aanbod in overeenstemming met het toetsingskader te brengen, dan krijgt de minister van EL&I (voor groen onderwijs) en ik voortaan de bevoegdheid om deze situatie te kunnen beëindigen.

Het kabinet neemt het initiatief om bovenstaande taken en toetsingskader te verankeren in wet- en regelgeving zodat alle mbo-instellingen hieraan gebonden zijn. Voor de uitvoering van wet- en regelgeving (ook hetgeen door SBB wordt uitgevoerd) blijven de minister van EL&I en ik eindverantwoordelijk.

6.4. Het versterken van het aanbod van specifieke opleidingen op landelijk niveau.

Verder neemt het kabinet het initiatief om voor een beperkt aantal opleidingen een landelijk systeem in te voeren waarbij instellingen voor het aanbieden van kleine, unieke opleidingen en populaire opleidingen met weinig arbeidsmarktperspectief vooraf goedkeuring moeten hebben van de minister van EL&I (voor groen onderwijs) of van mij om voor bekostiging in aanmerking te komen. Dit wordt ook wel aangeduid als een licentiesysteem. Dit biedt de mogelijkheid om bestaande en nieuw aanbod van dergelijke opleidingen te concentreren op een beperkt aantal instellingen en locaties.

  • Het licentiesysteem richt zich op specialistische opleidingen met een klein aantal studenten, maar die voor de arbeidsmarkt zeer relevant zijn. Het initiatief Samenwerkende Organisaties Specialistisch (SOS) Vakmanschap15 heeft criteria ontwikkeld voor het identificeren van kleine, specialistische opleidingen, een meldpunt ingesteld en brengt met instellingen en bedrijfsleven het toekomstperspectief in beeld. Het gaat om opleidingen: met landelijk een klein aantal studenten, die wel noodzakelijk zijn om een bepaald beroep uit te kunnen oefenen, waarvan het beroep toekomstperspectief heeft, die bedreigd worden in hun voortbestaan en waarvan de beroepsgroep/sector zelf wil bijdragen aan het voortbestaan. Het concentreren van dergelijke, perspectiefvolle opleidingen op één of een beperkt aantal instellingen/locaties kan versnippering tegengaan en daarmee een bijdrage leveren aan het in stand houden van de opleiding.

  • Daarnaast wordt het systeem benut om het aanbod van opleidingen te beperken die populair zijn onder jongeren, maar een beperkt arbeidsmarkt-perspectief hebben. Dit moet blijken op basis van criteria die te ontlenen zijn aan schoolverlatersonderzoek, zoals bijvoorbeeld het percentage werkloosheid na diplomering en de mate waarin de gevolgde opleiding niet aansluit bij het werk dat men is gaan doen bij het betreden van de arbeidsmarkt. Diverse instellingen maken al van hun bevoegdheid gebruik om de instroom in dergelijke opleidingen te beperken. Bijvoorbeeld ROC Twente dat een maximaal aantal studenten inschrijft voor de opleidingen Artiest, Pedagogisch Werk, Sport en Bewegen en Juridisch medewerker; het Grafisch Lyceum Rotterdam voor o.a. de opleiding Mediavormgeven en andere roc’s hanteren ook een grens voor de opleiding Veiligheid en Vakmanschap nu de instroom bij Defensie beperkter is. Maar niet alle instellingen stellen een grens wanneer dat uit oogpunt van arbeidsmarktperpspectief gewenst zou zijn.

    Zo zijn er signalen dat van bepaalde creatieve opleidingen, bijvoorbeeld artiest, er structureel meer aanbod is dan vraag vanuit het bedrijfsleven. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik vragen daarom een advies aan SBB dat antwoord moet geven op de vragen: van welke populaire opleidingen is het aanbod structureel groter dan de vraag vanuit de arbeidsmarkt, in welke mate moet dat aanbod beperkt worden en waar kan dat aanbod dan het beste verzorgd worden gelet op de regionale spreiding van de branche. Voor creatieve opleidingen wordt deze analyse uitgevoerd in samenhang met het Sectorplan Kunstonderwijs voor het hbo en de Human Capital Agenda van de topsector Creatieve Industrie.

    Indien dergelijke populaire opleidingen van oudsher tot het werkveld van vakinstellingen of aoc’s behoren, wordt het afgeslankte aanbod vooral daar geconcentreerd. Aanbod op roc’s blijft mogelijk indien dat uit oogpunt van arbeidsmarktrelevantie, doelmatigheid en toegankelijkheid nodig is.

  • Tot slot bereiken mij ideeën van instellingen die bepaalde (techniek)-opleidingen willen gaan samenvoegen, omdat bij afzonderlijk voortzetten de continuïteit niet gewaarborgd kan worden. De WEB biedt ruimte voor samenwerkingsarrangementen tussen mbo-instellingen. Als echter blijkt dat het noodzakelijk is om wet- of regelgeving aan te passen om andere gewenste vormen van samenwerking praktisch mogelijk te maken, denk bijvoorbeeld aan het onderbrengen van (techniek)opleidingen in een (administratief) nieuwe instelling, wil ik daarvoor het initiatief nemen.

7. Vervolg

Het kabinet gaat een wetsvoorstel voorbereiden om de maatregelen in deze brief die aanpassing van wetgeving vragen, uit te werken. De beoogde inwerkingtreding is per 1 augustus 2014.

Andere maatregelen worden nu uitgevoerd. Zo is DUO inmiddels gestart met de ontwikkeling van de databank (paragraaf 6.1), start het toezicht door de Inspectie op de zorgplicht arbeidsmarktperspectief in mei a.s. (paragraaf 6.2) en worden met SBB afspraken gemaakt over een werkprogramma om de taken genoemd in paragraaf 6.3 voor te bereiden en uit te voeren.

De aanpak van (dreigende) tekorten in de techniek en zorg hebben ook de aandacht van het kabinet. Daarvoor wordt bijvoorbeeld een nieuw arrangement voor bekostigd mbo-onderwijs voor studenten vanaf 30 jaar voorgesteld. Uw Kamer ontvangt binnenkort hiervoor een wetsvoorstel. Specifiek voor meer bèta’s en technici ontvangt uw Kamer binnenkort van het kabinet een uitgebreide beleidsreactie op het Masterplan Bèta en Techniek.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart


X Noot
1

«De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2016», ROA, Maastricht, 2011.

X Noot
2

Toezegging tijdens het algemeen overleg van april 2011, over het Actieplan mbo «Focus op vakmanschap 2011–2012» (Tweede Kamer, 2010–2011, 31 524, nr. 110).

X Noot
3

«Koers BVE, perspectief voor het middelbaar beroepsonderwijs en volwasseneneducatie», ministerie van OCW, 2000.

X Noot
4

Binnen de grenzen van de landelijke kwalificatiestructuur mbo, de wettelijke afbakening tussen roc’s, aoc’s en vakinstellingen en de wettelijke beroepspraktijkvorming (stage).

X Noot
5

Het aantal bekostigde studenten is van 1999 t/m 2010 gegroeid van 434 000 tot 525 000.

X Noot
6

Dit komt door: demografische ontwikkelingen, de toegenomen belangstelling voor het algemeen vormend onderwijs zoals het havo en het nieuwe bekostigingsarrangement voor studenten vanaf 30 jaar per 2013.

X Noot
7

«Doelmatigheid van het middelbaar beroepsonderwijs», IVA,Tilburg, 2010.

X Noot
8

«Kwaliteit van gediplomeerde schoolverlaters van creatieve mbo-opleidingen, ROA, Maastricht, 2010.

X Noot
9

«Naar meer focus op het mbo», commissie Onderwijs en Besturing BVE, 2010.

X Noot
10

«Naar meer doelmatigheid in het mbo», commissie Kwalificeren en Examineren, 2010.

X Noot
11

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
12

Mbo-diploma's: doelmatige basis voor vakmanschap; Advies van stichting SBB aan de minister van OCW over versterking van de beroepsgerichte kwalificatiestructuur mbo, februari 2012.

X Noot
13

«Advies in hoofdlijnen over (macro-)doelmatigheid in het mbo», SBB, 2012.

X Noot
15

SOS Vakmanschap is een samenwerkingsverband van meer dan 50 organisaties uit bedrijfsleven en onderwijs, die zich inzetten om het kleinschalig, specialistisch vakmanschap in Nederland voor de toekomst veilig te stellen, door behoud en versterking van specialistisch beroepsonderwijs.