Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201129544 nr. 328

29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 328 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juli 2011

Hierbij ontvangt u de «Voorjaarsrapportage cao-afspraken 2011» zoals deze door mijn ministerie is opgesteld.1 Tevens ga ik in deze brief in op de naleving en handhaving van cao’s in relatie tot de motie Klaver en op avv-termijnen voor cao’s.

Voorjaarsrapportage cao-afspraken 2011

De rapportage beschrijft de stand van zaken over 2010, en geeft een eerste beeld van de ontwikkelingen in 2011. De rapportage beschrijft cao-afspraken over contractloonontwikkeling; de onderkant van het loongebouw; de doorgroei in loonschalen; arbeidsparticipatie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten en de normale arbeidsduur in cao’s. Voor een overzicht van de resultaten verwijs ik u naar de in de rapportage opgenomen samenvatting.

Uit de rapportage blijkt dat de gemiddelde contractloonmutatie over 2010 uitkomt op 0,8% (niveaubasis). In 2009 was dat nog 2,3%. 2010 is het tweede jaar op rij met een lagere contractloonmutatie dan het jaar ervoor. In 2011 stijgt de voorlopige contractloonmutatie naar 1,6% en beweegt daarmee onder het inflatieniveau. Het is van belang dat de laagste loonschalen goed aansluiten bij de arbeidsproductiviteit. Daarom is het verschil tussen de laagste loonschalen en het wettelijk minimumloon in cao’s onderzocht. Dat verschil bedraagt in 2010 gemiddeld 3,4%. Dit is een stijging met 0,4%-punt ten opzichte van 2009.

Een belangrijk gegeven in de rapportage is dat cao-partijen in meer cao’s afspraken maken over het aantrekken van gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers. In 2010 is het aantal cao’s met afspraken op het gebied van integratiebeleid van gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers ten opzichte van 2009 met 11%-punt gestegen naar 49%. In dezelfde periode is het aantal cao’s in de steekproef met afspraken over de arbeidsparticipatie van wajongers gestegen van 4 naar 18. Zoals ik in mijn brief, van 10 juni jl., aan uw Kamer over het pensioenakkoord, heb aangekondigd, ben ik met sociale partners in gesprek over hun inspanningen om groepen met een afstand tot de arbeidsmarkt in te schakelen. Ik zal u over de uitkomsten van dit overleg in samenhang met de moties van Koser Kaya en Sterk, De Jong en Azmani over het alleen avv’en van cao’s waarin afspraken staan over banen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, nader informeren.

Naleving en handhaving van cao’s

Op 26 april jl. heb ik met uw Kamer gesproken over de handhaving van cao’s. Ik heb u toegezegd te bekijken wat de praktijk is wat betreft de cao-politie.

In meerdere sectoren hebben cao-partijen uitgebreide nalevingactiviteiten vastgelegd in de cao, soms ook wel cao-politie genoemd. Sectoren die dergelijke activiteiten hebben vormgegeven zijn bijvoorbeeld de uitzendsector, de bouw, de vervoerssector (busvervoer, beroepsgoederenvervoer en taxi’s), het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf, de particuliere beveiliging en de zoetwarenindustrie.

De totstandkoming en de inhoud van cao’s is de verantwoordelijkheid van werkgevers, werknemers en hun organisaties. De handhaving van cao’s sluit aan op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen sociale partners en de overheid. Vanwege het civielrechtelijke karakter van een cao is ook de (controle op de) naleving van de cao een zaak tussen cao-partijen onderling.

De overheid ondersteunt de handhaving door het algemeen verbindend verklaren van nalevingbepalingen in de cao’s. Daarnaast kan de Arbeidsinspectie op verzoek van partijen een onderzoek instellen op grond van artikel 10 van de Wet avv.

Voor het overige verwijs ik naar de beantwoording van Kamervragen (2011Z01229/2011D03149) waarin ik u heb geïnformeerd over het civielrechtelijke karakter van naleving van cao’s. Daarnaast heeft mijn ambts-voorganger u op 7 december 2009 geïnformeerd over de naleving en handhaving van cao’s in het algemeen (Kamerstukken II, 2009/10 29 544 nr. 219).

De motie van het lid Klaver (Kamerstukken II, 2010/11 29 407 nr. 124) verzoekt de regering met sociale partners en de Arbeidsinspectie in overleg te treden over een sluitende handhavingsaanpak in de land- en tuinbouwsector. Ik vind het van belang dat sectoren hier hun eigen verantwoordelijkheid in nemen. Bij een juiste handhaving op sectorniveau kan uitwisseling van gegevens plaatsvinden. Dat kan een positieve bijdrage leveren aan de publieke handhaving. Ik ben voornemens dit punt onder de aandacht brengen in het reguliere overleg met sociale partners. Ik zal de Kamer bij gelegenheid over de uitkomsten informeren.

Avv-termijnen voor cao’s

In het algemeen overleg over het arbeidsmarktbeleid op 13 april jl. heeft de heer Van den Besselaar de avv-termijnen aan de orde gesteld. De lengte van de huidige avv-termijnen zou het voor subsectoren moeilijk maken om een eigen cao toe te passen. Daarop heb ik toegezegd u bij gelegenheid te informeren over de geldende maximumtermijnen voor het algemeen verbindend verklaren van cao-bepalingen.

Een avv-besluit voor een reguliere arbeidsvoorwaarden-cao is beperkt tot een looptijd van maximaal twee jaar. Deze termijn geeft cao-partijen de ruimte om de afspraken in cao’s regelmatig aan te passen aan sociaaleconomische ontwikkelingen. Een avv-besluit met betrekking tot cao-fondsen kan voor een maximale looptijd van vijf jaar gelden. In deze cao’s worden afspraken over investeringen op het gebied van bijvoorbeeld opleiding en ontwikkeling gemaakt die een langere looptijd vergen. Een maximale looptijd van vijf jaar geeft sectoren de tijd deze doelstellingen te realiseren.

Cao-bepalingen kunnen, op verzoek van een meerderheid in een sector, worden opgelegd aan de gehele sector. Avv heeft in de kern tot doel de verantwoordelijkheid van sociale partners voor de cao te ondersteunen en te beschermen. Een avv-besluit heeft geen terugwerkende kracht en avv kent geen nawerking. Avv loopt tot maximaal de einddatum van de cao. Ook tijdens een avv-periode is er ruimte voor flexibiliteit. Sociale partners kunnen de cao’s desgewenst aanpassen aan sociaaleconomische ontwikkelingen en die aanpassing algemeen verbindend laten verklaren.

De feitelijke avv-termijnen liggen onder de wettelijke maximumtermijnen. De gemiddelde looptijd van de avv-besluiten van de reguliere cao’s bedraagt in 2010 een kleine 12 maanden. De gemiddelde looptijd van de avv-besluiten van cao-fondsen bedraagt in 2010 ongeveer 44 maanden. Het beoogde effect is om neerwaarts concurreren op arbeidsvoorwaarden te voorkomen. Tijdens een avv-periode kunnen bedrijven en subsectoren een eigen cao dus wel toepassen als deze gelijkwaardige of betere arbeidsvoorwaarden heeft dan de avv’de cao.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. G. J. Kamp


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.