Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201829538 nr. 264

29 538 Zorg en maatschappelijke ondersteuning

Nr. 264 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 juni 2018

Met deze brief wordt u geïnformeerd over het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het wetsvoorstel dat ertoe strekt dat het gemeenten wordt verboden om een voorziening te treffen die tot doel heeft dat een cliënt een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de loonbelasting 1964 aangaat. Deze arbeidsverhouding is bekend als de «Regeling dienstverlening aan huis». Deze regeling is bedoeld voor particulieren die voor huishoudelijke werkzaamheden gebruik willen maken van een particuliere dienstverlener. In de praktijk verlenen ook alfahulpen diensten op basis van deze regeling aan Wmo-cliënten middels een persoonsgebonden budget.

De Afdeling advisering van de Raad van State is van oordeel dat het thans indienen van het voorstel niet passend is in het licht van de interbestuurlijke verhoudingen zoals die sinds de decentralisatie van de maatschappelijke ondersteuning in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2105) in acht dienen te worden genomen en dat het voorstel, gelet op uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), niet nodig is, ook niet indien volgende uitspraken nog tot een nadere uitleg en precisering zullen leiden.

De CRvB heeft in enkele uitspraken van 18 mei 2016 (met name CRvB 18-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1404) nadere uitleg over het stelsel van de Wmo 2015 gegeven. Daarmee is duidelijk geworden dat een gemeente geen algemene voorziening treft als bedoeld in de Wmo 2015 als er alleen een contract bestaat tussen de alfahulp en de cliënt. Uit tekst van artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 en de toelichting daarop volgt namelijk dat een aanbieder zich jegens het college moet verbinden om een algemene voorziening (of een maatwerkvoorziening) te leveren. Volgens de toelichting op de Wmo 2015 impliceert de formulering van artikel 1.1.1 dat een derde die zich tegenover de cliënt verbindt tot het leveren van bepaalde activiteiten, diensten of zaken, in dat verband geen aanbieder is in de zin van de wet (Kamerstuk 33 841, nr. 3, p. 110). De «Regeling dienstverlening aan huis» vereist dat altijd sprake is een arbeidscontract tussen de alfahulp (als werknemer) en de cliënt (als werkgever) over de diensten die de alfahulp verricht voor de cliënt. Om die reden is volgens de definitie van de Wmo 2015 geen sprake van een algemene voorziening op het moment dat een particuliere dienstverlening zoals een alfahulp een contract sluit met een cliënt over de te leveren diensten.

Om gebruik te kunnen maken van de regeling levert altijd de alfahulp als particuliere dienstverlener de hulp aan de cliënt en niet het college. Bij een algemene voorziening in de zin van de Wmo 2015 levert juist het college maatschappelijke ondersteuning aan de cliënt. Het college sluit hiervoor contracten af met aanbieders. Als het college slechts een tegemoetkoming of een vergoeding betaalt voor maatschappelijke ondersteuning, anders dan een persoonsgebonden budget waarbij iemand zelf zijn maatschappelijke ondersteuning inkoopt, of verwijst naar de private markt levert het college geen voorziening in de zin van de Wmo 2015. Uit deze op de tekst en de wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 gebaseerde uitspraken trekt de Afdeling advisering de conclusie dat het voorstel niet (meer) nodig is. De huidige bepalingen van de Wmo 2015, zoals deze door de CRvB zijn uitgelegd, leiden er immers al toe dat gemeenten voorzieningen op grond van de Wmo 2015 niet in deze vorm kunnen aanbieden.

Het is gemeenten op basis van de uitspraken niet toegestaan financiering van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 aan te bieden als algemene voorziening en om te verwijzen naar de particuliere markt. De huidige bepalingen van de Wmo 2015, zoals deze door de CRvB zijn uitgelegd, leiden er toe dat gemeenten voorzieningen op grond van de Wmo 2015 niet in de vorm van bemiddeling kunnen aanbieden. Zeker nu huishoudelijk hulp als prestatie onder de Wmo 2015 is bevestigd door de CRvB en de gemeente daar in het kader van artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 rekening mee moet houden. Dit betekent dat in dat licht een ingezetene altijd een aanspraak zou moeten kunnen hebben op een maatwerkvoorziening die het schoon en op orde houden van het huishouden omvat, alsook de zorg voor het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding of, indien van toepassing een algemene voorziening, die hiertoe een passende bijdrage levert met betrekking tot de zelfredzaamheid.

In de kwartaalbrief actuele ontwikkelingen sociaal domein van 13 juni 2017 (zie bijlage1) is door mijn ambtsvoorganger Staatssecretaris van Rijn aandacht gevraagd bij de colleges voor de (mogelijke) implicaties van de uitspraken van de CRvB over de Wmo 2015 en de inzet van alfahulpen. Daarin zijn de uitspraken weergegeven. Het is aan de colleges om te bezien of dit lokaal om maatregelen, zoals aanpassingen in beleid en uitvoering, vraagt en waar nodig de uitspraken op te volgen. Samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil ik de komende periode nogmaals per brief aandacht vragen van gemeenten voor de genoemde uitspraken van de CRvB en het belang van een juiste toepassing van deze uitspraken. Daar waar blijkt dat gemeenten zich niet aan de hierboven genoemde uitspraken van de CRvB houden, zal ik vanuit mijn rol als interbestuurlijk toezichthouder acteren.

Cliënten die bewust de keuze maken voor een particuliere dienstverlener en voor de financiering van deze particuliere dienstverlener gebruik willen maken van de «Regeling dienstverlening aan huis», kunnen hiervoor een persoonsgebonden budget aanvragen bij het college (artikel 2.3.6 van de Wmo 2015).

Het kabinet is het met de Afdeling eens dat gelet op de uitspraken van 18 mei 2016 het betreffende voorstel van wet niet noodzakelijk is en heeft daarom besloten dit niet meer in te dienen bij uw Kamer.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl