Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 29521 nr. BW |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 29521 nr. BW |
Vastgesteld 22 mei 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie over Artikel 100-inzet in de Middellandse Zee. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 21 april 2026.
• De antwoordbrief van 21 mei 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk
Aan de Minister van Buitenlandse Zaken
Den Haag, 21 april 2026
De leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief2 van de regering inzake de artikel 100-inzet in de Middellandse Zee en de aanvullende artikel 100-brief3 over verlenging Nederlandse inzet in de Middellandse Zee, die u samen met de Minister van Defensie naar de Kamer heeft gestuurd. De leden van de fracties van de SP en de PvdD hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben naar aanleiding van de ontvangen brieven een aantal vragen, met name ten aanzien van het mandaat, de juridische onderbouwing, de risico-inschatting en de mogelijke gevolgen van de Nederlandse deelname aan deze missie.
Internationaal recht en consistentie
1. In de artikel 100-brief spreekt de regering een scherpe veroordeling uit van de aanvallen van Iran. Kan de regering toelichten waarom de aanvallen van de Verenigde Staten en Israël, die aan deze escalatie voorafgingen, in de brief niet juridisch worden gekwalificeerd of veroordeeld, terwijl deze volgens breed gedeelde interpretaties eveneens in strijd zijn met het internationaal recht, en met name een schending vormen van artikel 2, lid 4 van het VN-Handvest? Acht de regering deze asymmetrie verenigbaar met een consistente toepassing van het internationaal recht?
2. Erkent de regering dat het gebruik van geweld tegen Iran door de Verenigde Staten en Israël, bij gebrek aan een mandaat van de VN-Veiligheidsraad en buiten een duidelijke situatie van zelfverdediging, op basis van het VN-Handvest moet worden gekwalificeerd als een daad van agressie, vergelijkbaar met de juridische kwalificatie van de Russische invasie van Oekraïne in 2022? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom weigert de regering dit dan te benoemen, zo vragen de leden van de SP-fractie.
3. De inzet van de Zr. Ms. Evertsen vindt plaats op basis van artikel 100 van de Grondwet, hetgeen impliceert dat deze inzet gericht is op de handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. De regering presenteert deze missie dan ook als een bijdrage aan de bescherming van die rechtsorde. Kan de regering uitleggen hoe deze missie die rechtsorde precies beschermt, terwijl de oorlog waarvan deze missie het gevolg is mede is ontketend door aanvallen van de Verenigde Staten en Israël, die in de artikel 100-brief niet als schending van het internationaal recht worden benoemd?
4. In de artikel 100-brief stelt de regering dat de Iraanse aanvallen «andermaal het karakter van het Iraanse regime aantonen». Kan de regering toelichten wat volgens haar de herhaalde en grootschalige aanvallen van de Verenigde Staten en Israël op Iran – die evident in strijd zijn met het internationaal recht en hebben geleid tot grote aantallen burgerslachtoffers en regionale destabilisatie – zeggen over het karakter van deze staten en hun handelen? En hoe verhoudt het uitblijven van een vergelijkbare kwalificatie zich tot een consistente en geloofwaardige toepassing van het internationaal recht?
Mandaat en feitelijke betrokkenheid
5. De regering stelt dat de inzet een strikt defensief karakter heeft. Kan de regering precies definiëren wat in deze context onder «defensief» wordt verstaan? Welke concrete handelingen vallen daar wel en welke vallen daar niet onder?
6. Kan de regering uiteenzetten in hoeverre de Zr.Ms. Evertsen sinds de start van de missie feitelijk betrokken is geweest bij operationele handelingen binnen het vlootverband, en in het bijzonder of deze inzet zich uitsluitend heeft beperkt tot het verdedigen tegen inkomende dreigingen, zoals het onderscheppen van raketten en drones?
7. Daarnaast vragen de leden van de SP-fractie de regering of zij kan bevestigen dat de Zr.Ms. Evertsen tot op heden op geen enkele wijze betrokken is geweest bij handelingen die direct of indirect kunnen worden gezien als ondersteuning van offensieve operaties van andere staten. Indien dat niet kan worden bevestigd, kan de regering dan specificeren om welke handelingen het gaat?
8. Kan de regering toelichten of en in hoeverre de Zr.Ms. Evertsen tot op heden betrokken is geweest bij de verdediging van militaire objecten, installaties of materieel van bondgenoten – waaronder militaire bases op Cyprus – en of daaronder ook objecten vielen die een rol spelen of kunnen spelen in militaire operaties tegen Iran?
9. Kan de regering aangeven of de Zr.Ms. Evertsen tot op heden informatie, waaronder het luchtbeeld, heeft gedeeld met andere staten of binnen bredere verbanden dan uitsluitend de Carrier Strike Group, en of kan worden uitgesloten dat dergelijke informatie direct of indirect is gebruikt voor offensieve operaties?
10. Kan de regering, in het licht van berichtgeving dat het Verenigd Koninkrijk de Verenigde Staten toestemming heeft gegeven om Britse militaire bases te gebruiken voor aanvallen op Iraanse doelen, toelichten in hoeverre dergelijke activiteiten plaatsvinden vanuit of in relatie tot de Britse bases op Cyprus, en welke kennis de regering hierover heeft?
11. In het verlengde hiervan: is het denkbaar dat Nederland, door het verdedigen van bondgenootschappelijk grondgebied, militaire bases of materieel van bondgenoten, feitelijk bijdraagt aan het in stand houden of faciliteren van militaire operaties van de Verenigde Staten of Israël (in het geval dat de oorlog weer oplaait)? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het gestelde strikt defensieve karakter van de missie, en hoe voorkomt de regering dat Nederland daarmee feitelijk onderdeel wordt van een dergelijk conflict?
Bevelsstructuur en nationale zeggenschap
12. In hoeverre is de zelfstandige besluitvorming van Nederland over inzet en geweldstoepassing in de praktijk gewaarborgd binnen een door Frankrijk geleide missie? Kan de regering concreet toelichten hoe wordt voorkomen dat operationele beslissingen van de Franse commandant leiden tot feitelijke inzet die verder gaat dan het nationale mandaat?
13. In hoeverre kan bondgenootschappelijke druk – politiek of militair – ertoe leiden dat Nederland in de praktijk toch betrokken raakt bij handelingen die buiten het oorspronkelijke mandaat vallen? Welke waarborgen bestaan hiertegen?
Risico’s, escalatie en betrokkenheid bij oorlog
14. Deelt de regering de analyse van de leden van de SP-fractie dat de aanwezigheid van NAVO- en EU-marineschepen in deze context door Iran en aan Iran gelieerde actoren kan worden gezien als feitelijk partij kiezen in het conflict? Zo ja, wat betekent dit voor de risico-inschatting?
15. Zijn er scenario’s uitgewerkt waarin Nederland, al dan niet onbedoeld, betrokken raakt bij een gewapend conflict? Zo ja, wat zijn de belangrijkste scenario’s en welke exit-strategieën bestaan hiervoor?
16. Is het denkbaar dat de inzet van de Zr.Ms. Evertsen ertoe leidt dat Nederland «in oorlog» raakt in de zin van artikel 96 van de Grondwet? Onder welke omstandigheden zou daarvan sprake kunnen zijn?
17. Hoe onderbouwt de regering dat deze inzet bijdraagt aan de-escalatie, en erkent de regering dat de inzet ook het risico met zich meebrengt dat de spanningen in de regio juist verder oplopen? Zo ja, hoe wordt dat risico gemitigeerd?
Actualisering en verlenging van de inzet
18. In de aanvullende artikel 100-brief van 2 april 2026 stelt de regering dat de verlengde inzet binnen het bestaande mandaat blijft en dat de eerder geschetste contextanalyse, risico’s en gevolgen voor de nationale veiligheid ongewijzigd gelden. De leden van de SP-fractie stellen echter vast dat er sindsdien zich een relevante ontwikkeling heeft voorgedaan, namelijk de wapenstilstand tussen de Verenigde Staten en Iran van 7 april 2026. Kan de regering toelichten of en zo ja op welke wijze deze ontwikkeling aanleiding geven tot een hernieuwde beoordeling van de inzet, en wat de implicaties zijn voor:
• de dreiging voor Cyprus en bondgenootschappelijk grondgebied;
• de risico’s voor de Nederlandse eenheid;
• de noodzaak en proportionaliteit van voortzetting van de inzet?
19. Indien deze herbeoordeling nog niet expliciet heeft plaatsgevonden, is de regering dan bereid deze alsnog uit te voeren en de Kamer hierover te informeren?
20. Onder welke omstandigheden zou de regering concluderen dat sprake is van een zodanige wijziging in de situatie dat een nieuwe artikel 100-afweging noodzakelijk is?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de regering naar een inventarisatie van de risico’s van het zenden van militaire steun bij het openhouden van de Straat van Hormuz en bij het verdedigen van posities in de Middellandse Zee. Kan de regering de gevolgen schetsen in het kader van artikel 5 van het NAVO-handvest wanneer een Nederlands oorlogsschip (of een oorlogsschip van een ander NAVO-land) wordt aangevallen door een leger van een niet-NAVO lid, zoals Iran, Rusland of Jemen?
De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, K. Petersen
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 mei 2026
Hierbij bieden wij u de antwoorden aan op de vragen gesteld door de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking over de artikel 100-inzet in de Middellandse Zee en de aanvullende artikel 100-brief over verlenging Nederlandse inzet in de Middellandse Zee. Deze vragen werden ingezonden op 21 april 2026 met kenmerk 180722.
De Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen
De Minister van Defensie, D. Yeşilgöz-Zegerius
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben naar aanleiding van de ontvangen brieven een aantal vragen, met name ten aanzien van het mandaat, de juridische onderbouwing, de risico-inschatting en de mogelijke gevolgen van de Nederlandse deelname aan deze missie.
Internationaal recht en consistentie
1.
In de artikel 100-brief spreekt de regering een scherpe veroordeling uit van de aanvallen van Iran. Kan de regering toelichten waarom de aanvallen van de Verenigde Staten en Israël, die aan deze escalatie voorafgingen, in de brief niet juridisch worden gekwalificeerd of veroordeeld, terwijl deze volgens breed gedeelde interpretaties eveneens in strijd zijn met het internationaal recht, en met name een schending vormen van artikel 2, lid 4 van het VN-Handvest? Acht de regering deze asymmetrie verenigbaar met een consistente toepassing van het internationaal recht?
De artikel 100-brief heeft betrekking op de inzet van Zr. Ms. Evertsen in de Middellandse Zee. Deze defensieve inzet leverde een bijdrage aan de verdediging van de CSG, Cyprus en het NAVO-verdragsgebied. De inzet vond plaats naar aanleiding van Iraanse aanvallen en dreiging richting Cyprus, de Britse bases op dat eiland, Franse bases in de Golf en partners in de regio. Om die reden gaat de brief in op de aanvallen vanuit Iran.
Nederland is geen partij bij het gewapend conflict tussen de VS en Israël enerzijds en Iran anderzijds en heeft niet de intentie daarbij betrokken te raken. Er bestond geen aanleiding in deze brief de internationaalrechtelijke rechtsbasis van dat laatstgenoemd gewapend conflict aan de orde te stellen.
2.
Erkent de regering dat het gebruik van geweld tegen Iran door de Verenigde Staten en Israël, bij gebrek aan een mandaat van de VN-Veiligheidsraad en buiten een duidelijke situatie van zelfverdediging, op basis van het VN-Handvest moet worden gekwalificeerd als een daad van agressie, vergelijkbaar met de juridische kwalificatie van de Russische invasie van Oekraïne in 2022? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom weigert de regering dit dan te benoemen, zo vragen de leden van de SP-fractie.
Het kabinet heeft aangegeven dat terecht vragen zijn te stellen bij de juridische basis van de Amerikaanse en Israëlische acties en dat het beantwoorden van die vragen met name aan de VS en Israël is. Zo heeft de juridisch adviseur van de Verenigde Staten op 21 april 2026 een beschrijving gegeven van de juridische basis die de Verenigde Staten hanteert voor het starten van de aanval op Iran op 28 februari 2026.4
Gelet op de informatie die het kabinet beschikbaar heeft, lijkt een rechtsbasis voor de aanvallen van de Verenigde Staten en Israël te ontbreken. Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten houden aan het internationaal recht. Tegelijkertijd is het kabinet van mening dat bij het beoordelen van het ontbreken van een rechtsbasis voor de aanval van de Verenigde Staten en Israël op Iran ook de bredere context moet worden betrokken. Het kabinet heeft begrip voor de veiligheidszorgen van de Verenigde Staten en Israël, op basis van de dreiging die uitgaat van Iran. Die dreiging blijkt onder meer uit de dreigende taal die uitgaat van het Iraanse regime; het Iraanse nucleaire programma; het Iraanse ballistische raketprogramma; de Iraanse militaire steun aan de Russische agressie in Oekraïne en uit de steun die Iran levert aan verschillende niet-statelijke groepen in de regio, zoals Hamas, Hezbollah en de Houthi’s.
De appreciatie van deze Amerikaans-Israëlische acties is van een andere aard dan de grootschalige Russische invasie van Oekraïne. Er ging geen enkele dreiging uit van Oekraïne richting Rusland en toch startte de Russische Federatie een agressieoorlog tegen Oekraïne, Rusland is dan ook als zodanig veroordeeld door een overweldigende meerderheid van staten in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN resolutie ES-11/1 van 2 maart 2022).
3.
De inzet van de Zr. Ms. Evertsen vindt plaats op basis van artikel 100 van de Grondwet, hetgeen impliceert dat deze inzet gericht is op de handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. De regering presenteert deze missie dan ook als een bijdrage aan de bescherming van die rechtsorde. Kan de regering uitleggen hoe deze missie die rechtsorde precies beschermt, terwijl de oorlog waarvan deze missie het gevolg is mede is ontketend door aanvallen van de Verenigde Staten en Israël, die in de artikel 100-brief niet als schending van het internationaal recht worden benoemd?
De Nederlandse inzet betrof een inzet van defensieve aard met als doelstelling een bijdrage te leveren aan de verdediging van het vlootverband rond het Franse vliegdekschip Charles de Gaulle, Cyprus en het NAVO-verdragsgebied. Daarmee valt deze inzet onder de noemer van de handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Nederland is geen partij bij het gewapend conflict tussen de VS en Israël enerzijds en Iran anderzijds en heeft niet de intentie daar bij betrokken te raken. Nederland trekt nauw op met Europese partners en met partners in de regio om een diplomatieke oplossing te bevorderen.
Het kabinet onderzoekt momenteel de wenselijkheid van een eventuele Nederlandse militaire inzet om bij te dragen aan het waarborgen van vrije doorvaart in de Straat van Hormuz, en daarmee het bevorderen van de internationale rechtsorde.
4.
In de artikel 100-brief stelt de regering dat de Iraanse aanvallen «andermaal het karakter van het Iraanse regime aantonen».
Kan de regering toelichten wat volgens haar de herhaalde en grootschalige aanvallen van de Verenigde Staten en Israël op Iran – die evident in strijd zijn met het internationaal recht en hebben geleid tot grote aantallen burgerslachtoffers en regionale destabilisatie – zeggen over het karakter van deze staten en hun handelen? En hoe verhoudt het uitblijven van een vergelijkbare kwalificatie zich tot een consistente en geloofwaardige toepassing van het internationaal recht?
Zie het antwoord op vraag 2. Nederland trekt nauw op met Europese partners en met partners in de regio om een diplomatieke oplossing te bevorderen.
5.
De regering stelt dat de inzet een strikt defensief karakter heeft. Kan de regering precies definiëren wat in deze context onder «defensief» wordt verstaan? Welke concrete handelingen vallen daar wel en welke vallen daar niet onder?
Het mandaat omvat alleen de defensieve inzet voor de verdediging van het vlootverband en de verdediging van Cyprus en NAVO-verdragsgebied tegen een eventuele (onmiddellijk dreigende) gewapende aanval. Er is geen mandaat voor offensieve acties. Het schip heeft gesurveilleerd en met haar radar bijgedragen aan het luchtbeeld van het vlootverband. Over de exacte geweldsinstructie doet het kabinet geen uitspraken omwille van de operationele veiligheid.
6.
Kan de regering uiteenzetten in hoeverre de Zr.Ms. Evertsen sinds de start van de missie feitelijk betrokken is geweest bij operationele handelingen binnen het vlootverband, en in het bijzonder of deze inzet zich uitsluitend heeft beperkt tot het verdedigen tegen inkomende dreigingen, zoals het onderscheppen van raketten en drones?
Zr.Ms. Evertsen heeft tijdens de inzet in het vlootverband uitsluitend defensief opgetreden, in lijn met het defensieve mandaat.
7.
Daarnaast vragen de leden van de SP-fractie de regering of zij kan bevestigen dat de Zr.Ms. Evertsen tot op heden op geen enkele wijze betrokken is geweest bij handelingen die direct of indirect kunnen worden gezien als ondersteuning van offensieve operaties van andere staten. Indien dat niet kan worden bevestigd, kan de regering dan specificeren om welke handelingen het gaat?
Zie antwoord vraag 6. Er vond geen samenwerking plaats met de VS en/of Israël.
8.
Kan de regering toelichten of en in hoeverre de Zr.Ms. Evertsen tot op heden betrokken is geweest bij de verdediging van militaire objecten, installaties of materieel van bondgenoten – waaronder militaire bases op Cyprus – en of daaronder ook objecten vielen die een rol spelen of kunnen spelen in militaire operaties tegen Iran?
Zie antwoord vraag 6. Het schip heeft gedurende de inzetperiode, conform het mandaat, bijgedragen aan de verdediging van het vlootverband, Cyprus en het NAVO-verdragsgebied.
9.
Kan de regering aangeven of de Zr.Ms. Evertsen tot op heden informatie, waaronder het luchtbeeld, heeft gedeeld met andere staten of binnen bredere verbanden dan uitsluitend de Carrier Strike Group, en of kan worden uitgesloten dat dergelijke informatie direct of indirect is gebruikt voor offensieve operaties?
Zoals toegelicht in het artikel 100 debat met de Tweede Kamer op 11 maart jl. heeft het schip gedurende de inzetperiode haar luchtbeeld gedeeld met de partners binnen het vlootverband. Daarnaast wordt deze informatie gedeeld met de NAVO. Het fregat heeft met het delen van het luchtbeeld niet bijgedragen aan offensieve operaties.
10.
Kan de regering, in het licht van berichtgeving dat het Verenigd Koninkrijk de Verenigde Staten toestemming heeft gegeven om Britse militaire bases te gebruiken voor aanvallen op Iraanse doelen, toelichten in hoeverre dergelijke activiteiten plaatsvinden vanuit of in relatie tot de Britse bases op Cyprus, en welke kennis de regering hierover heeft?
Het kabinet doet geen uitspraken over de activiteiten van andere landen.
11.
In het verlengde hiervan: is het denkbaar dat Nederland, door het verdedigen van bondgenootschappelijk grondgebied, militaire bases of materieel van bondgenoten, feitelijk bijdraagt aan het in stand houden of faciliteren van militaire operaties van de Verenigde Staten of Israël (in het geval dat de oorlog weer oplaait)? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het gestelde strikt defensieve karakter van de missie, en hoe voorkomt de regering dat Nederland daarmee feitelijk onderdeel wordt van een dergelijk conflict?
Het vlootverband had een strikt defensief mandaat en voerde alleen defensieve handelingen uit ter verdediging van het vlootverband zelf, Cyprus en het NAVO verdragsgebied. Nederland is geen partij bij het gewapend conflict tussen de VS en Israël enerzijds en Iran anderzijds, en heeft niet de intentie daar bij betrokken te raken. Nederland trekt nauw op met Europese partners en met partners in de regio om een diplomatieke oplossing te bevorderen.
12.
In hoeverre is de zelfstandige besluitvorming van Nederland over inzet en geweldstoepassing in de praktijk gewaarborgd binnen een door Frankrijk geleide missie? Kan de regering concreet toelichten hoe wordt voorkomen dat operationele beslissingen van de Franse commandant leiden tot feitelijke inzet die verder gaat dan het nationale mandaat?
Tijdens de inzet opereerde het fregat binnen het vlootverband. De commandant van het Franse vlaggenschip Charles de Gaulle was verantwoordelijk voor de tactische aansturing van de schepen binnen het vlootverband. De commandant van het Nederlandse fregat bewaakte of de opdrachten vanuit het vlaggenschip pasten binnen het nationale mandaat. Het fregat voer onder nationaal operationeel commando van het Netherlands Joint Force Command en de Commandant der Strijdkrachten had te allen tijde full command. Operationele beslissingen van de Franse commandant leidden daarmee niet tot feitelijke inzet die verder gaat dan het nationale mandaat.
13.
In hoeverre kan bondgenootschappelijke druk – politiek of militair – ertoe leiden dat Nederland in de praktijk toch betrokken raakt bij handelingen die buiten het oorspronkelijke mandaat vallen? Welke waarborgen bestaan hiertegen?
Zie het antwoord op vraag 12. Nederland is geen partij bij het gewapend conflict tussen de VS en Israël enerzijds en Iran anderzijds, en heeft niet de intentie daar bij betrokken te raken. Nederland trekt nauw op met Europese partners en met partners in de regio om een diplomatieke oplossing te bevorderen.
14.
Deelt de regering de analyse van de leden van de SP-fractie dat de aanwezigheid van NAVO- en EU-marineschepen in deze context door Iran en aan Iran gelieerde actoren kan worden gezien als feitelijk partij kiezen in het conflict? Zo ja, wat betekent dit voor de risico-inschatting?
Nederland is geen partij bij het gewapend conflict tussen de VS en Israël enerzijds en Iran anderzijds, en heeft niet de intentie daar bij betrokken te raken. Nederland trekt nauw op met Europese partners en met partners in de regio om een diplomatieke oplossing te bevorderen. De potentiële risico’s en mogelijke gevolgen voor de nationale veiligheid van de Nederlandse inzet staan beschreven in de artikel 100-brief (Kamerstuk 29 521, nr. 510 d.d. 9 maart 2026).
15.
Zijn er scenario’s uitgewerkt waarin Nederland, al dan niet onbedoeld, betrokken raakt bij een gewapend conflict? Zo ja, wat zijn de belangrijkste scenario’s en welke exit-strategieën bestaan hiervoor?
Zie het antwoord op vraag 14. In het besluitvormingsproces ten aanzien van militaire inzet worden verschillende scenario’s uitgewerkt. Aangezien dit soort scenario-analyses deels gebaseerd worden op vertrouwelijke (inlichtingen-)informatie, deelt het kabinet die niet publiek. De uit de analyse volgende risico’s zijn geschetst in de Kamerbrief.
16.
Is het denkbaar dat de inzet van de Zr.Ms. Evertsen ertoe leidt dat Nederland «in oorlog» raakt in de zin van artikel 96 van de Grondwet? Onder welke omstandigheden zou daarvan sprake kunnen zijn?
Nee, artikel 96 van de Grondwet is in dit verband niet relevant. Zoals aan het parlement gecommuniceerd op 12 september 2008, in kamerstuk 30 162, nr. 10, ziet artikel 96 van de Grondwet op een situatie die dermate exceptioneel en ingrijpend is voor alle ingezetenen van het Koninkrijk, dat die volgens de Grondwet een toestemmingsrecht van de Staten-Generaal rechtvaardigt. De procedure van artikel 96 Grondwet staat vanwege die uitzonderlijkheid niet op gelijke voet met de besluitvorming over de inzet en het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde op basis van artikel 100 van de Grondwet. Verder geldt op basis van de in Nederland geldende constitutionele verhoudingen tussen de regering en de Staten-Generaal inzake het gezag over de krijgsmacht, dat (ingevolge artikel 97, tweede lid, Grondwet) het oppergezag bij de regering ligt en de controle hierop berust bij het parlement.
17.
Hoe onderbouwt de regering dat deze inzet bijdraagt aan de-escalatie, en erkent de regering dat de inzet ook het risico met zich meebrengt dat de spanningen in de regio juist verder oplopen? Zo ja, hoe wordt dat risico gemitigeerd?
Met de inzet van Zr.Ms. Evertsen heeft Nederland zichtbaar en concreet laten zien bij te willen dragen aan de verdediging tegen een gewapende aanval van Iran en daaraan gelieerde groeperingen op het vlootverband, Cyprus en het NAVO-verdragsgebied. Hiermee geeft het kabinet een tastbaar signaal van solidariteit af aan EU- en NAVO-partners. De regering beoogt met deze defensieve bijdragen aan beide doelen een de-escalerend effect en herstel van regionale stabiliteit te realiseren. Gezien het nadrukkelijk defensieve mandaat van Zr.Ms. Evertsen brengt dit in de ogen van de regering geen escalerend risico met zich mee.
18.
In de aanvullende artikel 100-brief van 2 april 2026 stelt de regering dat de verlengde inzet binnen het bestaande mandaat blijft en dat de eerder geschetste contextanalyse, risico’s en gevolgen voor de nationale veiligheid ongewijzigd gelden. De leden van de SP-fractie stellen echter vast dat er sindsdien zich een relevante ontwikkeling heeft voorgedaan, namelijk de wapenstilstand tussen de Verenigde Staten en Iran van 7 april 2026. Kan de regering toelichten of en zo ja op welke wijze deze ontwikkeling aanleiding geven tot een hernieuwde beoordeling van de inzet, en wat de implicaties zijn voor:
• de dreiging voor Cyprus en bondgenootschappelijk grondgebied;
• de risico’s voor de Nederlandse eenheid;
• de noodzaak en proportionaliteit van voortzetting van de inzet?
Het kabinet heeft het nieuws van de wapenstilstand verwelkomd. Tegelijkertijd blijft de situatie in het Midden-Oosten volatiel en monitort het kabinet deze nauwgezet. De inzet bleef van belang, omdat de dreiging van Iran richting landen in de regio nog steeds aanwezig was. Zolang Cyprus verzocht om verdediging, heeft Nederland hieraan gehoor gegeven.
19.
Indien deze herbeoordeling nog niet expliciet heeft plaatsgevonden, is de regering dan bereid deze alsnog uit te voeren en de Kamer hierover te informeren?
Bij elke inzet maakt het kabinet een gedegen en zorgvuldige afweging. Dit is gebeurd voorafgaand aan de verlenging begin april, daarover is de Kamer geïnformeerd (Kamerstuk 29 521, nr. 513 d.d. 2 april 2026). Dit is ook gebeurd voorafgaand aan het beëindigen van het mandaat en de terugkeer van Zr. Ms. Evertsen (Kamerstuk 29 521, nr. 518 d.d. 1 mei 2026).
20.
Onder welke omstandigheden zou de regering concluderen dat sprake is van een zodanige wijziging in de situatie dat een nieuwe artikel 100-afweging noodzakelijk is?
Eventuele Nederlandse inzet als onderdeel van een internationale militaire presentie vergt nationale politieke besluitvorming conform de artikel 100-procedure. De inzet van Zr. Ms. Evertsen is inmiddels afgerond. Eventuele andere inzet vergt dus weer een nieuwe weging.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie
21.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de regering naar een inventarisatie van de risico’s van het zenden van militaire steun bij het openhouden van de Straat van Hormuz en bij het verdedigen van posities in de Middellandse Zee. Kan de regering de gevolgen schetsen in het kader van artikel 5 van het NAVO-handvest wanneer een Nederlands oorlogsschip (of een oorlogsschip van een ander NAVO-land) wordt aangevallen door een leger van een niet-NAVO lid, zoals Iran, Rusland of Jemen?
Het NAVO-verdrag is niet van toepassing op de Straat van Hormuz, gelet op de territoriale reikwijdte van het NAVO-verdrag, zoals bepaald in artikel 6 van het verdrag. Het NAVO-verdrag is wel van toepassing op de Middellandse Zee. Het kabinet wil niet speculeren over hypothetische situaties. De artikel 100-brief gaat in op de onderhavige risico’s en genomen maatregelen, waaronder voor de zelfverdediging van Zr. Ms. Evertsen.
De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
Samenstelling:
Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (fractie-Van de Sanden), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Samenstelling:
Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (fractie-Van de Sanden), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29521-BW.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.