29 521 Nederlandse deelname aan vredesmissies

AR VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 28 oktober 2021

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO)1 hebben kennisgenomen van de brief van 9 juli 2021 die de regering heeft gestuurd in reactie op de brief met vragen van de commissie van 9 juni 2021 inzake de aanvullende artikel-100 inzet Resolute Support missie, Afghanistan.2 De leden van de commissie BDO hebben naar aanleiding daarvan reeds een aantal nadere vragen over de Afghaanse tolken gesteld.3 Daarnaast is op 24 september 2021 een brief gestuurd aan de Minister van Buitenlandse Zaken met enkele aanvullende vragen over overige onderwerpen in het kader van de aanvullende artikel-100 inzet Resolute Support missie.

De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie hebben op 28 oktober 2021 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Minister van Buitenlandse Zaken

Den Haag, 24 september 2021

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) hebben kennisgenomen van de brief van 9 juli 2021 die de regering heeft gestuurd in reactie op de brief met vragen van de commissie van 9 juni 2021 inzake de aanvullende artikel-100 inzet Resolute Support missie, Afghanistan.4 De leden van de commissie BDO hebben naar aanleiding daarvan reeds een aantal nadere vragen over de Afghaanse tolken gesteld.5 Daarnaast hebben de leden van de fractie van de SP nog enkele nadere vragen over overige onderwerpen. Deze leden danken de regering voor de antwoorden op hun eerdere vragen van 9 juni, maar constateren dat sommige vragen niet of onduidelijk beantwoord zijn. Ook hebben zij in het licht van de recente gebeurtenissen enkele aanvullende vragen.

De leden van de SP-fractie vroegen of de regering het eens was met de stelling van dhr. Sjoerdsma tijdens het debat van de commissies voor Buitenlandse Zaken en voor Defensie van de Tweede Kamer van 22 april jongstleden. Als fungerend commissievoorzitter stelde de heer Sjoerdsma toen dat «Artikel 100 de jure geen instemmingsrecht [geeft], maar de facto wel.» Wellicht ten overvloede, artikel 100 verwijst naar de Staten-Generaal, dus niet naar slechts een van de beide Kamers. De eerder door de leden van de SP-fractie gestelde vraag was of de regering het eens is met dhr. Sjoerdsma dat er op basis van artikel 100 en de ontstane praktijk van de afgelopen jaren sprake is van een de facto instemmingsrecht van het parlement. Deze vraag is niet beantwoord en stellen de voornoemde leden deze daarom nog een keer. Heeft het parlement de facto instemmingsrecht op basis van Artikel 100, en zo ja, hoe wordt dit volgens de regering in de praktijk vormgegeven, en zo nee, waarom niet? Voorts is het de voornoemde leden opgevallen dat alhoewel de gestelde vragen gingen over het parlement in de beantwoording vooral verwezen wordt naar de informatievoorziening richting de Tweede Kamer. Is volgens de regering de positie van de Eerste Kamer in dezen een andere dan die van de Tweede Kamer? In hoeverre verschilt de informatievoorziening richting de Tweede Kamer ingevolge Artikel 100 in de praktijk van de informatievoorziening richting de Eerste Kamer? In de beantwoording van de regering is ook een paar keer sprake van «de Kamer»? Welke Kamer wordt hier bedoeld? Kan de regering dit nader toelichten? De leden van de SP-fractie spreken hierbij ook de hoop uit dat voortaan in de beantwoording van de regering altijd duidelijk is of de regering spreekt over de Tweede, of over de Eerste Kamer of over het parlement, dus over beide Kamers.

Voorts vroegen de leden van de SP-fractie de regering naar de resultaten van 20 jaar oorlog in Afghanistan, en van de Nederlandse deelname aan die oorlog. In haar beantwoording verwijst de regering onder andere naar het feit dat Afghanistan een «democratisch verkozen regering» heeft, waarbij «27% van het parlement bestaat uit vrouwen», en naar de «mediavrijheid in grote delen van Afghanistan», resultaten die, aldus de regering, «tien, twintig jaar geleden ondenkbaar waren».6 Ziet de regering dit nog steeds als belangrijke resultaten van 20 jaar oorlog? Wat is de waarde van deze resultaten nu de Taliban weer aan de macht zijn en de democratische regering is gevlucht? Duidelijk is dat, zoals de regering in haar beantwoording stelt, nu niet meer geldt dat «[m]et deze resultaten een nieuwe generatie Afghanen [kan] opgroeien in een opener en vrijer Afghanistan».7 Hoe weegt de regering nu de resultaten van de Nederlandse missie en de inspanningen van de gehele internationale coalitie, nu gebleken is dat de opener en vrijere toekomst van Afghanistan vooralsnog een illusie is gebleken, zo vragen de leden van de SP-fractie. Is de weging van de baten en de kosten – waar de leden van de SP-fractie om vroegen in de brief van 9 juni- nog dezelfde voor de regering, of ziet de balans van de kosten en de baten van 20 jaar oorlog, en de Nederlandse deelname daaraan, er nu anders uit dan voor de zomer, dat wil zegen met de kennis van nu? Zo ja, hoe is die balans dan anders geworden, en zo nee, kan de regering uitleggen waarom de machtsovername door de Taliban geen verschil maakt?

De regering stelt dat het doel van de NAVO ISAF missie «was om de Afghaanse autoriteiten in staat te stellen Afghaanse leger en politie op te bouwen en uiteindelijk voor de veiligheid in het land te zorgen, zodat Afghanistan niet opnieuw een vrijhaven voor terroristen zou worden.»8 Ook hier vragen de leden van de SP-fractie de regering om een reflectie in het licht van de recente gebeurtenissen. Beschouwt de regering dit doel nog steeds als behaald? Zo nee, kan de regering hier dan op reflecteren in termen van de eerdergenoemde kosten-baten analyse van de Nederlandse deelname aan de oorlog in Afghanistan?

Ten slotte, ten aanzien van de huidige humanitaire situatie in Afghanistan, hebben de leden van de SP-fractie vernomen dat er (in het kader van de internationale conferentie) door de Nederlandse regering 13,5 miljoen euro extra wordt uitgetrokken aan hulp aan Afghanistan en buurlanden. Kan de regering toelichten hoe dit bedrag tot stand is gekomen? Wat voor soort noden denkt de regering hiermee te kunnen lenigen? Overweegt de regering op een later tijdsstip nog meer geld vrij te maken?

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) zien met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, E.B. van Apeldoorn

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN DE MINISTER VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 oktober 2021

In deze brief beantwoorden wij mede namens de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking uw nadere vragen over de artikel 100 procedure en Afghanistan (Kamerstuk 169164.04U d.d. 24 september ji.).

Artikel 100

Artikel 100 van de Grondwet verplicht de regering de Staten-Generaal vooraf in te lichten over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Wanneer de regering het parlement informeert over een besluit tot inzet, volgt hierover conform staande praktijk een debat met de Tweede Kamer. Het uitgangspunt van het kabinet is dat de inzet pas aanvangt nadat dit debat heeft plaatsgevonden. Indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van informatie verhinderen, bestaat op grond van artikel 100 lid 2 de mogelijkheid om hiervan af te wijken. In dat geval wordt de informatie zo spoedig mogelijk verstrekt. Er bestaat derhalve geen instemmingsrecht van het parlement op basis van artikel 100.

De positie van de Eerste Kamer is volgens artikel 100 van de Grondwet gelijk aan die van de Tweede Kamer waar het gaat om het informeren van het parlement over een besluit tot deelneming aan een internationale crisisbeheersingsoperatie of een hulpverleningsoperatie in een gewapend conflict. Zogeheten artikel 100-brieven worden daarom zowel aan uw Kamer als de Tweede Kamer gestuurd. In de praktijk verschilt de informatievoorziening richting de Tweede Kamer ingevolge artikel 100 in zoverre dat na verzending van een artikel 100-brief en vóór aanvang van de inzet conform staande praktijk een debat met de Tweede Kamer wordt gevoerd.

In de brief van de regering van 9 juli 2021 (Kamerstukken I, 2020–2021, 29 521, AN) werd tweemaal verwezen naar «de Kamer» waar de Tweede Kamer werd bedoeld.

Resultaten van de inzet in Afghanistan

De situatie in Afghanistan is sinds 9 juli jl. aanzienlijk gewijzigd. De Taliban hebben gewapenderhand de macht in heel het land overgenomen en de democratisch gekozen regering is verdreven. Het is te vroeg om zorgvuldig te kunnen beoordelen welke van de behaalde resultaten in deze veranderde context in stand zullen blijven, al stemmen de ontwikkelingen niet optimistisch. Wel is duidelijk dat het Afghaanse leger en de politie de machtsovername van de Taliban niet hebben weten te voorkomen en dus niet in staat zijn gebleken voor de veiligheid in het land te zorgen. De antwoorden op de overige pertinente vragen die door uw leden zijn gesteld zullen onderdeel uitmaken een onafhankelijke evaluatie naar 20 jaar Nederlandse inzet in Afghanistan. De uitvoering hiervan is eerder aan de Tweede Kamer toegezegd (Kamerstuk 27 925, nr. 808), onder andere naar aanleiding van een motie van de hand van het lid Van Dijk (Kamerstuk 27 925, nr. 772). Ook de kosten van de gehele inzet zullen door de onafhankelijke commissie die dit onderzoek gaat uitvoeren worden meegenomen.

Humanitaire hulpverlening

In begin 2021 hadden ruim 18 miljoen Afghanen humanitaire hulp nodig. Het kabinet steunde de humanitaire respons binnen het land daarom eerder dit jaar al middels ongeoormerkte bijdragen aan diverse VN-organisaties en -fondsen, en het Rode Kruis. Daar kwam op 21 augustus jl. een geoormerkte bijdrage van 10 miljoen euro aan het Afghanistan Humanitarian Fund bij. Dankzij deze bijdragen waren humanitaire actoren in staat om acute en flexibele hulp te leveren daar waar de noden het hoogst zijn. Tegelijkertijd gaf dit partnerorganisaties de tijd om een realistische, volledige en gedegen nodenanalyse uit te voeren.

Op 5 september jl. werd deze nodenanalyse door het Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) gedeeld in de vorm van een Flash Appeal. Middels het Flash Appeal vraagt OCHA 606 miljoen dollar voor de periode september–december 2021, waarmee de organisatie beoogt bijna 11 miljoen Afghanen te kunnen voorzien van humanitaire hulp. N.a.v. het Flash Appeal zegde de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 13 september jl. 13,5 miljoen euro toe voor additionele steun aan de Afghaanse bevolking. Deze toezegging bestaat uit twee delen: 10 miljoen euro voor het Afghanistan Humanitarian Fund van OCHA en 3,5 miljoen euro voor het Regional Refugee Preparedness and Response Plan van UNHCR. Dit brengt de totale geoormerkte bijdrage op 23,5 miljoen euro. Het betreft de inzet van middelen die vrijgekomen waren voor dit jaar doordat de OS-activiteiten binnen Afghanistan on hold zijn gezet.

De Nederlandse bijdrage aan het Afghanistan Humanitarian Fund zal door zowel VN-organisaties als ngo’s worden gebruikt voor hulpverlening binnen Afghaanse landsgrenzen, in lijn met het Humanitair Responsplan 2021. Het gaat hier om hulp op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, water en sanitatie, voedselhulp, onderdak en protectie. De Nederlandse bijdrage aan het Regional Refugee Preparedness and Response Plan zal worden gebruikt voor ondersteuning van de opvang van Afghaanse vluchtelingen in buurlanden.

Naast Nederland hebben ook andere landen en donoren hun humanitaire steun aan de Afghaanse bevolking versterkt. Gedurende de ministeriële VN-bijeenkomst over de humanitaire situatie in Afghanistan van 13 september jl. werd meer dan 1,2 miljard dollar aan humanitaire bijdragen toegezegd. Met deze toezeggingen zou het Humanitair Responsplan 2021 voor Afghanistan naar verwachting zo goed als geheel gedekt zijn. Het ligt daarom niet in de lijn der verwachting dat het kabinet op korte termijn meer geld vrijmaakt voor humanitaire hulpverlening. Eventuele aanvullende bijdragen door het kabinet worden gedaan op basis van de ontwikkeling van de humanitaire situatie binnen Afghanistan en de beschikbaarheid van humanitaire middelen, als ook een analyse van de wereldwijde noden.

De Minister van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

De Minister van Defensie, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Samenstelling:

Faber-Van de Klashorst (PVV), Ganzevoort (GL), Van Apeldoorn (SP) (voorzitter), Van Dijk (SGP), Jorritsma-Lebbink (VVD), Vacature (CDA), Oomen-Ruijten (CDA), Koole (PvdA), Prast (PvdD), Van Rooijen (50PLUS), arbouw (VVD), Van Ballekom (VVD) (1e ondervoorzitter), Beukering (Fractie-Nanninga), Bezaan (PVV), Dittrich (D66), Huizinga-Heringa (CU) (2e ondervoorzitter), Dessing (FVD), Karimi (GL), Kluit (GL), Moonen (D66), Otten (Fractie-Otten), Vos (PvdA), Van Wely (Fractie-Nanninga) en Raven (OSF).

X Noot
2

Zie verslag schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2020–2021, 29 521, AN.

X Noot
3

Zie verslag nader schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2020–2021, 29 521, AO.

X Noot
4

Zie verslag schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2020–2021, 29 521, AN.

X Noot
5

Zie verslag nader schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2020–2021, 29 521, AO.

X Noot
6

Kamerstukken I, 2020–2021, 29 521, AN, blz. 18.

X Noot
7

Ibidem.

X Noot
8

Ibidem.

Naar boven