Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201329477 nr. 206

29 477 Geneesmiddelenbeleid

Nr. 206 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 november 2012

Hierbij bied ik u het rapport «Nalevingsniveau reclameregels bij nascholing van medisch specialisten voldoende, betere borging nodig» van de Inspectie voor de Gezondheidszorg aan *). In dit onderzoek heeft de inspectie onderzocht in hoeverre organiserende bedrijven de regels op het gebied van geneesmiddelenreclame, specifiek die voor gunstbetoon1, naleven bij nascholingsbijeenkomsten voor medisch specialisten en in hoeverre wetenschappelijke verenigingen van medisch specialisten tijdens de accreditatie van opleidingen toezien op de naleving van de regels voor gunstbetoon.

Aanleiding

De inspectie houdt toezicht op de naleving van de regels voor geneesmiddelen-reclame om ongewenste beïnvloeding van beroepsbeoefenaren door de farmaceutische industrie te voorkomen. Bij gesponsorde nascholingen is de organisator (vaak een farmaceutisch bedrijf) verantwoordelijk voor de agendering (te bespreken onderwerpen) en de vorm (opzet van het programma, locatie en eventuele gastvrijheid) van de nascholing. Er is een risico op oneigenlijke beïnvloeding aanwezig bij gesponsorde nascholingen vanwege verplichting tot nascholing voor beroepsbeoefenaren en de mogelijke verwevenheid van promotie en wetenschap tijdens dit soort bijeenkomsten.

In 2009 heeft de inspectie onderzoek gedaan naar de naleving van regels voor gunstbetoon bij nascholingen voor huisartsen2. Door nu de nascholingen voor medisch specialisten te bekijken kan een compleet beeld van de naleving van deze regels bij nascholingen ontstaan.

Bevindingen

De inspectie heeft in de tweede helft van 2011 tien nascholingsbijeenkomsten onaangekondigd geïnspecteerd. Daarbij zijn alle relevante documenten opgevraagd, die de inspectie heeft getoetst aan de regels voor gunstbetoon voortkomend uit de Geneesmiddelenwet en de daarop gebaseerde Beleidsregels nadere invulling van het begrip gunstbetoon in de Geneesmiddelenwet (hierna: Beleidsregels gunstbetoon)3. Daarnaast heeft de inspectie vijf interviews gehouden met wetenschappelijke verenigingen van medisch specialisten.

De bevindingen van de inspectie zijn gematigd positief. Negen van de tien geïnspecteerde nascholingen voldoen overwegend aan de regels voor gunst-betoon. Bij één van de bijeenkomsten vond de inspectie de gastvrijheid niet ondergeschikt aan het hoofddoel van de bijeenkomst en heeft zij de organisator van de nascholing een corrigerende maatregel opgelegd. Daarnaast concludeert de inspectie dat er te weinig toezicht is op gunstbetoon bij de accreditatie van de nascholingen. De inspectie heeft in deze bevindingen geen aanleiding gezien voor vervolgonderzoek.

De inspectie is van mening dat de bekendmaking van eventuele banden van sprekers op nascholingen met de farmaceutische industrie meer aandacht behoeft. De inspectie zal hier in de toekomst actief op toezien. Daarnaast is de inspectie van mening dat er een differentiatie aangebracht dient te worden in de maximale bijdrage van de farmaceutische industrie in de gastvrijheid die mag worden geboden bij nascholingen, afhankelijk van de duur van de nascholing of het aantal accreditatiepunten. Tot slot is de inspectie van mening dat de CGR (Stichting Code Geneesmiddelenreclame), KNMG en wetenschappelijke verenigingen van medisch specialisten een eenvoudig toetsingsinstrument dienen te ontwikkelen waarmee kan worden beoordeeld of een accreditatieaanvraag preventief op de regels voor gunstbetoon dient te worden getoetst.

Standpunt

Het onderzoek van de inspectie heeft zich gericht op nascholingen voor medisch specialisten en heeft daarbij niet naar de inhoud gekeken, maar bekeken of de nascholingen voldoen aan de regels voor gunstbetoon. Het beeld dat het onderzoek van de inspectie geeft vind ik op zich positief: de nascholingen voor medisch specialisten voldoen overwegend aan de regels voor gunstbetoon. Bezien in samenhang met de resultaten van het eerdere rapport over gunstbetoon bij nascholingen van huisartsen2 uit 2010 laat het zien dat de nascholing voor beroepsbeoefenaren in Nederland voldoende onafhankelijk is. De inspectie signaleert echter een belangrijk verbeterpunt voor de aandacht voor de regels voor gunstbetoon bij de accreditatie van nascholingen.

Ik deel de opvatting van de inspectie dat er openheid gegeven dient te worden over eventuele banden tussen sprekers en farmaceutische bedrijven, omdat kennis over eventuele banden met farmaceutische bedrijven de deelnemers in staat stelt de verkregen informatie in context te plaatsen.

Om die reden steun ik ook het onafhankelijk transparantieregister dat momenteel ontwikkeld wordt door de zelfregulering, waar relaties tussen beroepsbeoefenaren en industrie groter dan € 500 zichtbaar zullen zijn. Ik vind het dan ook goed dat de inspectie op openheid over banden van sprekers met de industrie zal blijven toezien.

In zowel dit rapport als in het rapport over nascholingen van huisartsen uit 2010 meldt de inspectie dat er door accrediteurs van nascholingen niet of nauwelijks naar de regels voor gunstbetoon wordt gekeken bij de behandeling van accreditatieaanvragen. Ondanks dat de inspectie geen grote misstanden heeft gevonden, vind ik het aan betrokken partijen ervoor te zorgen dat er bij de accreditatie van nascholingen systematisch gekeken wordt of de nascholingen binnen de grenzen blijven. Er wordt momenteel door de Stichting CGR (waarin industrie en beroepsbeoefenaren beide zijn vertegenwoordigd) gewerkt aan een toetsingsinstrument waarmee op eenvoudige wijze gekeken kan worden of een accreditatieaanvraag aan de Stichting voorgelegd dient te worden voor een grondige toets aan de regels. Ik ben blij met dit initiatief van de Stichting CGR en zal erop toezien dat dit ertoe leidt dat er meer aandacht is voor naleving van de regels voor gunstbetoon bij de accreditatie van nascholingen.

Tot slot ben ik het met de inspectie eens dat de verhouding tussen geboden gastvrijheid en de door de deelnemer aan een nascholing geleverde inspanning evenredig dient te zijn, om het risico op oneigenlijke beïnvloeding te beperken. Voor gastvrijheid bij wetenschappelijke bijeenkomsten geldt dat die te allen tijde binnen redelijke perken dient te blijven5. Daarnaast wordt er in de Beleidsregels gunstbetoon Geneesmiddelenwet een maximumbedrag aan de gastvrijheid gehangen, daarboven is per definitie geen sprake van een evenredige verhouding. Het principe dat gastvrijheid binnen redelijke perken dient te blijven is echter leidend en biedt mijns inziens dan ook de mogelijkheid om gevallen waarin sprake is van een onevenredige verhouding tussen besteedde tijd en geboden gastvrijheid aan te pakken. Ik zal met de inspectie in overleg treden om te zien of deze regels voor haar voldoende handzaam zijn. Een herziening van de Beleidsregels gunstbetoon Geneesmiddelenwet op dit punt acht ik vooralsnog niet noodzakelijk.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E. I. Schippers

*) Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer der Staten-Generaal


X Noot
1

Onder gunstbetoon wordt cf. art. 1, eerste lid, onder zz Geneesmiddelenwet verstaan het in het vooruitzicht stellen, aanbieden of toekennen van geld of op geld waardeerbare diensten of goederen met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruik van een geneesmiddel te bevorderen.

X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 477 nr. 126.

X Noot
3

Stcrt. 29 juni 2007, nr. 123. Met ingang van 1 februari 2012 zijn deze beleidsregels vervangen door de Beleidsregels inzake gunstbetoon als bedoeld in art. 94 Geneesmiddelenwet (Beleidsregels gunstbetoon Geneesmiddelenwet, Stcrt. 18 januari 2012, nr. 854). Omdat de inspecties van de nascholingen voor 1 februari 2012 plaatsvonden, heeft de inspectie getoetst aan de Beleidsregels gunstbetoon uit 2007.

X Noot
5

Zie paragraaf «B. Het verlenen en genieten van gastvrijheid» van de Beleidsregels gunstbetoon Geneesmiddelenwet (Stcrt. 18 januari 2012, nr. 854).