nr. 126
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 januari 2010
Hierbij bied ik u het rapport aan van de Inspectie voor de Gezondheidszorg «Gunstbetoon bij nascholing huisartsen: geen overtredingen, wel
onduidelijkheid in de regels».1
In dit inventariserend onderzoek is de inspectie nagegaan in hoeverre beroepsbeoefenaren
en organiserende farmaceutische bedrijven de regels op het gebied van geneesmiddelenreclame,
met name de regels voor gunstbetoon, naleven bij en tijdens nascholingsbijeenkomsten
voor huisartsen.
Aanleiding
Aanleiding voor het onderzoek is gelegen in het feit dat 60% van
de centraal aangeboden nascholing voor huisartsen georganiseerd wordt door
de farmaceutische industrie. Farmaceutische bedrijven bieden hun nascholing
weliswaar ter accreditatie aan bij het College voor Accreditatie Huisartsen
(CvAH), maar dit biedt geen waarborg voor naleving van de reclameregels bij
uitvoering van de geaccrediteerde nascholingen omdat de CvAH de nascholing
niet toetst aan de regels over gunstbetoon. De Stichting Code Geneesmiddelenreclame
(CGR) kan die garantie middels preventieve toetsing wel bieden, maar die ontvangt
jaarlijks slechts een beperkt aantal verzoeken voor een preventieve toetsing.
Er is derhalve weinig zicht op de naleving van de regels voor geneesmiddelenreclame,
in het bijzonder voor gunstbetoon, bij de nascholingsbijeenkomsten. De inspectie
achtte een inventariserend onderzoek naar de naleving daarom van belang.
Bevindingen inspectie
De inspectie heeft in het kader van dit onderzoek twaalf door de industrie
geïnitieerde en gefinancierde, en door het CvAH geaccrediteerde, nascholingen
voor huisartsen beoordeeld. De inspectie heeft de nascholingen onaangekondigd
bezocht en alle met betrekking tot de nascholing relevante documenten gevorderd
en getoetst aan hoofdstuk negen (Geneesmiddelenreclame) van de
Geneesmiddelenwet en de daarop gebaseerde Beleidsregels gunstbetoon.
Het algemene beeld van de door de inspectie beoordeelde nascholingen is
positief. De initiërende en financierende bedrijven voldoen overwegend
aan de regels op het gebied van geneesmiddelenreclame, met name de regels
voor gunstbetoon. Gezien deze positieve bevindingen ziet de inspectie geen
aanleiding voor vervolgonderzoek.
Wel is de inspectie van mening dat de Geneesmiddelenwet op een aantal
wetstechnische punten enige verduidelijking behoeft. Zo stelt de inspectie
dat de Geneesmiddelenwet niet eenduidig is met betrekking tot gunstbetoon
en gastvrijheid. Verder is de inspectie van mening dat de tekst van de Geneesmiddelenwet
onvoldoende duidelijk maakt of niet-beroepsbeoefenaren aanwezig mogen zijn
bij wetenschappelijke bijeenkomsten, hoewel de achterliggende gedachten van
die bepalingen op zich zelf wel duidelijk zijn. De inspectie beveelt aan de
wetgeving op dit punt te herzien en voor de tussentijd een interpretatierichtlijn
op te stellen.
Standpunt
Het onderzoek van de inspectie heeft zich gericht op het nascholingsaanbod
voor huisartsen en niet op het nascholingsaanbod voor andere medische specialisten.
De bevindingen van de inspectie stemmen mij positief en, hoewel het een beperkt
inventariserend onderzoek betrof, acht ik ze een ondersteuning voor mijn beleidskeuze
om de farmaceutische industrie niet te verbieden nascholing aan te bieden.
Uit gesprekken met veldpartijen blijkt overigens wel dat de meningen hierover
verdeeld zijn. Deze verdeeldheid komt onder andere voort uit het feit dat
de farmaceutische industrie initiatiefnemer en financier is van ruim 60%
van de centraal aangeboden nascholingen voor huisartsen, en daarmee in belangrijke
mate de nascholingsagenda voor de huisarts bepaalt.
De Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst
(KNMG) en het Nederlands Huisartsengenootschap (NHG) zijn zich daar terdege
van bewust. Dit heeft ook geleid tot overleg met mijn ambtenaren over het
in kaart brengen van de witte vlekken in het nascholingsaanbod en de mogelijkheden
om eventuele lacunes op te vullen. De overleggen zijn constructief en in lijn
met mijn aandachtspunten voor de na- en bijscholing van de artsen. Zoals ik
uw Kamer in mijn brief van 29 april 20091
heb gemeld, zet ik mij in voor het bevorderen van de objectiviteit van de
nascholing en voor het bieden van zekerheid over de kwaliteit en volledigheid
van de nascholing.
Mijn beleid richt zich op:
1. Het bevorderen van een voldoende breed aanbod aan nascholing door:
a. het zichtbaar maken van de CanMeds competenties in het opleidingsaanbod;
b. het in kaart brengen van de «witte vlekken» in het opleidingsaanbod
en het zoeken naar oplossingen voor die «witte vlekken»;
2. Het bevorderen van de objectiviteit van de nascholing door:
a. het professionaliseren van de accreditatie.
Met behulp van een subsidie van VWS werkt de KNMG nu al concreet aan hetgeen
onder punt 1 genoemd staat.
Mijn beleid richt zich derhalve op het in overleg met het veld laten aanbrengen
van verbeteringen in het medische kwaliteitssysteem van de artsenorganisaties.
Dit verbeterde systeem maakt zichtbaar of er een voldoende veelzijdig
en compleet aanbod van nascholing beschikbaar is. Mogelijk zal nieuw scholingsaanbod
ontwikkeld moeten worden. De professionalisering van de accreditatie zal er
verder toe leiden dat kwalitatief onvoldoende nascholing niet geaccrediteerd
zal worden. De CGR heeft alle wetenschappelijke verenigingen van artsen een
overeenkomst aangeboden die voorzien in een duidelijke afbakening tussen accreditatie
van de (wetenschappelijke) inhoud en een (preventieve) toets op het voldoen
aan de reclameregels.
Wat de aanbeveling van de inspectie betreft om de Geneesmiddelenwet op
een aantal punten te verduidelijken, merk ik op dat deze aanbevelingen uit
het onderzoek min of meer zijn achterhaald. In de thans bij de Tweede Kamer
aanhangige wijziging van de Geneesmiddelenwet wordt al uitvoering gegeven
aan de aanbevelingen van de inspectie. Met name de wijziging van artikel 82
van de Geneesmiddelenwet geeft een verduidelijking ten aanzien van het begrip
beroepsbeoefenaar. Na de inwerkingtreding van de gewijzigde Geneesmiddelenwet
zullen aan die wijziging aangepaste Beleidsregels Gunstbetoon worden gepubliceerd.
Gezien het bovenstaande acht ik een door de inspectie voorgestelde interpretatierichtlijn
overbodig.
Ik vertrouw erop dat ik u hiermee voldoende geïnformeerd heb.
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink