Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201229453 nr. 245

29 453 Woningcorporaties

Nr. 245 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 april 2012

Inleiding

Bij deze doe ik u een reactie toekomen naar aanleiding van het verzoek van het lid Monasch (PvdA) aangaande de woningbouwvereniging Beter Wonen te Wieringen, zoals hij dat gedaan heeft tijdens het overleg van 29 februari 2012 (Handelingen II 2011/12, nr. 57, item 9, blz. 46–50).

Eerder hebben ik en mijn ambtsvoorgangers u over Beter Wonen geïnformeerd bij brieven van 31 maart 2010, 17 mei 2010, 12 oktober 2011, 20 december 2011 (29 543, nr. 220) en 27 januari 2012 (29 453, nr. 223)

In de brief van mijn ambtsvoorganger van 20 december 2011 bent u geïnformeerd over de afwikkeling van het conflict tussen het bestuur van Beter Wonen en de voormalige Raad van Toezicht (RvT). Van beide kanten was er sprake van vorderingen en de zaak was aan de rechter voorgelegd.

Op 13 juli 2011 heeft de rechter in een tussenvonnis een oordeel geveld. Van belang is dat de oude RvT verplichtingen is aangegaan, hoewel de RvT statutair (en ook anderszins) geen bevoegdheid had om zelfstandig verplichtingen aan te gaan. De rechter heeft als uitgangspunt genomen dat Beter Wonen redelijke kosten, door de RvT gemaakt in het kader van een redelijke taakuitoefening, in beginsel dient te vergoeden. Naar het oordeel van de rechter zijn de kosten die de voormalige RvT heeft gemaakt na de ALV van 18 december 2009 niet redelijk en deze kosten hoeven derhalve door Beter Wonen niet te worden vergoed.

Het leeuwendeel van de door de voormalige RvT gemaakte kosten (inhuur juridisch en algemeen advies) is gemaakt na 18 december 2009. Deze kosten zullen niet worden vergoed door Beter Wonen. Het betreft een totaalbedrag van 53 278,04 euro.

Van de kant van het ministerie is ten tijde van het tussenvonnis aangedrongen bij het bestuur van Beter Wonen om de zaak in der minne te schikken. Aedes en de Vereniging van Toezichthouders in Woningcorporaties (VTW) hebben – op verzoek van het ministerie – ook gevraagd om coulance bij het bestuur van Beter Wonen. Het bestuur heeft zich niet gevoelig getoond voor het verzoek en de beroepen.

In het eindvonnis van 8 februari 2012 wordt Beter Wonen veroordeeld om alsnog enkele (kleinere) bedragen te betalen aan derden voor een bedrag van in totaal 6700,70 euro. Die kosten komen dan niet langer voor rekening van de voormalige leden van de RvT. Tevens veroordeelt de rechter Beter Wonen tot het betalen van de statutair vastgelegde vergoeding voor het lidmaatschap van de RvT naar rato van het aantal maanden van het lidmaatschap (de vergoeding is 616 euro per maand), alsmede tot betaling van de kosten van het geding. Het bestuur van Beter Wonen heeft bij de betaling van de statutair vastgelegde vergoeding nog enkele (hoofdelijk omgeslagen) kosten ingehouden, die samenhangen met een dwangsom, deurwaarderskosten en enkele horecakosten, zodat de uiteindelijke vergoeding uiteindelijk is neergekomen op iets meer dan 100 euro per persoon.

Gezien het feit dat de zaak onder de rechter is geweest en de rechter uitspraak heeft gedaan, is er in redelijkheid geen basis voor mij om op dit punt in te grijpen. Uiteraard blijf ik van mijn kant actief om de partijen tot een schikking te bewegen.

Afgezien van de kwestie tussen het bestuur van Beter Wonen en de voormalige RvT speelt er bij Beter Wonen ook nog steeds de kwestie van de governance-problematiek. Voor het Centraal Fonds van de Volkshuisvesting is dat ook een relevante factor vanuit risico-overwegingen. Voor de goede orde merk ik op dat de financiële situatie bij Beter Wonen goed is en dat er tot op heden ook niet is gebleken dat de volkshuisvestelijke prestaties achterwege blijven.

In de brief van 20 december 2011 is u gemeld dat In de individuele oordeelsbrief van mijn ambtsvoorganger van 29 november 2011 staat:

«Op het punt van governance constateer ik dat uw corporatie niet voldoet aan alle statutaire bepalingen op het punt van het bestuur en de raad van toezicht. Ik verwacht dat u op korte termijn stappen onderneemt om de situatie weer in overeenstemming te brengen met de statutaire bepalingen op genoemde punten, waarbij ik er vanuit ga dat u met name voortvarendheid betracht ten aanzien van het benoemen van een raad van toezicht door de algemene vergadering. Mijn beoordeling van de situatie van de governance bij Beter Wonen zal voor een belangrijk deel bepaald worden door de wijze waarop gevolg zal worden gegeven aan de wens van de algemene vergadering om een commissie van goede diensten een bindend voorstel aan de algemene vergadering te laten doen dat in zijn geheel zal worden overgenomen of afgewezen.»

In mijn brief van 27 januari 2012 heb ik u laten weten dat een van de twee leden van de commissie raad van toezicht per 1 januari 2012 het lidmaatschap van betreffende commissie heeft opgezegd. Bijgaand doe ik u ter kennisgeving een brief toekomen die ik recentelijk naar het bestuur van Beter Wonen heb gestuurd. Hiermee kom ik tegemoet aan uw verzoek van 13 maart 2012 om u een afschrift te doen toekomen op de brief van Knuwer & Creutzberg Advocaten te Alkmaar1 d.d. 17 februari 2012 die namens het bestuur van Beter Wonen naar mij is gezonden.

Overigens is gebleken dat recentelijk geen algemene ledenvergadering heeft plaatsgevonden bij Beter Wonen. Het is nog niet bekend wanneer de eerstvolgende algemene ledenvergadering plaats zal vinden. Wel zijn er door het bestuur van Beter Wonen inmiddels concrete stappen gezet die de komende maanden moeten voorzien in het conform de statuten bemensen van het interne toezicht. Beter Wonen is actief bezig om kandidaten te selecteren voor de RvT. Ik heb het bestuur van Beter Wonen bij brief van 29 maart 2012 laten weten dat ik er vanuit ga dat deze stappen in juni zijn afgerond. Ik zal het bestuur hieraan houden, zo nodig met inzet van het wettelijk instrumentarium.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J. W. E. Spies


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.