29 407 Vrij verkeer werknemers uit de nieuwe EU lidstaten

Nr. 172 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2013

Tijdens een algemeen overleg met de commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 17 januari jl. heb ik toegezegd dat de pilot «Verblijfsbeëindiging EU-burgers te Vaals» zal worden uitgebreid naar Rotterdam, vooruitlopend op een landelijke regeling. Mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie informeer ik u over de stand van zaken.

Naar aanleiding van mijn toezegging heeft intensief overleg plaatsgehad met het Ministerie van Veiligheid en Justitie, de IND en de Gemeentelijke Sociale Dienst Rotterdam. Daarbij is een werkwijze onderzocht waarbij de beoordeling van het recht op bijstand zo veel mogelijk met de beoordeling van het verblijfsrecht samenloopt. Daardoor wordt voorkomen dat bijstand wordt uitbetaald in situaties waarin achteraf blijkt dat het verblijfsrecht eindigt als gevolg van het uitbetalen van bijstand. Inmiddels hebben de IND en de gemeente Rotterdam concrete werkafspraken gemaakt over de wederzijdse gegevensuitwisseling en de termijnen waarbinnen deze gegevens moeten worden verzonden. Deze afspraken zijn in de bijlage bij deze brief opgenomen1.

Bij de inrichting van de pilot is rekening gehouden met de uitspraken van de Centrale raad van Beroep over de bevoegdheidsverdeling tussen de gemeenten (die verantwoordelijk zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand) en de IND (die toetst of het beroep op bijstand gevolgen heeft voor het verblijfsrecht), waarover ik u in mijn brief van 28 maart 2013 (Kamerstuk 30 545, nr. 118) heb geïnformeerd. De pilot gaat op 1 oktober a.s. van start en zal vooralsnog zes maanden duren. Evaluatie vindt plaats na drie maanden en na het einde van de pilot.

Bij de beoordeling of een beroep op bijstand gevolgen heeft voor het verblijfsrecht wordt uitgegaan van de bestaande regels. Die regels bepalen dat alleen ingezetenen recht op bijstand hebben. EU-burgers hebben gedurende de eerste drie maanden van verblijf géén recht op bijstand.

Ook voor EU-burgers die als werkzoekenden Nederland zijn binnengekomen is er geen recht op bijstand.

Als EU-burgers die economisch niet actief zijn en langer dan drie maanden hier verblijven, een beroep doen op de bijstand kan dat leiden tot verblijfsbeëindiging. In beginsel leidt de eerste twee jaar ieder beroep op bijstand tot verblijfsbeëindiging. Naarmate men langer in Nederland verblijft wordt een beroep op bijstand minder snel als onredelijk beschouwd. Bij de beoordeling vindt altijd een individuele belangenafweging plaats. Pas als ze langer dan vijf jaar rechtmatig in Nederland verblijven, kan een beroep op bijstand in het geheel niet meer tot verblijfsbeëindiging leiden.

EU-burgers die korter dan een jaar hebben gewerkt, zich als werkzoekende hebben ingeschreven en onvrijwillig werkloos zijn geworden, behouden gedurende zes maanden de status van werknemer. Gedurende deze zes maanden heeft het beroep op de bijstand geen gevolgen voor het verblijfsrecht.

Als ze langer dan een jaar in Nederland hebben gewerkt, onvrijwillig werkloos zijn en zich als werkzoekende hebben ingeschreven, kan een beroep op bijstand niet meer leiden tot beëindiging van het verblijfsrecht.

De Kamer heeft op 28 mei 2013 (Kamerstuk 29 407, nr. 166) een motie van de leden Azmani en Hamer aangenomen waarin de regering wordt verzocht om, binnen de kaders van het Europees recht, wettelijk te verankeren dat gemeenten bij een bijstandsaanvraag van een EU-migrant, voorafgaand aan het toekennen van een bijstandsuitkering, gaan toetsen bij de IND of de bijstandsaanvraag gevolgen heeft voor het rechtmatig verblijf. Ik heb toegezegd de motie uit te voeren.

De werkwijze van de «pilot Rotterdam» zal het uitgangspunt zijn van deze wettelijke regeling. De tweede helft van 2013 zal ik belanghebbenden, zoals de VNG en het uitvoeringspanel, aan de hand van een eerste wetsontwerp consulteren. Dan hebben ook gesprekken plaats met de Europese Commissie om te waarborgen dat de wet geen inbreuk maakt op het vrije verkeer van personen. Bij het opstellen van deze wet zullen uiteraard ook de ervaringen van de pilot worden meegenomen. Na behandeling in de Ministerraad en het advies van de Raad van State, zal ik het wetsontwerp voor de zomer van 2014 bij uw Kamer indienen, zodat het op 1 januari 2015 in werking kan treden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

Naar boven