Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201129398 nr. 266

29 398 Maatregelen verkeersveiligheid

Nr. 266 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 7 maart 2011

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Infrastructuur en Milieu naar aanleiding van twee brieven van 24 januari 2011 inzake Toekomstgericht onderzoek CBR (Kamerstuk 29 398, nr. 261) en inzake eindevaluatie reserveringssystematiek CBR (Kamerstuk 29 398, nr. 262).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 4 maart 2011. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Snijder-Hazelhoff

De adjunct-griffier van de commissie,

Israel

1

Klopt het dat de rekeningen die de rijschoolhouder voor blokken van gereserveerde examens ontvangt, alleen aantallen examens benoemen en dat de examens op die rekeningen niet gekoppeld zijn aan de namen van de examenkandidaten, terwijl de rijschoolhouder examens wel op naam heeft gereserveerd? Zo ja, wordt dit aangepast om zo de administratieve lasten voor de rijschoolhouder te verlagen?

Ja. Daarnaast kan de rijschoolhouder zelf via «TOP internet» van het CBR een gespecificeerde factuur opvragen waarop onder andere de namen van de examenkandidaten zijn opgenomen. De brancheorganisaties BOVAG, FAM en VRB hebben het CBR laten weten dat de huidige wijze van facturering volstaat.

2

Hoe kan worden gerealiseerd dat niet 70%, maar nagenoeg 100% van de examens binnen de normtijd (zeven weken voor B-examen en vijf weken voor B-herexamen) kan worden gereserveerd?

Sinds 2009 is het in alle examenplaatsen en voor alle categorieën mogelijk om binnen de normtijd een examen te reserveren.

3

Voorziet u in de toekomst de mogelijkheid deze normtijden terug te brengen naar bijvoorbeeld vier en drie weken? Zo ja, hoe gaat dat gebeuren? Zo nee, waarom niet?

De huidige reserveringstermijnen sluiten aan op de duur van de rijopleidingen. In principe is het mogelijk om deze termijnen terug te brengen. In dat geval dienen er dan wel meer examinatoren (direct) beschikbaar te zijn. Dit leidt tot aanzienlijke hogere kosten voor het CBR die in de examentarieven moeten worden verrekend. Daarom vind ik het terugbrengen van de termijnen niet wenselijk.

4

Waarom heeft het onderzoek van RebelGroup naar de reserveringssystematiek bij het CBR zo veel tijd in beslag genomen? Hoeveel keer is het rapport aangepast? Kunt u uw antwoorden toelichten?

De evaluatie van de reserveringssystematiek is op 15 september 2010 gestart en op 20 januari 2011 opgeleverd. Ik ben van mening dat de evaluatie in een redelijke tijdspanne tot stand is gebracht. Voor het eindrapport is opgeleverd zijn er twee conceptversies gemaakt.

5

Is het waar dat er tijdens het onderzoek van RebelGroup niet is gesproken met kandidaten van CBR-examens? Zo ja, waarom is voor deze wijze van onderzoek gekozen? Deelt u de mening dat juist deze groep goed zou kunnen oordelen over de mate waarop het CBR en de reserveringssystematiek functioneert?

RebelGroup heeft niet met examenkandidaten gesproken, omdat deze slechts een beperkt aantal contactmomenten met het CBR hebben en dus niet de gehele onderzoeksperiode tussen 2008–2010 kunnen overzien. In de onder rijschoolhouders uitgevoerde enquête zijn wel vragen opgenomen over de waardering van de reserveringssystematiek door examenkandidaten.

6

Kunt u duidelijk uiteenzetten met welke rijscholen of overkoepelende (branche-)organisaties er is gesproken bij het tot stand komen van de eindevaluatie van RebelGroup? Wat is er exact gedaan met door rijscholen of overkoepelende (branche-)organisaties aangeleverde informatie en is eventuele aangereikte informatie betrokken bij de evaluatie? Kunt u duidelijk toelichten om welke informatie dit gaat en in hoeverre deze heeft meegeteld bij het voltooien van de evaluatie en het trekken van conclusies?

Bij de evaluatie van de reserveringssystematiek zijn rijscholen en overkoepelende brancheorganisaties intensief betrokken. Aan 5 500 rijschoolhouders is een enquête aangeboden. Dit heeft volgens de onderzoekers een representatief beeld opgeleverd. Daarnaast zijn bestuurders van de brancheorganisaties BOVAG rijscholen, FAM en VRB geïnterviewd. De geaccordeerde verslagen zijn gebruikt als input voor de evaluatie. Voorts zijn de brancheorganisaties in de gelegenheid gesteld om te reageren op het concepteindrapport. Zij hebben schriftelijk hun commentaar bij de onderzoekers aangeleverd. De onderzoekers hebben feitelijke onjuistheden gecorrigeerd en vervolgens het definitieve rapport opgeleverd.

7

Is het waar dat er (mede door de economische crisis) sprake is van een forse terugval in het aantal examens bij het CBR? Is het bijvoorbeeld waar dat het aantal B-examens in de periode 2009/2010 met ongeveer 12% is gedaald? Is het waar dat het aantal bromfietsexamens 60% lager uitvalt dan eerdere prognoses gehanteerd door het CBR? Is het waar dat er ook een sterke daling van de examens in overige categorieën (AVB, AVD, BE, C en CE) heeft plaatsgevonden? Is het waar dat door deze forse afname in het aantal af te leggen examens een (tijdelijke) overcapaciteit is ontstaan bij het CBR, waardoor de afname van de wachttermijn valt te verklaren? Is de conclusie daarmee gegrond dat het nieuwe reserveringssysteem maar een zeer beperkte bijdrage heeft geleverd aan het terugdringen van de wachttermijnen? Kunt u uw antwoorden duidelijk toelichten? Deelt u de mening dat deze factoren veel te weinig zijn belicht in het rapport van RebelGroup?

Het CBR heeft op basis van de voorlopige jaarcijfers aangegeven dat het aantal afgenomen examens in 2010 inderdaad is gedaald. Het CBR heeft in de afgelopen twee winterperioden te maken gehad met een groot aantal uitstel-examens. Het aantal gereserveerde examens is ten opzichte van 2009 constant geweest en ten opzichte van 2008 zelfs toegenomen. De conclusie dat het nieuwe reserveringssysteem maar een zeer beperkte bijdrage zou hebben geleverd aan het terugdringen van de wachttermijnen, deel ik niet. Met de onderzoekers ben ik van mening dat vooral het totaal aan door het CBR getroffen maatregelen heeft bijgedragen aan kortere reserveringstermijnen.

8

Hoe verklaart u dat in het rapport van RebelGroup wordt gesproken over aanbevelingen die het reserveringssysteem nog verder zouden moeten verbeteren, zoals verlofregulering, spreiding van opleidingenscholing van examinatoren, enzovoorts, terwijl Twynstra Gudde in deelonderzoek C, hoofdstuk 2 over dezelfde zaken spreekt, maar juist concludeert dat door deze maatregelen het CBR de wachttijden in bedwang kon houden?

Volgens Twynstra Gudde is de examencapaciteit o.a. door verlofregulering beter onder controle gebracht. Rebel Group geeft aan dat het CBR beperkte mogelijkheden heeft, onder andere verlofregulering, om extra vraag naar examens op te vangen. De in de vraagstelling gesuggereerde tegenstelling zie ik in de genoemde rapporten niet terug.

9

Is het waar dat het aantal examens dat niet is afgenomen door het wegblijven of afzeggen van een kandidaat, vanaf de invoering van het nieuwe reserveringssysteem met bijna 50% is gestegen? Is het waar dat deze informatie al eind juni 2010 bij het CBR bekend was? Is er daarna actie ondernomen om dit percentage te verlagen? Kunt u uw antwoorden toelichten? Acht u deze zeer forse stijging wenselijk? Zo nee; wat bent u concreet van plan om te gaan doen om het aantal niet afgenomen examens te laten dalen?

Nee, dit is niet juist. Het aantal niet-afgenomen examens is sterk gestegen door de winterse omstandigheden in de maanden december 2009 en januari, februari en december 2010. Hierdoor heeft een groot aantal examens geen doorgang kunnen vinden.

10

Wat is de betrokkenheid geweest van de heer Anker en de heer Kok bij de totstandkoming van de diverse rapporten die recent zijn uitgekomen over het CBR, waaronder de rapporten over de nieuwe reserveringssystematiek van het CBR? Kunt u voor zowel de heer Anker als de heer Kok per rapport duidelijk toelichten in hoeverre zij bepalend zijn geweest bij de uitkomsten van de rapporten? Heeft de heer Kok enige vorm van invloed bij RebelGroup, dat verantwoordelijk was voor de eindevaluatie naar de reserveringssystematiek CBR? Is het wenselijk dat deze (oud-)bestuurders mee hebben geoordeeld over onder andere hun eigen functioneren? Acht u de kans aanwezig dat er door eventuele inmenging van (oud-)bestuurders een te rooskleurig beeld is neergezet over de werkwijze en prestaties in het verleden? Kunt u uw antwoorden toelichten?

Beide onderzoeken zijn verricht door onafhankelijke bureaus. Voor de totstandkoming van de rapporten verwijs ik naar de daarin opgenomen onderzoeksverantwoording. RebelGroup heeft verklaard dat genoemde personen niet bepalend zijn geweest voor de uitkomsten en geen invloed hebben bij RebelGroup.

11

Is het waar dat er door het CBR gedurende de laatste drie jaar ruim negentien miljoen euro is uitgegeven aan het inhuren van uitzendkrachten, interim-managers en gedetacheerden? Kunt u duidelijk toelichten om welke reden dit nodig was? Deelt u de opvatting dat dit bedrag alle normen van redelijkheid overschrijdt? Kunt u garanderen dat in de toekomst dergelijke kosten voor inhuur van externen niet meer gemaakt zullen worden?

In het kader van het door mijn ambtsvoorganger opgedragen onderzoek is nadrukkelijk gekeken naar de financiële situatie bij het CBR. Uit het deelrapport B1 – Financiën blijkt inderdaad dat de kosten van uitzendkrachten en interim-manager sterk zijn gestegen. In de periode januari 2008–oktober 2010 is een bedrag van € 19 miljoen euro uitgegeven aan tijdelijk personeel. Dit is exclusief inhuur voor specifieke projecten. De genoemde € 19 miljoen euro komt neer op circa 8,5% van de totale personeelskosten van het CBR. De inhuurkosten houden vooral verband met de reorganisatie en met het wegwerken van achterstanden. Ik ben met u van mening dat dat een hoog bedrag is.

12

Deelt u de mening van FNV Bondgenoten dat het ongepast is om de Ondernemingsraad van het CBR als veroorzaker van de problemen bij het CBR aan te wijzen?

Ik neem aan dat u doelt op een bericht op de website van FNV Bondgenoten. Op 1 februari jl. valt op die site te lezen dat een bestuurder van FNV Bondgenoten het ongepast vindt dat Kamerlid «Aptroot de Ondernemingsraad de schuld van de malaise bij het CBR in de schoenen probeert te schuiven». Ik laat deze kwalificatie over een uitlating van een Tweede Kamerlid voor rekening van FNV-bondgenoten.

13

Komen de opdrachtformulering en onderzoeksvragen bij het deelrapport A over cultuur en governance overeen met wat de Kamer voor ogen had en is afgesproken? Kunt u uw antwoord hierop nader toelichten?

Ja. Overigens heeft mijn ambtsvoorganger de Tweede Kamer over de aard en opzet van het onderzoek geïnformeerd (TK 2009–2010, 29 998, nr. 215 en 227).

14

Hebben de heer Van Walree (de voormalig financieel directeur tevens verantwoordelijk voor pensioenen, ICT en vorderingen) en de heer Van Gijzel (voormalig lid van de Raad van Toezicht) medewerking verleend aan het onderzoek dat nu voorligt? Kunt u voor ieder deelrapport aangeven of zij medewerking hebben verleend? Kunt u uw antwoorden nader toelichten?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de toelichting in bijlage 2, blad 2 van deelrapport A. Daarin staat: «De heer Van Walree heeft aangegeven geen bijdrage aan het onderzoek te willen leveren met als argument het verleden te willen laten rusten en zich op de toekomst te willen richten. De heer Van Gijzel heeft aangegeven destijds een uitgebreide brief met bijlagen te hebben geschreven aan de minister, ondersteund met een uitgebreid informatiedossier, waarin een groot aantal aspecten vanuit zijn gezichtspunt zijn benoemd». De brief en de bijlagen zijn in mijn bezit en zijn bij het onderzoek betrokken. Het informatiedossier is niet in mijn bezit. Tijdens het onderzoek is alles in het werk gesteld om dit dossier boven water te krijgen. Dit is tot op heden niet gelukt.

15

Is het waar dat (een gedeelte van) het zeer kritische onderzoeksrapport dat onder voorzitterschap van de heer Van Gijzel is gemaakt met de vakbonden en de Ondernemingsraad, inclusief het persoonlijk dossier en aantekeningen, is verdwenen? Wie is hier verantwoordelijk voor? Bent u bereid alles in het werk te stellen om deze informatie weer boven water te krijgen? Kunt u uw antwoord zeer helder toelichten?

Zoals ik bij vraag 14 heb geantwoord, heeft de heer Van Gijzel op 17 december 2006 een brief met bijlagen geschreven. Daarnaast heeft hij een informatiedossier overhandigd. De brief en de bijlagen zijn in mijn bezit en zijn bij het onderzoek betrokken. Het informatiedossier is niet in mijn bezit. Tijdens het onderzoek is alles in het werk gesteld om dit dossier boven water te krijgen. Dit is tot op heden niet gelukt. Overigens is het onderzoek bedoeld om op basis van een analyse van het verleden nieuwe stappen te kunnen zetten. Ik meen dat het onderzoek daar, ondanks het ontbrekende informatiedossier, prima aan voldoet.

16

Kunt u helder toelichten hoe u bent gekomen tot de onderbouwing van de cijfers in bijlage 7 van het Deelrapport B1: Financiën: Overzicht rechtstreeks mutaties eigen vermogen CBR 2002–2009? Kunt u hierbij extra aandacht geven aan de periode 2005–2011, met een uitsplitsing aan «kosten» AI’s, ICT-infrastructuur, inhuur ICT-deskundigen, overige adviseurs, inhuur uitzendkrachten, pensioenkosten (met name beheer(s-)kosten), koop/verkoop bedrijven en verkoop vastgoed (Hoofdkantoor CBR)? Kunt u aangeven in hoeverre deze informatie zich verhoudt tot de brief van de Ondernemingsraad van 15 december 2010, die op de laatste pagina van het eindrapport van Twynstra en Gudde (bullit 2 en 3 onder punt 3) wordt genoemd?

De onderzoekers hebben in bijlage 7 een overzicht opgenomen van de mutaties die in het eigen vermogen van het CBR zijn verwerkt. Uit dit overzicht blijkt dat, uitgezonderd twee stelselwijzigingen en de verwerking van de NEA-bijdrage, geen rechtstreekse mutaties (mutaties die niet via de winst- en verliesrekening verlopen) in het eigen vermogen hebben plaatsgevonden. De mutaties die rechtstreeks in het eigen vermogen zijn verwerkt, zijn goedgekeurd door de externe accountant. De in de vraag genoemde posten in de periode 2005–2011 verlopen via de winst- en verliesrekening van het CBR. Het effect van de genoemde aspecten op de ontwikkeling van het eigen vermogen behoeft een gedetailleerde analyse die buiten de scope van het onderzoek valt en bovendien aan het beeld van de ontwikkeling van het eigen vermogen niets afdoet. De posten waaraan wordt gerefereerd in relatie tot de brief van de Ondernemingsraad van 15 december 2010 zijn niet separaat zichtbaar in het overzicht in bijlage 7. Deze posten zijn voor zover nodig in de desbetreffende jaren in de winst- en verliesrekening verwerkt. Alleen het saldo van alle opbrengsten en alle kosten van dat jaar, zijnde het jaarresultaat, is toegevoegd aan het eigen vermogen.

17

Hoe verhouden de kosten zoals vermeld in deelrapport B1 Financiën zich tot het overzicht van de kosten die gemaakt zijn tussen 2005 en 2011 bij het ICT/E&Y-rapport van mei 2009?

Graag zou ik deze vraag beantwoorden, echter de geformuleerde data zijn mij niet helder.

18

Worden er nog steeds foutieve rijbewijzen afgegeven? Zo ja, om hoeveel rijbewijzen gaat het? Gaat u dit probleem op zeer korte termijn aanpakken? Kunt u uw antwoord duidelijk toelichten?

Ja. Op 7 oktober 2009 heeft mijn ambtsvoorganger melding gemaakt van fouten in afgegeven rijbewijzen. Ook thans is incidenteel sprake van fouten in afgegeven rijbewijzen. Het gaat om enkele tientallen gevallen per jaar, terwijl er jaarlijks meer dan 1 miljoen rijbewijzen worden afgegeven inclusief verlengingen (foutmarge < 0,003%). Deze fouten worden overigens telkens op kosten van het CBR gecorrigeerd door de rijbewijzen met fouten te vervangen door correcte rijbewijzen. De oorzaak van de fouten ligt in de datauitwisseling tussen het CBR en de RDW. Inmiddels is door het CBR en de RDW een structurele oplossing voor het probleem met de data-uitwisseling ontwikkeld. Dit leidt tot een aanpassing van de ICT-systemen van het CBR en de RDW. Het CBR heeft aangeven dat de structurele oplossing momenteel wordt getest en voor de zomer kan worden ingevoerd.

19

Hoe kan het dat het systeem voor het alcoholslotprogramma wordt ingevoerd, daar waar het aanverwante Vorderingensysteem Move volgens Twynstra Gudde niet naar behoren functioneert? Kunt u uw antwoord duidelijk toelichten?

Het systeem voor het alcoholslotprogramma (ASP) bestaat uit een aantal componenten. Alleen de functionaliteit die nodig is om een ASP-besluit vast te leggen, wordt in het bestaande vorderingensysteem MOVE ingebouwd. Het CBR heeft aangegeven dat hiervoor een stabilisatie van MOVE nodig is. Deze is gerealiseerd in december 2010. Hiermee is een goede basis gelegd voor de verdere uitrol van het ASP.

20

Kunt u van de onderstaande lijst van documenten en rapportages, die allen zouden zijn aangereikt door de ondernemingsraad van het CBR, aangeven of deze wel of niet bij het onderzoek zijn betrokken? Kunt u bij ieder rapport aangeven of dit wel of niet het geval is geweest en welke motivatie er is gebruikt om te besluiten om het document al dan niet te betrekken bij het onderzoek?

Bent u bereid om alle in onderstaande lijst genoemde documenten spoedig openbaar beschikbaar te stellen en aan de Kamer te doen toekomen? Kunt u uw antwoorden duidelijk toelichten? Deelt u de opvatting dat deze documenten van cruciaal belang zijn bij het proces van waarheidsvinding, het vaststellen van de rollen van de diverse actoren, alsmede de opstelling van het ministerie in het kader van de taakuitvoering van het CBR?

  • 1. 31.12.2005: routineverslag DGP ministerie V&W met o.a. Fin., pensioenen, reorganisatie, toekomst CBR, ontvlechting: verkoop TT/NEA; relateer dat aan de voornoemde brief OR-voorzitter van 15.12.2010 die aan het eindrapport hangt.

  • 2. 28.6.2006: brief voornemen vakbonden om naar de OK Gerechtshof van Amsterdam te gaan.

  • 3. 19.12.2006: In Kort Geding gedagvaard door CBR Meijer/Kennedy v.d. Laan: Uitgeversmaatschappij De Telegraaf BV.

  • 4. 22.1.2007: Verslag overleg DGP met OR-delegatie van 22.1 2007 betreffende o.a. historie CBR 2004–2007, vertrouwensbreuk, pensioenen, ICT, integriteitbeleid, casus Van Gijzel, AEF-onderzoek.

  • 5. KPMG verklaring 1e kwartaal 2007 in opdracht RvT betreffende het in control zijn van de processen bij het CBR. (zie bijlage 6 blz. 11)

  • 6. 25.4.2007: WOB-dossiers van V&W aan OR CBR van 25.4.2007 en 12.6.2007.

  • 7. 11.5.2007: Verzoekschrift advocaat Bosch (bonden) aan OK Gerechtshof te Amsterdam van 16.5.2007 betreffende enquêteverzoek en een verzoek tot het treffen van een onmiddellijke voorziening.

  • 8. 29.6.2007: Verweerschrift van de OR CBR/advocaat Van Mierlo (AKD) aan de OK Gerechtshof Amsterdam.

  • 9. OK-dossier CBR, inclusief verweerschrift CBR/De Brauw & Blackstone/Knijff (zie bijlage 6, blz. 12).

  • 10. Verweerschrift Meijer/Kennedy v.d. Laan aan OK Gerechtshof Amsterdam (zie bijlage 6, blz. 12 laatste document.

  • 11. 4.4.2008: Verslag Routineoverleg DGP–CBR.

  • 12. 8.8.2008: verslag Routineoverleg minister–RvT CBR.

  • 13. 29.9.2008: Verslag Routineoverleg DGP–CBR.

  • 14. 15.12.2008: Verslag Routineoverleg DGP–CBR.

  • 15. 26.3.2009: WOB-dossiers n.a.v. verzoeken OR CBR aan ministerie van 26.3.2009, 14.4.2009 en 16.6.2009.

  • 16. 16.9.2009: Routineverslag DGMo–CBR.

  • 17. 18.9.2009: KPMG assurance-onderzoek Vorderingen over 2e kwartaal 2009.

  • 18. 7.10.2009: Verslag Routineverslag minister–CBR.

  • 19. 2.2.2010: 3 (geheime) KPMG rapporten pensioenen.

  • 20. 13.7.2010: brieven OR aan directie en RvT inzake KPMG-rapporten pensioenen.

  • 21. 30.3.2010: Verslag Routineoverleg DGMo–CBR.

In het eerste gedeelte van de vraag vraagt u of genoemde documenten wel of niet bij het onderzoek zijn betrokken. De onderzoekers zijn in hoofdstuk 1.3 van het «Deelrapport A: Cultuur en governance» ingegaan op de onderzoeksaanpak. Daarbij refereren zij aan de aan hen ter beschikking gestelde en gebruikte documenten zoals genoemd in bijlage 6. Onder verwijzing naar deze bijlagen vermelden de onderzoekers bij de paragraaf «afbakening diepgang van onze analyses» dat de Ondernemingsraad hen van een grote hoeveelheid informatie heeft voorzien. Zij merken op «dat de informatie is gescand op issues als onderdeel van de diagnose». Ook merken zij op dat de OR verwacht dat zij een «uitspraak» doen over de waarheid van al deze issues. De onderzoekers geven expliciet aan dat het voor het onderzoek niet nodig is om alle issues tot op de bodem uit te zoeken en de «waarheid» te benoemen, temeer omdat het om een toekomstgericht onderzoek gaat.

Naast een toelichting op de gehanteerde onderzoeksmethode vraagt uw Kamer ook om diverse brondocumenten die door de onderzoekers zijn gebruikt. Een groot deel van deze stukken hebben de onderzoekers niet van mij gekregen. Ik kan u deze dan ook niet verstrekken, omdat ik ze niet heb. Voor wat betreft de verslagen van routineoverleggen gaat het om documenten die zijn bedoeld voor intern beraad, waarin persoonlijke opvattingen van de deelnemers aan dit beraad zijn opgenomen. Deze kan ik u niet verstrekken. De stukken genoemd onder 6 en 15 zal ik u spoedig doen toekomen. Het onderzoek is – zoals de Kamer bekend is – bewust toekomstgericht geweest. Ik geef uw Kamer in overweging om – mét mij – vooruit in plaats van achterom te kijken en de weg naar de toekomst voor het nieuwe CBR in te slaan.

21

Deelt u de mening dat de conclusies uit het rapport van Twynstra en Gudde over de situatie bij het CBR zeer confronterend en verontrustend zijn?

In mijn brief van 24 januari 2011 heb ik u aangegeven dat ik geschrokken ben van de uitkomsten van het onderzoek en de situatie bij het CBR zorgelijk vind.

22

Is bij de benoeming van de nieuwe directie van het CBR sprake van een aanstelling voor bepaalde tijd met de mogelijkheid om zonder afkoopsommen afscheid te nemen? Zo nee, om welke reden niet?

Ja. Bij de benoeming van de nieuwe directieleden is sprake van een benoeming voor bepaalde tijd, voor een periode van vier jaar. Na deze periode is een herbenoeming mogelijk. Overeengekomen is dat bij opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, anders dan wegens dringende reden, een vergoeding wordt toegekend conform de geldende kantonrechters-formule met een maximum van één bruto jaarsalaris.

23

Is voor de leden van de Raad van Toezicht van het CBR gezorgd voor een beperking van de benoemingsperiode, bijvoorbeeld van maximaal twee of drie periodes van drie jaar?

Volgens de huidige statuten van de Stichting CBR heeft een lid van de raad van toezicht zitting voor vier jaren. Herbenoeming is eenmaal mogelijk. In geval van bijzondere omstandigheden, kan de minister een lid van de raad van toezicht meermalen herbenoemen (artikel 5.8 en 5.9). Binnenkort wordt de herbenoemingstermijn teruggebracht naar twee jaar.

24

Hoeveel directieleden en leden van de raad van toezicht zitten er nu nog bij het CBR, die vóór 2010 zijn geïnstalleerd?

Géén. De huidige leden van de directie en raad van toezicht zijn allen na 31 december 2009 benoemd.

25

Waarop baseert u uw vertrouwen in de nieuwe leden van de directie en de raad van toezicht?

De leden van de directie en raad van toezicht zijn aangetrokken op basis van hun staat van dienst en deskundigheid. Met de benoeming in de raad van toezicht van mevrouw prof. dr. S.G. van der Lecq, bijzonder hoogleraar pensioenmarkten aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, is voorzien in specialistische kennis op het gebied van pensioenen. Zoals ik in mijn brief van 24 januari 2011 heb aangegeven, heb ik vertrouwen in de nieuwe leden van de directie en de raad van toezicht. Ik baseer dit onder meer op het onder hun verantwoordelijkheid tot stand gebrachte Verbeterprogramma en de al getroffen maatregelen.

26 t/m 29

Deelt u de opvatting dat er zeer goed moet worden gekeken naar de verantwoordelijkheden van uw ambtsvoorganger, de minister van Verkeer en Waterstaat, en de rol die hij heeft gespeeld in de ontstane situatie bij het CBR?

Op welke punten bent u tekortgeschoten in de rol van verantwoordelijke en toezichthouder bij het CBR? Wat zijn hiervan de gevolgen?

Is het waar dat, zoals FNV Bondgenoten stelt, u jarenlang, net als de diverse Raden van Toezicht, signalen van mismanagement heeft genegeerd? Kunt u uw antwoord helder toelichten?

Deelt u de opvatting dat er zeer goed moet worden gekeken naar uw verantwoordelijkheden met betrekking tot de situatie bij het CBR?

Als minister ben ik aanspreekbaar op de kwaliteit en de continuïteit van de taakuitvoering door het CBR. Zowel op basis van eigen constateringen als signalen van buiten hebben mijn ambtsvoorgangers en ik actie ondernomen. De Kamer is hierover met regelmaat geïnformeerd. In 2006 is bij de raad van toezicht aangedrongen op een onderzoek naar beweringen van de Ondernemingsraad en vakbonden over ondermeer verdwenen pensioengelden. Nadien heeft een reeks van interventies plaatsgevonden om de situatie bij het CBR ten positieve te keren. Eind 2007 is het CBR gemaand om de wachttijden van praktijkexamens te bekorten. In april 2008 is een aanwijzing gegeven om wachttijden van examens structureel op orde te brengen en doorlooptijden van rijgeschiktheid te bekorten. Ook is in 2008 gevraagd om de transparantie naar de klanten te verbeteren en de advisering over bloedproeven beter te borgen. Begin 2009 is de raad van toezicht opgedragen een onderzoek te doen naar beweringen van de Ondernemingsraad dat het een administratieve chaos was bij het CBR. In mei 2009 is een aanwijzing gegeven om waarborgen te treffen ten aanzien van de doorlooptijden, zorgvuldigheid en administratie voor het proces Vorderingen en voor 12 stopgezette vorderingsdossiers alsnog een besluit te nemen. Daarnaast is het CBR onder verscherpt toezicht geplaatst. Najaar 2009 is het CBR opgedragen maatregelen te treffen om de kosten te beheersen en is mediation voorgesteld tussen de directie en de Ondernemingsraad. In januari 2010 is mijn ambtsvoorganger een onderzoek gestart om een onafhankelijk en toekomstgericht oordeel te kunnen vellen over het CBR. Voorts is de raad van toezicht gevraagd om verscherpt toezicht te houden op de kostenontwikkelingen. In maart 2010 is aangekondigd dat de minister van Verkeer en Waterstaat de benoeming en bezoldiging van de directie van het CBR naar zich toetrekt. In mei 2010 heeft de minister de raad van toezicht grotendeels vernieuwd. In juni 2010 respectievelijk september 2010 zijn twee nieuwe directeuren in dienst getreden. In januari 2011 heb ik indringende gesprekken gevoerd met drie al langer zittende leden van de raad van toezicht, die vervolgens zijn teruggetreden. De komende maanden moet de uitvoering van het CBR-verbeterprogramma uitwijzen of er met vereende krachten de voortgang wordt geboekt die het CBR zo behoeft.

30

Is er in het kader van het onderzoek door Twynstra en Gudde ook gesproken met kandidaten die bij het CBR een examen hebben afgelegd? Kunt u duidelijk aangeven om hoeveel kandidaten het hierbij gaat en hoe deze mensen benaderd dan wel geselecteerd zijn?

Nee. In het kader van het onderzoek door Twynstra Gudde is niet gesproken met examenkandidaten. Het klantoordeel over de kwaliteit van de taakuitvoering van het CBR is gebaseerd op bestaande documentatie. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 5.

31

Hoe verhoudt de inhoud van het deelrapport Pensioenen zich met de inhoud van de brief van de voorzitter van de Ondernemingsraad aan de Kamer van 5 februari 2010, die naar aanleiding van het algemeen overleg van 2 februari 2010 was opgesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?

Het onderzoek van Twynstra Gudde is vooral gericht geweest op het in beeld brengen van de financiële risico’s die uit de pensioenproblematiek voortvloeien en op het in beeld te brengen van de noodzakelijke beheersmaatregelen. Het is mij bekend dat de voorzitter van de Ondernemingsraad op 5 februari 2010 een e-mail heeft gestuurd aan de leden van de Vaste Kamercommissie V&W. Hierin worden beweringen gedaan met betrekking tot de pensioenproblematiek. Naar aanleiding hiervan heeft de toenmalige directie van het CBR de Tweede Kamer overigens aangegeven dat de e-mail aantoonbare onjuistheden en niet onderbouwde insinuaties bevat. Het toekomstgerichte onderzoek is hier niet expliciet op ingegaan. Het onderzoek is immers niet gericht geweest op het beslechten van verschillen van inzicht tussen Ondernemingsraad en directie. In het kader van het verbeterplan zal de directie met de Ondernemingsraad nader onderzoek verrichten naar de pensioenproblematiek in het verleden met het doel deze op te lossen.

32

Hoe wordt ervoor gezorgd dat het CBR zowel voor eigen gebruik als voor toezichthouders en ministerie betrouwbare informatie kan leveren, zowel over de kwaliteit van de taakuitoefening als over de financiële resultaten?

Binnen het CBR is recent een nieuwe afdeling «business control» opgericht om de betrouwbaarheid van (financiële) managementinformatie te vergroten. Daarnaast wordt een nieuwe planning & control cyclus ingevoerd die onder andere moet bijdragen aan tijdige informatieverschaffing en controle en bijsturing door de directie. Ten slotte wordt in 2012 een nieuw management-informatiesysteem ingevoerd dat de bestaande systemen zal vervangen.

33

Bent u van mening dat de huidige raad van toezicht, de nieuwe directie en ondernemingsraad over voldoende kennis en visie beschikken om de noodzakelijke aanpassingen in de pensioenregelingen door te voeren?

Zie antwoord op vraag 25.

34

Hoe wilt u het CBR financieel gezond krijgen, zonder dit door te berekenen aan de klanten of meer geld voor het CBR beschikbaar te stellen?

Zoals eerder aangegeven zal ik niet toestaan dat het CBR de huidige financiële problemen afwentelt op de klant. Het CBR heeft in het verbeterprogramma diverse maatregelen opgenomen die moeten leiden tot een verbetering van het financiële resultaat. Dit zal uiteindelijk ook resulteren in een betere vermogenspositie. Naast het terugdringen van de pensioenkosten zal het CBR onder andere maatregelen nemen om processen en systemen te optimaliseren. Thans bezie ik tezamen met het CBR of uit het verbeterprogramma voortvloeiende investeringen door de Staat kunnen worden voorgefinancierd.

35

Welke middelen heeft u ter beschikking om te voorkomen dat het CBR toenemende kosten afwentelt op de klanten?

De tarieven van het theorie-examen en voor de aanvraag van verklaringen van rijvaardigheid en van geschiktheid vallen onder de «Regeling goedkeuring tarieven CBR». Tariefstijgingen die hoger zijn dan op basis van de Regeling kan worden verantwoord, zijn aan mijn goedkeuring onderhevig. De tarieven voor de kosten van de verschillende maatregelen van de vorderingsprocedure zijn vastgelegd in de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid en worden jaarlijks conform die regeling geïndexeerd.

36

Kunt u zelf ingrijpen in de pensioenregeling van het CBR? Zo ja, welke middelen heeft u daarvoor ter beschikking?

Het CBR is een privaatrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan dat zelf verantwoordelijk is voor de rechtspositie van het personeel. Ik heb derhalve geen bevoegdheid om in de pensioenregeling van het CBR in te grijpen.

37

Is het waar dat er in het kader van het onderzoek door Twynstra en Gudde alleen gebruik is gemaakt van klanttevredenheidsonderzoeken die door het CBR zelf zijn uitgevoerd? Deelt u de opvatting dat deze onderzoeken niet de juiste basis bieden voor het trekken van betrouwbare conclusies?

Twynstra Gudde heeft gebruik gemaakt van klanttevredenheidsonderzoeken van het CBR en de BOVAG. De conclusies die getrokken zijn door Twynstra Gudde zijn gebaseerd op een veelheid aan schriftelijke en mondelinge bronnen. In die context bezien zijn genoemde onderzoeken niet bepalend geweest voor de conclusies.

38

Hoe is het, gelet op het feit dat de ICT-systemen «Move» (Vorderingen) en «Scoop» (Medisch) pas over twee jaar worden vervangen, toch mogelijk om de kwaliteit van de dienstverlening op korte termijn te verbeteren? Kunt u uw antwoord toelichten?

Een volledige vervanging van beide ICT-systemen heeft inderdaad een doorlooptijd van naar schatting twee jaar. De kwaliteit van de huidige systemen wordt tussentijds verbeterd door aanpassingen in de systemen en processen. Ten aanzien van «Move» zijn in het afgelopen jaar aanpassingen doorgevoerd ter verbetering van de kwaliteit van dienstverlening en de implementatie van het alcoholslotprogramma.

39

Over welke termijnen heeft u het, als u schrijft dat de ondernemingsraad van het CBR aandacht heeft gevraagd voor «de termijnen» en welke gevolgen hebben deze termijnen voor de uitvoering van het verbeterprogramma?

De ondernemingsraad heeft mij specifiek aandacht gevraagd voor de afhandelingstermijnen voor medische rijgeschiktheid. De directie heeft in haar verbeterprogramma toegezegd dat medische rijgeschiktheid uiterlijk eind 2011 binnen de gestelde termijnen zal worden behandeld. Ik zal de directie hieraan houden.

40

Deelt u de mening dat het, gezien het feit dat het CBR al zeven jaar lang gegijzeld wordt door interne schermutselingen tussen directie, raad van toezicht en ondernemingsraad, noodzakelijk is om de waarheid boven tafel te krijgen en waar nodig vervolgstappen te zetten? Zo ja, waarom stelt u dan dat het niet nodig is het verleden nog verder te onderzoeken?

In het onderzoek is uitgebreid aandacht besteed aan het verleden. Daarbij was het doel om uit die ervaringen lering te trekken. Deze lessen uit het verleden zijn ongezouten in het rapport opgenomen en maken duidelijk dat er geen tijd meer te verliezen is door nog langer in het verleden te blijven hangen. Ik roep alle betrokkenen daarom op om met mij de blik op de toekomst te richten en de uitvoering van de zo noodzakelijke verbeteringen voortvarend ter hand te nemen.

41

Is in het toekomstgerichte onderzoek door Twynstra Gudde ook gekeken naar de vraag in hoeverre de Ondernemingsraad schuld heeft aan de misstanden bij het CBR, bijvoorbeeld door de eisen die ze bij de directie heeft neergelegd? Zo nee, is het dan niet wenselijk dit nader te onderzoeken?

Twynstra Gudde constateert onder meer dat de zorgwekkende situatie bij het CBR veroorzaakt wordt door een allesoverheersende strijd tussen raad van toezicht, directie en ondernemingsraad. Ook concludeert Twynstra Gudde dat het nodig is dat alle betrokken partijen over hun schaduw heen stappen en hun blik op de toekomst richten. Met de onderzoekers ben ik van mening dat dat echt noodzakelijk is. Ik verwacht niet dat nader onderzoek tot fundamenteel andere inzichten zal leiden.

42 t/m 44

Welke mogelijke terugvalopties onderzoekt u, voor het geval het CBR in de door u gestelde termijn te weinig progressie boekt?

Is het failliet verklaren van het CBR een mogelijke terugvaloptie? Zo ja, is het in dat geval denkbaar dat een marktpartij het takenpakket van het CBR overneemt?

Wat zouden de financiële consequenties voor het Rijk zijn van een faillissement van het CBR?

De inzet is erop gericht dat het CBR erin slaagt om aan de door mij gestelde eisen te voldoen. De directie en raad van toezicht werken daar samen met de organisatie hard aan. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de continuïteit van de taakuitvoering voer ik de komende maanden een interne inventarisatie uit naar alternatieven voor de huidige taakuitvoering door het CBR, waaronder de optie dat marktpartijen het takenpakket overnemen. Daarbij zal ik ook de financiële consequenties voor het Rijk betrekken. Met het oog op de gewenste zorgvuldigheid kan ik op de uitkomsten niet vooruitlopen.

45

Hoeveel overheidsgeld gaat er momenteel jaarlijks vanuit het Rijk naar het CBR? Is het verlenen van meer overheidsgelden aan het CBR een mogelijke terugvaloptie?

Het ministerie van IenM vergoedt het CBR de kosten die zijn gemoeid met de implementatie van nieuwe wet- en regelgeving, zoals het bromfietspraktijkexamen, het alcoholslotprogramma en begeleid rijden. Het gaat daarbij veelal om ontwikkelkosten die samenhangen met de benodigde aanpassingen van ICT-systemen van het CBR. Tevens ontvangt het CBR een vergoeding voor de kosten die zijn gemoeid met de medische onderzoeken naar de geschiktheid en de onderzoeken naar de rijvaardigheid die naar aanleiding van een mededeling van de politie zijn opgelegd, voor zover in de Regeling Maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid niet is bepaald dat de kosten van deze onderzoeken voor rekening van de betrokkenen komen. Daarnaast worden de kosten voor de onderzoeken alcohol en drugs die wel zijn opgelegd maar niet door betrokkenen worden betaald door het ministerie van IenM aan het CBR vergoed. De hoogte van deze vergoedingen is onder andere afhankelijk van de hoeveelheid te implementeren nieuwe wet- en regelgeving, het aantal mededelingen dat door de politie wordt uitgebracht en het aantal onderzoeken dat door betrokkenen niet wordt betaald. Als gevolg daarvan variëren de vergoedingen van jaar tot jaar. Zo is in 2009 circa € 4 mln. en in 2010 circa € 5 mln. aan het CBR vergoed. Uit het onderzoek is gebleken dat de pensioenkosten van het CBR onbeheersbaar zijn en bij ongewijzigd beleid kunnen verdubbelen. Het verlenen van meer overheidsgelden aan het CBR is voor mij geen terugvaloptie omdat dit geen structurele oplossing biedt voor de problemen van het CBR.

46

Is het aannemelijk dat de verschillen van inzicht tussen de Ondernemingsraad en de directie van het CBR, onder meer op het punt van de beoordeling van de rijgeschiktheid op medische gronden en op verkeersgedrag, zouden kunnen leiden tot het onterecht verstrekken van rijbewijzen? Zo ja, kunt u een indicatie geven van het aantal onterecht verstrekte rijbewijzen?

De directie van het CBR is verantwoordelijk voor het afgeven van verklaringen van rijgeschiktheid binnen de hiervoor geldende wettelijke kaders. Ik acht deze kaders helder en ga er vanuit dat eventuele interpretatieverschillen tussen wie dan ook aan mij worden voorgelegd. Zoals ik bij de beantwoording van vraag 18 heb aangegeven, is incidenteel sprake van fouten in afgegeven rijbewijzen die achteraf op kosten van het CBR worden gecorrigeerd. Het gaat hierbij om enkele tientallen gevallen per jaar (foutmarge < 0,003% van de totaal afgegeven rijbewijzen).

47

Wanneer zijn de pensioenregelingen aangepast aan normale regelingen, zoals een eindloonregeling? Kan dat met terugwerkende kracht tot 1 januari van 2011 geschieden? Zo nee, om welke reden niet?

Ik ga er vanuit dat met een normale regeling een middelloonregeling wordt bedoeld en niet de huidige eindloonregeling. De directie van het CBR wil uiterlijk 31 december 2011 de pensioenregelingen in overleg met de vakbonden aanpassen. De directie van het CBR heb ik aangegeven dat in juni 2011 sprake dient te zijn van een akkoord op hoofdlijnen dat in de daaropvolgende maanden kan worden uitgewerkt.

48

Worden de drie aanbevelingen gericht op het verbeteren van de reserveringssystematiek door het CBR overgenomen? Hoe gebeurt dat? Kunt u dit per aanbeveling nader toelichten?

Ja. Het CBR voert de aanbeveling «blijf de dialoog voeren met alle relevante stakeholders» uit en is continu in gesprek met BOVAG, FAM en VRB over de verdere optimalisatie van de reserveringssystematiek. Ook de aanbeveling «werk aan de verdere professionalisering van de reserveringssystematiek» heeft de volle aandacht. Ten aanzien van de aanbeveling om «CBR-capaciteit te flexibiliseren» geldt dat het CBR onder andere mogelijkheden onderzoekt tot het vormen van een flexibele buffer.

49

Op welke wijze wordt geborgd dat de ICT-systemen in de toekomst naar behoren zullen functioneren?

Het CBR heeft de ICT-functie opnieuw ingericht in een aantal hoofdtaken: continuïteit, projecten en servicemanagement. Daarnaast zullen de work flow systemen Move en Scoop worden vervangen en is het CBR voornemens om een nieuw managementinformatiesysteem in te voeren. Voorts is het informatiemanagement verbeterd en ziet een informatiemanager er op toe dat de systemen optimaal aansluiten bij de informatiebehoefte en processen binnen de divisies van het CBR. Deze maatregelen tezamen moeten borgen dat de ICT-systemen in de toekomst naar behoren zullen functioneren.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Dijksma, S.A.M. (PvdA), Gent, W. van (GL), Snijder-Hazelhoff, J.F. (VVD), voorzitter, Slob, A. (CU), Aptroot, Ch.B. (VVD), Samsom, D.M. (PvdA), Jansen, P.F.C. (SP), Koppejan, A.J. (CDA), Graus, D.J.G. (PVV), Ouwehand, E. (PvdD), Rouwe, S. de (CDA), Bashir, F. (SP), Mos, R. de (PVV), Tongeren, L. van (GL), Monasch, J.S. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Dijkgraaf, E. (SGP), Veldhoven, S. van (D66), Koolmees, W. (D66), ondervoorzitter, Jong, L.W.E. de (PVV), Huizing, M.E. (VVD), Leegte, R.W. (VVD) en Werf, M.C.I. van der (CDA).

Plv. leden: Groot, V.A. (PvdA), Braakhuis, B.A.M. (GL), Houwers, J. (VVD), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Lucas, A.W. (VVD), Smeets, P.E. (PvdA), Gerven, H.P.J. van (SP), Haverkamp, M.C. (CDA), Bontes, L. (PVV), Thieme, M.L. (PvdD), Bochove, B.J. van (CDA), Vacature SP, Agema, M. (PVV), Grashoff, H.J. (GL), Plasterk, R.H.A. (PvdA), Jacobi, L. (PvdA), Staaij, C.G. van der (SGP), Ham, B. van der (D66), Verhoeven, K. (D66), Bemmel, J.J.G. van (PVV), Boer, B.G. de (VVD), Lodders, W.J.H. (VVD) en Koopmans, G.P.J. (CDA).