Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201029385 nr. 60

29 385 Aanleg en de aanpassing van hoofdinfrastructuur

Nr. 60 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN VERKEER EN WATERSTAAT EN VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 mei 2010

Zoals afgesproken in het actieplan Sneller & Beter1 sturen wij u bij deze de tweede voortgangsrapportage van de adviescommissie VVBI toe (zie bijlage)2. Met het actieplan Sneller en Beter voeren wij tevens de motie Van der Ham c.s.3 uit waarin de regering wordt verzocht te komen tot een actieplan Elverding waarbij de aanbevelingen van de commissie Elverding tot beleid worden gemaakt.

De adviescommissie rapporteert over de voortgang van de implementatie van het advies Elverding door de projectdirectie Sneller&Beter.

Hieronder geven wij u een algemeen beeld van de voortgang (1), de door de adviescommissie uitgebrachte adviezen en onze reactie daarop (2) en een vooruitblik op de rol van de adviescommissie in de eerste helft van 2010 (3).

1. Algemeen beeld tweede voortgangsrapportage

In de eerste plaats constateert de commissie dat er goede voortgang wordt geboekt bij de implementatie van de 22 acties uit het Actieplan Sneller en Beter. Veel acties zijn in gang gezet en velen succesvol afgerond. Tegelijkertijd blijft de commissie positief kritisch. Het is nog geen vanzelfsprekende zaak dat projecten conform de Elverding-aanpak worden uitgevoerd.

In de tweede plaats constateert de commissie dat in 2009 er vooral veel aan de noodzakelijke instrumentenontwikkeling is gedaan. De instrumenten raken steeds meer in de organisaties verankerd en bevorderen dusdanig een betere werkwijze. De commissie acht het van belang nu snel door te pakken op deze tendens.

In de derde plaats ziet de commissie een aan de projectdirectie ondersteunende rol voor zichzelf weggelegd als adviseur bij verschillende Sneller en Beter projecten.

Wij onderschrijven dit algemene beeld. Wij beschouwen het als een extra stimulans om te blijven werken aan de vervolmaking en toepassing van de instrumenten en tegelijkertijd aan de bestuurlijke en ambtelijke werkwijze. Besluitvorming gaat uiteindelijk sneller door, vooral in de verkenningsfase, het proces beter in te richten. Na de voorkeursbeslissing pakken we door en pakken we de winst.

2. Adviezen van de adviescommissie

De adviescommissie heeft in de tweede helft van 2009 over verschillende onderwerpen aan de projectdirectie Sneller&Beter geadviseerd. Deze vindt u hieronder inclusief onze reactie hierop.

  • In relatie tot de opleveringstoets heeft de commissie benadrukt vooral in de verkenningsfase globaler te rekenen.

Om tijdwinst te halen, met behoud van zorgvuldige besluitvorming, adviseerde de cie Elverding in de verkenningsfase globaler te rekenen voor met name lucht, natuur, geluid en verkeer. Om na oplevering te garanderen dat voldaan zal worden aan de wettelijk gestelde normen, is hiervoor de opleveringstoets geïntroduceerd. Wij ondersteunden het advies van de commissie Elverding en ondersteunen nu ook de nadruk die de adviescommissie legt op deze systematiek. Bij de behandeling met uw Kamer van het voorstel tot wijziging van de Tracéwet zullen wij hierop terugkomen.

  • De commissie adviseert de planm.e.r. daar waar nuttig en nodig te gebruiken in de verkenningsfase.

Vooruitlopend op de beoogde wijziging van de Tracéwet heeft de commissie geadviseerd hoe in de huidige situatie de plan.me.r. het best toegepast kan worden. Wij vinden het advies van de commissie zeer op zijn plaats omdat per geval bekeken wordt of de planm.e.r. toegevoegde waarde heeft zonder dat er stappen terug worden gezet in het proces. Deze benadering wordt succesvol toegepast bij de verkenning Haaglanden en Rotterdam Vooruit. De planm.e.r. zien wij met de commissie dan ook als een structurerend instrument en samen met de structuurvisie drager van de verkenningsfase.

  • In het advies over de Tracéwet is de nadruk gelegd op de integrale en gebiedsgerichte benadering waarbij de aandacht gericht moet zijn op samenwerken en participatie.

Wij hebben de Tracéwet conform de adviezen van Elverding gewijzigd. Ook het advies van de commissie om bij de gebiedsgerichte benadering van besluitvorming de aandacht te richten op samenwerking tussen betrokkenen alsook op participatie, is nadrukkelijk met de wijzigingen meegenomen. Tijdens de ministerraad van 16 april 2010 heeft het demissionaire Kabinet ingestemd met toezending van de gewijzigde Tracéwet aan uw Kamer.

  • Bij het advies over de ambtelijke werkwijze is het uitgangspunt de samenwerking tussen de verschillende departementen in projecten geweest.

Het advies over de ambtelijke werkwijze hangt samen met de integrale, gebiedsgerichte benadering van de besluitvorming. Door deze benadering wordt de noodzaak tot samenwerken benadrukt en onderstreept. Wij kunnen u dan ook melden dat wij het advies van de commissie zeer ondersteunen en daar ook praktisch uitvoering aan geven. De samenwerking van ondergetekende bewindslieden in de uitvoering van het advies van Elverding is een voorbeeld van bestuurlijke samenwerking tussen de departementen. Een voorbeeld van ambtelijke samenwerking is de interdepartementale sturing op het MIRT-programma en de zogenoemde gebiedsagenda’s op het niveau van Directeur-generaal.

3. Vooruitblik rol adviescommissie 2010

De commissie zal zich in 2010 richten op een aantal specifieke onderwerpen zoals het beter uitleggen van de essentie van de beoogde Elverding werkwijze.

Daarnaast zal de commissie onder andere advies geven over;

  • Het door de projectdirectie op te stellen «helder budgettair kader».

  • Het aan te passen MIRT-spelregelkader, en indien nodig;

  • Zinvolle effect bepaling.

Ten slotte zal de commissie zich een actieve rol aanmeten als adviseur in de Sneller en Beter-projecten.

Wij ondersteunen de wijze waarop de commissie haar taak voor de eerste helft van 2010 wil invullen.

Hopend u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De minister van Verkeer en Waterstaat,

C. M. P. S. Eurlings

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. C. Huizinga-Heringa


XNoot
1

TK 29 385, nr 41.

XNoot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

XNoot
3

TK 32 127, nr. 89.