Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201229344 nr. 85

29 344 Terugkeerbeleid

Nr. 85 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 december 2011

Op 18 januari 2011 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat de overheid als gevolg van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 januari 2011 het onderdak van gezinnen met minderjarige kinderen niet meer kan beëindigen zolang het vertrek uit Nederland nog niet heeft plaatsgevonden (TK, 2010–2011, 29 344, nr. 79). In die brief heb ik mijn keuze toegelicht om gezinnen met minderjarige kinderen in de toekomst te plaatsen in op het vertrek gerichte locaties van het COA met een sober voorzieningenniveau, de zogenaamde gezinslocaties.

Tijdens een algemeen overleg met uw Kamer van 11 oktober jl. (kamerstuk 19 637, nr. 1474) heb ik toegezegd uw Kamer nog nader te informeren over de gezinslocaties. Met deze brief voer ik deze toezegging uit en zal ik in het bijzonder ingaan op de doelgroep van gezinslocaties, de criteria voor plaatsing in een gezinslocatie, het voorzieningenniveau en de inrichting van gezinslocaties. Daarnaast kom ik met deze brief ook tegemoet aan het verzoek van de commissie voor Immigratie en Asiel om te reageren op de brief van Vluchtelingenwerk van 20 december jl. met betrekking tot de situatie in de gezinslocaties.

Gezinnen met minderjarige kinderen

Als tijdens de asielprocedure op zorgvuldige wijze is geoordeeld dat een gezin met minderjarige kinderen niet in aanmerking komt voor bescherming in Nederland, is het aan dit gezin om binnen de wettelijke vertrektermijn van 28 dagen na de afwijzing van de asielaanvraag terug te keren naar het land van herkomst.

Indien het gezin binnen deze termijn niet uit Nederland is vertrokken, zal het worden overgeplaatst naar een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) voor zover naar de inschatting van de DT&V het vertrek binnen 12 weken kan worden gerealiseerd. Voor de overige gezinnen, of na het verstrijken van een verblijf van 12 weken in een VBL, is plaatsing in een gezinslocatie aan de orde. Zowel gezinnen met minderjarige kinderen die niet meer rechtmatig in Nederland verblijven als gezinnen met minderjarige kinderen die rechtmatig in Nederland verblijven op basis van een reguliere aanvraag en waaraan geen recht op asielopvang is verbonden, komen in aanmerking voor onderdak in een gezinslocatie voor zover zij nog in asielzoekerscentrum verblijven.

Daarbij geldt nog steeds het uitgangspunt dat de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid heeft om te voldoen aan zijn vertrekplicht die start op het moment dat de asielaanvraag wordt afgewezen. Door het zo snel mogelijk organiseren van het vertrek uit Nederland kunnen deze gezinnen hun lot in eigen hand nemen en voorkomen dat zij zelf, en met name de kinderen, in een situatie terechtkomen van langdurig verblijf in een VBL of gezinslocatie terwijl door de Nederlandse overheid een duidelijk signaal is gegeven dat in Nederland voor hen geen toekomstperspectief bestaat. De ouders hebben hierin een eigen verantwoordelijkheid richting en in het belang van hun kinderen.

Juridisch kader

Aan het gezin wordt bij plaatsing in de gezinslocatie of een VBL een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd op basis van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Als belangrijke voorwaarde geldt dat de openbare orde de toepassing van deze maatregel moet vorderen. Hierbij spelen de volgende overwegingen een rol: geen geldig identiteitsdocument, geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland (meer), onvoldoende middelen van bestaan en/of niet voldaan hebben aan de verplichting om uit eigen beweging Nederland te verlaten.

Het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel betekent voor de gezinnen dat hun bewegingsvrijheid wordt beperkt tot de grenzen van de gemeente waar de gezinslocatie is gevestigd. Voor schoolgaande minderjarige kinderen, wordt in een ontheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel voorzien indien dit nodig is om onderwijs te volgen, bijvoorbeeld omdat de school buiten de gemeentegrenzen ligt.

Met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel door de DT&V krijgen de gezinnen in de gezinslocaties tevens een wekelijkse meldplicht bij de Vreemdelingenpolitie (op grond van artikel 54 Vw 2000) en een dagelijkse inhuisregistratie bij het COA opgelegd.

De meldplicht kan worden opgelegd aan vreemdelingen ouder dan 12 jaar, maar voor vreemdelingen tussen 12 en 18 jaar is in beginsel in een ontheffing voorzien in het kader van de leerplicht en het belang van de schoolgang.

De inhuisregistratie door het COA heeft tot doel vast te stellen of bewoners aanwezig zijn. De verplichting om zich te melden vindt plaats op het middaguur. Jongeren die onder de leerplicht vallen, hebben een ontheffing gekregen. In voorkomende gevallen kan ook volwassenen een ontheffing worden gegeven, bijvoorbeeld bij een bezoek aan een arts of aan de rechtbank.

Bovenstaande maatregelen bevorderen dat gezinnen met minderjarige kinderen beschikbaar zijn ten behoeve van het terugkeerproces zodat intensief aan de terugkeer kan worden gewerkt. De aanwezigheid van de gezinnen op de gezinslocaties is immers niet alleen van belang om formele contactmomenten te kunnen organiseren in de vorm van vertrekgesprekken maar ook om op informele wijze contact te kunnen houden met de vreemdeling.

Voorzieningenniveau

Ik heb het COA opdracht gegeven om de gezinslocaties in te richten met inachtneming van de overwegingen in voornoemde uitspraak van het Hof. Dat betekent dat voor kinderen het voorzieningenniveau hetzelfde is als in een AZC.

Voor ouders geldt een regime dat primair gericht is op vertrek. Het karakter van de gezinslocaties is gerelateerd aan de doelgroep van de gezinslocaties, namelijk vreemdelingen die niet in aanmerking komen voor bescherming in Nederland en als voormalige asielzoekers niet meer onder het toepassingsgebied van de Opvangrichtlijn vallen.

De afgelopen periode is er enkele malen negatief bericht over het niveau van de voorzieningen en omstandigheden in de gezinslocatie. Mede naar aanleiding van deze signalen heb ik recent de gezinslocatie in Katwijk bezocht. Voorts heb ik mij door Vluchtelingenwerk, Defence for Children en Unicef laten informeren over hun bevindingen naar aanleiding van het onderzoek dat deze organisaties hebben gedaan naar de omstandigheden op gezinslocatie. De voornaamste punten waarvoor deze organisaties aandacht vragen betreffen de dagelijkse inhuisregistratie, de toegankelijkheid tot de (medische) zorg en de continuïteit van medische zorg bij overplaatsingen, de toegang tot het onderwijs voor de kinderen in de gezinslocatie en de vergoedingen voor reiskosten van de gezinnen.

Medische zorg

Voor kinderen verschilt de medische zorg in een gezinslocatie niet van de medische zorg in een regulier asielzoekerscentrum. Volwassenen in de gezinslocatie hebben, in overeenstemming met het koppelingsbeginsel in artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000, recht op medisch noodzakelijke zorg. Dit is de zorg die de medisch professional noodzakelijk acht en sluit dus niet bepaalde vormen van zorg op voorhand uit of in. Het betreft nagenoeg alle zorgvormen die zijn opgenomen in het Nederlandse wettelijke verzekeringspakket onder de voorwaarde dat de vraag of de zorg nu en hier moet worden verleend, positief wordt beantwoord door de behandelend arts.

De toegang tot de medische zorg is vanaf de start van de gezinslocatie in overeenstemming met het bestaande zorgmodel voor een regulier asielzoekerscentrum geborgd. Dit betekent dat asielzoekers voor de toegang tot de zorg gebruik kunnen maken van het inloopspreekuur bij een huisarts of praktijkondersteuner op de gezinslocatie, zelfstandig een afspraak kunnen maken met de huisarts van het centrum of via de praktijklijn van het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GC A) (7 dagen in de week, 24 uur per dag) een afspraak kunnen maken. Via het Tolk- en Vertaalcentrum Nederland (TVcN) kunnen professionele tolken worden ingeschakeld.

Naar aanleiding van negatieve signalen over de overdracht van de medische dossiers is het COA in gesprek gegaan met het GC A en zijn er afspraken gemaakt over de medische aspecten bij verhuizingen in een situatie waarin een opvanglocatie in korte tijd van bewoners wisselt en een andere status krijgt. Daarnaast heb ik expliciet de opdracht gegeven dat in alle gevallen een overplaatsing pas zal plaatsvinden nadat het continueren van de medische behandeling op de nieuwe locatie is gewaarborgd.

Onderwijs

Minderjarige kinderen hebben recht op onderwijs. Ik heb signalen ontvangen dat sommige kinderen moeten wachten alvorens ze naar een onderwijsinstelling in de buurt van een gezinslocatie kunnen. Ik vind dit een onwenselijke situatie. Om te voorkomen dat kinderen na hun overplaatsing lang moeten wachten tot ze op een school terecht kunnen op of in de buurt van de gezinslocatie, wordt als uitgangspunt gehanteerd dat overplaatsingen pas plaatsvinden indien is geborgd dat kinderen binnen twee weken na hun overplaatsing naar de gezinslocatie toegang tot een school hebben.

Inhuisregistratie

Uit mijn gesprekken met enkele gezinnen in de gezinslocatie Katwijk en de bevindingen van Vluchtelingenwerk, Unicef en Defence for Children leid ik af dat de dagelijkse inhuisregistratie door veel bewoners van de gezinslocaties als een aanzienlijke psychologische belasting wordt ervaren. Met name dat deze gezinnen zich ook moeten melden in het weekend wordt als belastend ervaren. Ik heb hier begrip voor. Daarom heb ik met het COA afgesproken dat de inhuisregistratie niet meer plaatsvindt op zon- en feestdagen.

Leefgeld

Er bestaat geen juridische verplichting tot het geven van leefgeld omdat de doelgroep niet valt onder de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005). Niettemin krijgen deze gezinnen een financiële bijdrage voor eten gerelateerd aan de grootte van het gezin en de omstandigheid of er een centrale keuken aanwezig is. Daarnaast krijgen de gezinnen ook nog een financiële bijdrage ten behoeve van de kinderen.

Vergoeding reiskosten

Een punt van kritiek isdat er geen vervoersbewijzen worden verstrekt voor een afspraak met de advocaat of een zitting bij de Rechtbank. Omdat de mensen in de gezinslocaties nog op regelmatige basis procedures hebben lopen (bijvoorbeeld op medische gronden), is deze maatregel volgens onder meer Vluchtelingenwerk problematisch.

Het COA verstrekt deze vervoersbewijzen aan asielzoekers op basis van de Rva 2005. Hierin is vastgesteld dat de bewoners van een AZC aanspraak kunnen maken op de vergoeding van zogenaamde buitengewone kosten door het COA. De Rva 2005 voorziet uitsluitend in het vergoeden van reiskosten om medische redenen of redenen die gerelateerd zijn aan de asielprocedure, niet aan andere procedures zoals bijvoorbeeld reguliere procedures. Bewoners van gezinslocaties hebben in beginsel geen asielprocedure meer lopen die recht geeft op opvang en vallen niet onder de Rva 2005. Niettemin worden reiskosten voor medische redenen en onderwijs wel door het COA vergoed.

Inrichting

Tot slot merk ik op dat het interieur van de voormalige asielzoekerscentra bij de omvorming naar een gezinslocatie niet is gewijzigd. Het interieur is net als in een asielzoekerscentrum een standaardinrichting, die is vastgesteld rekening houdend met overwegingen van hygiëne en brandveiligheid. Daarnaast zijn op de gezinslocaties voor kinderen dezelfde voorzieningen aanwezig als op AZC’s. Het gaat hierbij om een kinderspeelplaats, een open leercentrum, een huiswerkruimte en er worden activiteiten voor kinderen georganiseerd door de stichting «De Vrolijkheid».In het kader van het project «Kind in de Opvang» komen er op de locatie Katwijk bovendien extra en nieuwere speelvoorzieningen. In Gilze en Rijen zijn al extra en nieuwere speelvoorzieningen aangebracht.

Duur verblijf

De vrijheidsbeperkende maatregel op basis van artikel 56 Vw 2000 en het daaraan verbonden onderdak wordt in beginsel pas beëindigd op het moment dat er sprake is van vertrek uit Nederland of als het jongste kind van het gezin de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Uitgangspunt blijft de zelfstandige terugkeer. Gezinnen met minderjarige kinderen hebben dus zelf invloed op de noodzaak van plaatsing in een gezinslocatie en indien overplaatsing toch aan de orde is, op de duur van hun verblijf in een gezinslocatie.

In de gezinslocatie worden gezinnen intensief begeleid bij het realiseren van hun vertrek. De DT&V zet stevig in op casemanagement en maatwerk ten behoeve van de realisatie van zelfstandig vertrek. Daartoe zullen in het voorjaar van 2012 extra regievoerders in de gezinslocaties beschikbaar zijn. Aanvullend aan de uitvoering van het vertrektraject zullen voorlichtingsbijeenkomsten worden georganiseerd over terugkeer en terugkeerprojecten en worden vreemdelingen geïnformeerd over de actuele stand van zaken en mogelijkheden in het land van herkomst.

Om de zelfstandige terugkeer van gezinnen met minderjarige kinderen te bevorderen is samen met de IOM, de DT&V en het ministerie van Buitenlandse Zaken een project ontwikkeld. Over dit project heb ik u geïnformeerd in mijn brief van 1 juli 2011 aan uw Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 19 637, nr. 1436). IOM houdt spreekuren op de gezinslocaties.

Zelfstandig vertrek is echter geen vrijblijvende optie. Grijpt de vreemdeling deze kans niet, dan wordt gedwongen vertrek ter hand genomen. In geval een gedwongen vertrek uit Nederland wordt voorbereid, bestaat de mogelijkheid om over te gaan tot inbewaringstelling conform de uitgangspunten van mijn beleid ten aanzien van het in bewaring stellen van gezinnen.

Verder wordt ingezet op een goede ketensamenwerking opdat nieuwe toelatingsprocedures die worden opgestart in de gezinslocaties, voortvarend worden afgehandeld.

Bezetting

Op 19 september 2011 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3478) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop de overplaatsingen hebben plaatsgevonden. In de zomer van 2011 (juli/augustus) zijn de eerste overplaatsingen naar de twee gezinslocaties (Gilze en Rijen en Katwijk) gestart. De overplaatsingen betroffen met name gezinnen met minderjarige kinderen die al langer dan 12 weken verbleven in de VBL Vlagtwedde. Pas in september 2011 is de overige instroom van deze groep vanuit de AZC’s op gang gekomen.

Door het bereiken van de maximale bezetting op de huidige gezinslocaties is rechtstreekse plaatsing op de gezinslocatie op dit moment maar zeer beperkt mogelijk. Het COA onderzoekt samen met enkele gemeenten de mogelijkheden voor het inrichten van extra gezinslocaties.

Op dit moment verblijven er ongeveer 275 gezinnen met minderjarige kinderen in deze gezinslocaties.

Andere EU-lidstaten

Bij verschillende Europese landen is nagevraagd of er opvang is geregeld voor gezinnen met minderjarige kinderen van wie het asielverzoek definitief is afgewezen, maar die weigeren het vertrek (tijdig) te realiseren. Hieruit komt het beeld naar voren dat ook in veel andere Europese landen voor deze gezinnen een vorm van onderdak beschikbaar blijft. De wijze waarop onderdak wordt geboden verschilt per land.

Een aantal landen, waaronder de Scandinavische landen, beëindigt de opvang van afgewezen asielzoekers in beginsel niet totdat het vertrek is gerealiseerd, dan wel een vergunning is verleend. Frankrijk en Zwitserland zijn voorbeelden van landen die de opvang wel beëindigen na een definitieve afwijzing van het asielverzoek, maar ook een vangnet bieden in de vorm van daklozenopvang of noodhulp, die in beginsel voor iedereen open staat, ongeacht de verblijfsstatus. Bij het vaststellen van het voorzieningenniveau in de gezinslocaties is met name gekeken naar Noorwegen. In Noorwegen hebben deze gezinnen ook recht op medisch noodzakelijke zorg («emergency medical care») voor volwassenen en krijgen volwassenen een financiële bijdrage voor eten en ten behoeve van de kinderen.

Toekomst

Ik acht het van groot belang om te voorkomen dat er situaties ontstaan waarin gezinnen met minderjarige kinderen langdurig in Nederland en de gezinslocaties verblijven zonder dat er sprake is van een perspectief op verblijf. In het kader van het terugkeerbeleid wordt prioriteit gegeven aan de terugkeer van gezinnen met minderjarige kinderen. Daarnaast werk ik aan maatregelen waarmee we vreemdelingen sneller duidelijkheid geven omtrent hun perspectief op verblijf in Nederland. Hiermee willen we onnodig lang verblijf zonder perspectief tegengaan, zo ook het verblijf in de gezinslocaties. In mijn brief van 22 februari 2011 heb ik de maatregelen uiteengezet om dit te bereiken (kamerstuk 19 637, nr. 1400).

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

G. B. M. Leers