Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 augustus 2026
Op verzoek van de vaste Kamercommissie voor Economische Zaken geef ik hierbij een
reactie op de Totale investeringen in wetenschap en innovatie 2024–2030 (TWIN-)rapportage
van het Rathenau Instituut, die in april van dit jaar is gepubliceerd.
De jaarlijkse TWIN-rapportage bevat een overzicht en analyse van de rijksmiddelen
voor R&D en innovatie, op basis van de meest recente rijksbegroting en vier jaar vooruitkijkend.
Dit betekent dat in de TWIN-rapportage van dit jaar de financiële tabel van het coalitieakkoord
nog niet verwerkt is. De TWIN-rapportage is een belangrijke publicatie in het kader
van de 3%-doelstelling voor R&D-uitgaven. Na de zomer volgt een voortgangsbrief over
het 3%-actieplan dat vorig jaar met uw Kamer gedeeld is. We onderzoeken of we hierin
een update van de rijksuitgaven aan R&D kunnen geven, waarin de financiële tabel van
het coalitieakkoord is meegenomen.
De TWIN-rapportage schetst dat exclusief de extra middelen van het coalitieakkoord
de publieke R&D-uitgaven in Nederland de komende jaren (zonder interventie) niet groeien
en daarmee, naar verwachting, ook onze R&D-intensiteit niet. Op basis van de begroting
van afgelopen jaar raamt Rathenau Instituut een daling van het publieke aandeel van
de R&D-intensiteit van 0,80% in 2024 naar 0,67% in 2030. Voor 2026 berekent Rathenau
dat een additionele € 1,2 miljard aan rijksuitgaven nodig zou zijn om de 3% te halen.
De uitdaging om de 3% te halen is extra groot omdat het bbp harder groeit dan de R&D-uitgaven.
Rijksuitgaven aan innovatie (niet zijnde R&D) stijgen eerst nog, maar dalen naar verwachting
ook na 2027, met name door het aflopen van incidentele uitgaven zoals uit het Nationaal
Groeifonds.
Een R&D-intensieve economie blijft een belangrijke randvoorwaarde voor productiviteitsgroei
en daarmee voor ons toekomstig verdienvermogen en onze brede welvaart. Het kabinet
handhaaft dan ook de 3%-doelstelling als stip op de horizon en het coalitieakkoord
bevestigt verschillende beleidsopties uit het 3%-actieplan. Doorlopende inzet is nodig
om toe te werken naar de 3% R&D-uitgaven van het bruto binnenlands product. Dit betekent
publieke investeringen, maar ook vooral het scheppen van de juiste randvoorwaarden
voor private investeringen door het bieden van een sterk vestigingsklimaat en de infrastructuur
voor R&D-intensieve bedrijven om op te schalen en uit te breiden in Nederland.
Het coalitieakkoord kondigt verschillende beleidsopties uit het 3%-actieplan aan,
zoals het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), de Nationale Investeringsinstelling
en EU-cofinanciering voor deelname aan EU-innovatieprogramma’s. Ook investeert het
kabinet in publieke R&D door te investeren in onderzoek en wetenschap, oplopend tot
428 miljoen euro structureel.1 Verder valt een meerderheid van de beleidsopties uit het 3%-actieplan nu binnen de
scope van de ministeriele taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Over
de verdere verkenning en uitwerking van deze beleidsopties wordt u in de 3%-voortgangsbrief
na de zomer nader geïnformeerd, ofwel eerder in een aparte brief.
Tot slot stelt het coalitieakkoord dat indien in het financiënbeeld per saldo meevallers
structureel van aard zijn en het EMU-saldo zich meerjarig onder het geadviseerde tekort
van de Studiegroep Begrotingsruime bevindt (– 2,0 procent bbp), deze per saldo meevallers
voor 1/3e ingezet worden voor investeringen die het verdienvermogen van Nederland verder versterken,
zolang de Europese grenswaarde voor de staatsschuld daarbij niet wordt overschreden
(de meevaller-formule).
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
H.G. Herbert
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert