Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201829338 nr. 157

29 338 Wetenschapsbudget

Nr. 157 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 november 2017

Met deze brief ontvangt de Kamer een eerste perspectief op de opgaven uit het regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) op het gebied van onderzoek. U ontvangt deze brief voor de behandeling van de OCW-begroting. In het voorjaar volgt een uitwerking van de concrete investeringen die wij voorzien. Daarvoor zal ik nauw samenwerken met andere departementen, zoals EZK, LNV, IenW, Defensie en VWS en met de kenniscoalitie.

In het regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» is een stapsgewijze verhoging van het budget voor fundamenteel onderzoek voorzien oplopend tot € 200 miljoen vanaf 2020. Uit het budget voor toegepast onderzoek en innovatie loopt oplopend tot € 50 miljoen via de OCW-begroting, evenals de incidentele middelen voor onderzoeksinfrastructuur (€ 50 miljoen in 2018 en 2019). De betreffende budgetten staan op de aanvullende post bij Financiën en over de doelmatige en doeltreffende inzet ervan ga ik op grond van de bestedingsplannen die ik ga opstellen in gesprek met de Minister van Financiën.

Het regeerakkoord bevat een aantal opgaven voor het wetenschappelijk onderzoek. NWO geeft prioriteit aan fundamenteel onderzoek in het kader van de Nationale wetenschapsagenda (bijlage bij Kamerstuk 29 338, nr. 149) en de Topsectoren, met de nieuwe focus. Er moet voldoende ruimte zijn en blijven voor vrij onderzoek. Er is speciale aandacht voor technische wetenschap en onderzoeksgroepen die te maken hebben met hoge kosten. «Open science» en «open access» worden de norm in wetenschappelijk onderzoek.

Gezien het bovenstaande en de ambities in het regeerakkoord, het pleidooi van de kenniscoalitie en de verkenning van het vorige kabinet over prioriteiten bij investeringen in wetenschap en innovatie (Kamerstukken 33 009 en 31 288, nr. 37), zie ik voor de komende jaren onder meer prioriteiten liggen bij:

  • 1. De brede Nationale wetenschapsagenda met aandacht voor de gehele publieke kennisketen van hogescholen, universiteiten, universitaire medische centra tot TO2-instellingen en Rijkskennisinstellingen.

  • 2. Een inzet voor het versterken van de basis via bijvoorbeeld:

    • a. de digitale onderzoeksinfrastructuur,

    • b. wetenschappelijk talent,

    • c. bèta- en technisch onderzoek bij universiteiten,

    • d. praktijkgericht onderzoek bij hogescholen,

    • e. wetenschappelijke onderzoeksfaciliteiten.

De volgende overwegingen liggen ten grondslag aan deze prioriteiten en tevens zie ik daarbij de volgende uitdagingen op ons afkomen.

De kern van de Nationale wetenschapsagenda (bijlage bij Kamerstuk 29 338, nr. 149) is de breedte, de interdisciplinaire aanpak en de inzet van de hele publieke kennisketen. Zo levert de Nationale wetenschapsagenda een belangrijke bijdrage aan wetenschappelijke en maatschappelijke doorbraken en daarmee aan de departementale kennisagenda’s. Via de 25 inmiddels uitgedachte routes van de Nationale wetenschapsagenda kan kennis ontwikkeld worden voor wetenschappelijke doorbraken en voor maatschappelijke opgaven, zoals klimaat, cybersecurity, duurzaam voedsel, gezondheid en kansenongelijkheid. We maken gebruik van de lessen uit de startimpuls, inclusief de interdepartementale samenwerking.

Er liggen forse uitdagingen bij de sector bèta- en techniek. Daarom willen we meer aandacht geven aan het bèta- en technisch onderzoek. We zullen hierbij de goede ervaringen uit de sectorplannen van de afgelopen jaren benutten.

In de Vernieuwingsimpuls zijn de honoreringspercentages zo laag geworden dat een deel van de excellente onderzoeksvoorstellen niet meer gefinancierd kan worden. Een eerste stap is dat NWO recent met de universiteiten maatregelen heeft genomen om de aanvraagdruk te verminderen en talent meer kansen te bieden op passende carrièreperspectieven en ontwikkeling.

Het praktijkgericht onderzoek aan hogescholen heeft de laatste jaren steeds meer aan belang gewonnen, onder meer voor het midden- en kleinbedrijf en als essentiële schakel tussen het onderwijs en de beroepspraktijk. Er wordt meer gestructureerd praktijkgericht onderzoek uitgevoerd en het aantal lectoren en docent-onderzoekers groeit gestaag.

Er is een groeiende behoefte aan digitale onderzoeksinfrastructuur vanwege de enorme hoeveelheden data die verwerkt moeten worden voor het doen van onderzoek en voor het ontsluiten en bruikbaar maken van data voor toepassingen in de samenleving inclusief het bedrijfsleven. Toegang tot data en het ontsluiten daarvan zijn onderdelen van «open science» en «open access».

Tot slot is er voor wetenschappelijk onderzoek een groeiende behoefte aan «state of the art» onderzoeksfaciliteiten. Deze faciliteiten zijn van belang voor de publieke kennisketen en hebben een grote aantrekking op internationaal talent. Tegelijk hebben we signalen dat de middelen voor grote infrastructuur bij NWO ruimschoots overtekend zijn.

Bovenstaande geeft aan wat mijn prioriteiten zijn en welke uitdagingen en ambities ik daarbij heb. In het voorjaar kom ik ten aanzien van deze punten met concrete plannen die de basis vormen voor gerichte investeringen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven