Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201929282 nr. 314

29 282 Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector

Nr. 314 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR MEDISCHE ZORG

Ter griffie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 21 september 2018.

De wens om over de voorgenomen voordracht voor de vast te stellen ministeriële regeling nadere inlichtingen te ontvangen kan door of namens de Kamer of door ten minste dertig leden van de Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 21 oktober 2018.

De voordracht voor de vast te stellen ministeriële regeling kan niet eerder worden gedaan dan op 22 oktober 2018 dan wel binnen veertien dagen na het verstrekken van de in de vorige volzin bedoelde inlichtingen.

Bij de termijnen is rekening gehouden met de recesperiode van de Tweede Kamer.

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 september 2018

Van 2014 tot en met dit jaar heb ik op grond van de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Personeel Ziekenhuiszorg (hierna: KiPZ), subsidie verstrekt voor op- bij- en nascholing van personeel in de ziekenhuiszorg. Met de bijgevoegde regeling (bijlage 11) ben ik voornemens de subsidiëring van deze activiteiten voort te zetten, met aanscherping in de verantwoording over het gebruik ervan.

Hierbij leg ik u de concept regeling voor. De voorlegging geschiedt in het kader van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure (artikel 4.10, zesde lid, van de Comptabiliteitswet 2016) en biedt uw Kamer de mogelijkheid zich hierover uit te spreken voordat ik de regeling zal ondertekenen en ter publicatie aan de Staatscourant zend.

Op grond van de aangehaalde bepaling onderteken ik de concept regeling niet eerder dan 30 dagen nadat deze aan uw Kamer is voorgelegd. Ik streef naar inwerkingtreding van de beoogde nieuwe regeling met ingang van 15 november 2018.

Aanleiding

De zorgvraag verandert als gevolg van ontwikkelingen zoals vergrijzing en patiënten met meerdere (chronische) aandoeningen. Tegelijk hebben we meer mogelijkheden om te behandelen, al dan niet door nieuwe technische toepassingen. Dit vraagt van zorgprofessionals in de ziekenhuiszorg om zich voortdurend te blijven ontwikkelen.

In het Zorgakkoord 2013 voor de medisch specialistische zorg hebben partijen daarom afgesproken om een deel van de beschikbare middelen te investeren in de opleiding (op-, bij- en nascholing) van ziekenhuispersoneel.

De subsidieregeling die uit deze afspraak volgde, loopt na dit jaar af. De opgave is echter onverminderd groot. De noodzaak om te blijven investeren in de ontwikkeling van professionals, via op-, bij- en nascholing is sinds 2013 nog steeds van groot belang.

Daarom hebben we met het Hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische Zorg 2019–2022 (bijlage bij Kamerstuk 29 248, nr. 311) de afspraak gemaakt om de KIPZ-middelen opnieuw beschikbaar te stellen voor de ontwikkeling van personeel. Vanwege omvang van de personeelsopgave is de voortzetting van KiPZ een belangrijke pijler van het Hoofdlijnenenakkoord als geheel.

Evaluatie

In het Zorgakkoord 2013 is afgesproken om de incidentele loontwikkeling (ilo) op nul te houden. Over de middelen die daarmee beschikbaar kwamen, werd afgesproken deze te besteden aan opleiden. Deze middelen gingen niet langer via het macrokader naar ziekenhuisinstellingen, maar via een subsidieregeling. Omdat de bestemming (de ziekenhuisinstellingen) niet veranderde is destijds gekozen voor een subsidieregeling met een licht verantwoordingsregime. Ook de vorm van een subsidieregeling gaf duidelijk richting aan de bestemming van de middelen (opleiden). Instellingen konden op basis van een strategisch opleidingsplan een aanvraag doen. Het Ministerie van VWS verdeelde vervolgens de middelen naar rato van de omzet in het kader van de Zorgverzekeringswet. Instellingen hoefden achteraf geen verantwoording in te dienen over de besteding.

Om zekerheid te bieden over de besteding van de middelen is als aanvullende voorwaarde gesteld dat het strategisch opleidingsplan was afgestemd met een ondernemingsraad.

Op 24 mei 2017 heeft het Ministerie van VWS de resultaten van de beleidsevaluatie van het gehele opleidingsinstrumentarium van VWS naar uw Kamer gezonden2. Specifiek voor de KiPZ was de conclusie dat de regeling ervoor gezorgd heeft dat voor een grotere groep medewerkers opleidingen en trainingen beschikbaar zijn gekomen. De regeling heeft daarnaast bijgedragen aan de vorming van strategisch personeelsbeleid. Vanwege het lichte verantwoordingsregime concludeerden de onderzoekers echter onvoldoende kwantiatieve informatie te hebben voor gegronde uitspraken te doen over de mate van doeltreffendheid van de regeling.

De Algemene Rekenkamer (ARK) deelt deze observatie. De Algemene Rekenkamer (ARK) constateerde in de verantwoordingsonderzoeken van 20163 en 20174 over de huidige regeling een ernstige onvolkomenheid ten aanzien van de rechtmatigheid. De kritiek ziet toe op het lichte verantwoordingsregime. Hiermee is het niet mogelijk om met zekerheid vast te stellen hoe de middelen zijn besteed. Daarnaast is de ARK kritisch over de toepassing van staatssteunregels.

Nieuwe regeling

Ik neem de kritiek van de ARK op beide punten serieus. Daarom kies ik voor deze regeling voor een zwaarder handhavingsregime. Hiervoor sluit ik grotendeels aan op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Dit brengt een aantal wijzigingen met zich mee ten opzichte van de aflopende regeling. De belangrijkste is dat een aanvraag wordt gedaan op basis van een financieel onderbouwd jaarplan. Dit in aanvulling op een strategisch opleidingsplan. Ook wordt de subsidie achteraf vastgesteld. In de huidige regeling is dat vooraf.

Instellingen verantwoorden op basis van een activiteitenverslag, goedgekeurd door een werknemersvertegenwoordiging en een financieel verslag met een accountantsverklaring.

Ook is er getoetst of de regeling voldoet aan de vereisten van staatssteun. Op basis van jurisprudentie is niet eenduidig vast te stellen of er sprake is van staatssteun. Om hierover meer duidelijkheid te krijgen, ga ik deze vraag voorleggen aan de Europese Commissie.

De KiPZ is één van de instrumenten onder een belangrijke pijler van het Hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische Zorg 2019–2022 (bijlage bij Kamerstuk 29 248, nr. 311), te weten de aanpak van de arbeidsmarktproblematiek. Vanwege de personeelsopgave, ook voor ziekenhuizen, kunnen we het ons niet veroorloven om een regeling die extra investeringen in de ontwikkeling van personeel stimuleert, in afwachting van de reactie van de Europese Commissie stop te zetten.

Ik stel daarom nu een nieuwe regeling voor van één jaar in afwachting van de reactie van de Europese Commissie. Ik wil daarbij benadrukken dat de middelen voor op-, bij- en nascholing voor personeel, zoals afgesproken met het Hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische Zorg 2019–2022 (bijlage bij Kamerstuk 29 248, nr. 311), beschikbaar zijn tot en met 2022. De vormgeving van het vervolg op deze concept regeling is afhankelijk van het antwoord van de Commissie.

Ik hoop u zo voldoende te hebben geïnformeerd over de beoogde voortzetting van de subsidieregeling van opleidingsactiviteiten voor personeel in de ziekenhuiszorg.

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Kamerstuk 32 772, nr. 26.

X Noot
3

Kamerstuk 34 725 XVI, nr. 2.

X Noot
4

Kamerstuk 34 950 XVI, nr. 2.