Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 december 2015
Op 14 oktober 2015 (Kamerstuk 29 282, nr. 234) heb ik per brief aangegeven de juridische mogelijkheden en beleidsmaatregelen te
laten onderzoeken die kunnen worden ingezet om goodwill bij huisartsen tegen te gaan.
In deze brief geef ik de resultaten van dit onderzoek weer en ga ik in op de vervolgstappen.
Hiermee reageer ik tevens op de motie van het lid Van Gerven (Kamerstuk 34 300 XIV, nr. 93) waarin u mij vraagt met een haalbaar plan van aanpak te komen om goodwill te verbieden.
Zoals u weet, ben ik tegenstander van goodwillbetalingen in de huisartsenpraktijk.
Jonge huisartsen moeten soms hoge kosten maken om een praktijk over te nemen en worden
daardoor gehinderd in hun vestigingskeuzes. Ik zie liever dat huisartsen investeren
in de kwaliteit van de zorg in plaats van in het betalen van goodwill. Goodwill is
ook niet nodig voor pensioenvoorziening.
Vanuit dit standpunt heb ik onderzoek laten verrichten naar de juridische mogelijkheden
om goodwill bij huisartsen tegen te gaan. Beperkingen ten aanzien van het kunnen vragen
van goodwill vormen een inbreuk op het eigendomsrecht van de huisarts, dat wordt beschermd
door artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van
de Mens (EVRM). Een rechter zal in geval van een procedure van een huisarts tegen
de Staat zeer streng toetsen aan de noodzaak en proportionaliteit van de maatregel.
Op basis van mijn juridische onderzoek kom ik tot de conclusie dat een wettelijk verbod
op goodwillbetalingen in de huisartsensector omvangrijke financiële risico’s voor
de Staat met zich zou brengen. Er is een zeer reëel risico dat de Staat huisartsen
achteraf zou moeten compenseren voor een verbod op goodwill. Een verbod lijkt hiermee
geen haalbare oplossingrichting, waardoor ik in zoverre dus geen uitvoering kan geven
aan de motie. Daarom heb ik in mijn inventarisatie ook gekeken naar alternatieve maatregelen
om goodwill tegen te gaan.
Één van mijn belangrijkste bezwaren tegen goodwillbetalingen bij huisartsen is dat
goodwill in het verleden is afgekocht door het goodwillfonds. Vóór 1973 vormden goodwillbetalingen het pensioen van een overdragende huisarts.
Sinds 1973 is dit niet meer nodig, omdat er toen een verplicht collectief pensioen
voor huisartsen is ingevoerd. Tegen deze achtergrond zijn in 1985 afspraken gemaakt
tussen de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), de overheid en verzekeraars/ziekenfondsen
om een goodwillfonds in te richten waaruit overdragende huisartsen een uitkering ontvingen.
Geregeld was dat in de overeenkomst tussen huisarts en ziekenfondsen een clausule
werd opgenomen die het huisartsen verbood om nog goodwill te vragen op straffe van
beëindiging van het contract met de ziekenfondsen. In 2003 is aan huisartsen die voor
1987 actief waren maar nog niet gestopt waren, voor het laatst door het goodwillfonds
uitgekeerd. Na de introductie van het nieuwe zorgstelsel in 2006 hebben de meeste
zorgverzekeraars in hun contracten geen clausule opgenomen die in het verlengde ligt
van de in het verleden gemaakte afspraken over goodwill. Terwijl ook zij hebben geïnvesteerd
in het goodwillfonds. Ik roep zorgverzekeraars op deze bepalingen in hun contracten
op te nemen en zal hierover met zorgverzekeraars in gesprek gaan.
Indien een huisarts heeft deelgenomen aan het goodwillfonds en een uitkering uit het
fonds heeft ontvangen dan heeft hij zich richting het fonds gecommitteerd geen verdere
goodwill te zullen vragen. Ik raad overnemende huisartsen aan expliciet hiernaar te
informeren bij de overdragende huisarts als zij een praktijk overnemen van een huisarts
die voor 1987 al actief was en dus mogelijk aan het goodwillfonds heeft meegedaan.
Indien het vermoeden bestaat dat een overdragende huisarts deel heeft genomen aan
het goodwillfonds en nogmaals goodwill vraagt dan kan er een melding gemaakt worden
bij het goodwillfonds. Het fonds zal deze melding vervolgens natrekken en, indien
de melding klopt, stappen ondernemen richting de overdragende huisarts. Het fonds
mag wegens privacyredenen geen terugkoppeling geven aan de melder, behalve als de
overdragende huisarts hier expliciet toestemming voor geeft. Dit kan een overnemende
huisarts meenemen in zijn overnamegesprekken met de overdragende huisarts.
Voorts heb ik de NZa verzocht goodwill als een apart aspect mee te nemen in haar volgende
kostenonderzoek huisartsenzorg. Hoewel in de tariefopbouw vanzelfsprekend geen vergoeding
voor goodwill is meegenomen, is dit element in het laatste kostenonderzoek niet expliciet
uitgevraagd. Specifiek betekent dit dat de NZa bij het berekenen van de kosten in
de huisartsenzorg het element goodwill wel in kaart brengt, maar niet meeneemt als
kostenpost en dus buiten de tarieven houdt.
Tot slot zie ik voor het tegengaan van goodwill ook een belangrijke rol weggelegd
voor de huisartsen zelf. Net als de LHV ben ik van mening dat opvolgers gekozen moeten
worden op basis van hun kwaliteiten en in hoeverre zij passen bij de lokale patiëntenpopulatie,
en niet op basis van hun bereidheid om goodwill te betalen. Goodwill kan potentiële
kandidaten afschrikken. Ik vraag huisartsen dan ook geen goodwill te vragen, maar
te kiezen voor de opvolger die het beste de zorg zal overnemen voor de patiënten.
Ook de LHV kan hierbij een rol spelen door zich uit te spreken tegen het vragen van
goodwill. Ik zal dit met de LHV bespreken.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.I. Schippers