29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

AE VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 13 januari 2026

De vaste commissies voor Justitie en Veiligheid1 en Binnenlandse Zaken2 hebben schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de kabinetsreactie op het adviesrapport van de Staatscommissie rechtsstaat «De gebroken belofte van de rechtsstaat. Tien verbetervoorstellen met oog voor de burger». Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 1 oktober 2025.

  • De antwoordbrief van 13 januari 2026.

De griffier voor dit verslag, De Graag

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Den Haag, 1 oktober 2025

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de toenmalige Minister van Rechtsbescherming van 28 juni 20253 waarin het adviesrapport «De gebroken belofte van de rechtsstaat» van de Staatscommissie rechtsstaat werd aangeboden, en de kabinetsreactie van 4 juli 2025 op voornoemd adviesrapport.4 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en D66 hebben naar aanleiding daarvan een aantal vragen en opmerkingen. De fractieleden van de SP sluiten zich aan bij de gestelde vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen zich af hoe de regering in deze demissionaire status uitvoering zal gaan geven aan de verbetervoorstellen die in het adviesrapport zijn gedaan, waarvan zij zegt deze te zullen omarmen. Kunt u concreet aangeven welke van deze aanbevelingen de regering daadwerkelijk gaat oppakken en welke zij overlaat aan een nieuw te vormen kabinet?

In de tweede plaats willen deze leden met u haar zorg delen over de wijze waarop en de mate waarin de rechtsstaat verder onder druk is komen te staan sinds het aantreden van het kabinet Schoof. De reactie op het onderhavige adviesrapport neemt deze zorg niet weg, gelet op het feit dat daar waar de staatscommissie pleit voor structurele hervormingen en bestendige investeringen, de regering in haar reactie vooral kiest voor procesmatige verbeteringen. De kernproblemen van de rechtsstaat, te weten structurele onderfinanciering van politie, Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak, beperkte toegang tot het recht voor met name kwetsbaren en het gebrek aan tegenmacht tegenover de uitvoerende macht blijven onvoldoende concreet geadresseerd. Hoe beoordeelt u de ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat sinds uw aantreden?

De reactie van het kabinet op veel aanbevelingen is algemeen van aard en onduidelijk qua planning. Daardoor is het lastig om de opvolging van de aanbevelingen op inhoud en tijd te volgen, aldus de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA. Zij wijzen in dit verband op de kabinetsreactie op aanbeveling 3 van de staatscommissie over de positie van uitvoeringsorganisaties in de rechtstaat: het kabinet onderzoekt in hoeverre een «rode kaart» of «noodrem» voor publieke dienstverleners en decentrale overheden kan bijdragen aan beter uitvoerbaar beleid en zo aan het verbeteren van de dienstverlening aan burgers en ondernemers.

Graag ontvangen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA een schematisch overzicht van alle aanbevelingen van de staatscommissie waarin staat vermeld in hoeverre deze aanbevelingen wel of niet worden overgenomen, wat de planning is van de eventuele uitvoering of uitwerking van de aanbevelingen en op welke wijze en wanneer het parlement hierover wordt geïnformeerd.

Verder hebben deze leden een aantal concrete vragen naar aanleiding van de kabinetsreactie.

Verbetervoorstel 1 van de staatscommissie ziet op het tonen van rechtsstatelijk leiderschap en het actief uitdragen van de principes van de rechtsstaat. Kunt u aangeven wat u verstaat onder rechtsstatelijk leiderschap? Kunt u tevens aangeven op welke wijze dat leiderschap op dit moment getoond wordt, zowel door de regering zelf als door haar topambtenaren en op welke wijze dat leiderschap in de toekomst zal worden vormgegeven. Graag vernemen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA een aantal concrete aanbevelingen dan wel handvatten.

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat de regering niet voornemens is het advies van de staatscommissie op te volgen ten aanzien van het oprichten van een Planbureau voor de rechtsstaat. De regering geeft aan meer te zien in een betere stroomlijning in de rechtsstatelijke advisering en kennis. Genoemde leden vragen u op welke wijze de regering gaat waarborgen dat de stroomlijning van deze bestaande advisering voldoende is om rechtsstatelijke knelpunten te signaleren, vooral voor kwetsbare groepen. Graag horen zij een aantal concrete voornemens op dit punt.

De leden van GroenLinks-PvdA hebben bij brief van 17 juli 2025 vragen gesteld5 naar aanleiding van de brieven van 12 november 2024 en 6 juni 2025 ter aanbieding van respectievelijk de eerste editie van de Staat van de wetgevingskwaliteit en de kabinetsbrede agenda met initiatieven voor het versterken van de kwaliteit en wetgeving6 en Deze vragen zagen op zorgen van deze leden over het toenemende aantal wetsvoorstellen dat in de Eerste Kamer wordt aangeboden waarbij in het wetgevingstraject adviezen van onder meer de Raad van State zijn genegeerd waardoor er (mogelijk of daadwerkelijk) sprake is van strijdigheid van onderdelen van deze wetsvoorstellen met de Grondwet.7 Kunt u aangeven in hoeverre de regering van oordeel is dat stroomlijning van de rechtsstatelijke advisering zal leiden tot een betere opvolging van deze adviezen? Zou niet juist een Planbureau voor de rechtsstaat een bijdrage kunnen leveren aan het inzichtelijk maken van het al dan niet opvolgen van adviezen en daarover aanbevelingen kunnen doen die bijdragen aan een betere kwaliteit van wetgeving? Graag ontvangen deze leden een inhoudelijke reactie op deze vragen.

De staatscommissie benoemt dat een adequate financiering van de rechtsketen vanuit burgerperspectief evident is en dat behoort beter te worden geborgd. Ook wijst de staatscommissie op het feit dat het huidige financieringsmodel van de rechtspraak (outputfinanciering) innovatie in de rechtspraak in de weg staat (verbetervoorstel 8). De regering wijst het voorstel af om te komen tot een aparte begroting voor de rechtsketen. In 2021 heeft het WODC een rapport uitgebracht8 naar aanleiding van de in de Eerste Kamer aangenomen motie Rosenmöller9 waaruit bleek dat de huidige bekostigingssystematiek van politie, Openbaar Ministerie en rechtspraak leidt tot fluctuerende financiering (steeds nieuwe politieke keuzes) en daarmee tot onzekerheid in capaciteit en kwaliteit. Het rapport pleitte voor structurele voorspelbare en meerjarige financiering van de keten. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of u kunt reflecteren op de uitkomsten van dit WODC-onderzoek in het licht van het standpunt van de regering dat zij de aanbeveling van de staatscommissie om een apart begrotingshoofdstuk voor de rechtsketen te creëren, niet overneemt.

Verbetervoorstel 2 ziet op het versterken van het rechtsstatelijk kompas binnen alle onderdelen van de overheid. Verbetervoorstel 9 ziet op de bestuurlijke besluitvorming. De regering geeft in haar reactie aan op welke wijze kennis over de rechtsstaat aan de orde komt in de opleiding van ambtenaren. De regering wil de nadruk leggen op het rechtsstatelijk besef bij topambtenaren, zo constateren de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA. Lezen deze leden het rapport goed dan heeft de rechtsstaat vooral de belofte aan de burger gebroken. De burger heeft in de eerste plaats niet van doen topambtenaren, maar met degene die een beslissing neemt die hen rechtstreeks raakt. Dit geeft de leden van GroenLinks-PvdA aanleiding tot de volgende vraag. Is de regering het met deze leden eens is dat kennis en toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder (maar niet beperkt tot) het evenredigheidsbeginsel, kan worden gezien als een nadere invulling van dat rechtsstatelijk leiderschap? Zo ja, is de regering voornemens deze algemene beginselen ook centraal te stellen daar waar het gaat om het ontwikkelen van rechtsstatelijk leiderschap? En is de regering het dan ook met deze leden eens dat kennis van deze beginselen verbeterd moet worden in alle lagen van het ambtelijk apparaat en niet alleen bij de topambtenaren? Zullen deze algemene beginselen ook (opnieuw) en meer nadrukkelijk een plek krijgen in de bestuurlijke besluitvorming?

Verder informeren de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA welke middelen er worden vrijgemaakt om dit rechtsstatelijk kompas binnen alle onderdelen van de overheid te verbeteren. Is er voorzien in extra financiële middelen, tijd en capaciteit teneinde dit nader vorm te geven? En hoe wordt gemonitord of dit deze inspanningen hun vruchten afwerpen en dit rechtsstatelijk kompas inderdaad verstrekt wordt?

Aanbeveling 7 ziet op het regelen in algemene wetgeving van een grondslag voor gegevensdeling tussen overheidsorganisaties in het belang van de burger. De voormalig regeringscommissaris Informatiehuishouding Arre Zuurmond benadrukt in zijn eindrapportage «Dwars door de Orde»10 ook het belang hiervan. Zeker voor mensen die afhankelijk zijn van de overheid is een responsieve overheid belangrijk. Tijdige en adequate gegevensdeling is daarbij van groot belang. Het op onjuiste en/of onrechtmatige wijze delen van gegevens kan echter ook grote impact hebben op het leven van burgers en doet sterk afbreuk aan het vertrouwen van burgers in de overheid, aldus de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA. Zij vragen of u kunt aangeven op welke wijze de regering gaat borgen dat deze gegevensdeling niet leidt tot nieuwe vormen van controle en profilering. Welke waarborgen zullen gelden voor burgers? En op welke wijze zal het delen van gegevens herleidbaar zijn en hoe wordt geborgd dat het delen van gegevens ook weer ongedaan wordt gemaakt indien daar aanleiding toe is? Wordt hierbij ook voor burgers inzichtelijk gemaakt wanneer en waarvoor gegevens worden gedeeld, bijvoorbeeld door het automatisch loggen van het delen van deze informatie? En wordt er gedacht aan een systeem, bijvoorbeeld een online portal, waarin burgers kunnen zien wie hun gegevens heeft geraadpleegd, wanneer en waarom? En wordt ook gekeken naar de rechtmatigheid van het inzien van gegevens en naar bijvoorbeeld disciplinaire sancties tegen ambtenaren of instanties die zonder rechtsgrond gegevens inzien? Wordt bij het vormgeven van deze gegevensdeling ook gekeken naar landen waarbij deze elementen reeds in wetgeving zijn geborgd, zoals bijvoorbeeld in Estland? En kunt u tot slot aangeven welke rol artificiële intelligentie zal spelen bij deze gegevensdeling tussen overheidsorganisaties?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

Met belangstelling maar ook met enige verbazing hebben de leden van de fractie van D66 kennisgenomen van de brief van de regering over het rapport van de Staatscommissie rechtsstaat. Zij hebben daarover in deze fase de volgende vragen, maar kondigen nu reeds aan dat zij in eventuele vervolg overleggen, al dan niet plenair over de staat van de rechtsstaat, meer in detail op de brief en het rapport van de staatscommissie zullen ingaan.

Het rapport van de staatscommissie dateert van 10 juni 2024. De leden van de fractie van D66 informeren waarom het langer dan een jaar heeft geduurd voordat de regering met een inhoudelijke reactie is gekomen. Alom wordt ervaren dat de rechtsstaat onder druk staat. Een eerdere reactie had toch voor de hand gelegen?

De regering constateert in haar reactie op het adviesrapport dat het vertrouwen van de burgers in de rechtsstaat in Nederland hoog is. De leden van de fractie van D66 vragen u waar deze constatering op is gebaseerd. De regering en de politiek maken onderdeel uit van de democratische rechtsstaat, gebaseerd op de trias politica. Nog nooit is het vertrouwen van de bevolking in de regering en in de Tweede Kamer zo laag geweest. Kunt u hierop reflecteren?

Onder het kopje «We zorgen dat de overheid meer gaat handelen vanuit de principes van de rechtsstaat» beschrijft de regering een aantal goede voornemens. De regering laat haar eigen werkwijze en functioneren hier echter geheel buiten beschouwing, terwijl zij toch in de perceptie van de burgers een blikvanger is. Als voorbeeld noemen de leden van de D66-fractie de gang van zaken rond het wetsvoorstel voor het schrappen van voorrang voor statushouders in de sociale huur. Op 22 september 2025 adviseerde de Raad van State de regering het wetsvoorstel niet in te dienen bij de Tweede Kamer omdat het strijdig is met het recht op gelijke behandeling, door de Grondwet gewaarborgd, en omdat het wetsvoorstel het in de uitvoering voor gemeenten zeer moeilijk maakt om te voldoen aan de wettelijke taakstelling om vergunninghouders te huisvesten.11 Handelend uit de principes van de rechtsstaat zou men verwachten dat de regering dit advies ter harte neemt, maar Minister Keijzer liet meteen weten dat zij het advies naast zich neerlegt en het wetsvoorstel onverdroten toch bij de Tweede Kamer gaat indienen. De leden van de fractie van D66 vragen of de regering met dit handelen er niet zelf voor zorgt dat burgers denken dat de regering de Grondwet met voeten treedt. En als dat zo is, waarom zouden de burgers zich dan wel aan de (Grond-)wet moeten houden? Genoemde leden vernemen graag een reflectie hierop.

Overigens waarderen de leden van de fractie van D66 het dat de regering ingaat op een aantal aanbevelingen van de staatscommissie en de inzet heeft om de rechtsstaat te versterken. Tegelijkertijd zien deze leden ruimte voor nadere concretisering en verduidelijking van een aantal voorstellen. Daarom hebben zij nog enkele vragen en aandachtspunten bij de uitvoering van de aangekondigde stappen.

De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van het betrekken van burgers bij beleidsontwikkeling en uitvoering, en van een overheid die de menselijke maat centraal stelt. De regering verwijst naar instrumenten zoals het Beleidskompas en de Wet versterking waarborgfunctie Awb. De leden van de D66-fractie zijn benieuwd hoe deze instrumenten in de praktijk zullen bijdragen aan beter beleid, duidelijke communicatie en daadwerkelijke participatie van burgers. Zij vragen hoe wordt geborgd dat signalen van burgers daadwerkelijk leiden tot aanpassingen in beleid en uitvoering, en op welke manier dit structureel wordt gemonitord. Daarnaast is het volgens genoemde leden relevant welke middelen beschikbaar worden gesteld aan publieke dienstverleners en decentrale overheden om deze signalen effectief op te pakken.

Het doenvermogen van burgers, waar het gaat om overheidsbeleid, is van essentieel belang, aldus de leden van de fractie van D66. De Nationale ombudsman constateert in zijn rapporten dat het soms nog steeds schort aan begrijpelijk overheidshandelen. Hoe is de regering voornemens om bij elk belangrijk voorstel het doenvermogen van burgers mee te wegen? De leden van de D66-fractie vragen dit omdat er meer dan één miljoen ongeletterden in Nederland zijn en uit onderzoek is gebleken dat behoorlijk wat scholieren niet goed kunnen schrijven en rekenen, wanneer zij van school komen. Deze jonge mensen zullen ook te maken krijgen met formulieren en andere handelingen van de overheid.

Voor wat betreft uitvoeringstoetsen bij wetsvoorstellen constateren de leden van de fractie van D66 dat die per wetsvoorstel, per departement kunnen verschillen. Dit maakt het voor de Eerste Kamer lastig de uitvoerbaarheid te beoordelen. Soms wordt er door de regering slechts een zeer korte consultatieperiode aan maatschappelijke organisaties gegund en zijn er helemaal geen toetsen door uitvoeringsorganisaties gedaan dan wel serieus meegenomen in het opstellen van het wetsvoorstel. Saillant voorbeeld is het wetsvoorstel over de asielnoodmaatregelen en het voorstel voor invoering van een twee-statusstelsel. De Eerste Kamer heeft de motie Dittrich c.s. aangenomen dat asielwetsvoorstellen altijd gepaard moeten gaan met een uitvoeringstoets,12 in casu van de IND en het COA. Dat is niet gebeurd. Hoe verklaart u dit in het licht van de voornemens die in de kabinetsreactie worden geuit? Is de regering alsnog bereid die uitvoeringstoetsen te laten doen en ter beschikking te stellen?

Een belangrijk aandachtspunt voor de leden van de D66-fractie betreft de vereenvoudiging van beleid, wetgeving en uitvoering. Het kabinet geeft aan dat dit een doorlopende opgave is. De leden van de D66-fractie zouden graag meer inzicht krijgen in hoe stelsels zoals toeslagen, belastingen en inkomensondersteuning daadwerkelijk eenvoudiger en toegankelijker worden gemaakt, met welke prioriteit dit wordt opgepakt en op welke termijn burgers hier merkbare voordelen van zullen ervaren. Ook vragen zij hoe wordt omgegaan met verantwoorde gegevensuitwisseling tussen overheidsinstanties, zodat burgers niet steeds dezelfde informatie hoeven te verstrekken, zonder dat dit ten koste gaat van privacy en rechtsbescherming.

Wat betreft rechtsbescherming en toegang tot recht, benadrukken de leden van de D66-fractie het belang van een sterke en toegankelijke rechtsbescherming, in het bijzonder voor kwetsbare groepen. Het kabinet kondigt investeringen aan in sociaaljuridische dienstverlening en de sociale advocatuur. Genoemde leden vragen hoe wordt verzekerd dat deze middelen effectief bij de groepen terechtkomen die er het meest afhankelijk van zijn en op welke manier wordt gemonitord of deze maatregelen daadwerkelijk leiden tot verbeterde toegang tot recht.

De leden van de D66-fractie benadrukken dat de rechtsstaat er voor álle burgers moet zijn. Tegelijkertijd constateren zij dat structurele ongelijkheden en institutionele discriminatie de rechtsstaat onder druk zetten. De toeslagenaffaire is daar natuurlijk een sprekend voorbeeld van: een situatie waarin burgers onvoldoende bescherming kregen en ongelijk werden behandeld. De leden vragen u uiteen te zetten hoe dergelijke ongelijkheden en patronen van institutionele discriminatie in de toekomst worden doorbroken, welke concrete maatregelen daartoe worden genomen en hoe wordt geborgd dat beleid en uitvoering in de praktijk leiden tot gelijke rechtsbescherming voor iedereen.

Ten slotte onderstrepen de leden van D66-fractie het belang van rechtsstatelijk leiderschap en een bestuurscultuur waarin rechtsstatelijke waarden structureel worden verankerd. Zij vragen welke concrete stappen de regering zet om een duurzame rechtsstaatagenda binnen de overheid te realiseren, hoe deze agenda in de dagelijkse praktijk van beleid en uitvoering zichtbaar wordt?

Een afschrift van deze brief wordt gestuurd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken zien met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangen deze graag voor 28 oktober 2025.

Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, B.O. Dittrich

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES, DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID EN DE DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 januari 2026

In reactie op het schriftelijke verzoek van de Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van 1 oktober jl. doe ik u hierbij de antwoorden toekomen op de vragen en opmerkingen van leden van de vaste commissies voor Binnenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid over de kabinetsreactie op het adviesrapport van de Staatscommissie rechtsstaat.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA (mede namens de SP-fractie)

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen zich af hoe de regering in deze demissionaire status uitvoering zal gaan geven aan de verbetervoorstellen die in het adviesrapport zijn gedaan, waarvan zij zegt deze te zullen omarmen.

Kunt u concreet aangeven welke van deze aanbevelingen de regering daadwerkelijk gaat oppakken en welke zij overlaat aan een nieuw te vormen kabinet?

Antwoord

In de kabinetsreactie op het rapport van de Staatscommissie rechtsstaat heeft het demissionaire kabinet uiteengezet hoe het opvolging geeft aan de aanbevelingen van de staatscommissie. Het kabinet gaat onverminderd door met veel van de aangekondigde maatregelen langs de drie hoofdthema's die de staatscommissie heeft geadresseerd. Zo zorgt het kabinet ervoor dat de overheid meer gaat handelen vanuit de principes van de rechtsstaat, wordt er gewerkt aan de vereenvoudiging van beleid, wetgeving en de uitvoering en wordt ingezet op het verbeteren van de rechtsbescherming van burgers. Mocht het kabinet hebben besloten of nog besluiten om aanbevelingen over te laten aan een nieuw kabinet, is of wordt het parlement daar per brief per onderwerp over geïnformeerd.

In de tweede plaats willen deze leden met u haar zorg delen over de wijze waarop en de mate waarin de rechtsstaat verder onder druk is komen te staan sinds het aantreden van het kabinet Schoof. De reactie op het onderhavige adviesrapport neemt deze zorg niet weg, gelet op het feit dat daar waar de staatscommissie pleit voor structurele hervormingen en bestendige investeringen, de regering in haar reactie vooral kiest voor procesmatige verbeteringen. De kernproblemen van de rechtsstaat, te weten structurele onderfinanciering van politie, Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak, beperkte toegang tot het recht voor met name kwetsbaren en het gebrek aan tegenmacht tegenover de uitvoerende macht blijven onvoldoende concreet geadresseerd. Hoe beoordeelt u de ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat sinds uw aantreden?

Antwoord

Net als deze leden maakt het kabinet zich zorgen over de druk die op onze rechtsstaat staat. Het rapport van de staatscommissie laat zien dat de rechtsstaat tekort is geschoten voor een deel van de mensen die de bescherming van de rechtsstaat juist het meest nodig hebben.

Onze waardevolle democratische rechtsstaat is gebouwd op een stevig fundament, maar heeft permanent aandacht en onderhoud nodig om zich te weren tegen de interne en externe druk die daarop staat. Het kabinet voelt zich bij deze gezamenlijke opgave gesterkt door de aandacht die uw Kamer aan het versterken en beschermen van de democratische rechtsstaat schenkt.

Het kabinet herkent zich niet in het doen van enkel procesmatige verbeteringen, maar heeft ook gewerkt aan structurele hervormingen en heeft bestendige investeringen gedaan. Zo is volop gewerkt aan de Hervormingsagenda Inkomensondersteuning en is het wetsvoorstel om rechters de bevoegdheid te geven om wetten te toetsen aan de klassieke grondrechten in de Grondwet, om zo de grondrechten van burgers beter te beschermen, inmiddels in consultatie geweest. Tevens wordt gewerkt aan het opsporen, openbaar maken en aanpakken van hardheden in beleid, wetgeving en de uitvoering. Ook wordt de uitvoeringstoets doorontwikkeld en wordt Rijksbreed ingezet op het versterken van de kwaliteit van wetgeving. Ten aanzien van investeringen wordt vanuit het hoofdlijnenakkoord structureel 150 miljoen euro geïnvesteerd in goed bestuur en een sterke rechtsstaat, waarvan een deel naar het Juridisch Loket en de rechtspraak gaat. Daarbovenop investeert het kabinet bijvoorbeeld vanaf 2027 structureel 30 miljoen euro in de sociale advocatuur.

Daarnaast wijst het kabinet in de kabinetsreactie er ook op dat de essentie is dat er een cultuurverandering nodig is. Dat kost tijd en het is niet uitgesloten dat er aanvullende maatregelen nodig zijn. Het is de verantwoordelijkheid van het kabinet realistische voorstellen te doen die ook waargemaakt kunnen worden. Alleen zo kan het kabinet bouwen aan het vertrouwen van mensen in de overheid.

De reactie van het kabinet op veel aanbevelingen is algemeen van aard en onduidelijk qua planning. Daardoor is het lastig om de opvolging van de aanbevelingen op inhoud en tijd te volgen, aldus de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA. Zij wijzen in dit verband op de kabinetsreactie op aanbeveling 3 van de staatscommissie over de positie van uitvoeringsorganisaties in de rechtstaat: het kabinet onderzoekt in hoeverre een «rode kaart» of «noodrem» voor publieke dienstverleners en decentrale overheden kan bijdragen aan beter uitvoerbaar beleid en zo aan het verbeteren van de dienstverlening aan burgers en ondernemers. Graag ontvangen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA een schematisch overzicht van alle aanbevelingen van de staatscommissie waarin staat vermeld in hoeverre deze aanbevelingen wel of niet worden overgenomen, wat de planning is van de eventuele uitvoering of uitwerking van de aanbevelingen en op welke wijze en wanneer het parlement hierover wordt geïnformeerd.

Antwoord

In de bijlage bij de kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie heeft het kabinet uiteengezet en toegelicht welke aanbevelingen wel en niet worden overgenomen. Daarnaast wordt met de beantwoording van de hiernavolgende vragen de inzet nader ingekleurd ten aanzien van een aantal specifieke onderwerpen. Het parlement wordt per beleidstraject op de hoogte gehouden over de planning en voortgang.

Verder hebben deze leden een aantal concrete vragen naar aanleiding van de kabinetsreactie.

Verbetervoorstel 1 van de staatscommissie ziet op het tonen van rechtsstatelijk leiderschap en het actief uitdragen van de principes van de rechtsstaat.

Kunt u aangeven wat u verstaat onder rechtsstatelijk leiderschap? Kunt u tevens aangeven op welke wijze dat leiderschap op dit moment getoond wordt, zowel door de regering zelf als door haar topambtenaren en op welke wijze dat leiderschap in de toekomst zal worden vormgegeven. Graag vernemen de leden van de fractie van Groen-Links-PvdA een aantal concrete aanbevelingen dan wel handvatten.

Antwoord

Het kabinet is het met de staatscommissie eens dat rechtsstatelijk leiderschap tonen een belangrijke voorwaarde is voor het goed functioneren van politiek en bestuur. Het initiëren en borgen van nieuwe maatregelen om de democratische rechtsstaat te versterken via beleid en wetgeving is nodig, maar volstaat niet. Even belangrijk is dat de belangrijkste principes en regels van de democratische rechtsstaat ook elke dag dienen terug te komen in het handelen en gedrag van overheidsorganisaties. Dit betekent dat belangrijke regels en principes van de democratische rechtsstaat actief dienen te worden uitgedragen, juist ook door de leden van het kabinet en (top)ambtenaren. Als bewindspersonen hebben wij een belangrijke voorbeeldfunctie te vervullen. De wijze waarop wij hier in de praktijk invulling aan geven, is en blijft regelmatig onderwerp van gesprek binnen het kabinet. Daarnaast betekent dit dat het kabinet initiatieven neemt om de belangrijke onderdelen van de democratische rechtsstaat te borgen. Zo heeft de Algemene Bestuursdienst (ABD) naar aanleiding van het rapport van de staatscommissie het opleidingsaanbod uitgebreid in het kader van «leidinggeven in de democratische rechtstaat». Naast lezingen over de basisbeginselen van de rechtsstaat, worden er dilemmasessies georganiseerd waarbij aan de hand van concrete casuïstiek vraagstukken op het terrein van rechtsstatelijkheid aan bod komen. Verder komt het thema aan bod in de diverse leiderschapsprogramma’s en is het een vast onderdeel in het verplichte startprogramma voor nieuwe topambtenaren. Bovendien is het rijksbredeprogramma «Leer je Rijk» opgestart. Hierbij wordt gewerkt aan de ontwikkeling van rijksbrede opleidingsprogramma’s voor alle rijksmedewerkers en specifiek voor beleidsmedewerkers en leidinggevenden. De opleidingen gaan onder meer over Ambtelijk Vakmanschap en worden in afstemming met de ABD en hoogleraren staats- en bestuursrecht ontwikkeld, zodat tot eenzelfde taal kan worden gekomen wat er onder rechtsstatelijk handelen wordt verstaan. Ook worden de regels over benoemingen, nevenfuncties en financiële belangen voor sleutelfunctionarissen meer onder de aandacht gebracht. Hoewel het kabinet zich aansluit bij de bevinding van de staatscommissie dat het overgrote deel van de regels en procedures op orde is, is op onderdelen nadere concretisering wenselijk. Zo is onlangs de Wet regels integriteit en vervolgfuncties gewezen bewindspersonen aangenomen in de Eerste Kamer. Ook is de regering aan de slag met de tweede tranche van wetgeving op het gebied van integriteit voor decentrale overheden. Hier wordt op dit moment gewerkt aan een nader rapport in reactie op het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State. Daarnaast is volgens de staatscommissie ook van belang dat de samenleving een beter beeld krijgt van (de uitwerking van) het integriteitsbeleid. Het kabinet onderschrijft dat. Het actiever onder de aandacht brengen van de bestaande regels gaat daarbij helpen.

Daarnaast acht het kabinet het aangaan van het gesprek over het belang van de rechtsstaat een belangrijk middel om dit onderwerp breder binnen de samenleving onder de aandacht te brengen. Met de andere staatsmachten gaat het kabinet dit gesprek aan, zoals geadviseerd door de staatscommissie, in een terugkerende rechtsstaatdialoog, waarin signalen over de werking van de rechtsstaat worden besproken.

Alleen zo kunnen we aansluiten bij wat er in de samenleving speelt en doen wat nodig is, voor burgers, publieke dienstverleners, toezichthouders en decentrale overheden.

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat de regering niet voornemens is het advies van de staatscommissie op te volgen ten aanzien van het oprichten van een Planbureau voor de rechtsstaat. De regering geeft aan meer te zien in een betere stroomlijning in de rechtsstatelijke advisering en kennis.

Genoemde leden vragen u op welke wijze de regering gaat waarborgen dat de stroomlijning van deze bestaande advisering voldoende is om rechtsstatelijke knelpunten te signaleren, vooral voor kwetsbare groepen. Graag horen zij een aantal concrete voornemens op dit punt.

Antwoord

Zoals in de kabinetsreactie is aangegeven zal het kabinet bij adviesaanvragen vooraf goed nadenken over welke adviescolleges daarbij betrokken moeten worden. Daarnaast is de reactie van het kabinet ook tevens een oproep aan de bestaande organisaties die verantwoordelijk zijn voor rechtsstatelijke advisering en kennis om gezamenlijk te zorgen voor een betere stroomlijning daarvan. Als ervaring is opgedaan met het stroomlijnen van rechtsstatelijke advisering en het goed verspreiden van kennis daarover, wil het kabinet ook reflecteren of kwantitatieve inzichten voor beleidsanalyses van de democratische rechtsstaat voldoende zijn ontwikkeld of dat daarop toch een aanvullende inzet nodig is.

De leden van GroenLinks-PvdA hebben bij brief van 17 juli 2025 vragen gesteld naar aanleiding van de brieven van 12 november 2024 en 6 juni 2025 ter aanbieding van respectievelijk de eerste editie van de Staat van de wetgevingskwaliteit en de kabinetsbrede agenda met initiatieven voor het versterken van de kwaliteit en wetgeving en Deze vragen zagen op zorgen van deze leden over het toenemende aantal wetsvoorstellen dat in de Eerste Kamer wordt aangeboden waarbij in het wetgevingstraject adviezen van onder meer de Raad van State zijn genegeerd waardoor er (mogelijk of daadwerkelijk) sprake is van strijdigheid van onderdelen van deze wetsvoorstellen met de Grondwet.

Kunt u aangeven in hoeverre de regering van oordeel is dat stroomlijning van de rechtsstatelijke advisering zal leiden tot een betere opvolging van deze adviezen? Zou niet juist een Planbureau voor de rechtsstaat een bijdrage kunnen leveren aan het inzichtelijk maken van het al dan niet opvolgen van adviezen en daarover aanbevelingen kunnen doen die bijdragen aan een betere kwaliteit van wetgeving? Graag ontvangen deze leden een inhoudelijke reactie op deze vragen.

Antwoord

Het kabinet hoopt met het stroomlijnen van de rechtsstatelijke advisering door bestaande organisaties meer focus aan te brengen en meer gerichte aandacht te creëren voor knelpunten die zich voordoen in de democratische rechtsstaat. Het kabinet verwacht dat hierdoor rechtsstatelijke adviezen een grotere rol gaan spelen in (politieke) besluitvorming. Of dit zal leiden tot een betere opvolging van de adviezen is iets dat de toekomst zal moeten leren en is iets waarin alle betrokkenen in het beleids- en wetgevingsproces hun eigen verantwoordelijkheid moeten nemen. Een Planbureau voor de rechtsstaat zou een bijdrage kunnen leveren, zoals de leden opmerken, maar het kabinet is in beginsel geen voorstander van het oprichten van een nieuw instituut naast alle al bestaande kennisinstituten.

De staatscommissie benoemt dat een adequate financiering van de rechtsketen vanuit burgerperspectief evident is en dat behoort beter te worden geborgd. Ook wijst de staatscommissie op het feit dat het huidige financieringsmodel van de rechtspraak (outputfinanciering) innovatie in de rechtspraak in de weg staat (verbetervoorstel 8). De regering wijst het voorstel af om te komen tot een aparte begroting voor de rechtsketen. In 2021 heeft het WODC een rapport uitgebracht naar aanleiding van de in de Eerste Kamer aangenomen motie Rosenmöller waaruit bleek dat de huidige bekostigingssystematiek van politie, Openbaar Ministerie en rechtspraak leidt tot fluctuerende financiering (steeds nieuwe politieke keuzes) en daarmee tot onzekerheid in capaciteit en kwaliteit. Het rapport pleitte voor structurele voorspelbare en meerjarige financiering van de keten.

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of u kunt reflecteren op de uitkomsten van dit WODC-onderzoek in het licht van het standpunt van de regering dat zij de aanbeveling van de staatscommissie om een apart begrotingshoofdstuk voor de rechtsketen te creëren, niet overneemt.

Antwoord

In 2021 heeft SEO Economisch Onderzoek, in samenwerking met Andersson Elffers Felix en in opdracht van het WODC, een onafhankelijk onderzoek verricht naar de continuïteit van de bekostiging van politie, Openbaar Ministerie en Rechtspraak. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is om de bekostigingssystemen van deze organisaties als zodanig aan te passen. Wel is gekeken hoe de financiering op bepaalde punten kan worden verbeterd ten behoeve van de samenwerking. Dit kan door vormen van ketenfinanciering rondom specifieke projecten, zoals implementatie van het Wetboek van Strafvordering en digitalisering van de strafrechtketen. Hierbij worden vooraf de regels en doelen van de samenwerking en de hieraan verbonden financiering vastgelegd. Dit kan de nadelige effecten van de gecompartimenteerde financiering per ketenorganisatie ondervangen en de samenwerking bevorderen. Een dergelijke wijze van financieren van reguliere werkprocessen in alle ketenorganisaties is in de praktijk niet werkbaar. Dit zou een majeure ingreep betekenen voor alle organisaties met grote gevolgen voor de continuïteit van het werk. Ook gelet op de bijzondere positie die diverse partners binnen de strafrechtketen innemen. Daarbij komt dat een aantal organisaties in de strafrechtketen naast het strafrecht ook andere taken hebben op andere rechtsgebieden, zoals de rechtspraak op civiele rechtspraak en bestuursrechtspraak.

Voor de aanbeveling van de staatscommissie geldt ook dat deze in de praktijk niet werkbaar is. De aanbeveling van de staatscommissie ziet op een eigen begroting van de gehele rechtsketen en heeft een bredere scope dan het SEO-onderzoek. In de kabinetsreactie is al aangegeven dat het begrip rechtsketen om een nadere definiëring vraagt. Eerst moet duidelijk zijn welke rechtsketen(s), welke daarbinnen functionerende organisaties en welke processen binnen en tussen die organisaties het betreft. Het is echter op voorhand duidelijk dat de uitvoering van de aanbeveling van de staatscommissie een majeure verschuiving met zich meebrengt. Daarbij gaat het naast het toevoegen van een aparte begroting in de begrotingssystematiek van het Rijk, ook om gevolgen voor meerdere bestaande begrotingen. Ook is niet uit te sluiten dat organisaties hierdoor onder meerdere begrotingen gaan vallen, omdat zij ook taken vervullen buiten een specifieke rechtsketen.

Daar waar de aanbeveling de strekking heeft om integrale besluitvorming te bevorderen over de financiering van de rechtsstaat, leidt het opvolgen van deze aanbeveling tot een versplintering van de besluitvorming door het kabinet over budgettaire vraagstukken. Dat komt de integrale besluitvorming over de inzet van publieke middelen niet ten goede. Daarom is ervoor gekozen om geen fundamentele wijzigingen aan te brengen in de bestaande begrotingssystematiek van het Rijk. Uiteraard zijn op onderdelen van de bekostiging van organisaties in de rechtsketen verbeteringen altijd mogelijk, daarom houden we ook nadrukkelijk de vinger aan de pols. Hierover vindt ook regelmatig overleg plaats met de organisaties in de rechtsketen.

Verbetervoorstel 2 ziet op het versterken van het rechtsstatelijk kompas binnen alle onderdelen van de overheid. Verbetervoorstel 9 ziet op de bestuurlijke besluitvorming. De regering geeft in haar reactie aan op welke wijze kennis over de rechtsstaat aan de orde komt in de opleiding van ambtenaren. De regering wil de nadruk leggen op het rechtsstatelijk besef bij topambtenaren, zo constateren de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA. Lezen deze leden het rapport goed dan heeft de rechtsstaat vooral de belofte aan de burger gebroken. De burger heeft in de eerste plaats niet van doen topambtenaren, maar met degene die een beslissing neemt die hen rechtstreeks raakt. Dit geeft de leden van GroenLinks-PvdA aanleiding tot de volgende vraag.

Is de regering het met deze leden eens is dat kennis en toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder (maar niet beperkt tot) het evenredigheidsbeginsel, kan worden gezien als een nadere invulling van dat rechtsstatelijk leiderschap? Zo ja, is de regering voornemens deze algemene beginselen ook centraal te stellen daar waar het gaat om het ontwikkelen van rechtsstatelijk leiderschap? En is de regering het dan ook met deze leden eens dat kennis van deze beginselen verbeterd moet worden in alle lagen van het ambtelijk apparaat en niet alleen bij de topambtenaren? Zullen deze algemene beginselen ook (opnieuw) en meer nadrukkelijk een plek krijgen in de bestuurlijke besluitvorming?

Antwoord

Het kabinet deelt het standpunt van de leden van de fractie GroenLinks-PvdA dat rechtstatelijk leiderschap onder meer kan worden ingevuld met kennis en toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor een cultuurverandering is zowel kennis als toepassing nodig. Het kabinet onderschrijft ook dat die kennis en toepassing in alle lagen van het ambtelijk apparaat noodzakelijk is. In de kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie is aangegeven dat er een programma wordt ingericht waarin bestuursorganen bij die cultuurverandering worden ondersteund. Die ondersteuning is voorzien op drie niveaus:

  • 1. Handvatten voor bestuur en management om een verandering in te zetten naar een meer burgergerichte organisatie;

  • 2. Bouwstenen voor het verbeteren van procedures en het versterken van het lerend vermogen van een organisatie in de fase van de bezwaarbehandeling en de primaire fase waarin het besluit wordt genomen;

  • 3. Trainingen en cursussen voor ambtenaren waarin gesprekstechnieken en mediationvaardigheden kunnen worden ontwikkeld.

Dit programma richt zich met name op de uitvoeringsorganisaties en de decentrale overheden. Maar ook bij het ontwikkelen van nieuw beleid zal moeten worden uitgegaan van een burgergerichte uitvoering waarin de algemene beginselen van behoorlijk bestuur leidend zijn. Zo is in aanwijzing 2.11 van de Aanwijzingen voor de regelgeving opgenomen dat voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een voorgenomen regeling niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.

Verder informeren de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA welke middelen er worden vrijgemaakt om dit rechtsstatelijk kompas binnen alle onderdelen van de overheid te verbeteren. Is er voorzien in extra financiële middelen, tijd en capaciteit teneinde dit nader vorm te geven? En hoe wordt gemonitord of dit deze inspanningen hun vruchten afwerpen en dit rechtsstatelijk kompas inderdaad verstrekt wordt?

Antwoord

Het rechtsstatelijk kompas is onderdeel van het ambtelijk vakmanschap en komt ook tot uitdrukking in de ambtseed die vorig jaar is gewijzigd. Op ambtelijk vakmanschap loopt een Rijksbreed verbeterprogramma. Het kabinet-Schoof heeft hierop de ambitie geformuleerd dat de rijksdienst zich aantoonbaar meer inzet op vakmanschap, kennis, uitvoering en burgerperspectief. In het regeerprogramma is opgenomen dat er een stevige impuls wordt gegeven aan ambtelijk vakmanschap, onder meer door te investeren in een verplichte opleiding voor elke ambtenaar. Rechtsstatelijk besef, waarden gedreven werken, publiek leiderschap en (digitaal) vakmanschap maken daar onderdeel van uit. Hiervoor is de volgende reeks aan middelen beschikbaar:

2025

2026

2027

2028

2029

€ 3,8 mln.

€ 6,7 mln.

€ 7 mln.

€ 7 mln.

€ 3,8 mln.

Deze middelen zijn voor het programma Ambtelijk Vakmanschap. Doelgroep daarvan is de gehele rijksoverheid. De inzet van deze middelen zal op verschillende manieren worden gemonitord en geëvalueerd. Het jaarlijkse onderzoek naar hoe het staat met het waardenbesef onder Rijksambtenaren, waarbij bijvoorbeeld werken vanuit legitimiteit wordt meegenomen, is een van de instrumenten om het effect van deze inzet te monitoren.

Aanbeveling 7 ziet op het regelen in algemene wetgeving van een grondslag voor gegevensdeling tussen overheidsorganisaties in het belang van de burger. De voormalig regeringscommissaris Informatiehuishouding Arre Zuurmond benadrukt in zijn eindrapportage «Dwars door de Orde» ook het belang hiervan. Zeker voor mensen die afhankelijk zijn van de overheid is een responsieve overheid belangrijk. Tijdige en adequate gegevensdeling is daarbij van groot belang. Het op onjuiste en/of onrechtmatige wijze delen van gegevens kan echter ook grote impact hebben op het leven van burgers en doet sterk afbreuk aan het vertrouwen van burgers in de overheid, aldus de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA.

Zij vragen of u kunt aangeven op welke wijze de regering gaat borgen dat deze gegevensdeling niet leidt tot nieuwe vormen van controle en profilering. Welke waarborgen zullen gelden voor burgers? En op welke wijze zal het delen van gegevens herleidbaar zijn en hoe wordt geborgd dat het delen van gegevens ook weer ongedaan wordt gemaakt indien daar aanleiding toe is? Wordt hierbij ook voor burgers inzichtelijk gemaakt wanneer en waarvoor gegevens worden gedeeld, bijvoorbeeld door het automatisch loggen van het delen van deze informatie? En wordt er gedacht aan een systeem, bijvoorbeeld een online portal, waarin burgers kunnen zien wie hun gegevens heeft geraadpleegd, wanneer en waarom? En wordt ook gekeken naar de rechtmatigheid van het inzien van gegevens en naar bijvoorbeeld disciplinaire sancties tegen ambtenaren of instanties die zonder rechtsgrond gegevens inzien? Wordt bij het vormgeven van deze gegevensdeling ook gekeken naar landen waarbij deze elementen reeds in wetgeving zijn geborgd, zoals bijvoorbeeld in Estland? En kunt u tot slot aangeven welke rol artificiële intelligentie zal spelen bij deze gegevensdeling tussen overheidsorganisaties?

Antwoord

Zoals aangegeven in de kabinetsreactie bij verbetervoorstel 7, is de ontwikkeling van de beleidsvisie op proactieve dienstverlening leidend. Daarbij worden de bestaande juridische kaders en wettelijke waarborgen en beperkingen in acht genomen. Nieuwe vormen van controle en profilering zijn in het licht van de opvolging van het verbetervoorstel van de Staatscommissie Rechtsstaat op dit moment dan ook niet aan de orde. Verdere vragen zijn in het licht van het verbetervoorstel van de staatscommissie op dit moment nog niet te beantwoorden omdat de beleidsvisie nog in ontwikkeling is. Ten aanzien van de waarborgen die voor burger gelden, is allereerst van belang dat gegevensdeling een vorm is van het verwerken van persoonsgegevens. Voor alle vormen van gegevensverwerking door de overheid geldt in de regel de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die hiertoe diverse waarborgen kent. Zo vereist de AVG, voor de rechtmatigheid van een verwerking, een wettelijke grondslag (artikel 6, eerste lid, van de AVG). Voor overheden is daarvoor specifiek relevant artikel 6, eerste lid, onder e, van de AVG: «de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen». Uit artikel 6, derde lid, van de AVG volgt dat de grondslag voor de verwerking moet zijn opgenomen in Unierechtelijk of lidstatelijk (hier: Nederlands) recht. Hieruit volgt dat voor burgers transparant moet zijn dat hun persoonsgegevens worden verwerkt, welke persoonsgegevens worden verwerkt en waarvoor deze worden gebruikt. De AVG voorziet in een zorgplicht voor de verwerkingsverantwoordelijke organisatie om hiertoe de nodige passende maatregelen te nemen. Verder zet het kabinet in op standaardisatie en het creëren van eventuele voorzieningen om rechtmatigheid van gegevensdeling en -gebruik aan te tonen. Deze inzet is ook opgenomen in de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (prioriteit 2 Data).13 Eén van de stappen hierbij is het uitwerken van de standaard Logboek Dataverwerkingen. Deze standaard zorgt ervoor dat dataverwerkingen door de overheid op termijn door deze overheden eenduidig en relateerbaar kunnen worden vastgelegd. Door deze standaard te gebruiken, wordt het mogelijk om de verwerking van gegevens te herleiden, ook over organisaties heen. Overheden kunnen zich zo verantwoorden over hun handelen. Zo kan de standaard er ook voor zorgen dat verantwoording op maat mogelijk wordt, bijvoorbeeld dat aan burgers de informatie kan worden getoond die specifiek op hen betrekking heeft. Een belangrijk aspect van zorgvuldig overheidshandelen is dat er rekening mee wordt gehouden dat er zaken verkeerd kunnen gaan. Essentieel daarbij is dat beslissingen en vooral de gevolgen daarvan hersteld of ongedaan gemaakt kunnen worden. Ook in die zin kan de standaard helpen door inzicht te bieden in de gedane gegevensverwerkingen.

Op algemeen niveau is al inzichtelijk gemaakt welke gegevens de overheid gebruikt. Hiervoor is de website gegevensbijbesluiten.overheid.nl ontwikkeld. Hier kunnen burgers en bedrijven per besluit bekijken welke soort gegevens worden gebruikt en tussen welke organisaties de gegevens worden uitgewisseld.

Het kabinet deelt de wens van de fractie van GroenLinks-PvdA dat burgers moeten kunnen zien wie, wanneer en waarom hun persoonlijke gegevens heeft geraadpleegd.14 Een concrete stap die genomen wordt, is het uitwerken van een standaard waarmee de informatie die via de bovengenoemde standaard Logboek Dataverwerkingen beschikbaar komt, gepersonaliseerd bevraagd kan worden en getoond kan worden aan de desbetreffende burger.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66 (mede namens SP-fractie)

Met belangstelling maar ook met enige verbazing hebben de leden van de fractie van D66 kennisgenomen van de brief van de regering over het rapport van de Staatscommissie rechtsstaat. Zij hebben daarover in deze fase de volgende vragen, maar kondigen nu reeds aan dat zij in eventuele vervolg overleggen, al dan niet plenair over de staat van de rechtsstaat, meer in detail op de brief en het rapport van de staatscommissie zullen ingaan.

Het rapport van de staatscommissie dateert van 10 juni 2024. De leden van de fractie van D66 informeren waarom het langer dan een jaar heeft geduurd voordat de regering met een inhoudelijke reactie is gekomen. Alom wordt ervaren dat de rechtsstaat onder druk staat. Een eerdere reactie had toch voor de hand gelegen?

Antwoord

Vanzelfsprekend streeft het kabinet altijd naar een zo spoedig mogelijke reactie op belangrijke rapporten om de Kamer te informeren wat het kabinet gaat doen met de aanbevelingen. Dat een formele reactie van het kabinet nog niet beschikbaar is, wil echter niet zeggen dat de conclusies en aanbevelingen in de tussentijd niet worden opgepakt. Het kabinet heeft het rapport direct al betrokken bij de uitwerking van de afspraken uit het hoofdlijnenakkoord in het regeerprogramma. Daarnaast zijn de aanbevelingen meegenomen in lopende beleidstrajecten. Om tot een formele kabinetsreactie te komen is echter zorgvuldige afstemming tussen de verantwoordelijke bewindspersonen noodzakelijk, en dit heeft de nodige tijd in beslag genomen.

De regering constateert in haar reactie op het adviesrapport dat het vertrouwen van de burgers in de rechtsstaat in Nederland hoog is. De leden van de fractie van D66 vragen u waar deze constatering op is gebaseerd. De regering en de politiek maken onderdeel uit van de democratische rechtsstaat, gebaseerd op de trias politica. Nog nooit is het vertrouwen van de bevolking in de regering en in de Tweede Kamer zo laag geweest. Kunt u hierop reflecteren?

Antwoord

Het kabinet ziet ook, met deze fractie, dat het vertrouwen van mensen in de politiek zeer laag is. Dit is een zorgelijke ontwikkeling en trekken wij ons zeer aan. Het kabinet heeft dan ook alle aanbevelingen van de staatscommissie zorgvuldig overwogen en neemt een flink aantal maatregelen dat (direct) aansluit op de aanbevelingen in het rapport, naast de maatregelen die al in het regeerprogramma zijn aangekondigd. Dit zijn realistische voorstellen die het kabinet waar kan maken. Alleen zo kan het kabinet bouwen aan het vertrouwen van mensen in de overheid.

Tegelijkertijd meent het kabinet dat onze democratische rechtsstaat, zeker in internationaal perspectief, sterk is. Het kabinet ziet bijvoorbeeld de nog steeds hoge positie van Nederland in vergelijking met andere landen op de Corruption Perceptions Index 2024 van Transparency International als een belangrijke indicatie dat Nederland nog altijd goed scoort op vertrouwen in de integriteit van politiek en bestuur.15 Daarnaast wordt de Nederlandse rechtsstaat in het rechtsstaatrapport van de Europese Commissie positief beoordeeld, bijvoorbeeld ten aanzien van de door burgers en bedrijven gepercipieerde onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.16 Ook staat de Nederlandse persvrijheid er volgens de Europese Commissie goed voor. Dit betekent uiteraard niet dat we op onze handen kunnen zitten, maar het kan ons wel helpen onze aandacht te richten op die onderdelen van de democratische rechtsstaat waar verbetering het meest nodig is.

Onder het kopje «We zorgen dat de overheid meer gaat handelen vanuit de principes van de rechtsstaat» beschrijft de regering een aantal goede voornemens. De regering laat haar eigen werkwijze en functioneren hier echter geheel buiten beschouwing, terwijl zij toch in de perceptie van de burgers een blikvanger is. Als voorbeeld noemen de leden van de D66-fractie de gang van zaken rond het wetsvoorstel voor het schrappen van voorrang voor statushouders in de sociale huur. Op 22 september 2025 adviseerde de Raad van State de regering het wetsvoorstel niet in te dienen bij de Tweede Kamer omdat het strijdig is met het recht op gelijke behandeling, door de Grondwet gewaarborgd, en omdat het wetsvoorstel het in de uitvoering voor gemeenten zeer moeilijk maakt om te voldoen aan de wettelijke taakstelling om vergunninghouders te huisvesten. Handelend uit de principes van de rechtsstaat zou men verwachten dat de regering dit advies ter harte neemt, maar Minister Keijzer liet meteen weten dat zij het advies naast zich neerlegt en het wetsvoorstel onverdroten toch bij de Tweede Kamer gaat indienen.

De leden van de fractie van D66 vragen of de regering met dit handelen er niet zelf voor zorgt dat burgers denken dat de regering de Grondwet met voeten treedt. En als dat zo is, waarom zouden de burgers zich dan wel aan de (Grond)wet moeten houden? Genoemde leden vernemen graag een reflectie hierop.

Antwoord

In lijn met de opmerkingen van de leden van de D66-fractie is het kabinet van mening dat het van groot belang is dat de werkwijze van de regering in overeenstemming is met rechtstatelijke principes. Dat behelst bij uitstek dat het kabinet zich aan de Grondwet houdt, zodat daarmee tevens het goede voorbeeld wordt gegeven aan burgers.

Ten aanzien van het wetsvoorstel schrappen voorrang statushouders geldt, dat na zorgvuldige bestudering van het advies van de Raad van State de ministerraad heeft besloten het wetsvoorstel aan te bieden aan de Tweede Kamer. Bij nader rapport is toegelicht en onderbouwd waarom het kabinet vindt dat met dit wetsvoorstel een objectief gerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt en er geen sprake is van strijdigheid met de Grondwet.17

Overigens waarderen de leden van de fractie van D66 het dat de regering ingaat op een aantal aanbevelingen van de staatscommissie en de inzet heeft om de rechtsstaat te versterken. Tegelijkertijd zien deze leden ruimte voor nadere concretisering en verduidelijking van een aantal voorstellen. Daarom hebben zij nog enkele vragen en aandachtspunten bij de uitvoering van de aangekondigde stappen.

De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van het betrekken van burgers bij beleidsontwikkeling en uitvoering, en van een overheid die de menselijke maat centraal stelt. De regering verwijst naar instrumenten zoals het Beleidskompas en de Wet versterking waarborgfunctie Awb. De leden van de D66-fractie zijn benieuwd hoe deze instrumenten in de praktijk zullen bijdragen aan beter beleid, duidelijke communicatie en daadwerkelijke participatie van burgers.

Zij vragen hoe wordt geborgd dat signalen van burgers daadwerkelijk leiden tot aanpassingen in beleid en uitvoering, en op welke manier dit structureel wordt gemonitord. Daarnaast is het volgens genoemde leden relevant welke middelen beschikbaar worden gesteld aan publieke dienstverleners en decentrale overheden om deze signalen effectief op te pakken.

Antwoord

Het Beleidskompas is de centrale werkwijze voor het ontwikkelen van beleid. Het draagt bij aan de versterking van beleidskwaliteit doordat het beleidsambtenaren stimuleert hun werk goed te structureren en na te denken over de impact van het beleid. Het biedt daartoe verschillende, deels ook vernieuwende, methodieken, zoals design thinking en een ontwerpende aanpak. Het Beleidskompas bestaat uit vijf hoofdvragen (zoals «Wat is het probleem?» en «Wat zijn de gevolgen van de verschillende beleidsopties») en één terugkerende centrale vraag: «Wie zijn de belanghebbenden en waarom?». Bij elke stap moet dus worden bekeken welke belanghebbenden betrokken moeten worden zodat de stap samen met belanghebbenden kan worden gezet. Het Beleidskompas bevordert daarmee de vroegtijdige en voortdurende betrokkenheid van belanghebbenden, zoals burgers, (uitvoerings)organisaties en experts in het beleidsvormingsproces. Zo wordt geborgd dat in gezamenlijkheid tot een voorkeursoptie wordt gekomen die aan de bewindspersoon en vervolgens aan de Staten-Generaal kan worden voorgelegd.

Daarnaast zijn monitoring en evaluatie belangrijke onderdelen in het vervolg van de beleidscyclus. Zo is het verplicht om in de toelichting van wets- of beleidsvoorstellen die tot een substantiële beleidswijziging leiden een evaluatieparagraaf op te nemen waarin staat aangegeven of en hoe het voorstel geëvalueerd gaat worden. Daarnaast is evaluatie verplicht voor de thema’s die op de Strategische Evaluatie Agenda staan. Door middel van een invoeringstoets kunnen vroegtijdig signalen van burgers worden opgehaald over de werking van regelgeving in de praktijk. Deze toets is een beknopte bestudering van de werking van nieuwe regelgeving, met bijzondere aandacht voor de gevolgen voor de doelgroep en de uitvoering. De uitkomst van de monitoring en evaluaties kan zijn dat aanpassing van het beleid nodig is. Voor de aanpassing van het beleid is het Beleidskompas weer de aangewezen werkwijze, waarbij de uitkomst kan zijn dat (extra) middelen vrijgemaakt moeten worden om eventuele onvolkomenheden aan te kunnen pakken.

Het conceptvoorstel voor een Wet versterking waarborgfunctie Awb gaat uit van een burgergerichte overheid. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft toegezegd samen met de Minister van BZK de Tweede Kamer over de voortgang van dit wetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2026 te informeren.

Het doenvermogen van burgers, waar het gaat om overheidsbeleid, is van essentieel belang, aldus de leden van de fractie van D66. De Nationale ombudsman constateert in zijn rapporten dat het soms nog steeds schort aan begrijpelijk overheidshandelen.

Hoe is de regering voornemens om bij elk belangrijk voorstel het doenvermogen van burgers mee te wegen? De leden van de D66-fractie vragen dit omdat er meer dan één miljoen ongeletterden in Nederland zijn en uit onderzoek is gebleken dat behoorlijk wat scholieren niet goed kunnen schrijven en rekenen, wanneer zij van school komen. Deze jonge mensen zullen ook te maken krijgen met formulieren en andere handelingen van de overheid.

Antwoord

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid stelde in 2017 dat de overheid naast «begrijpelijke taal» en «financiële prikkels» ook rekening moet houden met «doenvermogen». Doenvermogen is het vermogen om in actie te komen en vol te houden, ook bij stress, levensgebeurtenissen en verleidingen. Het kabinet onderschrijft het grote belang van het betrekken van het doenvermogen van burgers bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid. Begrijpelijk, uitvoerbaar en doenbaar overheidsbeleid gaan niet vanzelf, maar vraagt aanhoudende aandacht. Gedragskennis, en het daaraan gerelateerde (in de tijd variërende) doenvermogen van de burger, zijn onderdeel van rijksbrede werkprocessen zoals het Beleidskompas, de kwaliteitseis Uitvoerbaarheid en Handhaafbaarheid (U&H), de invoeringstoets en is opgenomen in de Handreiking Beleidsevaluaties.18

Het meewegen van het doenvermogen wordt nadrukkelijk verwacht van zowel beleidsmakers als uitvoerders. Met ondersteuning van een gedragsadviseur kunnen beleidsmedewerkers de doenlijkheid van beleid onderzoeken. Zo kan het helpen om de beoogde doelgroep actief te betrekken bij het testen van beleid, bijvoorbeeld via gebruikerstesten, interviews of focusgroepen. Ook kan het waardevol zijn om beleidsmaatregelen vooraf te simuleren, om zo tijdig inzicht te krijgen in mogelijke knelpunten in de uitvoering. Het is daarbij essentieel om na te denken over de ondersteuning en hulpbronnen die burgers nodig hebben om daadwerkelijk te kunnen voldoen aan de eisen die het beleid aan hen stelt. Dit is met name van belang voor mensen met beperkte (digitale) vaardigheden, stressvolle levensomstandigheden of andere vormen van kwetsbaarheid.

De afgelopen jaren is gewerkt aan de implementatie en verbetering van de doenvermogentoets.19 Deze toets is bedoeld om systematisch te beoordelen of voorgenomen beleid realistisch en uitvoerbaar is voor burgers. Deze toets is nadrukkelijk geen eenmalige checklist, maar een doorlopend proces dat zo vroeg mogelijk in het beleidsproces moet worden toegepast, bij voorkeur al in de beleidsvoorbereidingsfase. Recentelijk is de digitale tool vernieuwd die ambtenaren helpt bij het doorlopen van de doenvermogentoets. Daarnaast worden momenteel de uitkomsten uit het evaluatierapport van de kwaliteitseis doenvermogen bestudeerd. Hierin zijn knelpunten gesignaleerd en aanbevelingen gedaan ter verbetering van het gebruik van de kwaliteitseis.20 De kabinetsreactie hierop zal begin volgend jaar aan uw Kamer worden gestuurd.

Door structureel aandacht te blijven besteden aan de doenlijkheid van beleid, streeft het kabinet naar beleid dat niet alleen doelmatig is, maar ook daadwerkelijk werkt in de praktijk.

Voor wat betreft uitvoeringstoetsen bij wetsvoorstellen constateren de leden van de fractie van D66 dat die per wetsvoorstel, per departement kunnen verschillen. Dit maakt het voor de Eerste Kamer lastig de uitvoerbaarheid te beoordelen. Soms wordt er door de regering slechts een zeer korte consultatieperiode aan maatschappelijke organisaties gegund en zijn er helemaal geen toetsen door uitvoeringsorganisaties gedaan dan wel serieus meegenomen in het opstellen van het wetsvoorstel. Saillant voorbeeld is het wetsvoorstel over de asielnoodmaatregelen en het voorstel voor invoering van een twee-statusstelsel. De Eerste Kamer heeft de motie Dittrich c.s. aangenomen dat asielwetsvoorstellen altijd gepaard moeten gaan met een uitvoeringstoets, in casu van de IND en het COA. Dat is niet gebeurd. Hoe verklaart u dit in het licht van de voornemens die in de kabinetsreactie worden geuit? Is de regering alsnog bereid die uitvoeringstoetsen te laten doen en ter beschikking te stellen?

Antwoord

Vanuit het kabinet werkt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) – als coördinerend bewindspersoon voor het programma Werk aan Uitvoering (WaU) – momenteel aan de doorontwikkeling van de uitvoeringstoets. Dat doet zij in nauwe samenwerking met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, die – vanuit zijn algemene verantwoordelijkheid voor het wetgevingskwaliteitsbeleid – onder meer zorgt voor een goede inbedding in het Beleidskompas van kwaliteitseisen en instrumenten, zoals de uitvoeringstoets. In de reactie op uw brief van 7 oktober jl. over uitvoerbaarheidstoetsen is uiteengezet welke acties het kabinet onderneemt om uitvoeringstoetsen te verbeteren.21

Ten aanzien van de vraag over de uitvoeringstoetsen van de genoemde asielwetsvoorstellen verwijzen wij u naar de brief van 23 september jl. van de Minister van Asiel en Migratie en de Minister voor Asiel en Migratie.22 In deze brief is uw Kamer geïnformeerd over een zestal rapportages van ketenbrede uitvoeringstoetsen inzake de wetsvoorstellen invoering tweestatusstelsel en asielnoodmaatregelen.

Een belangrijk aandachtspunt voor de leden van de D66-fractie betreft de vereenvoudiging van beleid, wetgeving en uitvoering. Het kabinet geeft aan dat dit een doorlopende opgave is.

De leden van de D66-fractie zouden graag meer inzicht krijgen in hoe stelsels zoals toeslagen, belastingen en inkomensondersteuning daadwerkelijk eenvoudiger en toegankelijker worden gemaakt, met welke prioriteit dit wordt opgepakt en op welke termijn burgers hier merkbare voordelen van zullen ervaren. Ook vragen zij hoe wordt omgegaan met verantwoorde gegevensuitwisseling tussen overheidsinstanties, zodat burgers niet steeds dezelfde informatie hoeven te verstrekken, zonder dat dit ten koste gaat van privacy en rechtsbescherming.

Antwoord

De samenloop van belastingen, toeslagen en inkomensondersteunende regelingen is erg complex. Dit leidt voor grote groepen mensen tot onzekerheid over hun inkomen en tot onrechtvaardige uitkomsten. Het programma Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voor Mensen heeft in de afgelopen twee jaren uitgewerkt waar de kern van deze complexiteit zit en heeft een aantal oplossingsrichtingen voor vereenvoudiging aangedragen. Het kabinet heeft de opvolging van deze vereenvoudigingsvraagstukken permanent belegd in de Routekaart Hervormingsagenda Inkomensondersteuning23. Deze Hervormingsagenda is een werkagenda voor de sociale zekerheid richting 2035, met een jaarlijks proces richting de budgettaire voorjaarsbesluitvorming. Hierbij werkt het kabinet samen met onder andere gemeenten, sociale partners en publieke dienstverleners stapsgewijs aan verbeteringen. De Hervormingsagenda zet in op zeven sporen, waarin per spoor ambities zijn geformuleerd voor de korte, middellange en lange termijn:

  • 1. Borgen van een toereikend en toegankelijk sociaal minimum.

  • 2. Zekere en begrijpelijke regelingen als vangnet en bij werkloosheid.

  • 3. Vereenvoudiging gegevensdeling, begrippen en overgangsrecht.

  • 4. Een zekere en begrijpelijke regeling voor arbeidsongeschiktheid.

  • 5. Zekere en begrijpelijke financiële ondersteuning voor ouders.

  • 6. Een voorspelbaar inkomen, door het voorkomen en verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen.

  • 7. Betere toeleiding naar werk: via werk in inkomen voorzien.

De precieze uitwerking per traject vindt u terug in bovengenoemde Kamerbrief. Het kabinet zal beide Kamers jaarlijks over de voortgang van de Hervormingsagenda informeren.

Daarnaast is een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel hard nodig. Dit stelsel is vaak onvoorspelbaar, zorgt ervoor dat meer uren werk soms heel weinig oplevert en zorgt voor terugvorderingen die leiden tot financiële onzekerheid bij mensen. Ook voor de uitvoering is het stelsel veel te ingewikkeld. Het is dit demissionaire kabinet niet gelukt om tot een voorstel te komen voor een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel24. Een fundamentele hervorming vergt een integrale weging met een tijdshorizon van bij voorkeur meerdere kabinetsperiodes. Zo’n hervorming heeft ook een prijs: sommige mensen zullen erop achteruitgaan, regelingen kunnen verdwijnen en een hervorming kan geld kosten. Dit vraagt keuzes over afruilen. Hiervoor kan een volgend kabinet putten uit een groot aantal recente rapporten met analyses, concrete bouwstenen en uitgewerkte varianten.

Gegevensuitwisseling tussen overheidsinstanties dient te voldoen aan de eisen uit de AVG. Er zijn verschillende trajecten om verantwoorde gegevensuitwisseling te versterken, bijvoorbeeld het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW. Daarbij zijn waarborgen voor privacy en rechtsbescherming essentieel. Daarnaast wordt bezien of in bepaalde gevallen gebruik kan worden gemaakt van de grondslag «toestemming» voor het verstrekken van persoonsgegevens van mensen in een kwetsbare positie aan andere organisaties, waar deze mensen mogelijk nog niet bekend zijn en zodat zij hulp kunnen krijgen van die organisaties. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft daartoe op haar website enkele uitgangspunten geformuleerd.25

In de Nederlandse Digitaliseringsstrategie is het benutten van data op een verantwoorde manier over overheidslagen heen een belangrijke prioriteit. Het kabinet ziet standaardisatie als een belangrijke stap daarin. Dit wordt opgepakt in het zogeheten federatief datastelsel.

De standaarden worden zodanig toegepast en indien nodig ontwikkeld, vanuit de geldende wettelijke kaders, zodat overheden die aan de standaarden gaan voldoen, daarmee binnen deze wettelijke kaders gegevens kunnen uitwisselen. Privacywetgeving zoals de AVG wordt daarbij als uitgangspunt genomen. De verwachting is dat dit bijdraagt aan de gewenste situatie waarin overheden voor hun taken gegevens van elkaar geleverd krijgen en niet iedere keer bij de burger hoeven uit te vragen. Met deze wijze van gegevensuitwisseling wordt bovendien de basis gelegd voor proactieve dienstverlening aan burgers op maat.

Wat betreft rechtsbescherming en toegang tot recht, benadrukken de leden van de D66-fractie het belang van een sterke en toegankelijke rechtsbescherming, in het bijzonder voor kwetsbare groepen. Het kabinet kondigt investeringen aan in sociaaljuridische dienstverlening en de sociale advocatuur. Genoemde leden vragen hoe wordt verzekerd dat deze middelen effectief bij de groepen terechtkomen die er het meest afhankelijk van zijn en op welke manier wordt gemonitord of deze maatregelen daadwerkelijk leiden tot verbeterde toegang tot recht.

Antwoord

Het kabinet heeft extra geld beschikbaar gesteld om de toegang tot het recht te versterken. Het Juridisch Loket ontvangt een extra subsidie van € 7 miljoen in 2025 en jaarlijks structureel € 14 miljoen vanaf 2026. Deze extra investering is bedoeld om de toegang tot en kwaliteit van rechtshulp te borgen. Ook kan hiermee de ontwikkeling van meer probleemoplossend vermogen van de dienstverlening, zoals in gang gezet in het kader van de stelselvernieuwing rechtsbijstand, structureel geïmplementeerd worden. Daarnaast is er vanaf 2025 € 400.000 extra subsidie beschikbaar gesteld voor professionalisering van de rechtswinkels. Rechtswinkels zijn een waardevolle aanvulling op de rechtshulp die het Juridisch Loket en sociaal raadslieden aanbieden. Met de extra subsidies kunnen het Juridisch Loket en de rechtswinkels meer rechtzoekenden beter helpen. Rechtzoekenden zijn op deze manier direct gebaat bij de extra subsidies. Er is een Kenniscentrum ingericht bij de Raad voor Rechtsbijstand om de werking van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand te monitoren.

Per 2027 is er structureel € 30 miljoen aan extra middelen beschikbaar voor de sociale advocatuur. Hiermee wordt het merendeel van de aanbevelingen van de Commissie-Van der Meer II bekostigd, waardoor de vergoedingen op peil worden gebracht. Binnen de begroting van JenV zijn er voor 2026 incidentele middelen gevonden om hierop te anticiperen. De aanbevelingen worden op dit moment verwerkt in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, welke aanpassingen beoogd zijn om per 1 februari 2026 in werking te treden. Hiermee komen deze middelen direct bij de sociale advocatuur terecht. Monitoring vindt plaats aan de hand van begrotingsartikel 32 Rechtspleging en rechtsbijstand. De herijking van de vergoedingen zodat die een redelijke beloning opleveren kan niet los worden gezien van andere maatregelen die in gang zijn gezet om de aanwas van de sociale advocatuur op peil te brengen en houden. Ook die maatregelen worden gemonitord.

De leden van de D66-fractie benadrukken dat de rechtsstaat er voor álle burgers moet zijn. Tegelijkertijd constateren zij dat structurele ongelijkheden en institutionele discriminatie de rechtsstaat onder druk zetten. De toeslagenaffaire is daar natuurlijk een sprekend voorbeeld van: een situatie waarin burgers onvoldoende bescherming kregen en ongelijk werden behandeld. De leden vragen u uiteen te zetten hoe dergelijke ongelijkheden en patronen van institutionele discriminatie in de toekomst worden doorbroken, welke concrete maatregelen daartoe worden genomen en hoe wordt geborgd dat beleid en uitvoering in de praktijk leiden tot gelijke rechtsbescherming voor iedereen.

Antwoord

De aanpak van patronen van ongelijkheid en de bestrijding van institutionele discriminatie heeft op diverse manieren de aandacht van het kabinet:

  • De discriminatietoets is steviger verankerd in de herziene Handreiking constitutionele toetsing die binnenkort ook aan de beide Kamers zal worden toegezonden. Net als de vorige editie is de Handreiking opgenomen in het Beleidskompas, waardoor zij een vast onderdeel vormt van de voorbereidende fase van wet- en regelgeving. Met een verscherpte aandacht voor de discriminatietoets wordt beoogd discriminerende effecten in nieuw beleid en wetgeving te voorkomen.

  • Het toetsingskader voor het voorkomen van etnisch profileren bij het gebruik van risicoprofielen van het College voor de rechten van de mens is in januari 2025 herzien en wordt momenteel breed onder de aandacht gebracht.

  • Er zijn trainingen gegeven aan gemeenten en gemeentelijke uitvoeringsorganisaties over institutioneel racisme en etnisch profileren.

  • Binnen de digitale sfeer zijn we bezig met een algoritmekader, hebben we afspraken gemaakt over het doen van een mensenrechtentoets voor hoog-risico AI systemen, ontwikkelen we een discriminatieprotocol en houden we een algoritmeregister bij.

  • Daarnaast zijn we bezig met een onderzoek naar het uitbreiden van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) met (vormen van) eenzijdig overheidshandelen.

  • Ook tegen institutioneel racisme op de werkvloer van het Rijk neemt het kabinet actie. De inspanningen van «Rijk voor Iedereen» worden voortgezet en versterkt met een gecoördineerde interdepartementale aanpak. Daartoe is in 2023 het Interdepartementaal Netwerk Aanpak Racisme opgericht.

Daarnaast is de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme ingesteld om een doorlichting uit te voeren naar de werkwijze en organisatiecultuur van alle (semi) overheidsinstanties en uitvoeringsinstanties als het gaat om discriminatie en etnisch profileren en de overheid te adviseren over de verbetering van beleid, wet- en regelgeving, met als doel om discriminatie en racisme tegen te gaan.

Voor de doorlichting heeft de staatscommissie de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening (DPD) ontwikkeld, waarmee overheidsorganisaties zelf risico’s op discriminatie en racisme in hun dienstverlening kunnen identificeren en aanpakken. De staatscommissie heeft hierover op 13 februari 2025 een voortgangsrapportage gepubliceerd.12 Op 3 november jl. is de DPD gelanceerd met een bijbehorende website www.discriminatietoets.nl, waar de toets voor iedereen beschikbaar is. Daarnaast ontwikkelt de staatscommissie op verzoek vanuit de departementen ook een discriminatietoets voor beleidsmakers en een DPD voor de Caribische gemeenten. Mede naar aanleiding van de motie-Van Nispen om regie te nemen bij de implementatie van deze toets, voert het Ministerie van BZK gesprekken met andere departementen en uitvoeringsorganisaties over waar en hoe de toets het beste kan landen en hoe wij hier vervolg aan kunnen geven.

Daarnaast heeft de staatscommissie op 4 september 2025 haar vierde voorgangsrapport uitgebracht over de gelijkheidsplicht publieke sector.13 De staatscommissie pleit daarin voor een plicht voor overheidsinstanties om bij hun taakuitoefening altijd rekening te houden met gelijkheid. Dit gebeurt door vanaf het begin te toetsen of wetgeving, beleid en uitvoering eerlijke uitkomsten opleveren – en waar nodig bij te sturen. De staatscommissie onderzocht hoe dat in andere landen werkt waar zo’n wettelijke plicht al bestaat, zoals in het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Voor Nederland presenteert de staatscommissie drie mogelijke varianten van zo’n wettelijke plicht. Voor de verdere uitwerking van de plicht gaat de staatscommissie in gesprek met betrokken organisaties. Het Ministerie van BZK zal hierbij aansluiten.

Ten slotte onderstrepen de leden van D66-fractie het belang van rechtsstatelijk leiderschap en een bestuurscultuur waarin rechtsstatelijke waarden structureel worden verankerd. Zij vragen welke concrete stappen de regering zet om een duurzame rechtsstaatagenda binnen de overheid te realiseren, hoe deze agenda in de dagelijkse praktijk van beleid en uitvoering zichtbaar wordt?

Antwoord

Het kabinet is niet voornemens een aparte rechtsstaatagenda op te stellen, maar de voorstellen waar dit kabinet aan werkt staan wel in het teken van de versterking van de democratische rechtsstaat. Het kabinet heeft het rapport betrokken bij de uitwerking van de afspraken uit het hoofdlijnenakkoord in het regeerprogramma. Daar zijn de acties aan toegevoegd die worden aangekondigd in de reactie op het rapport van de staatscommissie en in de reacties op andere rapporten, zoals van de Parlementaire Enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening (PEFD), de Venetië Commissie en de Raad Openbaar Bestuur. De acties raken vele beleidsterreinen die door verschillende bewindspersonen worden opgepakt en zij zullen het parlement binnen hun portefeuilles informeren over de voortgang. Tevens is aan de Tweede Kamer toegezegd jaarlijks een rapportage te sturen over voortgang van het oppakken van de aanbevelingen van de PEFD.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A.C.L. Rutte

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M.L.J. Paul


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2023/24, 29 279, Y.

X Noot
4

Kamerstukken I 2024/25, 29 279, AC.

X Noot
5

Zie Website van de Eerste Kamer (de brief is nog niet als Kamerstuk gepubliceerd).

X Noot
6

Kamerstukken I 2024/25 31 731, T; Kamerstukken I 2024/25 31 731, U.

X Noot
7

Wet aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit in detentie (36 372) en de amendementen nrs. 9, 10 en 12; Wet Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de Wet op de Raad van State en enige andere wetten in verband met enkele wijzigingen in het belang van integere, onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak, alsmede de regeling van enige andere onderwerpen (36 243) en de amendementen nrs. 8 en 9; Wijziging van de vreemdelingenwet 2000 en de algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de asielinstroom te verminderen (36 704) en het amendement nr. 44; Versterking regie volkshuisvesting (36 512) en amendement nr. 30.

X Noot
8

WODC-onderzoek, Continuïteit in de bekostiging van politie, openbaar ministerie en rechtspraak, maart 2021.

X Noot
9

Kamerstukken I, 2019/20, 35 300, C.

X Noot
11

Raad van State: Advies over wetsvoorstel voor verbod op voorrang statushouders (22 september 2025).

X Noot
12

Kamerstukken I 2024/25, 36 600 XX, K.

X Noot
13

Kamerstukken II 2024/25, 26 643, nr. 1366.

X Noot
14

Zie aanvullend hiervoor ook de kabinetsreactie op het rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening (PEFD). Kamerstukken II 2024/25, 35 867, nr. 13, p. 10.

X Noot
17

Kamerstukken II 2025/26, 36 831, nr. 4.

X Noot
18

Kamerstukken II 2017/18, 34 775 VI, nr. 88 en nr. 113.

X Noot
19

Raadpleegbaar via www.doenvermogentoets.nl.

X Noot
20

Kamerstukken II 2025/26, 36 800 VI, nr. 8.

X Noot
21

Kamerstukken I 2025/26, 31 731, AA.

X Noot
22

Kamerstukken I 2025/26, 36 703, B en Kamerstukken I 2025/26, 36 704.

X Noot
23

Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 849.

X Noot
24

Kamerstukken II 2025/26, 32 140, nr. 280.


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2023/24, 29 279, Y.

X Noot
4

Kamerstukken I 2024/25, 29 279, AC.

X Noot
5

Zie Website van de Eerste Kamer (de brief is nog niet als Kamerstuk gepubliceerd).

X Noot
6

Kamerstukken I 2024/25 31 731, T; Kamerstukken I 2024/25 31 731, U.

X Noot
7

Wet aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit in detentie (36 372) en de amendementen nrs. 9, 10 en 12; Wet Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de Wet op de Raad van State en enige andere wetten in verband met enkele wijzigingen in het belang van integere, onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak, alsmede de regeling van enige andere onderwerpen (36 243) en de amendementen nrs. 8 en 9; Wijziging van de vreemdelingenwet 2000 en de algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de asielinstroom te verminderen (36 704) en het amendement nr. 44; Versterking regie volkshuisvesting (36 512) en amendement nr. 30.

X Noot
8

WODC-onderzoek, Continuïteit in de bekostiging van politie, openbaar ministerie en rechtspraak, maart 2021.

X Noot
9

Kamerstukken I, 2019/20, 35 300, C.

X Noot
11

Raad van State: Advies over wetsvoorstel voor verbod op voorrang statushouders (22 september 2025).

X Noot
12

Kamerstukken I 2024/25, 36 600 XX, K.

X Noot
13

Kamerstukken II 2024/25, 26 643, nr. 1366.

X Noot
14

Zie aanvullend hiervoor ook de kabinetsreactie op het rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening (PEFD). Kamerstukken II 2024/25, 35 867, nr. 13, p. 10.

X Noot
17

Kamerstukken II 2025/26, 36 831, nr. 4.

X Noot
18

Kamerstukken II 2017/18, 34 775 VI, nr. 88 en nr. 113.

X Noot
19

Raadpleegbaar via www.doenvermogentoets.nl.

X Noot
20

Kamerstukken II 2025/26, 36 800 VI, nr. 8.

X Noot
21

Kamerstukken I 2025/26, 31 731, AA.

X Noot
22

Kamerstukken I 2025/26, 36 703, B en Kamerstukken I 2025/26, 36 704.

X Noot
23

Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 849.

X Noot
24

Kamerstukken II 2025/26, 32 140, nr. 280.

Naar boven