Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202029279 nr. 607

29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Nr. 607 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 13 juli 2020

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister voor Rechtsbescherming over de brief van 4 februari 2020 over het rapport «Tussen ambt en markt» van de Commissie herijking tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Kamerstukken 29 279 en 24 515, nr. 574).

De vragen en opmerkingen zijn op 20 maart 2020 aan de Minister voor Rechtsbescherming voorgelegd. Bij brief van 8 juli 2020 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Van Meenen

De adjunct-griffier van de commissie, Tielens-Tripels

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie waarderen uw reactie op het rapport «Tussen ambt en markt». Zij spreken tevens waardering uit voor het verbieden van prijsafspraken tussen de gerechtsdeurwaarder en opdrachtgever die de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder in gevaar brengen. Deze leden hebben dan ook slechts een enkele vraag. Wanneer verwacht u de overgenomen aanbevelingen van de Commissie herijking tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Commissie Oskam) door te kunnen voeren?

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op het rapport «Tussen ambt en markt» van de Commissie Oskam. Zij willen steun uitspreken voor de maatregelen die u neemt ten aanzien van de gerechtsdeurwaarderssector. De zogenaamde kickbackfees zijn een onbedoeld neveneffect van het huidige stelsel. Deze vorm van prijsafspraken zorgen ervoor dat gerechtsdeurwaarders aangezet worden tot het uiterste te gaan en laat de schuldeiser geen of zeer weinig kostenrisico lopen. Deze leden achten dat onwenselijk en zijn daarom ook tevreden met de aangekondigde maatregel op dit vlak. Deze leden hebben nog wel vragen over de kabinetsreactie.

De leden van de D66-fractie zijn verheugd over het voornemen conform de aanbeveling van de Commissie Oskam de wet- en regelgeving dusdanig aan te passen dat kickbackfees verboden worden. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de motie van het lid Van Weyenberg c.s. (Kamerstuk 24 515, nr. 508). Deze leden lezen dat u zo spoedig mogelijk in verder overleg treedt met de betrokken stakeholders. Zij vragen wanneer dit overleg plaatsvindt en wanneer de noodzakelijke wijzigingen in de wet- en regelgeving gereed zijn? Welk tijdpad hanteert u voor de aanpassing van de wet- en regelgeving en bent u bereid de Kamer over de voortgang daarvan te informeren?

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief over het rapport «Tussen ambt en markt» van de Commissie herijking tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Zij hebben over dit rapport en de kritiek van de toezichthouder op dit rapport al eerder schriftelijke vragen gesteld, maar maken van deze mogelijkheid graag gebruik om aanvullende vragen te stellen over het rapport en de kabinetsreactie daarop. Voornoemde leden zijn verheugd te lezen dat u bereid bent de kickback fees te verbieden. Deze leden vragen nog wel wanneer dit voornemen ook daadwerkelijk in een algemene maatregel van bestuur zal zijn vervat. Kan dit zo snel mogelijk geregeld worden?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie op het rapport «Tussen ambt en markt» van de Commissie herijking tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Genoemde leden hebben oog voor de ingewikkelde situatie waarin mensen met schulden zich bevinden. Het niet onevenredig oplopen van de schulden, is dan ook een belangrijk uitgangspunt bij de inning. Derhalve vragen deze leden wat de geschetste maatregelen nu in de praktijk zullen gaan betekenen voor schuldenaren? Hoe wordt geborgd dat de maximale incassokosten die in rekening mogen worden gebracht, worden gehandhaafd en of het minimumbedrag omlaag kan, conform de uitgangspunten van het regeerakkoord?

De aan het woord zijnde leden constateren dat de kabinetsreactie meer dan zes maanden op zich heeft laten wachten, terwijl de intentie was in het najaar een reactie de Kamer te doen toekomen. Wat is de reden van deze vertraging geweest? Deelt u de noodzaak de geschetste maatregelen voortvarend ter hand te nemen? Kunt u daarom een overzicht geven van de nu voorgestelde maatregelen met een bijbehorend tijdpad? In het bijzonder vragen voorgenoemde leden dit waar het verbod op de kickback-fee betreft. Op welke termijn wordt in overleg getreden met betrokken stakeholders? Welke uitgangspunten hanteert de regering hierbij en wanneer kan de Kamer een voorstel tegemoetzien?

2. Kostprijs en indexering

De leden van de CDA-fractie constateren dat u in lijn met het advies van de Commissie Oskam aanpassingen zal doen aan de schuldenaarstarieven en het bezien van de indexeringsbepaling in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag). U geeft aan dat het verhoogde schuldenaarstarief hoe dan ook een extra drempel is voor de schuldenaar. Is dat voor u een goede reden het tarief dan maar te verhogen? Ook zijn deze leden benieuwd naar de vorderingen op het terrein van de indexeringsbepaling in het Btag.

De leden van de SP-fractie zijn blij met het voornemen tot een herijking van de schuldenaarstarieven te komen. Dit is hoognodig, na een jarenlange kaalslag door te lage indexering. Toch begrijpen voornoemde leden dat deze herijking nog niet heeft plaatsgevonden. Wanneer denkt u de tarieven daadwerkelijk aan te passen? Waarom zegt u niet toe periodiek te tarieven tegen het licht te houden en zo nodig te herzien? Bent u alsnog bereid deze toezegging te doen en bent u bereid opnieuw te kijken of alle door de deurwaarder uitgevoerde werkzaamheden wel allemaal vergoed worden?

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat wordt gesteld dat de tariefsverhoging voor schuldenaren in nominale zin is te overzien. Terecht wordt daarbij opgemerkt dat voor schuldenaren die al in de schulden zitten of om andere redenen moeite hebben om de rekening te betalen, het verhogen van een schuldenaarstarief een extra drempel betekent. Hoe ziet u de volgordelijkheid van de tariefsverhoging voor zich in relatie tot maatregelen om perverse prijsafspraken te voorkomen?

3. Opleiding en Toekomstperspectief

De leden van de CDA-fractie lezen in het rapport van de Commissie Oskam dat in 2018 het aantal verrichte ambtshandelingen is gedaald met 35% ten opzichte van 2016. Deze leden begrijpen dat een (groot) deel van deze daling het gevolg is van betere omgang met schulden, eerder inzetten van schuldhulpverlening en betalingsregelingen en dat daarmee er veel maatschappelijke kosten worden bespaard, iets dat gerechtsdeurwaarders zelf ook ondersteunen. Deze leden vragen de hoe hiermee wordt omgegaan op de lange termijn voor wat betreft de gerechtsdeurwaarders, naast de aanpassingen die beloofd worden in de tarifering. Houdt u er rekening mee dat een krimpende markt ook tot gevolg zal hebben dat het aantal actieve gerechtsdeurwaarders(kantoren) zal krimpen?

De leden van de SP-fractie vragen of inzicht kan worden gegeven in de aantallen deurwaarders door de jaren heen. Klopt het dat op dit moment veel, ook jonge deurwaarders, het vak verlaten? Klopt het dat de opleiding vrijwel opgedroogd is en dreigt te verdwijnen? Kunt u uiteenzetten hoeveel mensen de opleiding tot gerechtsdeurwaarder volgen en hoe zich dit afzet tegenover de afgelopen 20 jaar?

De aan het woord zijnde leden vragen of u inziet dat er de afgelopen jaren dusdanig veel bezuinigd is, tarieven die niet zijn meegestegen met de kosten die gemaakt moeten worden, op gerechtsdeurwaarders dat kantoren, die zelf ook al jaren bezuinigen op uitgaven niet kunnen voorkomen dat er verliezen gedraaid worden? Waarom zouden mensen volgens u op dit moment nog gerechtsdeurwaarder willen worden? Kunt u verduidelijken wat het gevolg is van een dalend aantal gerechtsdeurwaarders? Wie gaat het werk uitvoeren als het deurwaarderskorps gaandeweg verdwijnt?

4. Kritiek op marktwerking

De leden van de SP-fractie zouden graag eerst kort stil willen staan bij de situatie vóór 2001, toen er nog geen marktwerking was en de contractuele relaties tussen crediteur en debiteur en deurwaarder en crediteur duidelijk waren. De incasso- en proceskosten werden voor rekening en risico van de crediteur gemaakt en op een juridische grond, meestal ten titel van schade, gevorderd van de debiteur. De gerechtsdeurwaarder speelde tussen die partijen een onafhankelijke rol. De gerechtsdeurwaarder declareerde immers zijn kosten bij zijn opdrachtgever (de crediteur), los van de vraag of laatstgenoemde die kosten ook daadwerkelijk van zijn debiteur kon terugvorderen. Het gevolg van 20 jaar marktwerking, zo concluderen de leden van de SP-fractie, is een directe en uiterst ongewenste verschuiving van het kostenrisico van de crediteur naar de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder, als openbaar ambtenaar belast met het uitoefenen van overheidsmacht, heeft daarmee een onmiddellijk eigen belang gekregen bij de uitkomsten van het incassowerk dat hij uitvoert. Acht u dit wenselijk? Hoe zou u het vinden als het loon van een politieagent bepaald zou worden naarmate hij boetes uitdeelt? Dit is toch een uiterst vreemde situatie? Graag een uitgebreide reactie.

Het gevolg van het verschuiven van het kostenrisico is dat schuldeisers, vooral de grote en invloedrijke, dankzij de concurrentie hun financiële risico fors hebben weten terug te dringen. In veel, zo niet de meeste gevallen is voor hen het incassowerk gratis of zelfs lucratief. Acht u dat een wenselijke ontwikkeling? Kunt u stilstaan bij de rol van de overheid als een van de grootste schuldeisers? Is de overheid niet één van de grootste veroorzakers van de problemen bij deurwaarderskantoren door te hoge garantierendementen te vragen? In antwoord op eerdergenoemde schriftelijke vragen gaf u onomwonden aan dat de beslissing om van de gerechtsdeurwaarderssector begin dit millennium een markt te maken, een principiële keuze was en dus niet eentje die gestaafd werd door bewijs dat marktwerking de deurwaarders, de schuldeisers en de schuldenaars ook daadwerkelijk ten goede zou komen. Kan worden verduidelijkt waarom nu toch wordt vastgehouden aan de keuze de gerechtsdeurwaarderssector een markt te laten zijn, terwijl kan worden geconstateerd dat de marktwerking heeft geleid tot diverse perverse prikkels, zoals de zogenaamde kickback fee, maar ook het feit dat het voor de deurwaarder gunstig is om veel kosten te maken die de schuldenaar moet betalen, terwijl die schuldenaar daar niets over te zeggen heeft? Botsen de termen «maatschappelijk verantwoord incasseren» en «marktwerking» niet altijd met elkaar?

De leden van de SP-fractie vragen of nieuw onderzoek naar de effecten van marktwerking in de deurwaarderssector niet op zijn plaats is, omdat zelfs de commissie constateerde dat zij op basis van de bestaande onderzoeken niet kan concluderen of marktwerking wel of niet wenselijk is?

De aan het woord zijnde leden hebben onlangs een aanbestedingsdocument ingezien van Coöperatie Parkeer Service U.A., een overheidscoöperatie ten aanzien van de naheffing van parkeerbelastingen. Voor deze aanbesteding gold, zo staat in het document, het gunningscriterium «Economisch Meest Voordelig Inschrijving». De partij die de laagste totale jaarprijs biedt voor de invordering van naheffingsaanslagen krijgt de maximale te behalen aantal punten. Nergens worden punten toegekend voor maatschappelijk verantwoord incasseren. Voorts moet de gegunde partij maar liefst een rendement van 95% behalen, binnen zes maanden. Doet zij dat niet, dan dient de gegunde partij zélf het verschil tussen het behaalde rendement en die 95% te vergoeden. Deze leden horen heel graag hoe een deurwaarder met dit eisenpakket nog maatschappelijk verantwoord zijn werk kan doen. Vindt u het zelf nog te verantwoorden dat een overheidsinstantie zich tot dergelijke eisen verlaagt, rekening houdend met de Rijksincassovisie en brede aanpak van problematische schulden? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u doen dit soort praktijken nu een halt toe te roepen en in de toekomst te voorkomen?

5. Toezichthouder

De leden van de SP-fractie hebben inmiddels kunnen vernemen dat de bevindingen van de commissie leidend zijn geweest in de te nemen maatregelen aangaande de gerechtsdeurwaarderssector en dus niet de bevindingen van de onafhankelijke toezichthouder. Dit bevreemdt deze leden. Wat is het nut van een toezichthouder als bijvoorbeeld de kritiek op de marktwerking in de sector niet wordt overgenomen door de Minister?

6. Betalingsregeling overeenkomen

De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat een deurwaarder voor een overeengekomen betalingsregeling nadat een executoriale titel is verkregen géén vergoeding krijgt voor haar bemiddelende rol bij die overeengekomen betalingsregeling? Als dat klopt, waarom is dit dan zo? Van een deurwaarder mag toch verwacht worden dat hij maatschappelijk verantwoord incasseert? Waarom wordt hij dan niet beloond als hij zich inzet tot een verantwoorde betalingsregeling te komen, ook al is dat nadat een executoriale titel is verkregen?

7. Vergoeding voor een beslag op roerende zaken

De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat wanneer een deurwaarder een eerste keer geen beslag kan leggen, de daarmee verband houdende inspanningen niet worden gehonoreerd, en dat zo blijft als de actie niet wordt vervolgd, bijvoorbeeld omdat de deurwaarder constateert dat een beslag niet zinvol is? Klopt het dat de deurwaarder pas bij een volgende succesvolle beslagpoging wordt beloond voor het eerste bezoek? Waarom acht u het rechtvaardig dat er dus een systeem is wat erop neerkomt dat er of een vergeefse en onbetaalde eerste beslagpoging gedaan wordt óf een deurwaarder dubbele werkzaamheden verricht tegen anderhalve vergoeding? Gaat hier geen perverse prikkel van uit, doordat de werkzaamheden alleen vergoed worden bij maximale inspanningen van de kant van de deurwaarder? Bent u bereid dit systeem te herzien? Zo nee, waarom niet?

8. Vergoeding exploten onder toevoeging

De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat in zaken waarin sprake is van een toevoeging en het geïnde bedrag onvoldoende is om daaruit de kosten van de ambtshandeling te betalen, de staat slechts 75% van het BTAG-tarief vergoed? Waarom vergoedt de staat niet 100%? Kan dit uitgebreid worden gemotiveerd?

II. Reactie van de Minister voor Rechtsbescherming

1. Voortgang nadere uitwerking maatregelen inzake prijsafspraken en tarifering

Door de leden van VVD, D66, SP, ChristenUnie en CDA is gevraagd naar de voortgang en het tijdpad behorend bij de nadere uitwerking van de maatregelen in wet -en regelgeving inzake de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder, zoals aangekondigd in de beleidsreactie van 4 februari 2020 op het rapport van de Commissie herijking tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (hierna: de commissie).1 Daarbij wordt door diverse partijen het belang benadrukt om dit onderwerp voortvarend op te pakken. Zoals blijkt uit mijn beleidsreactie op het rapport van de commissie en de daaropvolgende beantwoording van vragen van uw Kamer van 21 april 2020 inzake agressie en geweld tegen deurwaarders2, herken ik dat belang en werk ik daarom de benodigde regelgeving – een algemene maatregel van bestuur – op dit moment nader uit. Inmiddels heb ik de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) op 10 februari 2020 mijn goedkeuring verleend op de verordening grenzen tariefmodellen. Hoewel ik van mening ben dat het noodzakelijk en gewenst is dat dergelijke regels over de positie van de gerechtsdeurwaarder bij regels van de centrale overheid worden gesteld, kreeg ik een verordening voorgelegd die inhoudelijk aansluit bij wat ik voor ogen heb ten aanzien van de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder.

Mijn verwachting is – en dat is ook het onderwerp van de gesprekken die ik voer met de KBvG – dat inwerkingtreding van deze verordening echter niet, of slechts voor een zeer korte periode ter overbrugging tot de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, nodig zal zijn aangezien op dat moment de algemene maatregel van bestuur de kaders schept voor geoorloofde prijsafspraken om zodoende ongewenste prijsafspraken tegen te gaan.

Door de samenloop tussen mijn eigen rol en de rol van de KBvG als publiekrechtelijke beroepsorganisatie (PBO) hecht ik eraan de rolverdeling toe te lichten. Vooropgesteld is het zo dat dat de systeemverantwoordelijkheid voor het totale stelsel berust bij de Minister voor Rechtsbescherming. De kaders waarbinnen gerechtsdeurwaarders en de KBvG taken verrichten zijn vastgelegd in de Gerechtsdeurwaarderswet. In deze wet wordt de taak «tot de bevordering van een goede beroepsuitoefening door de leden en hun vakbekwaamheid» aan de KBvG toegekend en kan men hiertoe binnen de kaders van de wet bindende regels stellen. Het staat buiten kijf dat de goede beroepsuitoefening en het borgen van de onafhankelijke positie van de deurwaarder nauw met elkaar samenvallen en ultimo bijdragen aan de positie van zowel schuldenaar als schuldeiser. Zoals ik heb aangegeven in de brief van 21 april jl. is de onafhankelijkheid die de gerechtsdeurwaarder bij zijn ambtelijke taken in acht heeft te nemen, verankerd in artikel 12a van de Gerechtsdeurwaarderswet. Daarbij is de bevoegdheid gegeven om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over die onafhankelijke positie.

Door de samenloop met een verordening en het belang van zorgvuldig handelen daarbij, is het opstellen van de beleidsreactie een complexere opgave geworden dan vooraf was voorzien. Daarmee is de beleidsreactie later aan uw Kamer aangeboden dan oorspronkelijk beoogd. Ik benadruk daarbij dat de KBvG met het indienen van de verordening een eerste stap heeft gezet om paal en perk te stellen aan tariefmodellen die de onafhankelijke positie van de deurwaarder in het nauw kunnen brengen. Ik ben in de beantwoording van 5 november 2019 van de onderwijl door uw Kamer gestelde schriftelijke vragen van het lid Van Nispen reeds ingegaan op de eerste contouren van mijn beleidsreactie.3 En thans werk ik die reactie verder uit. Daarbij betrek ik ook de meest betrokken stakeholders. Op deze wijze hoop ik dat in het najaar van 2020 een algemene maatregel van bestuur in procedure kan worden gebracht zodat deze medio 2021 in werking kan treden. Uw Kamer ontvangt de algemene maatregel van bestuur ook via de voorhangprocedure.

In antwoord op uw vraag over de volgordelijkheid, kan ik bevestigen dat de aanpassingen aan het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag), gelijktijdig met de regels over prijsafspraken van kracht worden om zo beiden integraal van toepassing te laten zijn en daarmee het beoogde effect te bereiken. Ik wil deze trajecten in samenhang met elkaar oppakken. In antwoord op uw vragen over het betrekken van stakeholders laat ik u weten dat alvorens de algemene maatregel van bestuur wordt voorgelegd aan uw Kamer, deze in consultatie zal worden gebracht. Zo krijgen stakeholders de gelegenheid te reageren. In het licht hiervan is mij gevraagd om de toezegging te doen om de tarieven periodiek tegen het licht te houden. Jaarlijks worden de tarieven bijgesteld aan ontwikkelingen in loon- en prijspeil. Daarnaast ben ik voornemens nu eenmalig een herijking in de tarieven door te voeren. Ik acht het dan ook niet nodig om daarnaast nog een andere toezegging aangaande de tarieven te doen.

Tevens is door de leden van het CDA benadrukt dat de sector aan verandering onderhevig is. Mij is gevraagd hoe ik daar op de langere termijn mee wil omgaan. Ik herken de veranderingen en voor zover de daling van de volumes op bepaalde vlakken samenhangen met bijvoorbeeld het treffen van vroegtijdige betalingsregelingen juich ik dat ook toe. Naast de ontwikkelingen in de sector zelf, heeft onze maatschappij zich in korte tijd moeten aanpassen aan veranderingen door de COVID-19-crisis. In het licht van deze recente ontwikkelingen ben ik terughoudend om conclusies voor de komende jaren te trekken, omdat de economische gevolgen lastig te overzien zijn. Ik zal echter in nauw contact blijven met de sector over de ontwikkelingen en waar nodig met de sector bezien welke maatregelen nodig zijn op de korte en middellange termijn. Dit vergt nauw contact met zowel de toezichthouder als de KBvG om vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid steeds op basis van de dialoog met de sector te komen tot de juiste prioriteiten en waar nodig met de sector bezien welke maatregelen nodig zijn.

Door diverse partijen is ingegaan op de drempel die ontstaat voor schuldenaars door middel van hogere tarieven. Het is inderdaad zo dat hogere tarieven de schuldenaar raken. Echter, het is ook zo dat niet-betaalde vorderingen de schuldeiser raken. Het is redelijk dat de schuldenaar aan de schuldeiser de kosten vergoedt die gemaakt worden om de rekening (alsnog) betaald te krijgen. Daarnaast kan de dreiging die uitgaat van extra kosten in het vervolgtraject, ook een prikkel vormen voor de schuldenaar om te betalen. Deze prikkel zal de vroegtijdige betalingsbereidheid verhogen. Het is in het belang van zowel schuldeiser en schuldenaar om binnen het stelsel in deze verschillende waarden een goede balans te vinden. In de afweging tussen de belangen van de schuldenaar en die van opdrachtgever is het redelijk dat de verhaalbare tarieven de generieke kostenontwikkelingen volgen. Daarop zijn de aangekondigde tariefwijzigingen in het Btag gestoeld. Dat dient ook het maatschappelijk belang, omdat gerechtsdeurwaarders dan in principe een ordelijke kostendekking in het vooruitzicht wordt gesteld. Daarbij heeft de gerechtsdeurwaarder een belangrijke en onafhankelijke rol. Hun opdrachtgevers kunnen die kosten immers op grond van artikel 434a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verhalen.

Daar komt bij dat met het verbod op ongewenste prijsafspraken dat zoals ik hiervoor al aangaf tegelijkertijd met de tariefsverhoging zal worden geregeld, onnodige ambtshandelingen worden voorkomen. Zoals de leden van de ChristenUnie aangeven is het niet onevenredig oplopen van de schulden, dan ook een belangrijk uitgangspunt bij de inning. In antwoord op de vraag van deze leden zal juist de combinatie van de maatregelen de door diverse partijen geadresseerde drempel voor de schuldenaren verlagen. Naast deze maatregelen bereid ik ook een wetsvoorstel voor dat de kwaliteit van de incassodienstverlening zal vergroten. In dat wetsvoorstel wordt naast de introductie van een incassoregister ook een maatregel voorgesteld die mogelijk negatieve aspecten die zich kunnen voordoen bij de cumulatie van incassokosten tegengaan. Zie in dat verband ook de brief van 8 februari 2019 aan uw Kamer.4

2. Opleiding en toekomstperspectief

Door de leden van het CDA is mij gevraagd of ik er rekening mee houd dat het aantal gerechtsdeurwaarderskantoren krimpt door de afname van de markt. Op dit onderwerp heb ik gereflecteerd in mijn beantwoording van 21 april jl. op vragen van uw Kamer inzake agressie en geweld tegen deurwaarders. Zoals de KBvG reeds in haar Jaarverslag over 2019 aangaf beslaat de sector thans circa 730 gerechtsdeurwaarders en vertoont het aantal ambtshandelingen een dalende trend. Uiteraard merk ik daarbij op dat dit aantal de komende jaren door gewijzigde economische omstandigheden aan verandering onderhevig kan zijn en dat tegelijkertijd in algemene zin de sector aan ontwikkelingen onderhevig is. Hierbij denk ik aan digitalisering. Ik herhaal daarbij dat ik zie dat de sector voldoende ondernemersgeest heeft om op deze gewijzigde omstandigheden in te kunnen spelen en dat juist de efficiency de afgelopen jaren is toegenomen, waardoor er ondanks een nog steeds hoge vraag (circa twee miljoen ambtshandelingen op jaarbasis) minder behoefte is aan gerechtsdeurwaarders. De stellingname dat bezuinigingen niet hebben kunnen voorkomen dat er verliezen worden gedraaid, herken ik dan ook niet.

In antwoord op de vragen van de SP, verwijs ik eveneens naar mijn beantwoording van 21 april jl. waarin ik heb aangegeven dat het een feit is dat de instroom is verminderd. Er is daarbij geen sprake van het opdrogen van de instroom. Zo volgen thans 13 mensen de beroepsstage (artikel 25) deurwaarder en bevinden 11 mensen zich in de fase van de opleidingsstage (artikel 26). Dit afgezet tegen een beroepsgroep van circa 730 geeft mij geen aanleiding tot zorg. Het afzetten tegen de aantallen van de afgelopen twintig jaar zou geen realistisch beeld geven, juist omdat de sector de afgelopen twintig jaar efficiënter is gaan werken en dus een beperktere omvang kent. Het is dan ook niet mijn beeld dat we naar de toekomst toe beschikken over tekorten waardoor de taken van de deurwaarderij niet langer uitgevoerd kunnen worden. Dat neemt niet weg dat ik over dit onderwerp in nauw contact sta met de KBvG en het opleidingsinstituut over de in- en uitstroom om er vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid voor te zorgen dat sprake is van een blijvend duurzame instroom in de beroepsgroep.

3. Marktwerking en toezicht

Door de leden van de SP-fractie is stilgestaan bij de effecten van marktwerking. Laat ik, in lijn met mijn reactie op het rapport van de commissie, vooropstellen dat er voor mij geen redenen zijn om de marktwerking ter discussie te stellen. Dat neemt niet weg dat de aspecten van die marktwerking die een ongewenst effect kunnen hebben, zoals bepaalde prijsafspraken tussen opdrachtgever en gerechtsdeurwaarder, moeten worden tegengegaan. Hiertoe heb ik de bovenstaand beschreven acties, die voortvloeien uit mijn beleidsreactie op het rapport Oskam, reeds ingezet. Daarmee zie ik geen reden tot aanvullend onderzoek naar de wenselijkheid van marktwerking. Eveneens hecht ik eraan om te benadrukken dat de praktijk illustreert dat maatschappelijk verantwoord incasseren en marktwerking wel degelijk samen kunnen gaan en elkaar kunnen versterken doordat concurrentie kan bijdragen aan een verhoging van de kwaliteit.

Daarnaast wordt in de vragen ingegaan op de positie van de toezichthouder en kritieken van de toezichthouder op marktwerking. Daarbij herhaal ik mijn antwoorden aan de leden Van Nispen (SP) en Peters (CDA) van 2 maart jl. (Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 1898), dat voor mij geldt dat een keuze voor marktwerking, zoals in het begin van dit millennium gemaakt is, bij uitstek een keuze aan de politiek is. Daarbij hecht ik eraan dat een toezichthouder op onafhankelijke wijze positie inneemt in het maatschappelijke debat, zoals ook vertegenwoordigers van de beroepsgroep en de wetenschap dat doen. Uiteindelijk heb ik het totale beeld aan adviezen en ingebrachte posities vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid gewogen en heb ik mijn integrale reactie daarop vervat in de aan uw Kamer toegezonden beleidsreactie. Het is wat mij betreft dus zeker geen zaak van het al dan niet overnemen van een advies van de toezichthouder of een andere partij, maar een afgewogen beleidskeuze.

Ook is mij gevraagd nader in te gaan op verschuivingen in het kostenrisico van crediteur naar de gerechtsdeurwaarder en om in te gaan op de geschetste vergelijking met prestatiebeloning bij de politie. Deze vragen vallen voor mij samen omdat ze raken aan de positie van de gerechtsdeurwaarder als ondernemer en uitvoerder van een publieke taak. Ik zie parallellen en verschillen tussen het werk van de gerechtsdeurwaarder en de politie. Wat mij betreft is een belangrijke parallel dat in beide gevallen sprake is van een partij aan wie een belangrijke en unieke rol, inclusief bijbehorende bevoegdheden, in het maatschappelijke verkeer is toegekend. Evenzo geldt voor beiden dat zij juist in de uitvoering van hun taken te maken krijgen met zeer uiteenlopende situaties, waarbij sprake is van maatwerk. Dat neemt echter niet weg dat het mogelijk is om afspraken te maken over de te verwachten prestatie. Dat geldt zowel voor de afspraken die met de Nationale Politie worden gemaakt alsmede voor contractuele relaties die worden aangegaan tussen de overheid en een deurwaarderskantoor. Deze contractuele relatie bestaat naast de relatie die de overheid als wetgever heeft ten aanzien van de gerechtsdeurwaarder. Een belangrijk onderscheid daarbij is zoals aangegeven dat de gerechtsdeurwaarder zowel ondernemer als publiek ambtenaar is. Dat geldt uiteraard niet voor de individuele politieambtenaar waardoor het voor mij onmogelijk is deze twee en de bijbehorende wijze van beloning met elkaar te vergelijken.

Ten aanzien van de verschuiving van het kostenrisico kan ik aangeven dat het wat mij betreft juist in het licht van de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder van belang is dat deze dusdanig beloond wordt dat hij invulling kan geven aan zijn onafhankelijke rol. Zoals in de beantwoording ten aanzien van het Btag reeds geschetst, wil ik daartoe de juiste kaders bieden. Uiteraard staat het de gerechtsdeurwaarder als ondernemer vrij om, binnen de wettelijke mogelijkheden, een contractuele relatie aan te gaan. Dat de Btag-tarieven de generieke kostenontwikkelingen volgen betekent niet dat het Btag-tarief daarmee een vast beloningstarief voor de gerechtsdeurwaarder is. De daadwerkelijke kosten die een gerechtsdeurwaarder moet maken om de afgesproken prestatie en kwaliteit te leveren zijn niet voor iedere gerechtsdeurwaarder of kantoor gelijk. Het is aan de gerechtsdeurwaarder om deze factoren goed in beeld te hebben. Voor het al dan niet aangaan van die contractuele relatie is de gerechtsdeurwaarder, net als iedere andere ondernemer, zelf verantwoordelijk.

In dit kader is mij ook gevraagd naar de rol van de overheid als grote opdrachtgever en de bijbehorende maatschappelijke verantwoordelijkheid. Deze rol wordt door de overheid juist onderkend, waarbij overigens geen sprake is van garantierendementen. Maatschappelijk verantwoord incasseren en kwaliteit zijn onderwerpen die in recente aanbestedingen een prominente plek hebben gekregen. Bij de aanbestedingen wordt ook de Rijksincassovisie gevolgd, waarin is opgenomen dat zoveel mogelijk vanuit één overheid, sociaal maatschappelijk verantwoord wordt geïncasseerd.5 Vraag en aanbod komen hierbij bij elkaar in het al dan niet aangaan van contractuele relaties en het is afhankelijk van de aard van het soort contract welk percentage van de inning realistisch is.

Tot slot is mij gevraagd naar de aanbesteding van de coöperatie parkeerservice een coöperatie die ten behoeve van leden, in dit geval lokale overheden, parkeerbelastingen int. De Rijksincassovisie vraagt de verschillende instanties om binnen hun eigen kaders invulling te geven aan de daarin genoemde uitgangspunten. Een invulling die past binnen de eigen werkwijze en die is toegespitst op het eigen karakter van het vorderingenbestand. Het is dan ook aan deze lokale overheden zelf om hun keuzes te maken over de wijze waarop zij het parkeerbeleid uitvoeren. Ik kan daar niet in treden en acht het dan ook niet passend om gedetailleerd in te gaan op door lokale overheden gemaakte keuzes in individuele gevallen.

4. Overig

Door de leden van de fractie van de SP is mij gevraagd of het zo is dat gerechtsdeurwaarders geen vergoeding ontvangen voor de bemiddeling bij een geslaagde betalingsovereenkomst en of ik bereid ben de systematiek rond de vergoeding van beslaglegging te herzien.

Wat de vergoeding voor bemiddeling bij een betalingsregeling betreft, wordt gesteld dat deze in lijn met de systematiek van het Btag door de schuldeiser moeten worden gedragen, waarbij het redelijk is dat schuldeiser deze kosten kan verhalen op de schuldenaar. Het voorstel van de commissie is om in het Btag een speciaal tarief op te nemen voor een nieuw soort ambtshandeling, te weten het treffen van een betalingsregeling (en eventuele werkzaamheden die daarmee gepaard gaan). Het Btag kent inderdaad nu geen tarief voor het regelen van een betalingsregeling door een gerechtsdeurwaarder. Bemiddeling door een gerechtsdeurwaarder valt als handeling op zichzelf niet onder de definitie van ambtshandelingen op grond van artikel 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet. Wel is het zo dat dergelijke minnelijke werkzaamheden onlosmakelijk zijn verbonden aan de uitoefening van bepaalde ambtshandelingen. Het is in beginsel aan de schuldeiser en gerechtsdeurwaarder om deze kosten te betrekken in de contractonderhandelingen. Dat betekent geenszins dat ik daarmee de wezenlijke bemiddelende rol die een gerechtsdeurwaarder vervult in het kader van zijn ambtsuitoefening wil bagatelliseren. Juist in deze crisistijd vanwege COVID-19 is meerdere malen in de communicatie met uw Kamer het belang van het bereiken van onderlinge regelingen benadrukt. Gerechtsdeurwaarders hebben gehoor gegeven aan de oproep om waar mogelijk beslaglegging en andere executiemaatregelen te voorkomen en waar mogelijk regelingen te treffen. De KBvG heeft ter ondersteuning hiervan een campagne gestart, te weten bellenisoplossen.nl. In mijn beleidsreactie op het rapport van de commissie heb ik reeds aangeven dit voorstel nader te bezien in afstemming met stakeholders.

Daarbij zal ik ook de vraag van de aan het woord zijnde leden betrekken of het nodig is de systematiek rond de vergoeding van beslaglegging te herzien. Ik ga er vanuit dat deze leden hierbij doelen op beslaglegging op roerende zaken. Vooralsnog zie ik daar geen aanleiding toe. Als de gerechtsdeurwaarder een poging tot beslag heeft aangekondigd en de schuldenaar thuis niet aantreft kan de ambtshandeling niet worden voltooid. Indien de ambtshandeling op een later moment alsnog kan worden voltooid, dan brengt de gerechtsdeurwaarder namens de schuldeiser anderhalve Btag-vergoeding in rekening. Als de gerechtsdeurwaarder zelf de ambtshandeling staakt, bijvoorbeeld omdat de gerechtsdeurwaarder in het kader van een verhaalsonderzoek constateert dat beslag ook niets gaat opleveren, mag een half tarief in rekening worden gebracht. In het licht van het stelsel dat uitgaat van een goede balans tussen marktwerking, een redelijke vergoeding voor de gerechtsdeurwaarder en van maatschappelijk verantwoorde incasso ter bescherming van schuldenaren acht ik dit systeem van beloning rechtvaardig. Al deze factoren weegt de gerechtsdeurwaarder mee in de afspraken die de gerechtsdeurwaarder hierover maakt met de schuldeiser, op basis van diens kostenplaatje. Zoals hiervoor al aangegeven wil ik met de algemene maatregel van bestuur de kaders voor geoorloofde prijsafspraken scheppen om zodoende ongewenste prijsafspraken tegen te gaan.

Tot slot hebben de leden van de SP mij verzocht uitgebreid in te gaan op de gevallen waarbij de overheid tegemoetkomt in gemaakte kosten en waarom de tegemoetkoming niet 100% behelst, maar 75%. Zoals ik in mijn reactie op het rapport van de commissie al heb aangegeven, onderzoek ik dit vraagstuk mede in verband met de wijzigingen die plaatsvinden in het stelsel van rechtsbijstand. Vanwege de complexe materie die het behelst, kan ik daar nu niet op vooruitlopen en kom ik daar later bij uw Kamer op terug.


X Noot
1

Kamerstukken 29 279 en 25 295, nr. 574.

X Noot
2

Kamerstuk 28 684, nr. 618.

X Noot
3

Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 638.

X Noot
4

Kamerstuk 24 515, nr. 465.

X Noot
5

Kamerstuk 29 279, nr. 593.