Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2014-2015
Kamerstuk 29279 nr. 272

Gepubliceerd op 26 augustus 2015 13:19

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

Nr. 272 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 26 augustus 2015

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Veiligheid en Justitie over de brief van 10 april 2015 over de aanbieding evaluatie Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (Kamerstuk 29 279, nr. 230).

De vragen en opmerkingen zijn op 22 mei 2015 aan de Minister van Veiligheid en Justitie voorgelegd. Bij brief van 25 augustus 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Ypma

De griffier van de commissie, Hessing-Puts

Inhoudsopgave

blz.

   

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

   

II. Reactie van de Minister van Veiligheid en Justitie

8

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Inleiding

Met interesse hebben de leden van de VVD-fractie kennisgenomen van de aangeboden evaluatie van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD). Zij staan nog steeds achter de invoering van een dergelijk register met het oog op het borgen van de kwaliteit van in te schakelen gerechtelijk deskundigen. Juist in het traject van het opsporen en vervolgen van strafbare feiten is het van het grootste belang dat kan worden vertrouwd op een hoge kwaliteit van gerechtelijk deskundigen.

De aan het woord zijnde leden hebben enkele vragen bij de aangeboden evaluatie.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de evaluatie van het NRGD. Deze leden zijn verheugd dat het register op veel deskundigheidsgebieden goed gevuld blijkt te zijn en dat het register een zeeffunctie blijkt te hebben waardoor ongeschikte deskundigen uit het strafproces kunnen worden geweerd. Toch hebben zij enkele vragen.

De leden van de SP-fractie wijzen erop dat er binnen de rechtspraak al vele jaren aandacht bestaat voor het verbeteren van de inzet van deskundigen in gerechtelijke procedures. Voor het strafrecht heeft dat geleid tot een wettelijke regeling ten aanzien van het inschakelen van deskundigen in de per 1 januari 2010 in werking getreden Wet deskundigen in strafzaken en de oprichting van het NRGD.

Ten aanzien van civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken heeft de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) in 2008 een rapport gepubliceerd met de titel: »Inschakeling van deskundigen in de rechtspraak».1 In dit rapport wordt de behoefte bij de rechterlijke macht en de advocatuur aan openbaar toegankelijke informatie over te benoemen deskundigen breed bevestigd. Verder is in 2008 de eerste fase van het door de Rvdr ingestelde project deskundigenindex (DIX) afgerond. Dit project behelsde het opzetten van een deskundigenindex voor de sectoren civiel- en bestuursrecht. Dit project viel samen met de oprichting van het NRGD en op verzoek van de Rvdr is vervolgens het streven van het DIX-project erop gericht om in samenwerking met het NRGD een hanteerbaar systeem van kwaliteitstoetsing en -borging tot stand te brengen, dat verzekerd is van voldoende draagvlak bij zowel gebruikers als deskundigen. Vervolgens is een werkgroep Uitbreiding NRGD Civiel en Bestuursrecht ingesteld. Klopt het dat deze werkgroep al geruime tijd niet meer actief is? Wat is daarvan de reden en is deze reden na al die jaren nog steeds geldig? In hoeverre deelt de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) de mening dat ook in veel civiele- en bestuursrechtelijke zaken het oordeel van deskundigen van doorslaggevende betekenis is? Deelt hij tevens de mening dat het waarborgen van de kwaliteit deskundigen ook in civiele- en bestuursrechtelijke procedures van belang is? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet? Hoe wordt op dit moment de kwaliteit van de door de civiele rechters en bestuursrechters ingeschakelde deskundigen getoetst en beoordeeld? Waarom golden of gelden de redenen en noodzaak om in het strafrecht een wettelijk systeem van kwaliteitsborging op te zetten niet voor het bestuursrecht en het civiele recht? Kan dit antwoord uitgebreid worden toegelicht?

De leden van de SP-fractie wijzen er ook op dat het NRGD aandacht heeft gevraagd voor de kwaliteitswaarborging in het civiel recht en het bestuursrecht.

Deze leden vragen of de Minister de stelling deelt uit het rapport «Inschakeling van deskundigen in de rechtspraak» dat de kwaliteit van deskundigen beter toetsbaar is door het NRGD dan door de zittingsrechter of rechter-commissaris? Is de Minister in het licht van voorgaande vragen en opmerkingen bereid om het NRGD (al dan niet gefaseerd) uit te breiden met deskundigen die ingezet worden in (eerst) een bestuursrechtelijk procedure en (in een latere fase) een civiele procedure? Zo nee, waarom niet en is hij dan bereid om onderzoek te laten doen naar de verschillende mogelijkheden om de kwaliteitswaarborging in het civiel recht en het bestuursrecht en de kosten die daarmee samenhangen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SP-fractie maken zich nog steeds zorgen over de kwaliteit van de lijkschouwing. Er is toegezegd dat geneeskundestudenten tijdens de studie meer aandacht moeten besteden aan de forensische geneeskunde. Hiermee is het probleem in het veld niet opgelost. Er is bijvoorbeeld nog steeds geen praktijkexamen. Deelt de Minister de mening dat de kwaliteit van de opleiding van lijkschouwers nog steeds een punt van zorg is en dat kennisoverdracht door bijvoorbeeld het meelopen met praktiserende lijkschouwers van grote meerwaarde is? Zo ja, zijn er mogelijkheden om dit te regelen? Zo nee, waarom niet? Is de Minister voorts op basis van het rapport van de Gezondheidsraad bereid eraan bij te dragen dat er een langetermijnvisie ontwikkeld wordt op de forensische geneeskunde en de kwaliteitswaarborging? Meent hij voorts dat dit een gezamenlijke taak en verantwoordelijkheid is van de Ministeries van Veiligheid en Justitie, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap? Zo nee, waarom niet?

De leden van de CDA-fractie hebben nog enkele vragen aan de Minister over de door hem gegeven reactie op de onderzoeksresultaten.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de bovengenoemde evaluatie van het NRGD. Naar aanleiding hiervan hebben zij enkele vragen.

Het onderzoek en de onderzoeksresultaten

Het valt de leden van de PvdA-fractie op dat uit de evaluatie van het NRGD blijkt dat er vanuit de advocatuur weinig belangstelling bestaat voor het gebruik van deskundigen uit dit register. Kan de Minister dit verklaren? Kan hij ook verklaren waarom de respons door advocaten op de enquête die ten grondslag ligt aan de evaluatie zo laag uitvalt dat de uitkomsten voor deze beroepsgroep niet eens representatief worden geacht?

De aan het woord zijnde leden lezen in de evaluatie dat de meeste geregistreerde technische deskundigen bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) werkzaam zijn. Bijvoorbeeld op het terrein van DNA-analyse zijn maar drie deskundigen niet bij het NFI werkzaam. Op de expertisegebieden «Verdovende middelen» en «Forensisch Wapen- en Munitieonderzoek» zijn helemaal geen deskundigen van buiten het NFI geregistreerd. Dat betekent bijvoorbeeld dat de verdediging op deze deskundigheidsgebieden geen mogelijkheid heeft om contra-expertise te betrekken van een geregistreerde deskundige die niet bij dezelfde organisatie werkzaam is als de eerste deskundige. Dit is wel noodzakelijk, want het NFI kan niet worden ingeschakeld voor tegenonderzoek als een deskundige van het NFI het eerste onderzoek heeft verricht. Deelt de Minister de mening dat de verdediging zou moeten kunnen beschikken over geregistreerde deskundigen die niet in dienst van het NFI zijn, met name in het geval van hoger beroep? Zo ja, hoe gaat hij dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet? Wat is de stand van zaken van het initiatief van het NRGD om buitenlandse deskundigen te registreren? En wat is de stand van zaken van de Europese initiatieven om de kwaliteitswaarborging van forensisch onderzoek en rapportage te verbeteren?

De leden van de PvdA-fractie lezen dat er voor steeds meer deskundigheidsgebieden registratie mogelijk wordt, maar dat dit voor zeer specialistische expertise (nog) niet mogelijk is. Kan de Minister aangeven over welke concrete specialismen het gaat? Hoe gaat de Minister het NRGD er toe aanzetten om voor alle specialismen registratie mogelijk te maken?

In welke gevallen maakt het openbaar ministerie (OM) gebruik van niet-geregistreerde deskundigen?

Voornoemde leden lezen in de evaluatie dat het register er vooral toe heeft bijgedragen dat deskundigen met te weinig kennis niet tot het register worden toegelaten en dat het register daarmee een zeeffunctie heeft. Daarentegen is het niet duidelijk of de normering, toetsing en registratie daadwerkelijk tot kwalitatief betere deskundigen leidt. Acht de Minister verdere verbetering van de kwaliteit nodig en zo ja, hoe gaat hij dit bewerkstellingen? Zo nee, waarom niet? Draagt het verruimen van de mogelijk van voorwaardelijke registratie voor vooral zojuist opgeleide deskundigen bij aan de verbetering van die kwaliteit en zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister meer in het algemeen te reflecteren op de resultaten in de tabellen 5.8 en 5.9 uit het onderzoek. Hieruit blijkt dat het aantal strafzaken in de loop der jaren is afgenomen, maar het aantal opdrachten aan deskundigen in het strafproces daarentegen stijgt. Kan de Minister ingaan op de achtergronden en mogelijke redenen hiervoor?

Voornoemde leden vragen de Minister aan te geven of hij uit het onderzoek dan wel anderszins, kan opmaken in hoeveel procent de rechtspraktijk geen geregistreerde deskundigen inschakelt en ook wat de redenen hiervan kunnen zijn. Deze leden zijn ook benieuwd hoe de Minister zelf de twee stellingnames uit tabel 6.6 beoordeelt, te weten dat registratie bij het NRGD een verplichtend karakter zou moeten hebben alsmede dat deskundigen zich niet alleen dienen in te schrijven, maar ook beëdigd zouden moeten worden.

De aan het woord zijnde leden vragen de Minister in te gaan op de relatie tussen het NRGD en de Stichting Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen (LRGD). Is het nog steeds zo dat beide registers elkaar maar voor een klein gedeelte overlappen? Hoe klein is deze overlap precies? Kan de Minister ook aangeven of de situatie zich voordoet dat een deskundige niet wordt toegelaten tot het NRGD en vervolgens wél ingeschreven wordt in het LRGD? Welke risico’s zijn hier mogelijk aan verbonden?

Deze leden vragen ook of beide registers hetzelfde doel nastreven, namelijk te komen tot één openbaar register waarin gerechtelijk deskundigen zijn opgenomen, zoals bij de totstandkoming van het LRGD werd aangegeven. Zij vragen de Minister aan te geven op welke wijze samenwerking plaatsvindt, alsmede wordt bevorderd om dit doel te realiseren en welke rol de Minister hierin voor zichzelf ziet weggelegd.

De leden van de PVV-fractie lezen in de evaluatie dat vooral beroepsdeskundigen zich laten registreren. Voor deskundigen die per jaar slechts enkele onderzoeken doen is registratie minder aantrekkelijk. Dit geldt met name voor psychiaters en psychologen. Hoe gaat de Minister dit oplossen?

De aan het woord zijnde leden merken op dat de meeste geregistreerde technische deskundigen werkzaam zijn bij het NFI. Op bepaalde gebieden zijn geen andere deskundigen geregistreerd dan deskundigen van het NFI, bijvoorbeeld op de expertise gebieden «Verdovende middelen» en «Forensisch Wapen- en Munitieonderzoek ». Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat er ook andere deskundigen op deze gebieden zullen worden geregistreerd, gelet op het feit dat het NFI niet kan worden ingeschakeld voor tegenonderzoek als een deskundige van het NFI het eerste onderzoek heeft verricht? Ondanks dat er slechts in zeer beperkte mate gebruik wordt gemaakt van contra-expertise, is dit wel noodzakelijk.

Voornoemde leden wijzen erop dat in het register niet terug te vinden is wat het niveau van kennis en ervaring van de deskundige is, of de deskundige volledig of voorwaardelijk is geregistreerd en welke specifieke vaardigheden de deskundige bezit. Ook worden er geen curriculum vitae met daarin opleiding, functie en achtergrond van deskundigen in het register opgenomen. Hier is van afgezien, omdat dat zou leiden tot een complex geheel aan aanvullende normen en toetsingen. De leden van de PVV-fractie vragen of alleen een curriculum vitae en het label volledig of voorwaardelijk ook al zullen leiden tot moeilijkheden.

De gebruikers van de rapportages hebben kritiek over de lengte van een Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek (FPPO)-rapport. Dit zou voortvloeien uit de formats die het NFIP heeft ontwikkeld om rapportages te stroomlijnen. De rapporteur herhaalt uitvoerig wat ook in andere rapporten en zelfs in de dagvaarding te vinden is alvorens aan de eigen bevindingen toe te komen. Eén van de respondenten geeft zelfs aan dat niemand de eerste 30 pagina’s van een dergelijk rapport leest. Ziet de Minister aanleiding om hier wat aan te doen, bijvoorbeeld door de formats aan te passen? Zo nee, waarom niet en hoe wordt dit probleem dan opgelost?

De leden van de PVV-fractie constateren dat de meeste deskundigen ervaren dat het registratiesysteem weinig invloed heeft op de kwaliteit van hun werk. De registratie lijkt vooralsnog vooral als een zeef te werken. Voor een eventuele verdere verbetering van de forensische advisering zou meer nodig zijn dan verdere aanscherping van prestaties, namelijk een verbetering van de opleidingen. Streeft de Minister verdere verbetering na en gaat hij daarom iets veranderen aan de opleidingen? Zo ja wat gaat hij veranderen?

Reactie

De leden van de VVD-fractie merken op dat uit het onderzoek blijkt dat onder meer onvrede bestaat over het tijdsbeslag van de procedure om zich te laten registreren als deskundige. In zijn reactie stelt de Minister dat het NFI en het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP) langs de weg van de accreditatie van hun opleidingen een bijdrage willen leveren aan de vermindering van de toetsingslast bij het NRGD. Dit zal volgens de Minister mogelijk tot gevolg hebben dat toetsingen sneller worden uitgevoerd. Kan nader worden ingegaan op deze suggestie? Wat is exact de rol van het NFI en NIFP in het sneller laten uitvoeren van toetsingen? Zijn er nog andere manieren waarop het tijdsbeslag dat de procedure vergt kan worden ingekort? Zo ja, aan welke manieren wordt gedacht?

Daarnaast volgt uit het onderzoek dat het stadium is bereikt waarin de rechtspraktijk doorgaans geregistreerde deskundigen inschakelt, mits voorhanden. Voornoemde leden zouden het zeer positief vinden als standaard gebruik zou worden gemaakt van geregistreerde deskundigen, mits voorhanden natuurlijk. Wordt deze opvatting gedeeld? Zo ja, op welke wijze kan worden gestimuleerd dan wel bereikt dat (nog) meer gebruik wordt gemaakt van geregistreerde gerechtelijk deskundigen? Welke rol kan de Minister hierin spelen? Voorts stelt de Minister in zijn reactie op de aangeboden evaluatie dat de door de NRGD geïntroduceerde kwaliteitsstandaarden een disciplinerende werking hebben. Kan worden aangegeven op welke wijze deze disciplinerende werking vorm krijgt? Kan een niet-functionerende deskundige of een deskundige die niet aan de vereisten voldoet disciplinair worden gestraft? Op grond van welke criteria wordt overgegaan tot doorhaling van inschrijving van deskundigen? Op welke wijze wordt bijgehouden of een ingeschreven gerechtelijk deskundige nog altijd aan de vereiste criteria voldoet? Ten slotte onderschrijven de aan het woord zijnde leden de opmerking van de Minister over het kostenaspect.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat uit de evaluatie blijkt dat vanwege het deskundigenregister rechters minder kritisch zouden kunnen kijken naar de deskundigen en hun oordeel. Daarmee zou naar mening van deze leden het risico kunnen ontstaan dat rechters het oordeel van een deskundige te gemakkelijk overnemen. Is het aanstellen van forensisch ondersteuners bij de gerechten afdoende om dit risico te voorkomen? Uit de evaluatie komt naar voren dat het tot nu toe ontbroken heeft aan een kritisch debat over de eigen rol en verantwoordelijkheid van de rechter in relatie tot bijdragen van deskundigen aan het strafproces. Deelt de Minister die mening? Zo ja, wil hij dan dit debat – alsnog entameren, bijvoorbeeld in samenspraak met de Rvdr? Zo nee, waarom niet?

De aan het woord zijnde leden begrijpen dat in het geval er een niet-geregistreerde deskundige moet worden geraadpleegd die door de rechter-commissaris moet worden benoemd. Op grond van welke kennis en criteria kan de rechter-commissaris deze deskundigen benoemen? Acht de Minister het mogelijk dat rechters de oordelen van niet-geregistreerde deskundigen juist kritischer gaan benaderen dan de oordelen van wel geregistreerde deskundigen? Zo ja, waarom en wordt dit wenselijk geacht? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SP-fractie beseffen dat het opheffen van het mobiele team van het NFI en de overheveling van taken naar de politie geen direct verband houdt met het NRGD. Toch heeft dit indirect invloed op het werk van deskundigen aangesloten bij het NRGD. Het maakt uit wat en hoe het NFI en de politie informatie aanleveren waar deskundigen van het NRGD mee verder kunnen. Klopt het dat er bij de politie geen speciaal beleid wordt gevoerd op kwaliteitswaarborging? Kan de Minister zijn antwoord toelichten? Zo nee, op welke wijze is de kwaliteit dan gewaarborgd en waarom is dat volgens de Minister voldoende?

Voornoemde leden vragen of de Minister bereid is zich ervoor in te zetten dat het NRGD een rol krijgt in die beleidssystematiek door bijvoorbeeld kwaliteitseisen en het beleidsplan hierop binnen de politieorganisatie te toetsen vanuit de kennis en kunde van het NRGD. Zo nee, waarom niet? Deelt de Minister de mening dat ook op dit punt, dus waar het gaat om de rol van onder andere de politie bij forensisch onderzoek, onder andere politie, het OM, het NFI en het NRGD met een plan en een visie moeten komen over kwaliteitsborging, goede opleidingen en vervolgopleidingen? Zo ja, hoe gaat de Minister zich hiervoor inzetten? Zo nee, waarom niet?

De aan het woord zijnde leden vragen of het klopt dat het NRGD niet kan terugvallen op bestaande erkende kwaliteitsopleidingen met als gevolg dat een enkele administratieve toets niet volstaat. Wat is de Minister bereid om hieraan te doen, eventueel in samenwerking met andere betrokken ministeries?

De leden van de SP-fractie willen weten wat de Minister bedoelt als hij aangeeft nog eens kritisch te willen kijken naar het kostenaspect van het NRGD. Hij geeft voorts aan dat het register een aanzienlijke uitgavenpost vormt in relatie tot de uitgaven voor gerechtelijke rapportages. Erkent de Minister dat het NRGD meer doet dan alleen gerechtelijke rapportages nu het NRGD ook zorgdraagt voor de kwaliteitsborging die op geen enkele andere manier goed is geregeld? Klopt het dat het jaarlijkse budget van de NRGD 1,5 miljoen euro is? Is dit bedrag het niet waard om te besteden aan kwaliteitswaarborging? Hoe staan de kosten in verhouding tot deze kwaliteitsborging? Aangezien er geen of weinig gecertificeerde opleidingen zijn, is zoals gezegd een puur administratiefrechtelijke toets niet mogelijk. Als de Minister wil dat het NRGD efficiënter zal gaan werken, moet hij werk maken van die gecertificeerde (praktijk)opleidingen. Hij laat het aan het veld over, maar waar het gaat om onder andere de lijkschouwing heeft het veld nu meerdere malen aangegeven dat niet voor elkaar te krijgen door het ontbreken van benodigde middelen. Graag ontvangen deze leden hierop een reactie.

De leden van de SP-fractie hebben begrepen dat het NRGD buitenlandse experts aan het aantrekken is om het aanbod van contra-expertise uit te kunnen breiden. Dat is positief, maar kan ertoe leiden dat dit ten koste gaat van de Nederlandse deskundigen, omdat indien zij niet voldoende bevraagd worden zij niet meer voldoen aan de gestelde eisen («ervaringsuren»). Hoe ziet de Minister dit?Zeer specialistische deskundigen uit Nederland voldoen bovendien niet altijd aan de eisen voor inschrijving, omdat de vraag onvoldoende is. Wat vindt de Minister daarvan? Het risico bestaat dat, omdat een deskundige niet ingeschreven kan worden, een specialisme in Nederland verdwijnt als er te weinig vraag naar is. Graag ontvangen deze leden hierop een reactie.

Tot slot vragen deze leden aandacht voor samenwerking met andere Europese landen als het gaat om kwaliteitsborging, het bundelen van krachten en het behouden van bepaalde specifieke expertises. Wat zijn de ideeën van de Minister hierover?

De leden van de CDA-fractie merken op dat de Minister aangeeft een oplossing van de NRGD te verlangen ten aanzien van de borging van de kwaliteit en vindbaarheid van zowel de deskundigen die kleine deskundigheidsgebieden vertegenwoordigen als de super gespecialiseerde deskundigen. Deze leden vragen de Minister welke oplossing hij zelf voor ogen heeft, gelet op de conclusie van de onderzoekers dat het niet waarschijnlijk is dat in 100% van de gevallen er een deskundige kan worden benoemd die is geregistreerd en dit ook niet alle gevallen opportuun lijkt.

De onderzoekers schetsen in hun conclusie een aantal opties om de rol van forensisch deskundigen in het strafproces te verbeteren, onder meer door waardering van de rechtspraak zelf van de deskundigen. Graag vernemen deze leden hierop een reactie van de Minister. In het bijzonder vragen zij de Minister in te gaan op de opmerkingen omtrent een systematisch verplichte training voor alle strafrechters en (forensisch) officieren, het gebrek aan wederzijds feedback tussen deskundigen en de rechterlijke macht (en hoe dat verbeterd zou kunnen worden volgens de Minister), het verder uitbouwen van opleidingsfaciliteiten met daaraan gekoppelde officiële diplomering alsmede mogelijkheden om de nationale strafrechtpleging meer toe te passen op internationale ontwikkelingen op forensisch terrein.

Ten aanzien van het kostenaspect begrijpen de leden van de CDA-fractie de wens van de Minister om nog eens kritisch te kijken naar hoe dit verminderd kan worden. Zij vragen echter wel te reageren en ook mee te wegen op de voorzichtige conclusie van de onderzoekers dat gegeven de gekozen aanpak er waarschijnlijk niet veel mogelijkheden zijn om de kosten te reduceren. Deze leden vernemen graag waar de Minister wel ruimte ziet om de kosten te reduceren en of dit ook op instemming van het onafhankelijke College gerechtelijke deskundigen (alsmede het bureau van het NRGD) kan rekenen.

Ten aanzien van de voorgenomen maatregelen om de mogelijkheid van een voorwaardelijke registratie te verruimen, vragen de leden van de CDA-fractie waaruit in het rapport blijkt dat hiertoe een noodzaak zou bestaan en waar de verschillen met de voorwaardelijke registratie zoals die thans al mogelijk is (artikel 19 Besluit register deskundigen in strafzaken) uit bestaan.

De leden van de PVV-fractie merken op dat de Minister aangeeft er bij het NRGD op aan te dringen dat de deskundigen van grote nog niet omlijnde en genormeerde deskundigheidsgebieden binnen afzienbare tijd een aanvraag kunnen doen voor registratie. Deze leden vragen wat hiervan de stand van zaken is.

Deze leden merken voorts op dat één van de conclusies is dat weinig voorkomende, zeer gespecialiseerde en hoogwaardig academische deskundigheden vanwege de werkwijze van het NRGD noodgedwongen buiten de werking van het register zullen blijven. Dit komt door de werkwijze van het NRGD. De Minister acht dit onwenselijk en zal het NRGD verzoeken een oplossing te vinden voor de borging van de kwaliteit en vindbaarheid van zowel de deskundigen die kleine deskundigheidsgebieden vertegenwoordigen als de super gespecialiseerde deskundigen. De aan het woord zijnde leden vragen of het NRGD dan hun werkwijze gaat aanpassen. Zo ja, op welke wijze? Zo nee, op welke wijze wordt dan een oplossing gevonden?

Voornoemde leden merken op dat de Minister aangeeft dat de rechtspraak het gevaar aanwezig acht dat rechters deskundigen en hun oordeel niet meer kritisch toetsen. De rechtspraak wijst er op dat de meeste gerechten sinds kort investeren in de verbetering van de waardering van deskundigenrapporten, mede door middel van de aanstelling van forensisch ondersteuners die als een tolk fungeren tussen de rechters en de soms moeilijke statistische gegevens en wetenschappelijke taal in rapporten. Kan er al iets gezegd worden over het effect van deze investering?

De leden van de PVV-fractie constateren dat de Minister in aanvulling op het onderzoek nog eens kritisch wil kijken naar het kostenaspect, omdat het register een aanzienlijke uitgavenpost vormt in relatie tot de uitgaven voor gerechtelijke rapportages. Is hier inmiddels al naar gekeken en waar denkt de Minister dan aan? De onderzoekers geven namelijk aan dat er voorzichtig kan worden geconcludeerd dat er, gegeven de gekozen aanpak waarschijnlijk niet veel mogelijkheden zijn om de kosten te reduceren. Het NRGD heeft zelf wel al een aantal maatregelen genoemd die de efficiency kunnen verbeteren. Worden deze maatregelen ook genomen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit?

De leden van de PVV-fractie vragen waarom de Minister maatregelen wil nemen met betrekking tot het verlengen van de termijn van registratie van vier naar vijf jaar.

Voornoemde leden merken voorts op dat het NRGD heeft aangegeven de deskundigheidsvereisten te willen aanscherpen(«de lat hoger leggen»). De onderzoekers geven aan dat een vergaande beoordeling van forensische deskundigheid pas zinvol is wanneer er meer en betere opleidingen op forensisch gebied komen. Gaat het NRGD dus betere opleidingen realiseren?

II. Reactie van de Minister van Veiligheid en Justitie

Met veel belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om op de opmerkingen van de leden van de verschillende fracties te reageren en de gestelde vragen te beantwoorden. Bij de beantwoording van de gestelde vragen is de indeling van het verslag zo veel mogelijk aangehouden.

VVD

De leden van de fractie van de VVD zeggen achter de invoering te staan van het NRGD en de borging hierdoor van de kwaliteit van in te schakelen gerechtelijk deskundigen in strafzaken. De leden achten het van het grootste belang dat de strafrechter in zijn onderzoek kan vertrouwen op een hoge kwaliteit van gerechtelijk deskundigen. De aan het woord zijnde leden hebben enkele korte vragen bij de aangeboden evaluatie.

Uit het onderzoek blijkt onder meer dat onvrede bestaat over het tijdsbeslag van de procedure om zich te laten registreren als deskundige. In zijn reactie stelt de Minister dat het NFI en NIFP langs de weg van de accreditatie van hun opleidingen een bijdrage willen leveren aan de vermindering van de toetsingslast bij het NRGD. Dit zal volgens de Minister mogelijk tot gevolg hebben dat toetsingen sneller worden uitgevoerd.

Op de vraag van de leden nader toe te lichten hoe de accreditering van opleidingen voor forensisch deskundigen tot vermindering van de toetsingslast kan leiden, is het antwoord als volgt. Aan de inmiddels omlijnde deskundigheidsgebieden kunnen normen worden ontleend voor de accreditering van opleidingen. Indien die accreditering van de opleiding en de examinering garanderen dat de forensisch deskundigen over de vereiste kennis en vaardigheden beschikken, kan toetsing hiervan door de toetsingsadviescommissies van het NRGD gedeeltelijk tot zelfs geheel achterwege blijven. Accreditering kan zo bijdragen aan de vermindering van de toetsingslast en leiden tot snellere registratie. Een andere manier om de toetsingslast te verminderen is, zoals reeds door mij is aangekondigd, de verlenging van de tijdsduur van de registratie van vier naar vijf jaar.

Naar aanleiding van de onderzoeksbevinding dat het stadium is bereikt waarin de rechtspraktijk doorgaans geregistreerde deskundigen inschakelt, mits voorhanden, vragen de leden van de fractie van de VVD in hoeverre de Minister het standpunt deelt dat dan ook standaard gebruik zou moeten worden gemaakt van geregistreerde deskundigen, mits voorhanden natuurlijk. Voorts vragen de leden op welke wijze het gebruik kan worden gestimuleerd en welke rol de Minister van Veiligheid en Justitie hierin kan spelen.

In antwoord hierop wil ik voorop stellen dat bij de totstandkoming van de wettelijke regeling uitdrukkelijk is gekozen voor een keuzevrijheid bij het inschakelen van gerechtelijk deskundigen. Aan verplicht gebruik zou het praktische bezwaar kleven dat niet alle deskundigen en deskundigheidsgebieden onder de registratie van het NRGD zullen kunnen worden gebracht. De Wet deskundige in strafzaken kent een aantal bepalingen waarmee beoogd is het gebruik van geregistreerde gerechtelijk deskundigen te bevorderen. Artikel 150 van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat de officier van justitie zelfstandig een geregistreerde deskundigen kan benoemen. Indien hij een niet geregistreerde deskundige wil laten benoemen, moet hij hiervoor toestemming vragen aan de rechter(-commissaris). De rechter-commissaris kan zelfstandig en op verzoek van de officier van justitie of de verdediging een deskundige benoemen (artikel 176 en artikel 227 van het Wetboek van Strafvordering), maar zal dan moeten motiveren waarom hij deze deskundige deskundig acht gezien de voorliggende vraagstelling (artikel 51k, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering). Hij moet dit doen aan de hand van de eisen van art. 12 tweede lid 2, van het Besluit gerechtelijk deskundige in strafzaken. Ook de zittingsrechter kan zelfstandig of op verzoek een niet-geregistreerde deskundige benoemen (artikel 315, derde lid 3, van het Wetboek van strafvordering). Ook de zittingsrechter zal moeten motiveren waarom hij de niet-geregistreerde deskundige deskundig acht.

Deze bepalingen die zien op de bevordering van het gebruik van geregistreerde deskundigen lijken te werken. Uit het onderzoek blijkt dat steeds vaker geregistreerde deskundigen worden ingeschakeld. Dan is een opportune vraag welke toegevoegde waarde een wettelijke verplichting zou kunnen hebben nu met het huidige wettelijke kader de beoogde doelstellingen worden bereikt.

De leden van de VVD fractie vragen voorts naar een nadere toelichting van de Minister op zijn constatering dat de door het NRGD geïntroduceerde kwaliteitsstandaarden een disciplinerende werking hebben.

Daarmee is bedoeld dat de eisen die het NRGD stelt aan de registratie van deskundigen doorwerken in onder meer het curriculum en de inrichting van de (permanente) opleidingen van NFI en NIFP en deskundigen meer alert maakt dat, willen zij (blijvend) aan de eisen van een registratie voldoen, intervisie, scholing en bijscholing noodzakelijk zijn. Dat is wat ik heb willen zeggen met «disciplinerende werking» en niet in eerste plaats, zoals de leden suggereren, dat een deskundige die niet aan de vereisten voldoet disciplinair kan worden gestraft. Wel is overigens het College van deskundigen van het NRGD bevoegd een deskundige uit het register te schrappen. Dit kan nadat een hertoetsing uitwijst dat de deskundige niet meer over de vereiste kennis en vaardigheden beschikt. Daarmee is tevens de vraag van voornoemde leden beantwoord hoe wordt bijgehouden of een deskundige nog altijd over de vereiste deskundigheid beschikt: door een systeem van hertoetsing. Maar schrapping is ook tussentijds mogelijk indien zich ernstige incidenten voordoen. Daarvan is tot op heden nog geen sprake geweest.

Ten slotte onderschrijven de aan het woord zijnde leden de opmerking van de Minister over het kostenaspect.

PvdA

De leden van de PvdA-fractie zijn verheugd dat het register op veel deskundigheidsgebieden goed «gevuld» blijkt te zijn en dat het register een zeeffunctie blijkt te hebben waardoor ongeschikte deskundigen uit het strafproces kunnen worden geweerd. De leden van de PvdA-fractie merken op dat uit het evaluatieonderzoek naar voren komt dat vanwege het deskundigenregister rechters mogelijk minder kritisch kijken naar de deskundigen en hun oordeel. Daarmee zou, zo menen de aan het woord zijnde leden, het risico kunnen ontstaan dat rechters het oordeel van een deskundige te gemakkelijk overnemen. Deze leden vragen zich af of het aanstellen van forensisch ondersteuners bij de gerechten afdoende is om dit risico te voorkomen.

Ik ben het met de leden van de PvdA fractie eens dat met enkel de forensisch ondersteuners dit risico niet kan worden weggenomen. Het feit dat rechters zich op forensisch-technisch gebied kunnen laten bijstaan, is echter wel een indicatie dat de waardering van de inbreng van deskundigen een belangrijk aandachtspunt vormt van de gerechten. Die aandacht voor de waardering van de inbreng beperkt zich niet enkel tot de rapporten van gerechtelijk deskundigen, maar richt zich ook op de reclasseringsrapporten, rapporten van de Raad voor de kinderbescherming en op andere materiekundige inbreng. In dit kader speelt onder meer ook mee dat de Rechtspraak continu aandacht besteedt aan de rapportageverzoeken omdat dit tot gerichtere en beter bruikbare rapportages leidt.

De onderzoeksbevinding dat het tot dusverre heeft ontbroken aan een kritisch debat over de eigen rol en verantwoordelijkheid van de rechter in relatie tot bijdragen van deskundigen aan het strafproces, heb ik willen nuanceren door aan te geven dat naar aanleiding van eerdere onderzoeken, waarin mede de waardering van deskundigeninbreng is betrokken, initiatieven zijn gestart als de aanstelling van forensische ondersteuners bij de gerechten. Het betreft onderzoeken als: Gedragskundige rapportage en advisering in de strafrechtspleging voor volwassenen, O Nauta en G de Jonge, DSP-groep, Universiteit van Maastricht, WODC, Den Haag, 2008; en De tenuitvoerlegging van sancties: maatwerk voor de rechter?, Boone, M., Beijer, A., Franken, A.A., Kelk, C, WODC, UU – Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, Utrecht, 2009.

In antwoord op de vraag van de aan het woord zijnde leden op grond van welke criteria de rechter-commissaris de niet-geregistreerde deskundigen benoemt, verwijs ik naar de bestaande wettelijke regelingen. Wanneer de rechter-commissaris een niet-geregistreerde deskundige wil benoemen moet hij motiveren waarom hij deze deskundige deskundig acht gezien de voorliggende vraagstelling (artikel 51k, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering). Hij moet dit doen aan de hand van de eisen van art. 12 tweede lid 2, van het Besluit gerechtelijk deskundige in strafzaken. Ook de zittingsrechter kan zelfstandig of op verzoek een niet-geregistreerde deskundige benoemen (artikel 315, derde lid 3, van het Wetboek van strafvordering) en zal dan moeten motiveren waarom hij de niet-geregistreerde deskundige deskundig acht. De meeste gerechten beschikken over lijsten met deskundigen, waaronder ook niet-geregistreerde deskundigen waarvan is in de gerechtelijke praktijk is gebleken dat zij in staat zijn om voor de rechter bruikbare rapporten op te leveren.

Voornoemde leden suggereren dat rechters wellicht de oordelen van niet-geregistreerde deskundigen kritischer benaderen dan de oordelen van wel geregistreerde deskundigen en vragen de Minister hoe waarschijnlijk en, zo ja, wenselijk dit is.

Ik kan in reactie hierop op grond van de onderzoeksbevindingen geen uitspraken doen over de waarschijnlijkheid en wenselijkheid hiervan. De cognitieve dissonantietheorie leert evenwel dat niet valt uit te sluiten dat de rechter(-commissaris) onder omstandigheden een door hem zelf benoemde deskundige juist minder kritisch benadert dan de deskundige die hem via het register zou zijn aangereikt.

Het valt de leden van de PvdA-fractie op dat uit de evaluatie van het NRGD blijkt dat er vanuit de advocatuur weinig belangstelling bestaat voor het gebruik van deskundigen uit het register. De leden vragen de Minister daarvoor een verklaring te geven.

Geen verklaring kan zijn dat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid wordt gesteld om wensen aangaande onderzoek ter kennis van de magistratuur te brengen. De verdediging wordt namelijk steeds genotificeerd over benoemingen van gerechtelijk deskundigen en neemt ook deel aan de regiezittingen. Toch gebeurt het zelden dat de verdediging in een zaak in eerste aanleg een deskundige uit het register inschakelt. Het onderzoek draagt daarvoor als verklaring aan dat advocaten er de voorkeur aan geven af te wachten waar de officier van justitie mee komt. De onderzoekers stellen dat de raadsman zich primair richt op het belang van de cliënt. Hij zal diens procespositie niet compromitteren door zelf onderzoek te entameren dat mogelijk belastende resultaten zal hebben. In geval van een ontkennende verdachte geeft de advocaat er vrijwel steeds de voorkeur aan om te wachten tot het volledige strafdossier beschikbaar is. Advocaten doen ook weinig met een mini-instructie of regiezitting. Voorts speelt een belangrijke rol om niet te kiezen voor het inschakelen van een deskundige, dat daardoor het proces langer duurt. Dit is voor de verdediging veelal een doorslaggevende reden om in eerste instantie niet te kiezen voor deze stap.

In hoger beroep blijkt dit anders te liggen. De beroepen in strafzaken zijn meestal afkomstig van de verdediging die bij het instellen van het appel (krachtens art. 411A Sv) meteen alle verdedigingswensen aangaande het horen van getuigen en het instellen van (aanvullend) onderzoek en contraexpertise kenbaar dient te maken. Dat lijkt er volgens de onderzoekers toe te leiden dat de verdediging het zekere voor het onzekere neemt en zoveel mogelijk alle potentieel zinvolle onderzoeken en getuigen in het appelgeschrift zet. Daar komt bij, zo stellen de onderzoekers, dat de verdedigingsstrategie in hoger beroep vaak gebaat is met contra expertise, uitstel en mogelijk zelfs met aangetoond verlies van bewijsmateriaal waarop dan geen test-controles meer kunnen worden uitgevoerd.

Voorts vragen de leden naar een verklaring waarom de respons door advocaten op de enquête uit het evaluatieonderzoek zo laag is uitgevallen zodat de uitkomsten voor deze beroepsgroep niet eens representatief kan worden geacht. Ook in reactie op deze vraag verwijs ik naar het onderzoek. Hieruit blijkt dat de advocatuur matig geïnteresseerd is in het NRGD en dat advocaten, in geval zij goede en betrouwbare deskundige zoeken, er de voorkeur aan geven hiernaar bij collega’s te informeren. De onderzoekers hebben de advocaten niet kunnen bevragen naar hun motieven om de vragenlijst niet in te vullen of om niet aan een interview mee te werken. Harde uitspraken kan ik daarom hierover dan ook niet doen.

De aan het woord zijnde leden lezen in de evaluatie dat de meeste geregistreerde technische deskundigen bij het NFI werkzaam zijn en dat daardoor sprake is van een beperkte mogelijkheid om contra-expertise te betrekken van een niet bij het NFI werkzame geregistreerde deskundige. De leden vragen of de Minister de mening van de leden van de PvdA-fractie deelt dat, met name in het geval van hoger beroep, de verdediging zou moeten kunnen beschikken over geregistreerde deskundigen die niet in dienst van het NFI zijn.

Ik deel de mening dat de verdediging zou moeten kunnen beschikken over een zeker aanbod van deskundigen ten behoeve van contra-expertise. Het is echter aan de deskundigen en hun werkgevers om er voor zorg te dragen dat zij een aanvraag voor registratie indienen en kunnen voldoen aan de eisen voor registratie in het NRGD. In de gevallen dat er geen Nederlandse geregistreerde deskundige beschikbaar is buiten het NFI, kan de verdediging ook buitenlandse deskundigen inschakelen. Mij bereiken geen geluiden dat dit tot problemen leidt.

Voorts vragen de aan het woord zijnde leden wat de stand van zaken is van het initiatief van het NRGD om buitenlandse deskundigen te registreren en wat de stand van zaken is van de Europese initiatieven om de kwaliteitswaarborging van forensisch onderzoek en rapportage te verbeteren.

Het College gerechtelijk deskundigen neemt gericht initiatieven om buitenlandse deskundigen aan te sporen tot het indienen van een aanvraag voor registratie zodat voor ieder deskundigheidsgebied meerdere «alternatieve» deskundigen staan geregistreerd. Momenteel staan vier buitenlandse deskundigen in het register ingeschreven. Het NRGD verwacht op korte termijn meer aanvragen van buitenlandse deskundigen te ontvangen. Ten aanzien van Europese initiatieven verwijs ik naar de Nederlandse inzet voor het post-Stockholm programma, de interne veiligheidsstrategie van de EU en het Nederlands voorzitterschap in de eerste helft van volgend jaar waarbij mijn inzet en streven is te komen tot een gemeenschappelijk minimum kwaliteitsniveau voor forensische verrichtingen binnen de EU waardoor samenwerking en uitwisseling van kennis en expertise makkelijker wordt.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat hoewel er voor steeds meer deskundigheidsgebieden registratie mogelijk wordt, dit voor zeer specialistische expertise (nog) niet mogelijk is. Deze leden vragen de Minister of hij wil aangeven over welke concrete specialismen het gaat.

In feite gaat het om allerlei bijzondere disciplines die op enigerlei wijze kunnen bijdragen aan technische onderzoeksdoelen op «source level» (onderzoek naar de sporen en mogelijke herkomst hiervan) en «activity level» (onderzoek naar mogelijke aard van het contact waardoor sporenoverdracht heeft plaatsgevonden). Het gaat dan bijvoorbeeld om specialismen als de forensische radiologie, forensische antropologie, forensische odontologie en forensische biologie humaan en niet-humaan. Daarnaast gaat het om bijzondere forensische expertise op financieel, ICT en gedragskundig terrein. Te denken valt aan een in de saleshandel gespecialiseerde deskundige, een cybersecurity specialist of een gedragsdeskundige die speciaal deskundig is op het terrein van aandoeningen in het autistische spectrum. Het NRGD zal nog dit jaar starten met het toetsen van deskundigen op het terrein van digitaal forensisch onderzoek.

Voornoemde leden vragen vervolgens hoe de Minister van Veiligheid en Justitie het NRGD er toe wil aanzetten om voor alle specialismen registratie mogelijk te maken. Daarop luidt het antwoord dat ik het NRGD heb verzocht met een voorstel te komen. Ik wacht het voorstel af en zal dit eerst met het NRGD bespreken.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts in welke gevallen het OM gebruik maakt van niet-geregistreerde deskundigen.

Dat is het geval als geen geregistreerde deskundigen beschikbaar zijn dan wel de inbreng van een deskundige vereist waarvan het deskundigengebied nog niet door het NRGD is omlijnd en onder de registratie valt.

In die gevallen dient de officier van justitie de toestemming te vragen aan de rechter-commissaris. Uit het onderzoek blijkt dat de officier van justitie in de regel geregistreerde deskundigen inschakelt, mits beschikbaar. Het aantal beschikbare geregistreerde deskundigen van de omlijnde deskundigheidsgebieden vormt, nu het register inmiddels goed gevuld is met deskundigen van de grotere deskundigheidsgebieden, steeds minder een probleem. De beschikbaarheidsvraag ziet vooral op deskundigen van kleinere tot zeer kleine deskundigheidsgebieden.

De aan het woord zijnde leden lezen in de evaluatie dat het register er vooral toe heeft bijgedragen dat deskundigen met te weinig kennis niet tot het register worden toegelaten en dat het register daarmee een zeeffunctie heeft. Daarentegen is het niet duidelijk of de normering, toetsing en registratie daadwerkelijk tot kwalitatief betere deskundigen leidt. De leden vragen de Minister of hij verdere verbetering van de kwaliteit nodig acht en zo ja, hoe hij dit gaat bewerkstelligen.

De opname in het register zorgt voor borging van de kwaliteit volgens de normen die het register stelt. De werkwijze van het NRGD voorziet er overigens in dat vooraanstaande (buitenlandse) deskundigen uit te omlijnen gebieden een belangrijke rol vervullen bij het opstellen van normen waaraan de te toetsen deskundigen moeten voldoen. Deskundigen die voldoen aan de normen worden capabel geacht hun beroep goed uit te oefenen en te zorgen voor een goede inbreng als gerechtelijk deskundige. Het register zorgt ervoor dat de personen die de gevraagde kwaliteit niet halen eruit worden gezeefd.

In het kader van de hertoetsing van deskundigen worden de deskundigheidsgebieden opnieuw omlijnd en genormeerd. Hierdoor kan worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen binnen de deskundigheidsgebieden. Voorts kan in het kader van de her-omlijning een aanscherping plaatsvinden van de normen waaraan de deskundigen moeten voldoen. Met dit cyclische proces van normering, toetsing en herregistratie wordt beoogd de kwaliteit ten minste op niveau te houden dan wel naar een hoger niveau te tillen. De verwachting is dat dit uiteindelijk leidt tot een hogere kwaliteit van de inbreng van gerechtelijk deskundigen in strafzaken.

Ten slotte vragen de leden van de PvdA-fractie of het verruimen van de mogelijkheden van voorwaardelijke registratie voor zojuist opgeleide deskundigen bijdraagt aan de verbetering van die kwaliteit.

Het antwoord hierop luidt dat met die verruiming als zodanig niet is beoogd bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit. De verruiming wordt nodig geacht omdat de wetgever aanvankelijk over het hoofd heeft gezien dat zojuist opgeleide deskundigen bij hun aanvraag niet kunnen bogen over gebleken ervaring die in de vorm van een aantal te overleggen rapporten bij gelegenheid van de toetsing wordt beoordeeld. Een voorwaardelijke registratie kan eraan bijdragen dat de zojuist opgeleide deskundige onder supervisie maar wel als zelfstandig verantwoordelijke rapporteur die ervaring kan opdoen en dat daarna kan worden besloten tot een gewone registratie.

SP

De leden van de SP-fractie wijzen erop dat er binnen de Rechtspraak al vele jaren aandacht bestaat voor het verbeteren van de inzet van deskundigen in gerechtelijke procedures. Voor het strafrecht heeft dat geleid tot een wettelijke regeling ten aanzien van het inschakelen van deskundigen in de per 1 januari 2010 in werking getreden Wet deskundigen in strafzaken en de oprichting van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD). Ondanks inspanningen van de kant van de Rechtspraak ontbreekt een dergelijke regeling voor civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken. Voornoemde leden wijzen in dit verband op een werkgroep die in 2011 verslag heeft uitgebracht aan de Minister van Veiligheid en Justitie en stellen hierover enkele vragen.

De bedoelde werkgroep is inderdaad, zoals de leden vragen, niet meer actief. Nadat de werkgroep in 2011 verslag had uitgebracht heeft de Minister van Veiligheid en Justitie geantwoord een eventuele uitbreiding van de activiteiten van het NRGD naar ook het toetsen van deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken niet opportuun te achten omdat het NRGD op dat moment de handen nog vol had aan het vullen van het deskundigenregister in strafzaken. Nadat in 2014 het NRGD de basis op orde had, is het gesprek met de Rechtspraak over mogelijkheden van uitbreiding hervat. Daarbij staat de vraag centraal welke problemen zich thans voordoen bij de inschakeling van deskundigen die adviseren in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken, dat dit noopt tot maatregelen om de kwaliteit van die inbreng te borgen met een NRGD-werkwijze. Dit gesprek is nog gaande en spitst zich vooralsnog vooral toe op de aanzienlijke behoefte van bestuursrechters aan voldoende en onafhankelijke medisch deskundigen voor advisering in arbeidsongeschiktheidsgeschillen.

De eerder genoemde werkgroep heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de gedragscode voor deskundigen die rapporteren in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken. In maart 2012 heeft de Rechtspraak de Gedragscode voor deskundigen Civiel en Bestuur gepubliceerd.

Naar aanleiding van de vraag van de leden of het oordeel van deskundigen ook in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken vaak van doorslaggevende betekenis is, is mijn reactie als volgt. Ik onderstreep het belang van een goede kwaliteit van de inbreng van deskundigen in alle zaken die aan de rechter worden voorgelegd. Het gewicht van die inbreng in strafzaken is echter vanwege de rol van de strafrechter als onderzoeksrechter, enigszins anders dan die in civiele en bestuurszaken. De bestuursrechter beperkt zich in beginsel tot de marginale toetsing van besluiten van bestuursorganen en de burgerlijk rechter hakt knopen door op grond van wat partijen in een geschil aanvoeren. Ik ga zo dadelijk hierop nog nader in.

Aan de kwaliteit van de inbreng van deskundigen die in civiele en bestuurszaken adviseren, draagt bij dat veel van hen de Specialisatieopleiding Gerechtelijk Deskundige hebben gedaan en dat zij zijn opgenomen in het Landelijk register gerechtelijk deskundigen (LRGD). LRGD is een onafhankelijke stichting die zich ten doel stelt een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van het deskundigenbewijs in de rechtspleging door het beheren van een openbaar register met gerechtelijke deskundigen die voldoende toegerust zijn om adequaat op te kunnen treden in de rechtspleging. Ook levert LRGD een bijdrage aan die kwaliteitsdoelstelling door middel van de accreditering van opleidingen voor deskundigen.

Veel van de medisch deskundigen die advies uitbrengen aan de rechter zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging voor Medisch Specialistische Rapportage (NVMSR). Deze vereniging stelt zich ten doel kwaliteit van de rapportages van medisch deskundigen te verbeteren. De vereniging streeft dit doel na door het opstellen en onderhouden van richtlijnen en overige kwaliteitsdocumenten en door het bieden van opleidingen, toetsingen en nascholing aan leden en kandidaatleden.

De aan het woord zijnde leden vragen voorts op welke wijze deskundigen worden ingeschakeld en of hierbij een toets of beoordeling plaatsvindt. In antwoord hierop is van belang op te merken dat in civielrechtelijke zaken partijen in de regel hun eigen deskundigen inschakelen. Soms wordt een onafhankelijke deskundige ingeschakeld op eigen initiatief van de rechter, of op verzoek van partijen. Bij het inschakelen van een deskundige raadpleegt de rechter doorgaans de betrokken partijen die veelal ook worden betrokken bij de formulering van de aan de deskundige te stellen vragen.

In het bestuursrecht spitst de vraag naar de kwaliteit van de inschakeling van deskundigen zich vooral toe op de rol van bestuursorganen. Bestuursorganen baseren hun beslissing veelal mede op adviezen van personen, commissies of instanties die over een bijzondere deskundigheid op een bepaald terrein beschikken, die deze bestuursorganen zelf ontberen. In beroepzaken is het aan de bestuursrechter deze op deskundigenadviezen gebaseerde besluiten te toetsen. Als een bestuursorgaan zijn beslissing heeft gebaseerd op een deskundigenadvies, dan volgt de bestuursrechter volgens vaste rechtspraak in de regel de beslissing, tenzij een tegenadvies wordt overgelegd door de partij die het beroep heeft ingesteld. De bestuursrechter kan dan beslissen dat het bestuursorgaan moet nagaan of vanwege het advies sprake is van een gebrek in zijn beslissing en zo ja, dit gebrek te herstellen.

Wanneer de bestuursrechter een inhoudelijke toetsing van een besluit opportuun acht schakelt hij veelal een onafhankelijke deskundige in. Dit gebeurt regelmatig in arbeidsongeschiktheidsgeschillen. Het gaat om enkele honderden adviesverzoeken per jaar. Bij de inschakeling van een medisch deskundige kan dan gebruik worden gemaakt van de ledenlijst van de Nederlandse Vereniging voor Medisch Specialistische Rapportage (NVMSR). In zaken op het gebied van het fysieke leefmilieu vraagt de bestuursrechter in geval hij een deskundige inschakelt, doorgaans om advies aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening.

Graag beantwoord ik de vraag van de leden van de SP-fractie bevestigend dat een gespecialiseerde instantie als het NRGD beter is toegerust de kwaliteit van deskundigen te toetsen dan de zittingsrechter of rechter-commissaris. Daaruit volgt niet, zoals de voornoemde leden suggereren, dat daarom de taakopdracht NRGD zal moeten worden uitgebreid naar het civielrechtelijke en bestuursrechtelijke domein. De werkwijze van het NRGD die eruit bestaat dat deskundigengebieden eerst worden omlijnd en genormeerd teneinde op basis hiervan toetsingen te kunnen uitvoeren, is arbeidsintensief en kostbaar. Bovendien kent deze werkwijze beperkingen ten aanzien van kleine tot zeer kleine deskundigheidsgebieden. Er zijn instanties als LRGD, NVMSR, stAB en mechanismen als de accreditering van opleidingen die bijdragen aan de borging van de kwaliteit van de deskundigeninbreng in civiele- en bestuurszaken. Als hiervoor gezegd, is thans het gesprek met de Rechtspraak gaande. Daarbij staat de vraag centraal hoe kan worden voorzien in de aanzienlijke behoefte van bestuursrechters aan voldoende en onafhankelijke medisch deskundigen voor advisering in arbeidsongeschiktheidsgeschillen.

De leden van de SP-fractie maken zich nog steeds zorgen over de kwaliteit van de lijkschouwing. De leden wijzen de Minister erop dat is toegezegd dat geneeskundestudenten tijdens de studie meer aandacht zullen moeten besteden aan de forensische geneeskunde. Hiermee is het probleem in het veld niet opgelost. Er is bijvoorbeeld nog steeds geen praktijkexamen. Voornoemde leden vragen of de Minister de mening deelt dat de kwaliteit van de opleiding van lijkschouwers nog steeds een punt van zorg is, dat kennisoverdracht door bijvoorbeeld het meelopen met praktiserende lijkschouwers van grote meerwaarde is. Ook vragen de leden of de Minister op basis van het rapport van de Gezondheidsraad bereid is eraan bij te dragen dat er een langetermijnvisie ontwikkeld wordt op de forensische geneeskunde en de kwaliteitswaarborging en of dit een gezamenlijke taak en verantwoordelijkheid is van de Ministeries van Veiligheid & Justitie, Volksgezondheid, Welzijn & Sport en Onderwijs, Cultuur & Wetenschap.

In reactie hierop verwijs ik naar het Algemeen Overleg van 1 april jl. over de bezuinigingen bij het NFI, bij gelegenheid waarvan gesproken is over de forensische geneeskunde in het algemeen en de lijkschouw in het bijzonder. Ik heb in dit overleg aangegeven dat ik momenteel met zijn collega’s van Volksgezondheid, Welzijn & Sport en Onderwijs, Cultuur & Wetenschap in gesprek ben over het onderwerp en dat ik de Kamer over de uitkomsten zal informeren. Ik verwacht dit kort na de zomer te kunnen doen.

De leden van de SP-fractie beseffen dat het opheffen van het mobiele team van het NFI en de overheveling van taken naar de politie geen direct verband houdt met het NRGD. Toch heeft dit indirect invloed op het werk van deskundigen aangesloten bij het NRGD. Het maakt uit wat en hoe het NFI en de politie voor informatie aanleveren waar deskundigen van het NRGD mee verder kunnen.

De vraag van de leden of het klopt dat er bij de politie geen speciaal beleid wordt gevoerd op kwaliteitsborging, luidt ontkennend. De Politie en ook het OM en het NFI hebben elk hun eigen kwaliteitssysteem inclusief opleidingen en vervolgopleidingen voor hun medewerkers. Bij de standaardisering van de kwaliteit van het forensisch onderzoek maken politie en NFI graag gebruik van de kennis en kunde die het NRGD heeft opgebouwd met de omlijning en normering van deskundigheidsgebieden. Het zou dan ook ten overvloede zijn, zoals de leden voorstellen, dat de regering zich er voor zou inzetten dat het NRGD een rol krijgt in die beleidssystematiek door bijvoorbeeld kwaliteitseisen en het beleidsplan hierop binnen de politieorganisatie te toetsen vanuit de kennis en kunde van het NRGD. Ook hebben politie, OM en NFI geregeld contact over het gebruik maken van elkaars kennis en kunde om de kwaliteit binnen de organisaties naar een nog hoger plan te krijgen. Ik acht het dan ook niet nodig dat deze organisaties, zoals de leden voorstellen, met een nieuwe gezamenlijke visie komen op dit onderwerp.

De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat het NRGD niet kan terugvallen op bestaande erkende kwaliteitsopleidingen met als gevolg dat een enkele administratieve toets niet volstaat.

Dit klopt. Ik zou graag zien dat dat er meer gecertificeerde opleidingen komen zodat het NRGD de aanvragen van deskundigen meer marginaal kan toetsen.

De leden van de SP-fractie willen voorts weten wat de Minister bedoelt als hij aangeeft nog eens kritisch te willen kijken naar het kostenaspect van het NRGD omdat het register een aanzienlijke uitgavenpost vormt in relatie tot de uitgaven voor gerechtelijke rapportages.

Daarmee bedoel ik te bereiken dat de uitgaven voor kwaliteitsborging in redelijke verhouding staan tot de uitgaven voor het uitbrengen van gerechtelijke rapportages. Daarin wil ik ook graag het perspectief van de deskundigen betrekken. Zij moeten kosten maken om aan de kwaliteitseisen te kunnen voldoen. Bij gelijkblijvende vergoedingen kan het daardoor moeilijker worden voldoende deskundigen bereid te vinden om zich te laten registreren en gerechtelijke rapportages uit te brengen. Hogere kwaliteitseisen kunnen zo vergezeld gaan met de vraag naar hogere vergoedingen en dus een kosten opdrijvend effect hebben.

Naar aanleiding van vragen hierover door aan het woord zijnde leden kan ik bevestigen dat het NRGD meer doet dan alleen het borgen van de kwaliteit van de inbreng van gerechtelijk deskundigen in strafzaken. Vanuit zijn kennis adviseert het NRGD de Politie en het openbaar ministerie, NFI en NIFP. Voorts levert het register in Europees verband een bijdrage aan het debat over de kwaliteit van het forensische onderzoek. Met deze activiteiten doet het NRGD meer dan besloten ligt in zijn wettelijke taakopdracht.

Het klopt, zoals de leden vragen, dat het jaarlijkse budget van het NRGD van ongeveer 1,7 miljoen euro, het waard is om te besteden aan kwaliteitswaarborging. Om redenen die mede hiervoor zijn genoemd, laat dit onverlet dat het zinvol is op het kostenaspect te blijven letten. Zinvol is onder meer na te gaan of een euro besteed aan de verbetering en accreditering van opleidingen wellicht effectiever is dan een euro besteed aan een volledige toetsing door het NRGD. Als dit zo is ligt voor de hand, zoals de leden suggereren, dat instanties als NIFP en NFI meer, dan nu al het geval is, werk zullen maken van de verdere verbetering en accreditering van hun opleidingen. Met betrekking tot de opleiding van forensische geneeskundigen in het algemeen en de lijkschouwers in het bijzonder, zal ik de Kamer kort na de zomer informeren.

De leden van de SP-fractie begrijpen dat het NRGD buitenlandse experts aantrekt om het aanbod van contra-expertise uit te kunnen breiden. Dat is positief, maar kan ertoe leiden dat dit ten koste gaat van de Nederlandse deskundigen, omdat indien zij niet voldoende bevraagd worden zij niet meer voldoen aan de gestelde eisen («ervaringsuren»). De leden vragen hoe de Minister dit ziet.

Het College gerechtelijk deskundigen van het NRGD neemt gericht initiatieven om buitenlandse deskundigen aan te sporen tot het indienen van een aanvraag tot registratie. Die aansporing betreft in het bijzonder de deskundigheidsgebieden waarvan in Nederland weinig of althans onvoldoende deskundigen beschikbaar zijn. De vraag of deze buitenlandse deskundigen Nederlandse deskundigen verdringen is daarmee naar mijn oordeel niet aan de orde. Overigens is het aan de gebruiker van het register om te bepalen welke specifieke deskundige uit het register hij in een concrete zaak wil inzetten.

Voornoemde leden constateren dat zeer specialistische deskundigen uit Nederland niet altijd voldoen aan de eisen voor inschrijving, omdat de vraag onvoldoende is. De leden vragen wat de Minister daarvan vindt. De aan het woord zijnde leden wijzen daarbij op het risico dat, omdat een deskundige niet ingeschreven kan worden, een specialisme in Nederland verdwijnt als er te weinig vraag naar is.

Mijn antwoord is als volgt. Zeer specialistische deskundigen kunnen thans niet in het register worden ingeschreven, bijvoorbeeld omdat het vakgebied waarop zij zich begeven niet of nog niet door het College gerechtelijk deskundigen omlijnd en genormeerd kan worden. Het zal dan in de regel gaan om een specialisme dat, in de termen van het Besluit register deskundige in strafzaken, nog niet is aan te merken als «een welomlijnd deskundigheidsgebied waarvan aannemelijk is dat op basis daarvan zinvolle, objectieve en betrouwbare informatie kan worden verschaft en dat naar het oordeel van het College zodanig ontwikkeld is dat de bevindingen daarbinnen aan de hand van gedeelde normen kunnen worden getoetst en verantwoord.» Ook speelt mee dat sommige rapportageverzoeken dusdanig specifiek zijn dat daarvoor een deskundige moet worden aangezocht waarvan de kans groot is dat die niet eerder een forensische rapportage heeft opgesteld en geen kennis en ervaring heeft van de specifieke eisen die daaraan worden gesteld. Vanwege het specifieke karakter van dergelijke vraagstellingen kan ook niet vooraf worden bepaald welke deskundigen en deskundigheidsgebieden dit betreft. Het NRGD is gevraagd op welke wijze deze deskundigen kunnen worden beoordeeld op hun geschiktheid in de voorliggend vraagstelling.

Dat een specialisme in Nederland verdwijnt omdat daarin werkzame deskundigen niet kunnen worden ingeschreven, is niet erg waarschijnlijk. Dat een zeer specialistische deskundige niet is geregistreerd vormt voor hem geen beletsel op te treden als gerechtelijk deskundige. In dat geval dient wel te worden gemotiveerd op grond waarvan deze specialist als gerechtelijk deskundige is aangemerkt.

Tot slot vragen de leden van de SP-fractie aandacht voor samenwerking met andere Europese landen als het gaat om kwaliteitsborging, het bundelen van krachten en het behouden van bepaalde specifieke expertises. Naar aanleiding van de vraag van de leden aan de Minister wat zijn ideeën hierover zijn, luidt het antwoord als volgt.

Vanwege het toenemende belang van forensisch onderzoek voor de criminaliteitsbestrijding en daarmee de samenwerking in EU-verband, vormt de uitvoering van de Raadsconclusies over de visie met betrekking tot Europese forensische wetenschappen in 2020 voor Nederland een belangrijke stap in de verdere ontwikkeling van het daarvoor benodigde «level playing field» binnen de EU. In het licht van het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie in 2016 zet de Minister van Veiligheid en Justitie zich dan ook in voor het verder ontwikkelen van deze Europese Forensische Ruimte zodat het uitwisselen van kennis, expertise en forensisch bewijsmateriaal beter en makkelijker zal verlopen. Een belangrijk onderdeel van de Nederlandse inzet is het opzetten van een kwaliteitssysteem met een brede reikwijdte opdat de kwaliteit van het forensische werk integraal, in elk stadium en ook wat betreft het personeel dat het werk verricht, wordt gewaarborgd.

CDA

De leden van de CDA-fractie hebben enkele vragen aan de Minister van Veiligheid en Justitie ten aanzien van de door hem gegeven reactie op de onderzoeksresultaten. De leden van deze fractie vragen de Minister meer in het algemeen te reflecteren op de resultaten in de tabellen 5.8 en 5.9 uit het onderzoek. Hieruit blijkt dat het aantal strafzaken in de loop der jaren is afgenomen, maar het aantal opdrachten aan deskundigen in het strafproces daarentegen stijgt. De leden vragen de Minister in te gaan op de achtergronden en mogelijke redenen hiervoor.

Graag wil ik benadrukken dat de daling van het aantal aan de rechter voorgelegde zaken en stijging van het aantal opdrachten aan gerechtelijke deskundigen twee los van elkaar staande trends zijn. De daling van het aantal aan de rechter voorgelegde zaken wordt onder meer veroorzaakt door de ZSM-werkwijze van het openbaar ministerie waardoor meer zaken worden afgedaan door het openbaar ministerie. Tevens speelt een rol de zichtbaar wordende effecten van de wet OM-afdoening. Wie in het verleden niet eens was met het schikkingsvoorstel hoefde niets te doen. Er volgende dan automatisch een dagvaarding. Wie het thans niet eens is met de strafbeschikking moet actief in verzet gaan. Het wegvallen van het automatisme van de dagvaarding, heeft de afgelopen jaren zoals bedoeld tot een daling van het aantal aan de rechter voorgelegde strafzaken geleid. Genoemde ontwikkelingen hebben er wel toe geleid dat de zaken die aan de rechter worden voorgelegd, relatief zwaarder en ingewikkelder zijn geworden en dat daardoor relatief vaker de inbreng van gerechtelijke deskundigen nodig is.

Dat in relatief meer strafzaken een gerechtelijk deskundige wordt ingeschakeld, verklaart evenwel niet dat ook in absolute aantallen vaker een rapportage wordt gevraagd. Een mogelijke verklaring vormt dat de afgelopen jaren vaker om gedragsdeskundige dubbelrapportages wordt gevraagd: een forensisch psychiatrische rapportage en een forensisch psychologische rapportage. Mogelijk is meer van invloed het succes van de toepassing van gestandaardiseerde risico-taxatie instrumenten die in het kader van de pro Justitia-onderzoeken worden toegepast. Deze instrumenten leveren betrouwbaarder inschattingen van onder meer de kans op herhaling van gewelddadig gedrag en voorzien de rechter(-commissaris) in een belangrijke informatiebehoefte bij de toetsing van de voorlopige hechtenis en/of de oplegging van een passende straf of maatregel. Voorts kan worden gewezen op het succes van verfijndere DNA-onderzoeksmethoden en de toegenomen betekenis van DNA-sporenmateriaal als bewijs in strafzaken. Mede hierdoor wordt vaker een gerechtelijk DNA-deskundige ingeschakeld.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister aan te geven of hij uit het onderzoek dan wel anderszins, kan opmaken in hoeveel procent de rechtspraktijk geen geregistreerde deskundigen inschakelt en ook wat de redenen hiervan kunnen zijn. Mijn reactie is als volgt. Zoals hiervoor al is gezegd vindt de inschakeling van deskundigen uit de grotere reeds omlijnde deskundigheidsgebieden in de regel plaats vanuit het register. Het register is per deskundigheidsgebied inmiddels dermate robuust gevuld dat doorgaans voldoende deskundigen beschikbaar zijn voor het uitbrengen van een rapportage aan de rechter. Bij de parketten en gerechten wordt niet bijgehouden hoe vaak deskundigen wel of niet uit het register worden ingeschakeld. Wel blijkt uit de informatie die de gerechten hierover verschaffen dat het aantal benoemingen lijkt af te nemen en dat het relatief vaker om de benoeming van deskundigen gaat die afkomstig zijn uit een deskundigheidsgebied dat nog niet onder de werking van het NRGD is gebracht.

Deze leden zijn benieuwd hoe de Minister de scores naar aanleiding van stelling uit tabel 6.6 beoordeelt, te weten dat registratie bij het NRGD op termijn een verplichtend karakter zou moeten hebben. Uit deze tabel blijkt dat 60% van de geïnterviewden het eens is met de stelling.

In reactie hierop wil ik wijzen op de praktische bezwaren die zouden kleven aan de introductie van een verplichting. Een zo’n bezwaar is dat niet alle deskundigen en deskundigheidsgebieden onder de registratie van het NRGD zullen kunnen worden gebracht. Daarbij komt dat de wetgever uitdrukkelijk niet heeft willen voorzien in een wettelijke verplichting, maar wel in incentives om de inschakeling van geregistreerde deskundigen te bevorderen. En dat lijkt te werken. Uit het onderzoek blijkt dat steeds vaker geregistreerde deskundigen worden ingeschakeld. Dan is een opportune vraag welke toegevoegde waarde een wettelijke verplichting zou kunnen hebben nu met het huidige wettelijke kader de beoogde doelstellingen worden bereikt.

Voorts zijn de voornoemde leden benieuwd hoe de Minister de scores naar aanleiding van de stelling uit tabel 6.6 beoordeelt dat deskundigen zich niet alleen dienen in te schrijven, maar ook beëdigd zouden moeten worden. Uit de tabel blijkt dat 45% van de geïnterviewden het oneens is met de stelling en 33% hierover geen mening heeft.

De stelling dat deskundigen zich niet alleen in het register dienen in te schrijven maar ook dienen te worden beëdigd is in het onderzoek opgenomen ingevolge een toezegging daarover van de toenmalige Minister van Justitie aan de Eerste Kamer bij de behandeling van het Wetsvoorstel deskundige in strafzaken. Het antwoord op de stelling geeft geen aanleiding om het beleid inzake de beëdiging te wijzigen. Graag wijs ik erop dat de geregistreerde deskundigen zich vanwege hun registratie verbinden aan de door het NRGD opgestelde Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in strafzaken. Een afzonderlijke beëdiging van de geregistreerde deskundigen zou een redundant ritueel vormen. Deze gedragscode wordt momenteel herzien en opnieuw gepubliceerd.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister in te gaan op de relatie tussen het NRGD en het LRGD. Zo vragen de leden of het nog steeds zo is dat beide registers elkaar maar voor een klein gedeelte overlappen en hoe klein deze overlap dan precies is.

Beide registers overlappen elkaar in die zin dat deskundigen zowel in het ene als het andere register geregistreerd staan. Deze overlap hoeft niet per se problematisch te zijn. Het NRGD registreert gerechtelijk deskundigen in strafzaken. Het LRGD registreert deskundigen op alle vakgebieden die werkzaam zijn in met name civiel recht en bestuursrecht. Dit kan met zich brengen, zoals de leden stellen, dat een niet tot het NRGD toegelaten deskundige wel is ingeschreven in het LRGD. Met betrekking tot deze deskundigen zal de rechter-commissaris of zittingsrechter dan moeten beoordelen of zij geschikt zijn om in strafzaken advies uit te brengen.

De leden vragen of beide registers beogen hetzelfde doel na te streven, namelijk te komen tot één openbaar register waarin gerechtelijk deskundigen zijn opgenomen. Daarop kan bevestigend worden geantwoord. De Rechtspraak heeft in het verleden aangegeven graag te zien dat de wettelijke taakopdracht aan het NRGD zich zou uitbreiden naar civiel en bestuur. In dat kader is ook aangegeven dat hechtere samenwerking tussen het NRGD en het LRGD tot de mogelijkheden behoort. Uitdagingen daarbij zijn de overbrugging van verschillen in onder meer de rechtsvorm, kosten voor registratie en werkwijze. Het College gerechtelijk deskundigen van het NRGD is een ZBO en het ondersteunend bureau een onderdeel van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Aan de registratie bij het NRGD zijn geen leges verbonden. Het LRGD is een stichting. Aan de registratie zijn kosten verbonden.

De leden van de CDA-fractie verwijzen naar de brief van de Minister waarin is aangekondigd dat het NRGD zal worden gevraagd de registratie mogelijk te maken van deskundigen die kleine deskundigheidsgebieden vertegenwoordigen alsook van super gespecialiseerde deskundigen met het oog op de borging van de kwaliteit en vindbaarheid van deze deskundigen. De aan het woord zijnde leden vragen de Minister welke oplossing hij in dit verband ziet, gelet op de conclusie van de onderzoekers (6.3.2) dat het niet waarschijnlijk is dat in 100% van de gevallen er een deskundige kan worden benoemd die is geregistreerd en dit ook niet alle gevallen opportuun lijkt.

Het antwoord luidt dat de onderzoekers hun conclusie baseren op de huidige werkwijze van het NRGD. Zoals hiervoor reeds uiteengezet ziet deze werkwijze op eerst het omlijnen en normeren van deskundigheidsgebieden en vervolgens het hieraan toetsen van deskundigen. Veel deskundigheidsgebieden zijn zo klein dat deze werkwijze de conclusie rechtvaardigt dat niet waarschijnlijk is dat altijd een geregistreerde deskundigen kan worden ingeschakeld.

Ik heb het NRGD verzocht met een voorstel te komen dat ziet op het mogelijk maken van registratie van ook de deskundigen die kleine tot zeer kleine deskundigheidsgebieden vertegenwoordigen. Ik wil graag eerst dit voorstel afwachten en met het NRGD bespreken.

De CDA-leden attenderen op een aantal opties die de onderzoekers schetsen om de rol van forensisch deskundigen in het strafproces te verbeteren, onder meer door waardering van de Rechtspraak zelf van de deskundigen. Zij vernemen graag de reactie van de Minister. In het bijzonder vragen zij de Minister in te gaan op de opmerkingen omtrent een systematisch verplichte training voor alle strafrechters en (forensisch) officieren, het gebrek aan wederzijds feedback tussen deskundigen en de rechterlijke macht (en hoe dat verbeterd zou kunnen worden volgens de Minister), het verder uitbouwen van opleidingsfaciliteiten met daaraan gekoppelde officiële diplomering alsmede mogelijkheden om de nationale strafrechtpleging meer toe te passen op internationale ontwikkelingen op forensisch terrein.

Naar aanleiding van de suggestie van een verplichte training op forensisch gebied wijs ik op de eigen personele en beheerverantwoordelijkheid van de gerechtsbesturen en parkethoofden en tevens ook op het ruime trainings- en opleidingsaanbod van het Studiecentrum Rechtspleging. Dit aanbod voorziet ruimschoots in mogelijkheden voor rechters en officieren om kennis en kunde te ontwikkelen op verschillende terreinen van de forensische expertise. Ook op internationaal terrein wordt een breed trainingsaanbod verzorgd door onder andere European Judicial Training Network. Wel al kent de initiële opleiding van rechters en officieren een verplicht forensisch technisch curriculum.

Zoals eerder gezegd werkt de Rechtspraak continu aan de verbetering van de kwaliteit van rapportageverzoeken vanuit de doelstelling dat de rechter gebaat is met bruikbare rapporten. In dit kader geeft de Rechtspraak feed back aan instanties als NFI, NIFP, de reclasseringsorganisaties en de Raad voor de Kinderbescherming.

De leden van de CDA-fractie begrijpen de wens van de Minister om nog eens kritisch te kijken naar het kostenaspect. Zij vragen echter wel om een reactie in het licht van de voorzichtige conclusie van de onderzoekers dat gegeven de gekozen aanpak er waarschijnlijk niet veel mogelijkheden zijn om de kosten te reduceren. De leden van de CDA-fractie vernemen graag waar de Minister wél ruimte ziet om de kosten te reduceren en of dit ook op instemming van het onafhankelijke College gerechtelijke deskundigen (alsmede het bureau van het NRGD) kan rekenen.

Het antwoord luidt dat de onderzoekers gelijk hebben indien het NRGD onveranderd de aanvragers voor een registratie volledig zouden blijven toetsen. De volledige toetsing van deskundigen is een arbeidsintensief proces waarop nog nauwelijks valt te besparen. Ik zie evenwel een meer dan marginale ruimte om kosten te reduceren, in de terugdringing van de toetsingslast van het NRGD door gebruik te maken van de verbeteringen die inmiddels zijn gerealiseerd en nog zullen worden gerealiseerd in de opleiding van deskundigen. NFI en NIFP hebben aangegeven te willen meewerken aan de accreditering van hun opleidingen. Wanneer een deskundige een verzoek tot registratie indient en kan overleggen dat hij een geaccrediteerde opleiding met goed gevolg heeft afgerond, hoeft de kennis en kunde van de deskundige voor de aspecten die de opleiding dekt niet meer te worden getoetst.

Daarnaast heeft het NRGD de vraag om naar kostenreductie te kijken zelf ter hand genomen. Inmiddels zijn al enkele kostenbesparende maatregelen in voorbereiding dan wel gang gezet, zoals het waar mogelijk verminderen van het aantal rapporten dat bij (her)registratie dient te worden ingestuurd en te worden beoordeeld («proportionele toetsing»), het verlengen van de registratietermijn van vier naar vijf jaar en het verder digitaliseren van de werkprocessen.

Ten slotte vragen de leden van de CDA-fractie waaruit in het evaluatierapport blijkt dat een noodzaak zou bestaan voor het verruimen van de mogelijkheden van voorwaardelijke registratie voor zojuist opgeleide deskundigen.

De leden merken terecht op dat deze noodzaak niet blijkt uit het onderzoeksrapport. Dit neemt niet weg dat uit mijn gesprekken met het NRGD is gebleken dat die noodzaak wel degelijk bestaat.

De verruiming wordt nodig geacht, zoals ook in de antwoorden aan de leden van de PvdA-fractie al is gezegd, omdat de wetgever aanvankelijk over het hoofd heeft gezien dat zojuist opgeleide deskundigen bij hun aanvraag niet kunnen bogen over gebleken ervaring die in de vorm van een aantal te overleggen rapporten bij gelegenheid van de toetsing wordt beoordeeld. Een voorlopige registratie kan eraan bijdragen dat de zojuist opgeleide deskundige onder supervisie maar wel als zelfstandig verantwoordelijke rapporteur die ervaring kan opdoen en dat daarna kan worden besloten tot een gewone registratie.

PVV

De fractie van de PVV heeft kennisgenomen van de bovengenoemde Evaluatie Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen. Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de PVV-fractie de volgende vragen.

De aan het woord zijnde leden lezen dat Minister er bij het NRGD op zal aandringen dat de deskundigen van grote nog niet omlijnde en genormeerde technische deskundigheidsgebieden binnen afzienbare tijd een aanvraag kunnen doen voor een registratie. De PVV-leden vragen wat hiervan de stand van zaken is.

Deze is als volgt. Op dit moment wordt gekeken met welke prioriteit de registratie van deskundigen van nieuwe technische deskundigheidsgebieden kan worden opengesteld. Sinds de oprichting van het NRGD in 2010 zijn thans 11 deskundigheidsgebieden omlijnd en genormeerd waarvan een deel behoort tot de technische deskundigheidsgebieden. De ervaring wijst uit dat het omlijnen en normeren van een deskundigheidsgebied zes tot negen maanden vergt. Het NRGD zal de komende jaren enkele belangrijke technische deskundigheidsgebieden aan het register toevoegen. Prioriteit heeft digitaal forensisch onderzoek. Daarnaast herijkt het NRGD periodiek de reeds eerder genormeerde deskundigheidsgebieden, opdat de normen in de pas blijven met de ontwikkelingen binnen het deskundigheidsgebied.

Een van de conclusies van de onderzoekers is dat weinig voorkomende, zeer gespecialiseerde en hoogwaardig academische deskundigheden vanwege de werkwijze van het NRGD noodgedwongen buiten de werking van het register zullen blijven. Dit komt door de werkwijze van het NRGD. De Minister acht dit onwenselijk en zal het NRGD verzoeken een oplossing te vinden voor de borging anderszins van de kwaliteit en vindbaarheid van zowel de deskundigen die kleine deskundigheidsgebieden vertegenwoordigen als de super gespecialiseerde deskundigen. De leden van de PVV-fractie vragen of dit betekent dat het NRGD zijn werkwijze gaat aanpassen.

Ik heb het NRGD verzocht te onderzoeken welke mogelijkheid hij ziet weinig voorkomende, zeer gespecialiseerde en hoogwaardig academische deskundigen te registreren en daarbij te betrekken dat dit wellicht op een andere manier zal kunnen dan met de werkwijze van omlijning, normering en toetsing. Mijn overweging daarbij is dat een (noodgedwongen) beperktere normeringssystematiek voor deze deskundigen al snel meer houvast biedt over hun inzetbaarheid in het strafproces dan wanneer het NRGD in het geheel niet kijkt naar de kwaliteit die zij kunnen leveren. Het NRGD is thans bezig de mogelijkheden daartoe te onderzoeken. Dit verzoek betekent geenszins dat de huidige wettelijk verankerde werkwijze van omlijning, normering en toetsing op de schop gaat. Die werkwijze blijft bestaan voor de reeds omlijnde en de nog volgens planning te omlijnen expertises.

Voornoemde leden refereren aan de opmerking van de onderzoekers dat vanwege het NRGD het gevaar aanwezig is dat rechters minder kritisch worden met het zelf toetsen van de deskundigen en hun oordeel en dat de Minister in reactie hierop dit gevaar niet heeft willen uitsluiten, maar er wel op gewezen heeft dat de meeste gerechten sinds kort investeren in de verbetering van de waardering van deskundigenrapporten. De gerechten doen dit mede door middel van de aanstelling van forensisch ondersteuners die als een tolk fungeren tussen de rechters en de soms moeilijke statistische gegevens en wetenschappelijke taal in rapporten.

Op de vraag van voornoemde leden of al iets te zeggen is over de effecten van deze maatregelen, moet ik het antwoord schuldig blijven. Ik heb met het noemen van dit voorbeeld willen aangeven dat de Rechtspraak het belang van een kritische waardering van het oordeel van de deskundige onderkent. De interpretatie en bewijswaardering zijn ook belangrijke terugkerende thema’s van de cursussen die het Studiecentrum Rechtspleging aanbiedt.

De PVV-leden halen de uitspraak van de Minister aan dat hij in aanvulling op het onderzoek nog eens kritisch zal kijken naar het kostenaspect, omdat het register een aanzienlijke uitgavenpost vormt in relatie tot de uitgaven voor gerechtelijke rapportages. De leden vragen of hier inmiddels al naar gekeken is en waaraan de Minister dan aan denkt. De leden refereren daarbij aan de voorzichtige conclusie van de onderzoekers dat er, gegeven de gekozen aanpak waarschijnlijk niet veel mogelijkheden zijn om de kosten te reduceren.

Zoals ik hiervoor al heb gezegd hebben de onderzoekers gelijk indien de huidige werkwijze met volledige toetsing van alle aanvragers een vast gegeven zou zijn. De volledige toetsing van deskundigen is een arbeidsintensief proces dat op zichzelf nauwelijks nog enige ruimte biedt voor besparingen. Ik zie evenwel een meer dan marginale ruimte om kosten te reduceren in het terugdringen van de arbeidsintensieve toetsingslast van het NRGD door gebruik te maken van de verbeteringen die inmiddels zijn gerealiseerd en nog zullen worden gerealiseerd in de opleiding van deskundigen. NFI en NIFP hebben aangegeven te willen meewerken aan de accreditering van hun opleidingen. Wanneer een deskundige een verzoek tot registratie indient en kan overleggen dat hij een geaccrediteerde opleiding met goed gevolg heeft afgerond, hoeft de kennis en kunde van de deskundige voor de aspecten die de opleiding dekt niet meer te worden getoetst. Voor de volledige toetsing kan dan een meer marginale toetsing in de plaats komen.

Daarnaast heeft het NRGD de vraag om naar kostenreductie te kijken zelf ter hand genomen. Inmiddels zijn al enkele kostenbesparende maatregelen in voorbereiding dan wel gang gezet, zoals het waar mogelijk verminderen van het aantal rapporten dat bij (her)registratie dient te worden ingestuurd en te worden beoordeeld («proportionele toetsing»), het verlengen van de registratietermijn van vier naar vijf jaar en het verder digitaliseren van de werkprocessen.

In antwoord op vragen van de aan het woord zijnde leden waarom de Minister maatregelen wil nemen met betrekking tot het verlengen van de termijn van registratie van vier naar vijf jaar, kan worden verwezen naar wat hiervoor hierover al is gezegd. Het levert besparingen op en het leidt een vermindering van de toetsingslast waardoor met de huidige capaciteit meer ruimte beschikbaar komt om versneld andere deskundigheidsgebieden op te nemen in het NRGD. De verlenging van de termijn draagt er overigens aan bij dat de inschrijvingstermijn dan meer in lijn is met de termijnen die gelden in andere beroepenregisters zoals het BIG-register, dat van toepassing is op apothekers, artsen, gezondheidszorgpsychologen en psychotherapeuten, en het Kaderbesluit van het Centraal College Medische Specialismen, dat van toepassing is op de beoordeling van vakinhoudelijke kwaliteiten van onder meer het specialisme psychiatrie. Het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) en de Nederlandse Vereniging voor Toxicologie kennen tevens registratieregelingen waarin een registratieduur van vijf jaar wordt gehanteerd. Een registratieduur van vijf jaar is herkenbaarder en geaccepteerd bij een groot deel van de aanvragers.

De leden van de PVV-fractie refereren aan een uitspraak van het NRGD dat hij de deskundigheidsvereisten wil aanscherpen: «de lat hoger wil leggen» en dat de onderzoekers naar aanleiding hiervan stellen dat een verdergaande beoordeling van forensische deskundigheid pas zinvol is wanneer er meer en betere opleidingen op forensisch gebied komen. In antwoord op de vraag van de leden of dit betekent dat het NRGD betere opleidingen gaat realiseren, wil ik benadrukken dat dit niet tot de taakopdracht van het NRGD behoort of zal gaan behoren. Instanties als NFI en NIFP zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de opleiding. Het NRGD heeft de taak zorg te dragen voor het de registratie van deskundigen en het beheer van het register. Die taakopdracht is het NRGD gegeven vanuit de verwachting dat een register zal bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van inbreng van deskundigen in strafzaken. Het register zorgt ervoor dat de personen die de gevraagde kwaliteit niet halen eruit worden gezeefd. Het is aan het veld om de opleidingen zo in te richten dat de deskundigen aan de registratie-eisen van het NRGD kunnen voldoen.

Uit het evaluatieonderzoek blijkt, zo zeggen de leden van de PVV-fractie, dat het vooral «beroepsdeskundigen» zijn die zich laten registreren. Voor deskundigen die per jaar slechts enkele onderzoeken doen is registratie minder aantrekkelijk. Dit geldt met name voor psychiaters en psychologen.

In reactie op de vraag van de leden hoe de Minister dit gaat oplossen, het volgende. Onder de grote groep forensisch gedragsdeskundigen bevinden zich inderdaad enkele psychiaters en psychologen die, omdat zij slechts zo nu en dan een forensisch rapport uitbrengen, niet erg genegen zijn zich te laten registreren. Registratie in het NRGD-register is immers een vrije keuze van de deskundige. De deskundige bepaalt zelf of hij het aantrekkelijk vindt om zich in het register te laten opnemen en zal daarbij afwegen of de «lasten» opwegen tegen de «baten», waarbij ook van belang zal zijn in hoeverre de deskundige voor zijn inkomsten afhankelijk is van het optreden als gerechtelijk deskundigen. Het NRGD-register bevat inmiddels honderden geregistreerde psychiaters en psychologen, waarmee de gebruikers van het register voldoende aanbod hebben. De vrije keuze die forensisch gedragsdeskundigen hebben en de afwegingen die zij maken veroorzaken geen problemen die om oplossingen vragen.

De leden van de PVV-fractie merken op dat de meeste geregistreerde technische deskundigen werkzaam zijn bij het NFI. Op bepaalde gebieden zijn geen andere deskundigen geregistreerd dan deskundigen van het NFI, bijvoorbeeld op de expertise gebieden «Verdovende middelen» en «Forensisch Wapen- en Munitieonderzoek». De leden vragen de Minister hoe hij ervoor gaat zorgen dat ook andere deskundigen op deze gebieden zullen worden geregistreerd aangezien het NFI niet kan worden ingeschakeld voor tegenonderzoek als een deskundige van het NFI het eerste onderzoek heeft verricht.

Registratie in het register, zo luidt mijn antwoord, geschiedt op vrijwillige basis en in de regel op eigen initiatief van de deskundige. In beginsel maakt het niet uit of die deskundige verbonden is aan NFI dan wel dat dit een zelfstandige deskundige is of een deskundige verbonden aan een nationaal of internationaal werkend forensisch laboratorium. Het NRGD neemt in de gevallen waarin het aanbod op bepaalde deskundigheidsgebieden gering is, geregeld initiatieven deskundigen die nog geen aanvraag tot registratie hebben gedaan, daartoe uit te nodigen. Op expertisegebieden waarop in Nederland hoe dan ook weinig deskundigen werkzaam zijn wordt daarbij door het NRGD ook gezocht naar buitenlandse deskundigen.

Voornoemde leden wijzen op de noodzakelijkheid van registratie van technische deskundigen anders dan enkel de deskundigen verbonden aan het NFI omdat ook de verdediging geregistreerde deskundigen zou moeten kunnen inschakelen voor een contra-expertise en vragen de Minister om een reactie.

Ik deel de mening dat de verdediging zou moeten kunnen beschikken over een deskundige ten behoeve van contra-expertise. Het is echter aan de deskundigen en hun werkgevers om er voor zorg te dragen dat zij voldoen aan de eisen voor registratie in het NRGD. In de gevallen dat er geen Nederlandse geregistreerde deskundige beschikbaar is buiten het NFI, kan de verdediging ook buitenlandse deskundigen inschakelen. Mij bereiken geen geluiden dat dit tot problemen leidt. Ik zie dan ook geen reden om hier op dit moment extra maatregelen op te nemen.

Voornoemde leden merken voorts op dat in het register niet is terug te vinden wat het niveau van kennis en ervaring van de deskundige is, of de deskundige volledig of voorwaardelijk is geregistreerd en welke specifieke vaardigheden de deskundige bezit. Ook worden er geen curriculum vitae met daarin opleiding, functie en achtergrond van deskundigen in het register opgenomen. De leden verwijzen naar de onderzoeksbevinding dat het NRGD hiervan afziet omdat verstrekking van genoemde informatie zou leiden tot een complex geheel aan aanvullende normen en toetsingen. De leden van de PVV-fractie vragen of alleen een curriculum vitae en het label volledig of voorwaardelijk ook al zullen leiden tot moeilijkheden.

Het is niet wenselijk te vermelden dat een registratie van de deskundige al dan niet onder voorwaarden heeft plaatsgevonden. Dit zou de niet gerechtvaardigde conclusie met zich kunnen brengen dat de voorwaardelijk geregistreerde deskundige niet aan de registratienormen voldoet. Voorwaardelijke registratie vindt plaats opdat op een later moment betrouwbaarder kan worden vastgesteld dat de deskundige inderdaad aan alle eisen voldoet. Voorts zou vermelding hierover in het register ertoe kunnen leiden dat de verdediging de juistheid van het deskundigenrapport betwist om de enkele reden dat het rapport afkomstig is van een voorwaardelijk geregistreerde deskundige. Voorts kan het vermelden van specifieke deskundigheden van de deskundige in het register een probleem vormen omdat deze specifieke deskundigheden mogelijk gedeeltelijk of geheel buiten de omlijning van het getoetste deskundigheidsgebied vallen. Het valt niet goed in te zien dat deskundigen een curriculum vitae in het register opnemen zonder daarbij informatie te verstrekken over hun kennis, ervaring en hun specifieke deskundigheden.

De leden van de PVV-fractie merken op dat gebruikers van de rapportages kritiek hebben op de lengte van een gedragsdeskundige rapportage. Dit zou voortvloeien uit de formats die het NFIP heeft ontwikkeld om rapportages te stroomlijnen. De rapporteur herhaalt uitvoerig wat ook in andere rapporten en zelfs in de dagvaarding te vinden is alvorens aan de eigen bevindingen toe te komen. Eén van de respondenten geeft zelfs aan dat niemand de eerste 30 pagina’s van een dergelijk rapport leest. De leden vragen of de Minister aanleiding ziet om hier wat aan te doen door bijvoorbeeld de formats aan te passen of anderszins het probleem op te lossen.

In reactie hierop verwijs ik naar wat ik hierover in eerdere antwoorden heb gezegd, namelijk dat de Rechtspraak continu aandacht besteedt aan de rapportageverzoeken opdat de deskundigen gerichte en voor de rechter bruikbare rapporten schrijven. Voorts merk ik op dat de tenlastelegging en overige voorgeschiedenis – die in het eerste deel van de rapportage zijn opgenomen – belangrijke referentiepunten vormen waaraan de rapporteur zijn bevindingen relateert. Het evaluatieonderzoek wijst overigens uit dat de gebruikers van het register doorgaans tevreden zijn over de kwaliteit van de rapportages. De onderzoekers melden dat er soms kritiek is op de lengte van de rapportages, maar niet wordt duidelijk of dit een breed gedragen gevoelen is. Het ligt in de eerste plaats op de weg van de Rechtspraak om, indien die kritiek in den brede zou spelen, daarover in gesprek te gaan met het NIFP.

Ten slotte refereren de leden van de PVV-fractie aan de onderzoeksbevinding dat naar de ervaring van de meeste deskundigen het registratiesysteem zelf weinig invloed heeft op de kwaliteit van hun werk. De registratie lijkt vooralsnog vooral als een zeef te werken. Voor een eventuele verdere verbetering van de forensische advisering zou meer nodig zijn dan verdere aanscherping van prestaties, namelijk een verbetering van de opleidingen. Naar aanleiding hiervan vragen de leden of de Minister een verder verbetering wil en daarom iets wil veranderen aan de opleidingen en, zo ja, wat

Het is niet noodzakelijk dat ik uitspraken doe over of ik verdere verbetering of verandering van de opleidingen wil. Er is namelijk al sprake van een verbetering en verandering van de opleidingen. Als eerder geantwoord gaat van het register een disciplinerende werking uit. De normen waaraan forensische deskundigen moeten voldoen, werken door in het curriculum, de kwaliteit en eindtermen van de opleidingen die instanties als NFI en NIFP verzorgen. Genoemde instanties zijn daar zelf voor verantwoordelijk en hebben aangegeven hun opleidingen te zullen accrediteren.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl