Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 november 2014
Op 1 oktober verzocht de Vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie mij om een
reactie op het rapport «Politiemensen over het strafrecht»1, in het bijzonder over het punt dat de terugkoppeling vanuit het Openbaar Ministerie
en de rechtspraak richting de politie over een strafzaak verbetering behoeft. Met
deze brief voldoe ik aan dat verzoek.
Bevindingen
In 2012 is door de Radboud Universiteit in opdracht van Politie en Wetenschap onderzoek
verricht naar de beleving van uitvoerende politiemensen over het strafrechtelijk vervolg
van hun werk. Het onderzoek is uitgevoerd door bij een beperkte groep politiemensen
(28) diepte-interviews uit te voeren en aansluitend ongeveer 550 uitvoerende politiemedewerkers
via een enquête te bevragen.
Uit het onderzoek blijkt dat de ondervraagde politieagenten van mening zijn dat het
strafrecht niet altijd voldoende aansluit op hun eigen werkzaamheden en daaraan onvoldoende
ondersteuning biedt. Deze constatering richt zich op drie thema’s: de eisen die aan
het bewijs worden gesteld, de hoogte van de opgelegde straffen en de toepassing van
voorlopige hechtenis.
Uit het onderzoek blijkt dat verre de meeste politiemensen gemotiveerd zijn; ook zij
die in het onderzoek aangeven ongenoegen te voelen. Een deel komt tot een zekere relativering,
zowel over het strafrecht als over de taak en positie van de politie.
Maatregelen
Het onderzoek geeft een nuttige analyse van de opvatting van politiemensen over de
werking van de strafrechtketen. Ik zie echter geen aanleiding voor maatregelen bovenop
de maatregelen die ik voor een goede werking van de strafrechtketen reeds heb getroffen.
Ik wijs uw Kamer in dit verband graag op de reeds in gang gezette maatregelen, waarmee
de oorzaken van het ongenoegen worden geadresseerd. Deze maatregelen maken vaak onderdeel
uit van het programma VPS, waarover ik uw Kamer periodiek informeer, meest recent
op 2 juli 2014.
Zo is bijvoorbeeld in het traject «van aangifte tot overdracht» een verhoging van
het opleidingsniveau van de intake medewerkers, het verscherpen van de kwaliteitscontrole
op pv’s en het verbeteren van de opleidingen opgenomen.
Ten tweede, de maatregelen met betrekking tot de relatie politie-OM, elkaar kennen
en gekend worden, maakt onderdeel uit van een samenwerkingstraject dat zich in eerste
instantie richt op VVC-zaken (veel voorkomende criminaliteit)
Ten slotte wijs ik op een recente verandering in werkwijze die op het snijvlak van
alle oorzaken en maatregelen ligt: de introductie van ZSM. Binnen ZSM werken de strafrechtsketenpartners
gezamenlijk aan een snelle, zorgvuldige en met name betekenisvolle afdoening. ZSM
heeft de (psychologische) afstand tussen ketenpartners gereduceerd en maakt directe
terugkoppeling over optreden en zicht op onderlinge weging mogelijk. ZSM draagt bij
om het geconstateerde ongenoegen verder te verhelpen.
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten