29 259
Wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten ten behoeve van de archeologische monumentenzorg mede in verband met de implementatie van het Verdrag van Valletta (Wet op de archeologische monumentenzorg)

H
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 februari 2007

Op 19 december 2006 vond in uw Kamer de beraadslaging plaats over het voorstel van wet op de archeologische monumentenzorg (Handelingen I 2006–2007, blz. 546–557; 575–588). Met betrekking tot een aantal onderwerpen zegde ik uw Kamer nadere informatie toe. Met deze brief informeer ik u over die onderwerpen waarover ik u op korte termijn kan berichten. Voor enkele andere onderwerpen, bijvoorbeeld het overleg met universiteiten, is meer tijd nodig. Daarover stuur ik uw Kamer later dit jaar een brief.

Evaluatie

De uiteindelijke werking van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en het Besluit op de archeologische monumentenzorg (Bamz) valt op voorhand niet exact vast te stellen. In het bovengenoemde overleg heb ik op sommige vragen van uw Kamer dan ook gewezen op de noodzaak van een evaluatie. Ik heb die noodzaak nog eens benadrukt door in de toelichting van de ontwerp algemene maatregel van bestuur op te nemen dat dit besluit, gelet op artikel IVA van de Wet op de archeologische monumentenzorg na drie jaar (maar binnen vier jaar) zal worden geëvalueerd. Rekening houdend met hetgeen ik hierover heb gesteld in mijn brief d.d. 15 december 2006 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2006–2007, 29 259, nr. 33) en de toezegging van Staatssecretaris Van der Laan in de nota naar aanleiding van het verslag d.d. 21 juni 2004 (Kamerstukken II 2003–2004, 29 259, nr. 6) betekent dit dat ik zowel de wet als het besluit zal laten evalueren. Ik kom hiermee ook tegemoet aan de wens van de Raad voor Cultuur die mij, in haar brief d.d. 26 januari 2007, adviseerde de nieuwe regelgeving te laten evalueren.

Zoals ik in het overleg met uw Kamer heb aangegeven zal de evaluatie ieder geval antwoord moeten geven op de vraag hoe effectief het nieuwe wettelijke stelsel is. Daarbij zal vooral worden bezien of gemeenten en provincies het archeologische belang serieus oppakken met name in het kader van de ruimtelijke ordening, of het uitgangspunt van gelijke concurrentieverhoudingen tussen overheidsorganisaties en particuliere ondernemingen in voldoende mate wordt gerespecteerd en of de excessieve kostenregeling een zinvolle bijdrage levert aan het archeologiebeleid van provincies en gemeenten.

Opgravingsvergunning

Naar aanleiding van het overleg met de Tweede Kamer over het concept besluit op de archeologische monumentenzorg (kamerstukken II 2006–2007, 29 259, nr. 33) heb ik aangegeven de toelichting op artikel 21 bij nader inzien te beperkend te vinden. Ook indien gemeenten andere samenwerkingsvormen op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen aangaan dan die van het openbaar lichaam, zou de beperking tot het gemeentelijke grondgebied niet moeten gelden. Ik heb de toelichting op dit artikel derhalve aangepast.

Daarnaast werd vanuit de Tweede Kamer de suggestie gedaan de tekst van artikel 22 van het concept-besluit aan te passen. Ook die suggestie heb ik overgenomen in die zin dat aan universiteiten die «bekwaam» worden geacht, een opgravingsvergunning zal worden verstrekt ten behoeve van hun onderwijs- en onderzoekstaken.

Aanpassen Wamz

De leden van de fracties van de CU en het CDA in de Eerste Kamer vroegen in het debat mijn aandacht voor de tekst van de Wet op de archeologische monumentenzorg. De heer Van Middelkoop (CU) vroeg zich af of artikel 43 ten onrechte niet tevens verwijst naar het rapport dat kan worden verlangd bij een sloopvergunning als bedoeld in artikel 37 van het wetsvoorstel. Is er wellicht sprake van een wettelijke omissie, zo vroeg hij zich af.

De heer Wagenmakers (CDA) vroeg mijn aandacht voor de wijze waarop de eigendom van vondsten is geregeld. Hij stelde voor de eigendom in artikel 50 van het wetsvoorstel zo te regelen dat de Staat ook eigenaar van de opgegraven monumenten is in alle gevallen waarin niet kan worden vastgesteld in welke provincie of gemeente die monumenten zijn gevonden.

Hoewel de door deze leden geconstateerde omissies op zichzelf genomen nauwelijks negatieve effecten zullen hebben op de werking van het nieuwe stelsel, zullen zij zo spoedig mogelijk – bij gelegenheid van het eerste geschikte (reparatie)wetsvoorstel van mijn kant – worden hersteld op een wijze als door deze leden is voorgesteld.

Advies Raad voor Cultuur

In de tweede helft van het vorige jaar heb ik de Raad voor Cultuur verzocht mij te adviseren over het concept besluit op de archeologische monumentenzorg. De Raad heeft mij op 26 januari 2007 geadviseerd. Ik ben verheugd dat de Raad constateert dat er geen zwaarwegende argumenten zijn tot een bijstelling van het voorliggende ontwerpbesluit te adviseren. Voor wat betreft het advies van de Raad de algemene maatregel van bestuur te evalueren verwijs ik naar hetgeen hierboven is gesteld.

Het in de vorenbedoelde zin bijgestelde concept-besluit zal ik op zeer korte termijn aanbieden aan de Koningin ter advisering door de Raad van State.

Tenslotte

In het overleg met uw Kamer is ook gesproken over het onderzoek door de Rijksdienst Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) en de Erfgoedinspectie inzake de kwaliteit van Programma’s van Eisen (PvE’s). Dat onderzoek zegde ik uw Kamer eind 2006 toe. Het onderzoek duurt evenwel langer; ik verwacht nu dat ik u de onderzoeksresultaten in mei van dit jaar kan toezenden.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven

Naar boven