Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 februari 2015
Hierbij stuur ik u, mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie, een reactie
op het onderzoek van IQ Healthcare waarin wordt geconcludeerd dat achteraf gezien
meer dan 40% van de onderzochte ambulancespoedritten in de regio Gelderland-Zuid eerstelijns
zorg betrof.
Het is belangrijk dat hulpverleners op de ambulance en op de SEH zich niet bezig houden
met medisch laag urgente hulpvragen die ook door een huisarts of met zelfzorg behandeld
kunnen worden. Goede triage door de meldkamercentralist is daarbij zeer belangrijk.
In de ambulancesector wordt gewerkt met de zogeheten Directe Inzet van Ambulances
(DIA). Dit betekent dat centralisten na een 112 melding met een zorgvraag direct een
ambulance inzetten. Vervolgens maakt de centralist een inschatting van de urgentie
van de situatie en neemt daarna een besluit over het vervolgen van de inzet met of
zonder licht- en geluidsignalen of het terugroepen van de ambulance. Met deze werkwijze,
waarbij de triage plaatsvindt terwijl de ambulance al op weg is, wordt de aanrijtijd
van de ambulance in spoedgevallen verkort. De triage vindt plaats op basis van informatie
van patiënten of omstanders die de ernst van de situatie niet altijd goed kunnen inschatten
en zich in een paniekachtige situatie kunnen bevinden. De centralist heeft daarmee
slechts zicht op een «relatieve» werkelijkheid, verwoord door de beller. Bij twijfel
neemt een centralist vanzelfsprekend geen risico en zal een ambulance niet teruggeroepen
worden. Er kan hierbij sprake zijn van zogenaamde over- of ondertriage, daar is een
ieder zich van bewust.
Ongeveer 51% van het aantal A1-inzetten wordt uitgevoerd naar aanleiding van een melding
die via 112 binnenkomt. De overige inzetten zijn naar aanleiding van een melding door
een zorgprofessional via een directe lijn. In deze gevallen gaat de centralist er
over het algemeen van uit dat de medisch gespecialiseerde hulpvrager goed zicht heeft
op de feitelijke situatie en zal de gevraagde hulp gestuurd worden. Daarnaast gaat
een aanzienlijk deel van de meldingen over incidenten in de openbare ruimte. De huisarts
van de slachtoffers van deze incidenten is vaak niet bekend en bovendien niet altijd
direct beschikbaar. Het IQ healthcare onderzoek geeft aan dat dit geen specifiek Nederlands
verschijnsel is, maar ook in het buitenland wordt gezien.
Dat er achteraf gezien geen ambulancehulpverlening nodig was geweest in een groot
deel van de spoedmeldingen in de regio Gelderland-Zuid is in het kader van doelmatigheid
niet wenselijk maar gezien het bovenstaande wel begrijpelijk. De gevolgen van ondertriage
kunnen voor de patiënt immers zeer ernstig zijn. Indien de centralist op basis van
de informatie die hij/zij beschikbaar heeft van oordeel is dat de patiënt op dat moment
zorg nodig heeft, dan moet zorg worden geboden. Inzet van een ambulance in geval van
twijfel is daarom gerechtvaardigd.
Dat neemt niet weg dat het in het onderzoek van IQ healthcare genoemde percentage
voor de overtriage een relatief hoog percentage is en dat er naar verbetering gezocht
kan worden. Hierbij zijn een goede samenwerking en heldere afspraken tussen de ambulancehulpverlening,
huisartsenposten en huisartsen van groot belang. InEen en Ambulancezorg Nederland
(AZN) hebben dit voor de komende jaren op de agenda gezet. De Nederlandse ambulancemeldkamers
zijn volop bezig met het verbeteren van de kwaliteit van de triage. Met behulp van
computerprogramma's wordt de medische uitvraag verder ondersteund, waarmee de triage
nog meer wordt geprofessionaliseerd. Belangrijk aandachtspunt daarbij is het vraagstuk
van de over- en ondertriage. Dit zal als een belangrijke factor worden meegewogen.
Maar helder is ook dat deze ontwikkeling in potentie over- en ondertriage kan reduceren,
maar dit nooit volledig zal kunnen uitsluiten.
U vraagt specifiek naar een reactie met het oog op het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel
over de inrichting van de Landelijke Meldkamer Organisatie (LMO) en de vraag in hoeverre
dit onderzoek daarbij kan worden meegenomen.
Op dit moment wordt in overleg met de betrokken partners een aanpassing van het wettelijk
kader voorbereid dat een basis moet bieden voor één landelijke meldkamerorganisatie.
In het wettelijk kader wordt op hoofdlijnen de taakverdeling tussen de landelijke
meldkamerorganisatie en de mono-disciplinaire hulpverleningsdiensten (politie, brandweer,
ambulance en Koninklijke Marechaussee) geregeld. Het wettelijk kader zal niet en detail
ingaan op de manier waarop de triage en inzet van ambulances wordt vormgegeven.
In het transitieakkoord «Meldkamer van de toekomst» is afgesproken om een optimale
manier van werken mede op basis van pilots uit te werken. De LMO in oprichting is
momenteel bezig met een nadere invulling van de pilots. Op korte termijn zal hierover
besluitvorming plaatsvinden. In de voortgangsbrief over de LMO, die de Minister van
Veiligheid en Justitie naar uw Kamer zal sturen, zullen de uitkomsten van dit besluitvormingsproces
beschreven worden. De werkwijze wat betreft multi- en mono intake binnen de LMO zal
hierbij worden meegenomen.
Hierbij zal uiteindelijk worden gekozen voor één manier van werken voor alle tien
de meldkamerlocaties.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.I. Schippers