29 237 Afrika-beleid

Nr. 135 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 maart 2011

In antwoord op uw verzoek om u schriftelijk te informeren over de actuele situatie in Soedan, bieden wij u deze brief aan over de volgende onderwerpen.

  • 1. De reactie van de regering op de uitslag van het zelfbeschikkingsreferendum voor Zuid-Soedan.

  • 2. De toekomstige ontwikkelingsrelatie met Soedan na de waarschijnlijke afscheiding van Zuid-Soedan.

  • 3. De invloed van de recente ontwikkelingen in de Arabische wereld op de situatie in Soedan.

  • 4. De motie Kortenoeven (kamerstuk 29 237, nr. 130), waarin de regering wordt gevraagd mogelijkheden te inventariseren voor sancties tegen landen die president Bashir ontvangen.

Deze brief is een vervolg op de Kamerbrieven van 11 november 2010 en 11 januari 2011 (Kamerstuk 29 237, nrs. 125 en 133) en hangt samen met twee andere brieven. Begin maart ontving u de artikel 100 brief over UNMIS, die ingaat op de veiligheidssituatie in Soedan en de Nederlandse personele bijdrage aan UNMIS. Tevens ontvangt u een dezer dagen een beleidsreactie op de OESO-DAC multidonor-evaluatie over ontwikkelings-samenwerking met Zuid-Soedan.

1. Reactie op zelfbeschikkingsreferendum voor Zuid-Soedan en CPA

Referendum

Het zelfbeschikkingsreferendum voor Zuid-Soedan vond plaats van 9 tot 15 januari 2011 en is goed verlopen. Er is geen beroep aangetekend en de uitslag is op 7 februari definitief vastgesteld. De opkomst was 97,58% van de geregistreerde kiezers, ruim hoger dan het percentage dat nodig is om het referendum geldig te laten zijn. 98,83% heeft gekozen voor afscheiding, 1,17% voor eenheid.

De EU-observatiemissie heeft op 17 januari 2011 een verklaring doen uitgaan en het proces als geloofwaardig en goed georganiseerd beoordeeld. De regering is verheugd dat het referendum goed is verlopen. Na bekendmaking van de uitslag heeft Nederland, in navolging van de EU, verklaard het resultaat van het referendum te accepteren.

De verwachting is dat Zuid-Soedan per 9 juli, als het Comprehensive Peace Agreement (CPA) afloopt, de onafhankelijkheid zal uitroepen. Nederland beziet dit mede in het licht van erkenning door omliggende landen en streeft ernaar om erkenning in Europees verband te bespreken. Het is positief dat de regering van Soedan officieel heeft aangegeven de uitslag van het referendum te accepteren en als eerste Zuid-Soedan als nieuw land te zullen erkennen.

Wel waren er in de periode na het referendum gewelddadige incidenten in Abyei, Unity State en Zuid-Kordofan, waarbij slachtoffers zijn gevallen. Ondanks bemiddeling, blijft er sprake van terugkerend geweld in Abyei. Ook hebben er in Zuid-Soedan in de weken na de bekendmaking van de uitslag gewelddadigheden plaatsgevonden. Hierbij zijn meer dan 200 doden gevallen en vele gewonden. Aan de oorsprong ervan ligt geweld door lokale milities onder leiding van afvallige Sudan Peoples Liberation Army (SPLA)-militairen.

Comprehensive Peace Agreement (CPA)

In de naaste toekomst is goed nabuurschap tussen Noord- en Zuid-Soedan noodzakelijk. De partijen blijven immers wederzijds afhankelijk, vooral op economisch terrein. De winning van olie vindt plaats in het zuiden en de export gebeurt via de in Noord-Soedan gelegen haven van Port Sudan. Internationale partners, inclusief Nederland, benadrukken de eigen verantwoordelijkheid van de noordelijke National Congress Party (NCP) en de zuidelijke Sudan People’s Liberation Movement (SPLM) om over uitstaande zaken tot overeenstemming te komen.

Momenteel liggen de onderhandelingen over de nog openstaande punten van het CPA stil na beschuldigingen van de SPLM dat de NCP militia’s steunt om het zuiden te destabiliseren en daarmee onafhankelijkheid van Zuid-Soedan te voorkomen. Thabo Mbeki, die de onderhandelingen faciliteert, doet pogingen de partijen weer om de tafel te brengen. Nederland is betrokken bij deze onderhandelingen, met name over Abyei. Tevens levert Nederland experts voor de gesprekken over post-CPA regelingen, zoals op gebied van water en burgerschap.

2. Toekomstige Nederlandse ontwikkelingsrelatie met Soedan

Nederland zal zich met internationale partners in blijven zetten voor vrede, gerechtigheid en ontwikkeling in Soedan. Nu de Zuid-Soedanese bevolking zich massaal heeft uitgesproken voor afscheiding van het noorden, kan de beleidsontwikkeling voor de Nederlandse betrokkenheid handen en voeten gaan krijgen. Daarbij zal de regering nadrukkelijk aansluiting zoeken bij de reeds gepresenteerde ontwikkelingsplannen van de Zuid-Soedanese regering. Details worden momenteel uitgewerkt in zogeheten «sector working groups». Er zal met de Zuid-Soedanese regering worden gesproken over de transparantie van overheidsuitgaven. Tevens zal Nederland inzetten op werkgelegenheid, bijvoorbeeld in de landbouwsector.

De dialoog met de Wereldbank en de VN over betere inzet in Zuid-Soedan zal worden voortgezet. In EU kader heeft NL gepleit vanaf het begin de afzonderlijke OS-inspanningen gezamenlijk te coördineren en te programmeren. Dit is een unieke kans zijn om de werkverdeling vanaf dag één adequaat toe te passen. De aanbevelingen van de OESO-DAC multidonor-evaluatie, waarover u een separate Kamerbrief toegaat, worden betrokken bij de Nederlandse inzet voor Zuid-Soedan.

De humanitaire situatie in Zuid-Soedan blijft zorgelijk. Bovenop de reeds bestaande ontheemden, raakten in 2010 nog eens 212 000 mensen ontheemd als gevolg van geweld en waren 2,4 miljoen mensen afhankelijk van voedselhulp. Nederland zal daarom ook in 2011 bijdragen aan humanitaire hulp voor Zuid-Soedan, naar verwachting 9 miljoen EUR. Humanitaire organisaties schatten dat in 2011 ongeveer 650 miljoen USD nodig is voor humanitaire hulp aan Zuid-Soedan. Een van de prioriteiten daarbij is het opvangen van de Zuid-Soedanezen die terugkeren uit het noorden.

In Darfur is de humanitaire situatie voor de bevolking het afgelopen jaar verslechterd door onveiligheid voor hulpverleners en beperkte toegang tot de hulpbehoevende bevolking. De Nederlandse bijdrage aan humanitaire hulpverlening aan Darfur zal daarom worden voortgezet, evenals de diplomatieke inzet om de humanitaire situatie te verbeteren.

Het Nederlandse programma in de drie transitiegebieden Abyei, Zuid-Kordofan en Blue Nile is gericht op stabilisatie, conflictbemiddeling en preventie. Het ligt in de verwachting dat deze steun zal worden voortgezet in de periode na de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan, omdat er dan nog steeds een verhoogd risico tot hernieuwd conflict zal bestaan in deze en onmiddellijk aansluitende grensgebieden.

3. Gevolgen van ontwikkelingen in de Arabische wereld voor Soedan

Er hebben in het noorden, in navolging van Egypte en Tunesië, protestbijeenkomsten plaatsgevonden. Hieraan namen enkele honderden studenten, leden van jeugdorganisaties en oppositieleden deel. Dit is echter niet op grote schaal gebeurd. In Soedan is weinig ruimte voor publiek debat en democratisering. De bijeenkomsten begonnen bij universiteiten en werden door politie en veiligheidsdiensten begeleid en uiteindelijk uit elkaar gedreven. Enkele tientallen mensen werden gearresteerd en er is een dode gevallen. De demonstraties richtten zich op de hoge prijzen voor levensmiddelen, de werkeloosheid en het gebrek aan vrijheden. Op 8 maart werd een demonstratie ten behoeve van de internationale vrouwendag hardhandig neergeslagen.

President Omar al-Bashir regeert sinds juni 1989. Twee keer daarvoor kreeg Soedan te maken met volksopstanden die resulteerden in de omverwerping van militaire regimes.

Er zijn enkele individuen in de oppositie die mogelijk een grote achterban hebben. De voornaamste oppositiepartijen worden echter aangevoerd door een generatie leiders die in het verleden geregeerd en gefaald hebben. Zij hebben beperkte steun van de bevolking, die zij moeilijk kunnen mobiliseren. Bovendien is de oppositie niet eensgezind.

De machtige Islamitische beweging «Muslim Brotherhood» zal, anders dan in bijvoorbeeld Egypte, niet een belangrijk onderdeel van een eventuele volksopstand vormen: ze stond immers zelf aan de basis van de staatsgreep van 1989 die de National Islamic Front (voorganger NCP) aan de macht bracht.

Na de verwachte onafhankelijkheid van het zuiden zou Bashir, zeker als de economische situatie verslechtert, te maken kunnen krijgen met meer volksprotesten, grotere druk vanuit oppositiepartijen en hernieuwd conflict. De NCP zal worden verweten het land niet bijeen te hebben gehouden. Darfuri rebellengroepen en bewegingen in andere delen van het land zoals het oosten en Zuid-Kordofan zouden zich kunnen gaan roeren en ook afscheiding opeisen.

4. Inventarisatie van sanctiemogelijkheden tegen landen die ICC-verdachte Bashir ontvangen

Conform de motie Kortenoeven, aangenomen op 7 december 2010 door de Tweede Kamer, wordt u hierbij geïnformeerd over de inventarisatie van concrete sanctiemogelijkheden tegen staten die Bashir toelaten op hun grondgebied.

Voor Statenpartijen van het Internationaal Strafhof (ICC) en landen en organisaties die direct partij zijn bij het conflict in Darfur geldt op basis van het Statuut van Rome c.q. VN-Veiligheidsraad resolutie 1593 een internationaalrechtelijke verplichting om met het ICC samen te werken. Het Statuut van Rome voorziet niet expliciet in sancties die door de Vergadering van Statenpartijen kunnen worden opgelegd aan een individuele Statenpartij. Indien een situatie door de VN-Veiligheidsraad is doorverwezen naar het Hof, ligt het primaat voor maatregelen tegen landen die lid zijn van het ICC bij de Vergadering van Statenpartijen of bij de VN-Veiligheidsraad.

Voor landen en organisaties die geen partij zijn bij het Statuut, geldt dat zij ten aanzien van samenwerking met het Hof, ingevolge VN-Veiligheidsraad resolutie 1593, een politieke verantwoordelijkheid, maar geen internationaalrechtelijke verplichting hebben. De regering neemt zowel de internationaalrechtelijke verplichting van Statenpartijen als de politieke verantwoordelijkheid van niet-Statenpartijen zeer serieus en meent dat beide moeten worden aangespoord tot volledige samenwerking met het Hof. Hierbij geldt dat gezamenlijk optreden met internationale partners, met name in EU verband, een krachtiger signaal afgeeft en effectiever is dan unilaterale actie van Nederland. Wanneer een land president Bashir toelaat op zijn grondgebied, zal de regering zich inzetten voor gezamenlijke actie van de EU en gelijkgezinde landen om een land te bewegen tot respect van de verplichting en/of verantwoordelijkheid tot samenwerking met het Hof.

Er zijn mogelijkheden om in EU-verband landen aan te spreken op het gebrek aan samenwerking met het Hof. Naast het nemen van de gebruikelijke diplomatieke maatregelen, waaronder het ontbieden van de ambassadeur, het demarcheren bij de betreffende regering en het uitvaardigen van verklaringen, dient de EU andere mogelijkheden tot het uitoefenen van druk aan te grijpen. De regering acht in dit verband de zogenaamde «artikel 8 dialoog», neergelegd in het Cotonou-verdrag, een nuttig instrument. De regering zal in EU-verband aandringen op het agenderen van onvoldoende samenwerking met het Hof voor de artikel 8-dialoog die reeds met landen wordt gevoerd.

Daarnaast heeft de EU in diverse samenwerkingsakkoorden met derde landen er steeds voor geijverd een bepaling op te nemen over samenwerking met het Hof. Ook op basis van dergelijke akkoorden kan de EU derde landen aanspreken op het eventueel ontvangen van Bashir.

Hoezeer de regering het ook betreurt dat landen president Bashir ontvangen, het instellen van sancties tegen die landen zou amper effectief zijn. In EU-verband bestaat geen enkel draagvlak voor sancties tegen landen die president Bashir ontvangen.

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

H. P. M. Knapen

Naar boven