Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 29023 nr. AU |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 29023 nr. AU |
Vastgesteld 3 juli 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei2 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Klimaat en Groene Groei over voortgang energiebesparing. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 2 juni 2026.
• De antwoordbrief van 3 juli 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, Karthaus
BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN / KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Minister van Klimaat en Groene Groei
Den Haag, 2 juni 2026
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 23 april 2026 over de voortgang energiebesparing.3 De leden van de fracties van de BBB en SP hebben naar aanleiding daarvan een aantal vragen en opmerkingen. Het lid van de fractie-Visseren-Hamakers sluit zich aan bij de vragen van de SP.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB
Juist in tijden van geopolitieke onzekerheid is het van groot belang dat onze ondernemers en instellingen weerbaar zijn, aldus de fractieleden van de BBB.4 Deze leden maken zich echter grote zorgen over de stapeling van regeldruk, de praktische haalbaarheid voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) en de agrarische sector, en de effectiviteit van het voorgestelde beleid. Zij leggen u daarom de volgende vragen voor.
Regeldruk, actualisatie 2027 en haalbaarheid voor het mkb
U geeft aan dat de energiebesparingsplicht voor de actualisatieronde van 2027 wordt gewijzigd.5 Hoewel er wordt gesproken over het «verminderen van de regeldruk», wijst de praktijk vaak uit dat nieuwe rondes leiden tot complexere administratieve verplichtingen voor het bedrijfsleven.6
Kunt u concreet en per sector (specifiek voor het mkb en de agrarische sector) toelichten hoe de regeldruk in de ronde van 2027 feitelijk wordt verminderd?
Erkent u dat ondernemers momenteel al verdrinken in informatieplichten en onderzoekrapportages?7 Hoe verhoudt deze extra druk zich tot de natuurlijke focus van ondernemers op hun primaire bedrijfsproces?
De leden van de BBB-fractie lezen dat het project «Versnelling van Industriële Besparing van Energie» (VIBE 2030) is gestart met de rubber- en kunststofindustrie en de sector voor margarine, vetten en oliën.8
Waarom is er in deze fase niet direct gekozen voor sectoren die momenteel onder enorme druk staan, zoals de glastuinbouw of lokale mkb-productiebedrijven?
Wanneer kunnen de agrarische sector en het regionale mkb concrete, laagdrempelige toolkits verwachten die aansluiten op hun praktijk?
Lokale beleidsvrijheid versus centrale Haagse normen
U maakt melding van een voorgenomen onderzoek naar een landelijke «norm» voor toezicht en handhaving door omgevingsdiensten, om te voorkomen dat de inzet landelijk uiteenloopt.9
Bent u bereid te garanderen dat deze norm de wettelijke beleidsvrijheid en autonomie van gemeenten en provincies niet aantast?
Hoe rijmt u het opleggen van een centrale norm met het feit dat de spreiding van bedrijven en de lokale prioriteiten per regio sterk verschillen?10 Waarom wordt er niet gekozen voor het stimuleren van maatwerk en vrijwillige naleving in plaats van een rigide handhavingsdictaat vanuit Den Haag?
Financiering en de timing van ondersteuning
De leden van de BBB-fractie constateren met verbazing dat het Energiebesparingsfonds pas eind 2026 operationeel zal zijn, terwijl ondernemers nu al aan strenge plichten moeten voldoen.11
Waarom dwingt u ondernemers nu al tot compliance, terwijl de financiële instrumenten om hen te ondersteunen pas over maanden beschikbaar komen?
Aangezien het fonds leningen verstrekt en geen subsidies, vragen de leden van de BBB-fractie of u heeft getoetst wat de impact is van extra schuldenlast op de continuïteit van (familie)bedrijven in economisch onzekere tijden.
Effectiviteit van klimaatuitgaven en de rol van datacenters
Uit de financiële analyse van de begroting blijkt dat maar liefst 26% (ruim € 12,8 miljard) opgaat aan «categorie c»: andere beleidsdoelen, waaronder algemene organisatorische en bureaucratische kosten.12 Tegelijkertijd stelt het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat de kans op het halen van het nationale doel voor primair energieverbruik minder dan 5% is.13
Hoe rechtvaardigt u deze miljarden verslindende overhead aan de Nederlandse belastingbetaler en ondernemer, als de effectiviteit van het beleid zo schrikbarend laag is?
Tot slot wijst TNO in de energiebesparingsmonitor op een pijnlijke trend: de energiebesparing die burgers en bedrijven in de gebouwde omgeving realiseren door kostbare isolatie en warmtepompen, wordt volledig tenietgedaan door de verwachte stijging van het elektriciteitsverbruik van datacenters.14
Hoe kunt u verdedigen dat lokale ondernemers en gezinnen via strenge handhaving onder druk worden gezet om energie te besparen, terwijl grootschalige datacenters de nationale besparingswinst in hun eentje doen verdampen?
Bent u bereid om de focus te verleggen van het beknellen van het mkb naar het aanpakken van deze grootschalige stroomverbruikers?
Toezicht
U wenst gemeenten en provincies een norm op te leggen voor toezicht.15 Gemeenten en provincies kunnen hun middelen momenteel zelf naar eigen inzicht en lokale prioriteiten verdelen. Waar moet het structurele geld na 2028 vandaan komen als de speciale Rijkssubsidies (SpUk) verdwijnen? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.
Uit de TNO-monitor blijkt helder dat de landbouwsector haar energieverbruik netjes met 19 PJ heeft verlaagd.16 Deze praktijkwinst in de gebouwde omgeving wordt echter weer tenietgedaan doordat de toename van zware (hyperscale)datacenters, aldus de fractieleden van de BBB. Deze leden vragen u te reflecteren op de keuzes die worden gemaakt in het toezicht.
Energiebesparing is volgens u essentieel om netcongestie te verminderen17, maar de verplichte elektrificatie van processen zorgt er juist voor dat het overvolle stroomnet nog zwaarder belast wordt en ondernemers op een jarenlange wachtlijst voor een aansluiting staan, aldus deze leden. Wat gaat u doen om deze twee problemen integraal aan te pakken? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.
Voor effectief toezicht hebben omgevingsdiensten meer hoogopgeleid en technisch personeel nodig, wat ook in het meerjarig uitvoeringsplan als opleidingsvraagstuk wordt erkend.18 Hoe gaat u, in nauwe samenwerking met het onderwijsveld, structureel investeren in de omscholing en aanwas van groen en technisch talent om voldoende uitvoeringskracht te garanderen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP
De fractieleden van de SP vragen hoe lang de energiebesparingsplicht al bestaat. Welk percentage van de verplichte besparing is al daadwerkelijk bereikt?
In hoeverre voldoen de verschillende onderdelen van de Rijksoverheid zelf aan de energiebesparingsplicht?
Hoe verhoudt zich het niet (voldoende) handhaven op de energiebesparingsplicht tot bijvoorbeeld de aansluitstop in een deel van Nederland? Hoeveel ruimte was er op het stroomnet geweest bij handhaving van de energiebesparingsplicht?
Hoeveel zou het handhaven van de energiebesparingsplicht besparen op investeringen in de verzwaring van het stroomnet? Hoeveel zou dit opleveren voor economische bedrijvigheid waar wél ruimte voor is?
Zijn lokale en provinciale overheden (financieel en qua kennis) voldoende toegerust op het uitvoeren van de energiebesparingsplicht?
Kunt u het energiebesparingsfonds verder toelichten? Welke bedrijven kunnen hier gebruik van maken? Hoe wordt voorkomen dat grote bedrijven die investeringen zelf kunnen dragen gebruik maken van het fonds en daarmee mkb’ers, die het fonds waarschijnlijk harder nodig hebben om te kunnen voldoen aan de energiebesparingsplicht, worden buitengesloten?
In hoeverre heeft u de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer uit haar rapport «Energiebesparing stimuleren of verplichten?» verwerkt, zoals het uitsluiten van verplichte energiebesparingsmaatregelen van financiële ondersteuning?19
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken.
Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, S.M. Kluit
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
Hierbij stuurt het kabinet u de beantwoording op de vragen van de fracties BBB en SP naar aanleiding van de brief van 23 april 2026 betreft de voortgang energiebesparing.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer
181290
BBB
1
U geeft aan dat de energiebesparingsplicht voor de actualisatieronde van 2027 wordt gewijzigd. Hoewel er wordt gesproken over het «verminderen van de regeldruk», wijst de praktijk vaak uit dat nieuwe rondes leiden tot complexere administratieve verplichtingen voor het bedrijfsleven.
Kunt u concreet en per sector (specifiek voor het mkb en de agrarische sector) toelichten hoe de regeldruk in de ronde van 2027 feitelijk wordt verminderd?
Antwoord
De glastuinbouwbedrijven zullen vanaf 2027 geen administratieve lasten van de onderzoeksplicht meer dragen. Vanaf dat jaar vallen zij namelijk alleen nog onder de informatieplicht en de Erkende Maatregelenlijst (EML). De verlichting van de regeldruk die hiermee gepaard gaat bedraagt naar verwachting 5,5 miljoen euro.
Voor alle bedrijven en instellingen, waaronder het mkb en de andere agrarische deelsectoren, die met de EML-systematiek werken worden administratieve lasten vanaf 2027 ook minder. Dit komt doordat de EML korter en overzichtelijker wordt. Daarnaast kunnen bedrijven en instellingen gebruik maken van de vooraf ingevulde rapportages in het e-Loket. De verwachting is dat rapportages ongeveer 1/3 korter worden.
2
Erkent u dat ondernemers momenteel al verdrinken in informatieplichten en onderzoekrapportages? Hoe verhoudt deze extra druk zich tot de natuurlijke focus van ondernemers op hun primaire bedrijfsproces?
Antwoord
Het is voor bedrijven en instellingen van belang om energie te besparen om zo weerbaar te worden tegen prijsschommelingen in de markt, kosten te verlagen en onafhankelijk te worden van aardgas. De informatieplicht en onderzoeksplicht voor energiebesparing moeten eens in de vier jaar worden uitgevoerd. Alle bedrijven en in stellingen die onder de energiebesparingsplicht vallen, moeten informatieplicht invullen. De onderzoeksplicht geldt alleen voor zeer grote energiegebruiker en dat zijn ca. 4.200 locaties. Dit is bedoeld voor ondernemers om inzicht te krijgen in hun opties om energie te besparen. Deze rapportages zijn dus direct afgestemd op hun eigen primaire bedrijfsproces. De rapportages via de informatieplicht en onderzoeksplicht kunnen gezien worden als een stappenplan voor meer energiebesparing. Het invullen van de informatieplichtrapportage kost gemiddeld vier uur per vier jaar. Het uitvoeren van de maatregelen neemt uiteraard meer tijd in beslag, maar verdienen zich altijd terug. Eens in de vier jaar is een logische termijn, omdat de energiebesparingsplicht ook elke vier jaar wordt herzien en er op die manier tevens rekening gehouden kan worden met nieuwe energiebesparende technologieën die op de markt zijn gekomen.
3
De leden van de BBB-fractie lezen dat het project «Versnelling van Industriële Besparing van Energie» (VIBE 2030) is gestart met de rubber- en kunststofindustrie en de sector voor margarine, vetten en oliën.
Waarom is er in deze fase niet direct gekozen voor sectoren die momenteel onder enorme druk staan, zoals de glastuinbouw of lokale mkb-productiebedrijven?
Antwoord
De aanpak VIBE-2030 richt zich op de sector industrie en niet op de agrarische sector. Binnen de industriesector zijn er op basis van gebruik een drietal groepen van bedrijven te onderscheiden: 1) een kleine groep van grote bedrijven die gezamenlijk een derde van het energiegebruik voor hun rekening nemen, 2) een groep van ongeveer 1000 kleinere bedrijven, waaronder grootbedrijf en MKB, die iets meer dan de helft van het energiegebruik voor hun rekening nemen en 3) een grote groep kleine bedrijven die 6% gebruiken en niet onder de onderzoeksplicht energiebesparing vallen. VIBE-2030 heeft een aanpak ontwikkeld voor deze tweede groep, omdat deze groep gezamenlijk het grootste energiegebruik heeft en de energie voornamelijk uit gas en elektriciteit haalt. Deze aanpak wordt momenteel ontwikkeld voor genoemde twee branches die voorlopers willen zijn op het gebied van energiebesparing. Op deze manier kan de aanpak volwassen worden en daarna maximaal effectief worden ingezet voor overige branches in de industrie die onder druk staan. De verwachting is dat de ontwikkeling van toolkits voor andere branches na de zomer kan starten. De toolkits worden openbaar gemaakt waarna alle bedrijven in de branches deze kunnen gebruiken. Deze toolkits zullen ook toepasbaar zijn voor mkb-productiebedrijven, natuurlijk wel afhankelijk van de gebruikte procestechnieken.
4
Wanneer kunnen de agrarische sector en het regionale mkb concrete, laagdrempelige toolkits verwachten die aansluiten op hun praktijk?
Antwoord
De eerste toolkits worden net na de zomer opgeleverd en daarna wordt gelijk gestart met het ontwikkelen van de toolkits voor de overige branches. Toolkits specifiek voor de agrarische sector zijn niet in scope. Er worden zoveel mogelijk toolkits tegelijk ontwikkeld, met inachtneming van de uitvoeringscapaciteit van het projectteam. Deze zullen in de loop van 2027 beschikbaar komen. Zie ook het antwoord op vraag 3.
5
U maakt melding van een voorgenomen onderzoek naar een landelijke «norm» voor toezicht en handhaving door omgevingsdiensten, om te voorkomen dat de inzet landelijk uiteenloopt.
Bent u bereid te garanderen dat deze norm de wettelijke beleidsvrijheid en autonomie van gemeenten en provincies niet aantast?
Antwoord
De beleidsvrijheid van lokale overheden staat niet ter discussie. Door het invoeren van een norm voor toezicht en handhaving beoog ik de wettelijke taak duidelijker te definiëren, lokale overheden handvaten te geven over hoe zij hier invulling aan kunnen geven, en sturing te geven aan de beschikbaar gestelde middelen. Dit bevordert enerzijds een gelijk speelveld voor bedrijven, zodat toezicht en handhaving door heel Nederland op een gelijkwaardige manier uit worden gevoerd. Anderzijds bevordert een norm dat gemeenten en provincies voldoende middelen ter beschikking kunnen stellen aan omgevingsdiensten, zodat deze hun capaciteit op peil kunnen houden.
6
Hoe rijmt u het opleggen van een centrale norm met het feit dat de spreiding van bedrijven en de lokale prioriteiten per regio sterk verschillen? Waarom wordt er niet gekozen voor het stimuleren van maatwerk en vrijwillige naleving in plaats van een rigide handhavingsdictaat vanuit Den Haag?
Antwoord
Ik erken dat het belangrijk is om te kijken naar de regionale verschillen, dit neem ik dan ook mee in het onderzoek naar de norm. De omgevingsdiensten die toezicht houden op de energiebesparingsplicht kijken tijdens hun controles en in gesprek met de ondernemers naar de specifieke situaties die voorkomen bij bedrijven. Daarin is ruimte voor maatwerk, bijvoorbeeld door kortere of langere uitvoeringstermijnen om maatregelen te treffen te hanteren. Uit de cijfers van het IPLO-rapport «Middelen voor energietoezicht bij omgevingsdiensten»20, blijkt dat nog niet alle bedrijven of instellingen voldoen aan de energiebesparingsplicht. Controles door de omgevingsdiensten zijn daarom noodzakelijk om inzicht te blijven creëren bij bedrijven en instellingen en hen te wijzen op de maatregelen die moeten worden uitgevoerd. Dit draagt bij aan het verlagen van de energiekosten.
7
De leden van de BBB-fractie constateren met verbazing dat het Energiebesparingsfonds pas eind 2026 operationeel zal zijn, terwijl ondernemers nu al aan strenge plichten moeten voldoen.
Waarom dwingt u ondernemers nu al tot compliance, terwijl de financiële instrumenten om hen te ondersteunen pas over maanden beschikbaar komen?
Antwoord
De energiebesparingsplicht bestaat al in verschillende vormen sinds 1993 en houdt in dat dat bedrijven en instellingen met het jaarlijks energiegebruik vanaf 25.000 m3 aardgas of 50.000 kWh elektriciteit energiebesparende maatregelen met terugverdientijd van maximaal 5 jaar moeten uitvoeren. De maatregelen verdienen zich dus binnen 5 jaar terug en zorgen daarna voor een permanent lagere energierekening bij het betreffende bedrijf of instelling.
De regeling van het energiebesparingsfonds is bedoeld om mkb tegemoet te komen omdat de terugverdientijd van vijf naar zeven jaar wordt opgehoogd met de actualisatie in 2027. De ophoging van de terugverdientijd gaat gepaard met grotere initiële investeringen in energiebesparende maatregelen. Veel mkb-bedrijven ervaren momenteel obstakels bij het toegang krijgen tot de benodigde financiering voor energiebesparende maatregelen. Omdat ophoging van de terugverdientijd pas medio 2027 ingaat, vindt het Kabinet het redelijk om het fonds vlak daarvoor open te stellen. De ophoging gaat dus later in dan dat het fonds naar verwachting operationeel is.
8
Aangezien het fonds leningen verstrekt en geen subsidies, vragen de leden van de BBB-fractie of u heeft getoetst wat de impact is van extra schuldenlast op de continuïteit van (familie)bedrijven in economisch onzekere tijden?
Antwoord
Het kabinet acht het gepast om het mkb van leningen te voorzien voor het doen van energiebesparende maatregelen omdat in sommige gevallen het mkb niet in staat is om externe financiering te vinden. Deze maatregelen zorgen ervoor dat het mkb meer toekomstbestendig is.
Voordat de regeling in gebruik wordt genomen wordt de verplichte doenvermogentoets gedaan, waarbij het voorgenomen besluit wordt getoetst aan het gedrag en de leefsituatie van de doelgroep. Hierbij wordt dus ook de financiële situatie getoetst.
9
Uit de financiële analyse van de begroting blijkt dat maar liefst 26% (ruim € 12,8 miljard) opgaat aan «categorie c»: andere beleidsdoelen, waaronder algemene organisatorische en bureaucratische kosten. Tegelijkertijd stelt het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat de kans op het halen van het nationale doel voor primair energieverbruik minder dan 5% is.
Hoe rechtvaardigt u deze miljarden verslindende overhead aan de Nederlandse belastingbetaler en ondernemer, als de effectiviteit van het beleid zo schrikbarend laag is?
Antwoord
De categorie «overige» omvat hier allerlei posten en zeker niet alleen overhead, maar ook middelen voor andere beleidsdoelen, zoals mijnbouw, de vulling van de gasopslagen, het prijsplafond energie en de tegemoetkoming blokaansluitingen. In de specifieke analyse van de begroting uit de Kamerbrief21 waaraan wordt gerefereerd is alleen onderscheid gemaakt tussen: 1.) middelen die in worden gezet voor energiebesparing (tevens met een positief effect op de klimaatdoelen), 2.) middelen die worden ingezet voor de klimaatdoelen, maar die geen positief effect hebben op het energiebesparingsdoel en 3.) middelen voor overige doeleinden. Onder deze der post vallen dus niet alleen uitvoeringskosten, maar ook middelen die beschikbaar zijn gesteld voor andere beleidsdoelen.
10
Hoe kunt u verdedigen dat lokale ondernemers en gezinnen via strenge handhaving onder druk worden gezet om energie te besparen, terwijl grootschalige datacenters de nationale besparingswinst in hun eentje doen verdampen?
Antwoord
De energiebesparingsplicht geldt voor de locaties met jaarlijks energiegebruik vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas(equivalenten) en dus niet voor gezinnen, gebouwen met woonfunctie of kleine lokale ondernemingen maar wel voor datacenters. De omgevingsdiensten geven ondernemers die onder de energiebesparingsplicht vallen vanwege hun jaarlijks verbruik praktische tips om energiebesparing te realiseren. Dat gebeurt niet alleen handhavend, maar ook stimulerend.
Ook (grootschalige) datacenters moeten voldoen aan de energiebesparingsplicht en alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar (vanaf 2027 7 jaar of minder) of minder uitvoeren. De datacenters met een energiegebruik vanaf 10 miljoen kWh elektriciteit of 170.000 m3 aardgas(equivalenten) moeten daarnaast ook een uitgebreid energieonderzoek doen naar hun processen en daarover rapporteren via de onderzoeksplichtrapportage.
11
Bent u bereid om de focus te verleggen van het beknellen van het mkb naar het aanpakken van deze grootschalige stroomverbruikers?
Antwoord
Zie ook het antwoord hierboven.
De energiebesparingsplicht is nodig om bedrijven, waaronder mkb, en instellingen weerbaarder te maken tegen energieprijsschokken en als Nederland onafhankelijker te worden van de fossiele energiebronnen uit buitenland. Omdat de voorgestelde maatregelen zich per definitie binnen vijf jaar terugverdienen, levert dit daarna winst op voor de onderneming. Het is dus ook in het belang van deze bedrijven om zoveel mogelijk energie te besparen.
12
U wenst gemeenten en provincies een norm op te leggen voor toezicht. Gemeenten en provincies kunnen hun middelen momenteel zelf naar eigen inzicht en lokale prioriteiten verdelen.
Waar moet het structurele geld na 2028 vandaan komen als de speciale Rijkssubsidies (SpUk) verdwijnen? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.
Antwoord
De structurele middelen voor het toezicht op de energiebesparingsplicht staan opgenomen op de begroting van Klimaat en Groene Groei. Deze middelen verdwijnen niet als de Specifieke Uitkering verdwijnt. De Specifieke Uitkering is slechts een instrument om middelen beschikbaar te stellen aan omgevingsdiensten. Daarom zet ik in op het ontwikkelen van een toezichtsnorm. Daarmee kan geborgd worden dat het toezicht op de energiebesparingsplicht voldoende financiering krijgt van de medeoverheden, en kan er gekozen voor financiering via de provincie -of gemeentefondsen in plaats van de SpUk.
13
Uit de TNO-monitor blijkt helder dat de landbouwsector haar energieverbruik netjes met 19 PJ heeft verlaagd. Deze praktijkwinst in de gebouwde omgeving wordt echter weer tenietgedaan doordat de toename van zware (hyperscale)datacenters, aldus de fractieleden van de BBB.
Deze leden vragen u te reflecteren op de keuzes die worden gemaakt in het toezicht.
Antwoord
Het is goed dat sectoren, zoals de landbouwsector, hun bijdrage leveren aan het verlagen van het energieverbruik. Elke locatie vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000m3 aardgas(equivalenten), waaronder datacenters, moet voldoen aan de energiebesparingsplicht. Omgevingsdiensten houden toezicht op deze datacenters (en andere locaties). Vanwege de toenemende digitalisering van de samenleving, zoals het gebruik van AI-toepassingen, is het logisch dat het energiegebruik sector breed groeit. Het is daarbij van belang dat datacenterlocaties, evenals andere bedrijven en instellingen die onder de energiebesparingsplicht vallen, voldoen aan deze plicht en energiebesparende maatregelen nemen.
14
Energiebesparing is volgens u essentieel om netcongestie te verminderen, maar de verplichte elektrificatie van processen zorgt er juist voor dat het overvolle stroomnet nog zwaarder belast wordt en ondernemers op een jarenlange wachtlijst voor een aansluiting staan, aldus deze leden.
Wat gaat u doen om deze twee problemen integraal aan te pakken? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.
Antwoord
Energie-efficiëntiemaatregelen dragen, naast een permanent lagere energierekening en meer weerbaarheid tegen prijsschokken op de energiemarkt, bij aan de vermindering van de netcongestie. De meeste maatregelen onder de plicht zien immers op het verminderen van het gebruik van de betreffende. Elektrificatie is meest effectieve strategie om energie te besparen en een belangrijk instrument om de CO2-emissie te verminderen en om klimaatdoelen te halen. De belasting van het net blijft hierbij het punt van aandacht en daarom moet er slim met elektrificatie worden omgegaan. Er zijn voor specifieke sectoren dan ook enkele maatregelen onder de plicht opgenomen die leiden tot een overstap van gas naar elektriciteit. Indien het niet mogelijk is om door de netcongestie dergelijke maatregelen te treffen, zijn ze ook niet afdwingbaar vanuit de energiebesparingsplicht. Binnen het Landelijke Actieprogramma Netcongestie wordt gewerkt aan maatregelen om netcongestie te mitigeren, bijvoorbeeld met nieuwe flexibele contracten, om zo de wachtlijst terug te brengen. De Kamer wordt hierover periodiek geïnformeerd.22 Daarnaast wordt, conform de motie ingediend door het lid van Oosterhout23 in de Tweede Kamer, energiebesparing integraal onderdeel gemaakt van de weging van maatregelen voor de aanpak van netcongestie.
In het kader van de Clean Industrial Deal en het Affordable Energy Action Plan van de Europese Commissie is een belangrijke doelstelling voor het aandeel van elektriciteit in het finaal eindverbruik geïntroduceerd, waarbij 32% in 2030 als streefcijfer is vastgesteld. Ook is het Actieplan voor elektrificatie aangekondigd, dat in juli 2026 van start zal gaan. Dit plan ziet op de kosteneffectieve en systeemvriendelijke elektrificatie van het energieverbruik in de EU, met name op het gebied van vervoer, industrie en gebouwen versnellen, die gepaard gaat met structurele investeringen in schone energie en flexibiliteit.
15
Voor effectief toezicht hebben omgevingsdiensten meer hoogopgeleid en technisch personeel nodig, wat ook in het meerjarig uitvoeringsplan als opleidingsvraagstuk wordt erkend.
Hoe gaat u, in nauwe samenwerking met het onderwijsveld, structureel investeren in de omscholing en aanwas van groen en technisch talent om voldoende uitvoeringskracht te garanderen?
Antwoord
Binnen de huidige Specifieke Uitkering Toezicht en Handhaving Energiebesparingsplicht aan de omgevingsdiensten is er de mogelijkheid om personeel op te leiden en aan te nemen. In de afgelopen jaren is met deze financiering circa 103 fte aan toezichthouders aangenomen. Om personeel te behouden en op te leiden is ook voor de periode 2027–2028 een specifieke uitkering beschikbaar gesteld voor omgevingsdiensten. Binnen het meerjarig uitvoeringsplan energiebesparing van OmgevingsdienstNL (ODNL) is er tevens aandacht voor opleidingen en voldoende scholing van personeel. Onderdeel van dit uitvoeringsplan is:
Samen met onderwijsinstellingen te werken aan de opleiding van nieuw personeel, mede door het aanbieden van stageplekken en samenwerking op de energie-technische inhoud.
Ook coördineert ODNL de opleidingswensen en -behoeften van omgevingsdiensten en koppelt dit aan aanbieders van opleidingen op verschillende plekken in het land;
– Daarnaast komt er focus op specifieke technische kennis, zoals stoomtechnieken, binnen opleidingen;
– Verder wordt een inwerkprogramma voor nieuwe toezichthouders energiebesparing ontwikkeld;
– Aanvullend hierop brengt ODNL toezichthouders die gespecialiseerd zijn in verschillende branches (bijv. Steenfabrieken en glastuinbouw) samen om kennisdeling te stimuleren en hebben zij ook een forum waarop toezichthouders vraagstukken kunnen agenderen en bediscussiëren;
– Via Informatiepunt Leefomgeving worden, in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK), tot slot, ook webinars en netwerkbijeenkomsten georganiseerd voor de toezichthouders over technische inhoud met als doel om kennis op te doen en dit te delen met elkaar.
SP
16
De fractieleden van de SP vragen hoe lang de energiebesparingsplicht al bestaat. Welk percentage van de verplichte besparing is al daadwerkelijk bereikt?
Antwoord
De energiebesparingsplicht bestaat in verschillende vormen sinds 1993. Sinds 2022 wordt ingezet op toezicht en handhaving om de naleving van deze plicht te verhogen. De plicht kent geen kwantitatieve doelen, dit wil zeggen dat het gaat om relatieve energie-efficiëntie en niet om de absolute reductie van het energiegebruik. Het energiegebruik is wel verminderd ten opzichte van de situatie waarin de maatregelen uit de energiebesparingsplicht niet zouden zijn getroffen. Omdat het gaat over relatieve energiebesparing en omdat de uitgangspositie van bedrijven niet bekend is, is het lastig om de exacte effecten vast te stellen.
Het bindende Europese doel waaraan Nederland zich gecommitteerd heeft is een maximaal gebruik van 1609 PJ finale energie in 2030. Uit de jaarlijkse Monitor Energiebesparing van TNO van 2026 blijkt dat het finaal energieverbruik, na de correctie voor de buitentemperatuur, van 1995 PJ in 2015 daalde naar 1748 PJ in 2024, een daling van 247 PJ (12%). Daarvan betreft 76 PJ een daling van het energieverbruik in de sector industrie, 119 PJ in de gebouwde omgeving, 32 PJ in de sector mobiliteit (inclusief internationale luchtvaart) en 19 PJ in de sector landbouw. De energiebesparingsplicht draagt bij aan deze daling. Zoals genoemd is het echter lastig de exacte effecten vast te stellen. TNO is opdracht gegeven om aan de hand van de CBS-cijfers en micro-data de effecten van de energiebesparingsplicht in kaart te brengen. De resultaten van het onderzoek zullen naar verwachting in Q4 2026 gereed zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten nader geïnformeerd.
17
In hoeverre voldoen de verschillende onderdelen van de Rijksoverheid zelf aan de energiebesparingsplicht?
Antwoord
Binnen de sector «Openbaar bestuur en overheidsdiensten» wordt de Rijksoverheid niet apart gemonitord. Er zijn dus geen specifieke gegevens over de naleving van de energiebesparingsplicht beschikbaar.
De sector als geheel voldoet voor ruim 70% aan de energiebesparingsplicht voor wat betreft de activiteitenmaatregelen en voor 50% voor wat betreft gebouwenmaatregelen. Dit betekent dat 70% resp. 50% van de gerapporteerde erkende maatregelen volledig zijn uitgevoerd of dat er een alternatieve maatregel is uitgevoerd.
Daarnaast vallen de gebouwen van de Rijksoverheid, evenals die van andere overheidsinstanties, onder artikel 5 van de Energy Efficiency Directie (EED). Dit artikel ziet erop toe dat overheidsinstanties samen jaarlijks 1.9% van het totale energieverbruik moeten verminderen. Overheidsinstanties worden geacht hierover voor het eerst te rapporteren voor 1 december 2026.
18
Hoe verhoudt zich het niet (voldoende) handhaven op de energiebesparingsplicht tot bijvoorbeeld de aansluitstop in een deel van Nederland? Hoeveel ruimte was er op het stroomnet geweest bij handhaving van de energiebesparingsplicht?
Antwoord
Energiebesparing draagt bij aan het verminderen van netcongestie. Immers de energie die je niet gebruikt hoeft ook niet getransporteerd te worden. Bij netcongestie gaat het naast het elektriciteitsgebruik, ook over het moment van dit gebruik. Wanneer (de verwachting is dat) er te weinig transportcapaciteit beschikbaar is op piekmomenten, kunnen er geen nieuwe partijen aangesloten worden totdat het net verzwaard is. Energie-efficiëntiemaatregelen die leiden tot een lagere elektriciteitsvraag op piekmomenten kunnen ruimte op het net creëren. Een lagere elektriciteitsvraag op andere momenten biedt daarnaast mogelijk ruimte om meer partijen met de nieuwe flexibele transportovereenkomsten tijdens dalmomenten aan te kunnen sluiten. Hoeveel effect handhaving in de jaren voor 2022 op de energiebesparingsplicht precies gehad zou kunnen hebben op het verminderen van de elektriciteitsvraag op piekmomenten is niet te zeggen.
19
Hoeveel zou het handhaven van de energiebesparingsplicht besparen op investeringen in de verzwaring van het stroomnet? Hoeveel zou dit opleveren voor economische bedrijvigheid waar wél ruimte voor is?
Antwoord
Energie-efficiëntie maatregelen beperken de vraag naar energie. Het toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht is een belangrijk instrument om de vraag naar energie te verminderen, en dus om netcongestie tegen te gaan. De capaciteit voor toezicht en handhaving is sinds 2022 sterk opgeschaald door de middelen die het kabinet beschikbaar stelt.
Per regio of gebied binnen een regio is de mate van netcongestie echter verschillend. Ook de investeringen in het elektriciteitsnet per gebied zullen verschillen. Tot slot verschilt ook de opbrengst per regio en ook per bedrijf aangezien het effect per maatregel wordt gemeten. Daardoor is het niet mogelijk om he totale effect op de netcongestie en de vermeden kosten cijfermatig scherper neer te zetten.
20
Zijn lokale en provinciale overheden (financieel en qua kennis) voldoende toegerust op het uitvoeren van de energiebesparingsplicht?
Antwoord
Gemeentelijk en provinciale overheden voeren geen toezicht uit op de energiebesparingsplicht. Gemeenten en provincies zijn het bevoegd gezag, en deze taken zijn belegd bij omgevingsdiensten.
De omgevingsdiensten hebben met de financiering vanuit het Rijk circa 103 fte aangenomen. Binnen deze financiering zijn er ook mogelijkheden om personeel op te leiden. Daarnaast wordt er ingezet op het organiseren van webinars voor technische onderwerpen en netwerkbijeenkomsten tussen toezichthouders om kennis te delen. Naast de rijksbijdrage is er ook een bijdrage nodig vanuit de gemeente en provincies voor het toezicht. Zoals uit het rapport van Informatiepunt Leefomgeving blijkt, zijn er verschillen per dienst. Om die reden gaat het Ministerie van EZK in gesprek met de diensten waar de bijdrage erg laag is en de uitvoeringscapaciteit grotendeels gefinancieerd is door de Specifieke Uitkering van het Rijk.
21
Kunt u het energiebesparingsfonds verder toelichten? Welke bedrijven kunnen hier gebruik van maken? Hoe wordt voorkomen dat grote bedrijven die investeringen zelf kunnen dragen gebruik maken van het fonds en daarmee mkb’ers, die het fonds waarschijnlijk harder nodig hebben om te kunnen voldoen aan de energiebesparingsplicht, worden buitengesloten?
Antwoord
Het energiebesparingsfonds is gericht op het ondersteunen van de groep mkb’ers die moeilijk of onvoldoende toegang heeft tot andere externe financiering. De subsidiemodule ondersteunt deze groep mkb’ers via subsidies met terugbetaalverplichting (ergo een lening) met een marktconforme rente zodat zij ten minste aan hun wettelijke verplichtingen voor energiebesparing kunnen voldoen.
De doelgroep van deze regeling zijn primair bedrijven die moeten voldoen aan de energiebesparingsplicht. Daarnaast is het ook mogelijk voor bedrijven met een lager energieverbruik (minimaal een jaarverbruik van 5000 m3 aardgas en/of 10.000 kWh elektriciteit) die niet onder de energiebesparingsplicht vallen om een lening aan te vragen. Zodoende kan het brede mkb van deze regeling gebruik maken en wordt energiebesparing over de brede linie gestimuleerd.
Voor een aanvraag zal een bedrijf gevraagd worden te verklaren dat het om een mkb-bedrijf gaat. Dit zal steekproefsgewijs gecontroleerd worden. Daarnaast, is het maximale leenbedrag vanuit het energiebesparingsfonds € 250.000. Dit maakt dat het voor grotere bedrijven waarschijnlijk minder interessant is om van deze regeling gebruik te maken omdat zij meer middelen nodig hebben voor hun investeringen.
22
In hoeverre heeft u de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer uit haar rapport «Energiebesparing stimuleren of verplichten?» verwerkt, zoals het uitsluiten van verplichte energiebesparingsmaatregelen van financiële ondersteuning?
Antwoord
De Algemene Rekenkamer heeft in haar rapport meerdere aanbevelingen gedaan, waaronder het uitsluiten van verplichte energiebesparingsmaatregelen van financiële ondersteuning. De maatregelen die onder de energiebesparingsplicht vallen, mogen niet worden gesubsidieerd. Dit is niet doelmatig. De door de Algemene Rekenkamer geconstateerde overlap was beperkt en is reeds hersteld. RVO controleert bij de start van een nieuwe subsidieregeling of er overlap is met de energiebesparingsplicht. De energiebesparende maatregelen worden dus niet gesubsidieerd.
Verder valt het toekomstige energiebesparingsfonds niet onder de overlap omdat dit leningen zijn die bedrijven terug moeten betalen, waardoor er geen «cadeau-effect» ontstaat, zoals Algemene Rekenkamer dat noemt.
Samenstelling:
Van Aelst-den Uijl (SP), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Holterhues (ChristenUnie), Karaaslan (D66), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Kroon (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Van Meenen (D66), Panman (BBB), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Steenkamp (CDA), Straus (VVD), Van Strien (PVV), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp
Algemene Rekenkamer, «Energiebesparing stimuleren of verplichten? – Onderzoek naar overlap van energiebesparingsbeleid», te raadplegen op: https://www.rekenkamer.nl/documenten/2026/01/15/energiebesparing-stimuleren-of-verplichten---onderzoek-naar-overlap-van-energiebesparingsbeleid.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29023-AU.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.