29 023 Voorzienings- en leveringszekerheid energie

30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid

Nr. 262 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 september 2020

Op 2 oktober 2019 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de publicatie van de tweejaarlijkse Rendementsmonitor warmteleveranciers 2017 en 2018 (hierna: Rendementsmonitor) door de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM).1 Daaruit bleek dat het gemiddelde nominale rendement van leveranciers voor belastingen in 2017 5,8% en in 2018 6,8% bedroeg, terwijl de indicatieve bandbreedte die in het rapport als redelijk rendement is gedefinieerd 5,2%–6,6% is. Het overschrijden van de indicatieve bandbreedte is in de periode na publicatie van de Rendementsmonitor herhaaldelijk ter sprake gekomen in uw Kamer. Door de ACM is op 20 februari 2020, op verzoek van de vaste Kamercommissie voor Economische Zaken & Klimaat (hierna: Kamercommissie), de Rendementsmonitor toegelicht in een technische briefing.

Kortgeleden heeft de ACM mij echter geïnformeerd dat de Rendementsmonitor formule- en datafouten bevat en daarom gerectificeerd dient te worden. Na correctie liggen de gemiddelde rendementen van warmtebedrijven – in 2017 5,5% en in 2018 6,4% – wél net binnen de indicatieve bandbreedte voor een redelijke rendement. In de bijgevoegde brief, gericht aan de Kamercommissie, licht de ACM dit toe2. Voor het overige heeft de rectificatie geen omvangrijke gevolgen voor de conclusies van de Rendementsmonitor. Ook na correctie laat het rendement over de afgelopen vier jaren een opwaartse trend zien.

Op aandringen van uw Kamer heb ik eind 2019 en begin 2020 gesprekken gevoerd met de grotere leveranciers over hun tariefstelling. Naar aanleiding van deze gesprekken heb ik op 10 februari 2020 uw Kamer middels een brief3 op de hoogte gesteld van het voornemen om artikel 7, tweede tot vierde lid, van de Warmtewet in werking te laten treden om daarmee de ACM aanvullende bevoegdheden te geven om meer inzicht te verkrijgen in de tarieven die leveranciers in rekening brengen en de rendementen die zij daarbij behalen.

Gelet op het feit dat de gemiddelde rendementen van leveranciers ook na correctie de afgelopen jaren een opwaartse trend laten zien en dat met de inwerkingtreding van artikel 7, tweede tot vierde lid, wordt voorgesorteerd op de transparantievoorschriften die voortvloeien uit Warmtewet 2, vormt de rectificatie van de Rendementsmonitor geen aanleiding om af te zien van de inwerkingtreding van artikel 7, tweede tot vierde lid. Het koninklijk besluit om deze artikelen inwerking te laten treden zal na – conform artikel 45, tweede lid, van de Warmtewet – te zijn voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer naar verwachting dit najaar in werking treden.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes


X Noot
1

Kamerstuk 29 023, nr. 251.

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
3

Kamerstuk 30 196, nr. 704.

Naar boven