28 982 Liberalisering energiemarkten

Nr. 123 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 juni 2011

Conform het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (2011Z10783/2011D28950) van d.d. 1 juni jl., ontvangt u hierbij de stand van zaken van de winning van schaliegas. U vraagt mij naar een uiteenzetting van het (eventuele) voornemen, inclusief de bijbehorende besluitvormingsprocedure en tijdslimieten. Tevens verzoekt uw commissie mij de relevante ontwikkelingen in Europees verband te schetsen. Bijgevoegd vindt u de reactie van mij en de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu op vragen die gesteld zijn door het lid Jansen (SP), waarin ook op deze materie wordt ingegaan (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2010–2011, nr. 2839).

Allereerst wil ik benadrukken dat gas de komende decennia een belangrijke rol in de Nederlandse en Europese energievoorziening zal blijven spelen. Dit is ook gebaseerd op de verwachte rol van gas in de brandstofmix. Daarom is het van belang er voor te zorgen dat onze gasproductie de komende decennia op peil wordt gehouden. De ontwikkeling van schaliegas in Nederland kan een belangrijke bijdrage leveren in de ambitie van het kabinet om de Nederlandse gasvoorraden ten volle te benutten.

De schattingen over de hoeveelheden onconventioneel gas zijn veelbelovend. De potentiële winning moet echter nog bewezen worden. Een eerste stap in het proces is te komen tot een inzicht in waar en hoeveel volume er mogelijk aanwezig is in Nederland. In de laatste twee jaar zijn hierover verschillende publicaties verschenen met sterk uiteenlopende schattingen. Dat komt vooral doordat er verschillende uitgangspunten worden gehanteerd in termen van theoretisch aanwezige voorraden, technische winbaarheid, milieurandvoorwaarden en inpasbaarheid boven- en ondergronds.

Om meer duidelijkheid te krijgen over de hoeveelheid en locatie van onconventioneel gas in Nederland moeten de onconventionele bronnen verkend worden via proefboringen en testen. De feitelijke kennis die dit oplevert, is nodig om de voorraden van onconventioneel gas meer onderbouwd te kunnen inschatten. De proefboringen zijn ook nodig om een goed idee te krijgen van de winbaarheid van het gas en de technieken die daarvoor nodig zijn. Op basis daarvan is het mogelijk om een goed beeld te vormen over de mogelijke impact van het winnen van onconventioneel gas op natuur, milieu en landschap. Marktpartijen nemen primair het initiatief tot proefboringen en testen. De overheid moet zorgen dat veiligheid voor mens en milieu is gewaarborgd.

Om een proefboring te mogen zetten, is allereerst een opsporingsvergunning nodig. Deze vergunning geeft de houder het exclusieve recht om in een bepaald gebied een bepaalde delfstof op te sporen. Deze vergunning is dus geen operationele vergunning, maar is gericht op marktordening. Tot op heden zijn er twee vergunningen verleend voor de opsporing van schaliegas: opsporingsvergunning Noord-Brabant en opsporingsvergunning Noordoostpolder.

Indien uit de proefboring blijkt dat er inderdaad economisch winbare hoeveelheden schaliegas in de ondergrond aanwezig zijn, zal een winningsvergunning aangevraagd moeten worden. Deze vergunning geeft de houder het exclusieve recht om in een bepaald gebied een bepaalde delfstof te winnen. Voordat er daadwerkelijk gewonnen mag worden, is ook nog mijn instemming met een winningsplan nodig. In het winningsplan wordt een aantal operationele aspecten van de winning geadresseerd, zoals de verwachte hoeveelheid te winnen delfstoffen, de snelheid van de winning, maar wordt ook expliciet aandacht besteed aan mogelijke bodembeweging en daaruit voortkomende schade als gevolg van de winning.

Besluiten die ik neem met betrekking tot de vergunningen zijn in belangrijke mate gebaseerd op adviezen van EBN, SodM, TNO, de Mijnraad en de Tcbb. In het algemeen duurt het 6 à 12 maanden voordat een opsporings- of winningsvergunning verleend is. Deze besluiten zijn onderhavig aan inspraak en zijn beide gericht op marktordening. Een instemming met het winningsplan neemt ook 6 à 12 maanden in beslag. De vergunningen die nodig zijn voor het kunnen uitvoeren van de daadwerkelijke mijnbouwactiviteiten, zijn genoemd in de reactie op vraag 1 (zie bijlage) (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2010–2011, nr. 2839).

In verschillende Europese landen wordt naar schaliegas gezocht. Voornamelijk in Polen wordt hier veel aan gedaan. In het Verenigd Koninkrijk is recent een rapport uitgekomen genaamd «Energy and climate change committee – Fifth report, shale gas». In dit rapport wordt geconcludeerd dat schaliegas een grote potentie kan hebben, en het belang ervan voor de energiemarkt wordt uiteengezet. Tevens worden een aantal aanbevelingen gedaan ten aanzien van het te voeren beleid en de mogelijke risico’s voor het milieu. Dit onderzoek bevestigt ook dat er geen aantoonbare gevallen zijn waar een directe relatie ligt tussen fraccen en grondwaterverontreiniging. In de praktijk van het boren en fraccen is er in Nederland geen geval bekend van gevolgen voor de drinkwatervoorziening.

Ik constateer dat Duitsland (herziening wetgeving) en Frankrijk (nader onderzoek) een pas op de plaats hebben gemaakt met betrekking tot het boren naar schaliegas. Ik volg deze ontwikkelingen, maar ik ben van mening dat met de ruime kennis en ervaring die Nederland heeft met het boren naar gas, met het fraccen en het toezicht op deze mijnbouwactiviteiten, de veiligheid voor mens en milieu goed gewaarborgd kan worden. Daarnaast is in Nederland de (Mijnbouw)wet zodanig ingericht dat de risico’s die horen bij dergelijke mijnbouwactiviteiten afgedekt zijn.

Daarom zie ik op dit moment geen aanleiding voor wets- of beleidswijziging met betrekking tot onconventioneel gas. Vanzelfsprekend blijf ik de ontwikkelingen en ervaringen nauwlettend volgen.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J .M. Verhagen

Naar boven