Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200328863 nr. 1;2

28 863
Aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet Aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht.

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

1 mei 2003

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat enige aanpassingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten nodig zijn;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 20, eerste lid, 20e, eerste lid, 24, tweede lid, en 25f, eerste lid, van Boek 1 wordt «twee maanden» telkens gewijzigd in: drie maanden.

B

In artikel 204, eerste lid, onder a, van Boek 4 vervallen de woorden «op vordering».

C

Artikel 685, derde lid, van Boek 7 komt te luiden:

3. Het verzoek wordt gedaan aan de ingevolge de artikelen 99, 100, en 107 tot en met 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegde kantonrechter.

ARTIKEL II

De Faillissementswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, tweede lid, wordt «op de vordering» vervangen door: op verzoek.

B

In de artikelen 3, eerste lid, 3a, eerste lid, en 3b vervalt telkens «of een vordering».

C

In de artikelen 3, tweede lid, en 3a, tweede en derde lid, vervalt telkens «of de vordering».

D

In artikel 15b, tweede lid, wordt «, het verzoek of de vordering» vervangen door: of het verzoek.

E

In artikel 248, eerste lid, wordt «gevorderd» vervangen door: verzocht.

ARTIKEL III

In artikel 56d, eerste lid, Kadasterwet wordt «artikel 56c, vierde lid» vervangen door: artikel 56c, derde lid.

ARTIKEL IV

In artikel 80, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie wordt na «Tegen een vonnis» ingevoegd: of een beschikking.

ARTIKEL V

Artikel 23, zesde lid, Wet politieregisters komt te luiden:

6. Indiening van een verzoekschrift als bedoeld in het tweede en derde lid hoeft niet door een procureur te geschieden. Tegen de beslissing van de rechtbank staat geen hoger beroep open.

ARTIKEL VI

In artikel 42, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren vervalt de zinsnede «, tenzij artikel 852, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is».

ARTIKEL VII

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b wordt na de zinsnede «indien de arbeid gewoonlijk in Nederland wordt verricht» toegevoegd: of laatstelijk gewoonlijk in Nederland werd verricht.

b. Onder verlettering van de onderdelen c tot en met h tot d tot en met i wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. een individuele arbeidsovereenkomst, indien de arbeid tijdelijk in Nederland wordt verricht, voorzover het betreft een rechtsvordering met betrekking tot arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, welke is gegrond op artikel 1 van de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid, artikel 7 of 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, artikel 2, zesde lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, artikel 8 of 11 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, alsmede artikel 5, eerste lid, onder b, d, e, of f, van de Algemene wet gelijke behandeling;

c. In onderdeel d wordt de zinsnede beginnend met «,alsmede » en eindigend met «verricht» vervangen door: en de partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf aldaar commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op Nederland en de overeenkomst onder die activiteiten valt;

d. In onderdeel e wordt aan het slot voor de puntkomma toegevoegd: of zich kan voordoen.

B

Na artikel 6 wordt een artikel 6a ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

Voor de toepassing van artikel 6, onderdeel a, is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering in Nederland gelegen:

a. voor de koop en verkoop van roerende zaken, indien de zaken volgens de overeenkomst in Nederland geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

b. voor de verstrekking van diensten, indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.

C

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het derde lid komt te luiden:

3. Een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid laat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter onverlet indien de zaak een individuele arbeidsovereenkomst betreft of een overeenkomst als bedoeld in artikel 6, onder d.

b. In het vierde lid vervalt «, aanhef en onder b,».

D

In artikel 56, derde lid, tweede volzin, wordt na «mits de deurwaarder» ingevoegd: binnen veertien dagen daarna.

E

In artikel 76 wordt na «waarbij deze zich onbevoegd had verklaard» ingevoegd: wegens ontbreken van rechtsmacht of in verband met een overeenkomst tot arbitrage.

F

Artikel 100 wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede «een arbeidsovereenkomst» wordt vervangen door: een individuele arbeidsovereenkomst.

b. De zinsnede «wordt verricht» wordt vervangen door: wordt of laatstelijk gewoonlijk werd verricht.

c. Aan het slot wordt een zin toegevoegd, luidende: In zaken betreffende een individuele arbeidsovereenkomst is, indien de arbeid tijdelijk in Nederland wordt verricht, mede bevoegd de rechter van de plaats waar de werknemer de arbeid tijdelijk verricht, voorzover het betreft een rechtsvordering met betrekking tot arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, welke is gegrond op artikel 1 van de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid, artikel 7 of 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, artikel 2, zesde lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, artikel 8 of 11 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, alsmede artikel 5, eerste lid, onder b, d, e, of f, van de Algemene wet gelijke behandeling.

G

Artikel 108, eerste lid, komt te luiden:

1. Hebben partijen bij overeenkomst een rechter aangewezen voor de kennisneming van geschillen die zijn ontstaan of zullen ontstaan naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, dan is die rechter bij uitsluiting bevoegd van de zaak kennis te nemen, voorzover niet uit de overeenkomst anders voortvloeit.

H

Aan artikel 110, eerste lid, wordt een zin toegevoegd, luidende: In zaken waarin de vordering minder beloopt dan € 5000, zaken betreffende een individuele arbeidsovereenkomst en zaken als bedoeld in artikel 101 en 103, tweede zin, beoordeelt de rechter ook zonder daartoe strekkend verweer of hij relatief bevoegd is.

I

Artikel 111, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel e wordt «nevenzittingsplaats en nevenvestigingsplaats» vervangen door: nevenvestigingsplaats en nevenzittingsplaats.

b. In onderdeel g vervalt «, en de rechtsgevolgen, door artikel 139 aan het achterwege blijven van een antwoord verbonden».

c. Onderdeel i komt te luiden:

i. de in artikel 139 genoemde rechtsgevolgen die intreden indien de gedaagde niet op de voorgeschreven wijze in het geding verschijnt;

d. Na onderdeel i wordt een onderdeel j toegevoegd, luidende:

j. indien er meer gedaagden zijn, het in artikel 140, tweede lid, genoemde rechtsgevolg dat intreedt indien niet alle gedaagden op de voorgeschreven wijze in het geding verschijnen.

J

Aan artikel 112 wordt een derde volzin toegevoegd, luidende: In afwijking van de eerste en de tweede zin bevat het exploot van dagvaarding in het geval, bedoeld in artikel 254, vierde lid, de mededeling dat van de gedaagde bij verschijning geen vast recht zal worden geheven.

K

Artikel 113 vervalt.

L

In artikel 117 wordt «de voorzieningenrechter, of, in kantonzaken, de kantonrechter van de rechtbank» vervangen door: de voorzieningenrechter of, in kantonzaken, de kantonrechter.

M

Artikel 125 komt te luiden:

Artikel 125

1. Het geding is aanhangig vanaf de dag van dagvaarding.

2. Het exploot van dagvaarding wordt door de eiser ter griffie ingediend uiterlijk op de laatste dag waarop de griffie is geopend, voorafgaande aan de in de dagvaarding vermelde roldatum.

3. De griffier schrijft de zaak in op de rol van een enkelvoudige kamer.

4. De aanhangigheid van het geding vervalt indien het exploot van dagvaarding niet uiterlijk op het in het tweede lid vermelde tijdstip ter griffie is ingediend, tenzij binnen twee weken na de in de dagvaarding vermelde roldatum een geldig herstelexploot is uitgebracht.

N

In artikel 143, tweede lid, derde volzin, wordt na «onder i» ingevoegd: en j.

O

Aan artikel 147 wordt vóór de zinsnede «Het geding verloopt» een volzin toegevoegd, luidende: Door het verzet wordt de instantie heropend.

P

In artikel 198, tweede lid, wordt na «schriftelijke opmerkingen» ingevoegd: of verzoeken.

Q

Artikel 252, tweede lid, komt te luiden:

2. Artikel 248 is van overeenkomstige toepassing.

R

Artikel 254 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het tweede en derde lid wordt «president» telkens vervangen door: voorzieningenrechter.

b. In het vierde lid wordt «zaken als bedoeld in artikel 93» vervangen door: zaken die ten gronde door de kantonrechter worden behandeld en beslist.

S

Artikel 270, eerste lid, komt te luiden:

1. Indien de rechter, zonodig ambtshalve, beslist dat niet hij, maar een andere rechter van gelijke rang bevoegd is, verwijst hij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, naar die andere rechter. De griffier zendt een afschrift van de beschikking aan de rechter naar wie de zaak is verwezen. Verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.

T

In artikel 337, tweede lid, vervallen de woorden «of artikel 75, eerste lid, van toepassing is».

U

Artikel 339, vierde lid, komt te luiden:

4. De afstand van instantie laat de mogelijkheid incidenteel beroep in te stellen onverlet. De gedaagde in hoger beroep kan op de roldatum waarop de afstand van instantie is gedaan, de rechter verzoeken voor het instellen van incidenteel beroep een termijn te bepalen. De gedaagde in hoger beroep kan het incidenteel beroep ook instellen op een roldatum die binnen twee weken na de afstand van instantie bij exploot aan eiser in hoger beroep is aangezegd. Artikel 74, eerste lid, tweede tot en met vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

V

Aan artikel 343 wordt een tweede volzin toegevoegd, luidende: Artikel 111, tweede lid, onder i, en derde lid, is niet van toepassing.

W

In artikel 358, vierde lid, vervallen de woorden «of artikel 75, eerste lid, van toepassing is».

X

Aan artikel 407, tweede lid, wordt een tweede volzin toegevoegd, luidende: Artikel 111, tweede lid, onder i, en derde lid, is niet van toepassing.

Y

Artikel 410, derde lid, komt te luiden:

3. De afstand van instantie laat de mogelijkheid incidenteel beroep in te stellen onverlet. De verweerder kan op de roldatum waarop de afstand van instantie is gedaan, de rechter verzoeken voor het instellen van incidenteel beroep een termijn te bepalen. De verweerder kan het incidenteel beroep ook instellen op een roldatum die binnen twee weken na de afstand van instantie bij exploot aan eiser is aangezegd. Artikel 74, eerste lid, tweede tot en met vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Z

In artikel 411, derde lid, wordt «artikel 128, derde lid» vervangen door: artikel 128, vierde lid.

AA

In artikel 418 vervalt de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

BB

In artikel 418a wordt de zinsnede «de artikelen 111 tot en met 120» vervangen door: de artikelen 111 tot en met 122.

CC

In artikel 422a wordt de zinsnede «artikel 76, tweede lid,» vervangen door: artikel 76.

DD

Artikel 438, derde lid, tweede volzin, vervalt.

EE

In artikel 479g, tweede lid, wordt na «zonder voorafgaande betekening of bevel tot betaling» een zinsnede toegevoegd, luidende: als bedoeld in artikel 432.

FF

Artikel 624, derde lid, komt te luiden:

3. Bij de verzoeken, bedoeld in het eerste lid, is de tussenkomst van een procureur niet vereist.

GG

Artikel 642f wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt de zinsnede «door betekening overeenkomstig artikel 256» vervangen door: overeenkomstig artikel 225, tweede lid, eerste zin.

b. In het vijfde lid wordt de zinsnede «de artikelen 255 tot en met 262 van toepassing» vervangen door: artikel 225, tweede lid, tweede zin, en derde lid, en artikel 227 van overeenkomstige toepassing.

HH

In artikel 642z wordt de zinsnede «de tweede paragraaf van de twaalfde afdeling van de tweede titel van het eerste boek» vervangen door: artikel 289.

II

In artikel 660, eerste lid, derde onderdeel, wordt de aanduiding «b.» voor de zinsnede «zo de nalatenschap onder bewind staat: door de bewindvoerder;» vervangen door: «c.».

JJ

Aan artikel 700 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

4. Verlof tot het leggen van beslag ten laste van een instelling als bedoeld in artikel 212a, onder a, van de Faillissementswet kan slechts worden verleend nadat de instelling in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, tenzij het beslag uitsluitend op zaken betrekking heeft.

KK

In artikel 1001, derde lid, wordt «artikel 113» vervangen door «artikel 125, tweede en derde lid,».

LL

In artikel 1022, derde lid, wordt de zinsnede «Artikel 187, eerste lid, vindt toepassing» vervangen door: De artikelen 187, eerste lid, en 203, eerste lid, vinden toepassing.

MM

In artikel 1077 worden voor de tekst van het tweede lid en het derde lid de aanduidingen «2.» onderscheidenlijk «3.» geplaatst.

ARTIKEL VIII

De Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 70 vervallen in de eerste zin de woorden «of vordering» en in de tweede zin de woorden «of de vordering».

B

In artikel 71, veertiende lid, vervallen in de eerste zin de woorden «of vordering» en de woorden «of de vordering» en vervallen in de tweede zin de woorden «of de vordering».

C

In artikel 77, tweede zin, wordt de zinsnede «op verzoek van de bewindvoerders, op de vordering van het Openbaar Ministerie of ambtshalve» vervangen door: op verzoek van de bewindvoerders of het Openbaar Ministerie of ambtshalve.

ARTIKEL IX

De Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 65 vervallen in het eerste lid en in het tweede lid telkens de woorden «vordering of».

B

In artikel 67, eerste lid, vervallen de woorden «of vordering» en vervallen telkens de woorden «of de vordering».

ARTIKEL X

De Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 155 vervallen in het eerste lid en in het tweede lid telkens de woorden «vordering of».

B

In artikel 157, eerste lid, vervallen de woorden «of vordering» en vervallen telkens de woorden «of de vordering».

ARTIKEL XI

Indien het bij koninklijke boodschap van 8 juni 1995 ingediende voorstel van wet houdende vaststelling en invoering van afdeling 7.1.12 (huurkoop onroerende zaken) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (24 212), na tot wet te zijn verheven, in werking treedt of is getreden, worden de volgende wetten als volgt gewijzigd:

A

Artikel VI van de Vaststellingswet afdeling 7.1.12 (huurkoop van onroerende zaken) vervalt.

B

In artikel 93, onderdeel c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden de woorden «of een agentuur-, huur-, of huurkoopovereenkomst» vervangen door: een agentuur- of huurovereenkomst, of een overeenkomst van huurkoop van roerende zaken of van vermogensrechten, niet zijnde registergoederen.

ARTIKEL XII

Indien het bij koninklijke boodschap van 18 mei 2001 ingediende voorstel van wet tot Aanpassing van Boek 3 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, de Telecommunicatiewet en de Wet op de economische delicten inzake elektronische handtekeningen ter uitvoering van richtlijn nr. 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PbEG L 13) (Wet elektronische hantekeningen) (27 743), na tot wet te zijn verheven, in werking treedt of is getreden, worden de volgende wetten als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 138, tweede lid, en 248, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt telkens «artikel 15a van Boek 3» vervangen door: artikel 15i van Boek 3.

B

In artikel 8, zesde lid, van de Douanewet wordt «artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

C

In de artikelen 340, derde onderdeel, 341, onderdeel a, onder 4°, en onderdeel b, onder 4°, 342, derde onderdeel, en 343, vierde onderdeel, van het Wetboek van Strafrecht wordt telkens «artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

D

In artikel 592, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt «artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL XIII

1. Op de verdere behandeling door een gerecht van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet bij dat gerecht aanhangig zijn, blijft het recht van toepassing zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.

2. Op de mogelijkheid van en de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een beslissing van een gerecht, die voor de datum van inwerkingtreding in deze wet is tot stand gekomen, blijft het recht van toepassing zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL XIV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad wordt geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Justitie,