Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200328851 nr. 11

28 851
Wijziging van de Telecommunicatiewet en enkele andere wetten in verband met de implementatie van een nieuw Europees geharmoniseerd regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten en de nieuwe dienstenrichtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen

nr. 11
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 22 augustus 2003

In de Tweede Kamer ligt ter behandeling en besluitvorming voor het wetsvoorstel «Wijziging van de Telecommunicatiewet en enkele andere wetten in verband met de implementatie van een nieuw Europees geharmoniseerd regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten en de nieuwe dienstenrichtlijn van de Commissie van Europese Gemeenschappen» (Kamerstuk 28 851).

Uw Commissie houdt over dit wetsvoorstel op 28 augustus 2003 een hoorzitting.

Na toezending van het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer heeft nog intensief aanvullend intern en extern overleg plaatsgevonden. Het externe overleg had met name plaats met het college van de Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit (OPTA). Naar aanleiding daarvan heb ik besloten dat het wetsvoorstel – in aanvulling op wijzigingen die ik al heb aangekondigd in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 28 851, nr. 7, 2002–2003) – op een aantal punten nog wijzigingen behoeft. Over die aanvullende wijzigingen en over een aantal andere onderwerpen wil ik u bij deze brief informeren.

De reeds eerder aangekondigde wijzigingen en de wijzigingen die ik in deze brief onder de punten 1 tot en met 5 voorstel zullen in één nota van wijziging verwerkt worden, die ik u zo spoedig mogelijk doe toekomen.

1. Boeteregime

Nu de regelgeving voor de elektronische communicatiesector opschuift in de richting van de Mededingingswet ben ik van mening dat voor het boeteregime dat het college in voorkomende gevallen mag opleggen aansluiting gezocht moet worden bij de Mededingingswet. Dit betekent dat het college, waar de aard van de overtreding dat rechtvaardigt de bevoegdheid krijgt een boete op te leggen van maximaal 10% van de omzet van de betreffende onderneming.

Ik streef daarbij naar een zodanige uitwerking van het begrip omzet dat daarmee de omzet van de desbetreffende onderneming in de elektronische communicatiesector wordt bedoeld. Deze wijziging zal opgenomen worden in de nu in voorbereiding zijnde nota van wijziging.

2. Verstrekking van relevante informatie

Het voorgestelde artikel 12.4 stelt dat bij geschillen de betrokken partijen alle relevante informatie binnen twee weken overleggen. Deze verplichting beperkt zich in het wetsvoorstel tot geschillen. Ik ben echter van mening dat ook in andere situaties die verplichting van belang kan zijn. Ik wil daarom zekerstellen dat het college, ook naast geschillen, kan opleggen dat alle relevante informatie binnen een door het college aangegeven termijn overlegd moet worden. Dit zal opgenomen worden in de nu in voorbereiding zijnde nota van wijziging.

3. Artikel 12 Toegangsrichtlijn

In artikel 12, eerste lid, van de Toegangsrichtlijn worden voorbeelden genoemd van mogelijke toegangsverplichtingen. In het wetsvoorstel is niet in een artikel voorzien waarin deze voorbeelden van toegangsverplichtingen benoemd zijn. Wel gaat de memorie van toelichting op het wetsvoorstel uitgebreid in op deze voorbeelden en laat er geen twijfel over bestaan dat het college deze in voorkomende gevallen kan opleggen.

Aan het opleggen van die verplichtingen zijn beperkingen verbonden. In de nota naar aanleiding van het verslag (pagina 10) heb ik toegezegd dat ik die beperkingen in het wetsvoorstel zal opnemen. Voor een goede balans lijkt het mij echter van belang dat dan ook in de wet zelf de in de richtlijn genoemde voorbeelden van toegangsverplichtingen genoemd worden. Deze wijziging zal opgenomen worden in de nu in voorbereiding zijnde nota van wijziging.

4. Beletten dienstverlening

Artikel 10, vijfde lid, van de Machtigingsrichtlijn bepaalt, kort gezegd, dat nationale regelgevende instanties bij ernstige en herhaaldelijk niet-nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of van specifieke verplichtingen op het terrein van nummers of frequenties en alle andere sancties hebben gefaald een onderneming beletten verder elektronische communicatienetwerken of diensten aan te bieden.

Het deel dat betrekking heeft op het intrekken van gebruiksrechten van frequenties en nummers is reeds opgenomen in de wet. In het wetsvoorstel is er in eerste instantie vanuit gegaan dat het genoemde artikel als een «kan» bepaling gelezen mocht worden, waardoor implementatie beperkt kon blijven tot dat wat geregeld is rond het intrekken van gebruiksrechten van frequenties en nummers.

Nadere analyse heeft mij er echter van overtuigd dat het genoemde artikel gelezen moet worden als een «moet» bepaling en dat derhalve volledige implementatie nodig is. Deze wijziging zal opgenomen worden in de nu in voorbereiding zijnde nota van wijziging.

5. Overgangstermijn

Artikel XIV van het wetsvoorstel beperkt de werking van het overgangsrecht tot 12 maanden na inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Na overleg met het college wil ik voorstellen deze termijn te wijzigen in 24 maanden. Deze wijziging zal opgenomen worden in de nu in voorbereiding zijnde nota van wijziging.

Overige onderwerpen

6. Bezwaar en beroep

De aantallen bezwaar- en beroepszaken tegen besluiten van het college en de daarmee samenhangende lange doorlooptijden van deze procedures alvorens zij tot definitieve besluitvorming zijn gekomen zijn voor mij en het college een bron van zorg. De dynamiek van de elektronische communicatiesector vergt snelle en heldere besluitvorming. Ik wil mij inspannen om te onderzoeken op welke wijze deze zorg kan verminderen. Stroomlijning of vereenvoudiging van procedures kan daartoe een mogelijkheid zijn. Waar mogelijk wil ik aansluiting zoeken bij de Mededingingswet. Met het college heb ik afgesproken dat er een gezamenlijke werkgroep komt, waarvoor ik ook mijn collega van Justitie zal benaderen, die duidelijk moet maken wat de mogelijkheden op dit gebied zijn. Het onderzoek naar de mogelijkheden om de bestaande procedures te stroomlijnen en te versnellen, het daarover te voeren overleg en de zorgvuldigheid die betracht moet worden bij het eventueel wijzigen van bestaande bezwaar en beroepsprocedures vergen tijd en maken dat de besluitvorming over en de verwerking van de resultaten van de werkgroep nu niet in de in voorbereiding zijnde nota van wijziging meegenomen kunnen worden. Indien de besluitvorming leidt tot gewijzigde procedures zullen deze bij eerste gelegenheid verwerkt worden. Een en ander betekent dat een eventueel wijzigingsvoorstel op een later tijdstip aan de Kamer zal worden voorgelegd. De behandeling van het nu voorliggende wetsvoorstel en de daarbij behorende, nu in voorbereiding zijnde nota van wijziging dient daarop niet te wachten.

7. Onderzoeksbevoegdheid in geschillen

Met het college heb ik gesproken over de vraag of het wenselijk is dat in het wetsvoorstel alsnog een verwijzing naar Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht wordt opgenomen, waardoor het voor toezichthoudende ambtenaren van OPTA mogelijk wordt om ook in het kader van geschilprocedures ter plaatse informatie te verifiëren. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel is hierover in de laatste alinea onder het kopje «Hoofdstuk 12 (Geschilbeslechting)» (pagina 86) opgemerkt dat de regering van mening is dat het specifiek voor handhaving in het leven geroepen regime niet kan worden toegepast bij het beslechten van geschillen.

Dit standpunt behoeft correctie. Op grond van artikel 15.1 van de wet is OPTA aangewezen als toezichthouder, ook op de hoofdstukken waarin geschilbeslechting is geregeld. Daarmee kan OPTA dus ook in het kader van de naleving van de bepalingen inzake geschilbeslechting beschikken over de bevoegdheden van hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht. Een expliciete verwijzing naar dit hoofdstuk is derhalve niet nodig. Aangezien deze lezing afwijkt van het eerder in de memorie van toelichting ingenomen standpunt wil ik u bij deze brief daarover informeren.

Naar aanleiding van het nader gevoerde overleg en de besluiten die ik dienaangaande heb genomen en waarover ik u met deze brief geïnformeerd heb heeft de voorzitter van het college mij een brief geschreven (bijlage 1 bij deze brief)1 waarin hij stelt dat met deze besluiten het college het wetsvoorstel volledig kan ondersteunen en waarin hij de hoop uitspreekt dat het wetsvoorstel nu spoedig tot wet verheven kan worden.

De Minister van Economische Zaken,

L. J. Brinkhorst


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.