Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 maart 2013
Deze maand heb ik u twee keer geïnformeerd over uitbraken van de milde variant vogelgriep
(laagpathogene aviaire influenza, LPAI), één in Lochem, Gelderland en één in Zeewolde,
Flevoland. De pluimveesector heeft naar aanleiding van deze uitbraken het ministerie
verzocht om een ophok- of afschermplicht van drie maanden in te stellen voor alle
commercieel gehouden pluimvee in geheel Nederland. Bij brief van 22 maart jl. heeft
uw vaste commissie voor Economische Zaken mij gevraagd om een reactie te geven op
dit verzoek van de sector. Net zoals de pluimveesector maak ook ik me zorgen over
de uitbraken van laagpathogene vogelgriep.
Advies Groep van Deskundigen Pluimveeziekten
Om het verzoek van de sector goed te kunnen beoordelen heb ik de Groep van Deskundigen
Pluimveeziekten gevraagd of de situatie op dit moment, gezien de twee recente uitbraken
van LPAI in Nederland en een uitbraak in Duitsland, anders is dan een jaar geleden
(zoals beschreven in het CVI/EMC-rapport van februari 2012) en of bij benadering is
aan te geven welk deel van de uitbraken op jaarbasis wordt voorkomen door een ophok-
of afschermplicht van drie maanden.
Vorig jaar heeft de Groep van Deskundigen het rapport van het Centraal Veterinair
Instituut (CVI) en het Erasmus Medisch Centrum (EMC) over laagpathogene vogelgriep
op pluimveebedrijven beoordeeld. Daarover heb ik u in mijn brief van 5 februari jl.
(TK 28 807, nr. 153)geïnformeerd. Destijds was de Groep van Deskundigen van mening dat er onvoldoende
wetenschappelijke informatie was om verdere maatregelen aan de uitkomsten van het
CVI/EMC-rapport te verbinden, zoals een tijdelijke afschermplicht.
In de bijlage treft u het huidige advies van de Groep van Deskundigen aan.
Gesprek met pluimveesector
Gisteren, 28 maart, heb ik met de deelsectoren van de pluimveesector overlegd over
het verzoek en heb ik het advies van de Groep van Deskundigen Pluimveeziekten met
hen gedeeld. Gezien de complexiteit van het onderwerp en het recente advies van de
Groep van Deskundigen is besloten om het gesprek volgende week voort te zetten. Ik
zal u volgende week informeren over het resultaat.
De staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma
BIJLAGE
Advies groep van deskundigen afschermplicht pluimvee (telefonische conferentie, 27 maart
2013)
Aanwezig: Arjan Stegeman (voorzitter), Ab Osterhaus, Roy Slaterus, Mart de Jong, Guus
Koch en Wim Pelgrim (secretaris).
Naar aanleiding van twee recente uitbraken van laag pathogene vogelgriep in Lochem,
Zeewolde en Duitsland heeft de pluimveesector aan de CVO verzocht om een afschermplicht
in te stellen. Om dit verzoek goed te kunnen beoordelen is de Groep van Deskundigen
Pluimveeziekten gevraagd antwoord te geven op de volgende vragen:
1) Is de situatie op dit moment, gezien de twee recente uitbraken van LPAI in Nederland
en de uitbraak in Duitsland, anders dan een jaar geleden, zoals die in het het CVI/EMC
rapport is beschreven en door de Groep van Deskundigen is beoordeeld?
2) Is bij benadering aan te geven welk deel van de uitbraken op jaarbasis wordt voorkomen
door een afschermplicht van drie maanden die nu ingaat?
Antwoord vraag 1)
Het gaat in 2013 in Nederland tot nu toe om slechts twee introducties (niet meer dan
gemiddeld in voorgaande jaren) die bovendien noch aan elkaar, noch aan de uitbraken
in Duitsland gerelateerd zijn. Op grond hiervan is er dus geen reden om aan te nemen
dat de epidemiologische situatie ten aanzien van laagpathogene vogelgriep anders is
dan een jaar geleden.
Sinds 2010 is er wel een toename van het aantal vogelgriepbesmettingen waargenomen
bij wilde eenden. Hoewel het aandeel van het subtype H7 wat lijkt te stijgen is het
aandeel van de subtypen H5 en H7 daarin gering. Echter met de huidige kennis is geen
verband te leggen tussen de toename van vogelgriepbesmettingen bij wilde vogels en
het risico op een introducties van laagpathogene vogelgriep onder pluimvee.
Antwoord op vraag 2)
Op grond van historische data (CVI/EMC rapport 2007–2010) komt 50% van de LPAI introducties
voor op pluimveebedrijven met uitloop. Onder de aanname dat de omstandigheden nu gelijk
zijn aan die van voorgaande jaren kan 11% tot 44% van de introducties van laagpathogene
vogelgriep worden voorkomen door een afschermplicht in de maanden april, mei en juni.
De 11% geldt in het geval wordt aangenomen dat introducties evenredig over het jaar
zijn verdeeld en de 44% in het geval wordt aangenomen dat alle vogelgriepbesmettingen
op bedrijven met een uitloop zich concentreren in de maanden april, mei en juni. Omdat
de meeste uitbraken van laagpathogene vogelgriep worden waargenomen in de eerste helft
van het jaar zal het werkelijke percentage ergens tussen deze twee uitersten liggen;
historisch gezien was het naar schatting 29%.
Uit het bovenstaande volgt dat in de afgelopen jaren de helft van de introducties
met laagpathogene vogelgriep plaatsvond op bedrijven zonder uitloop. Hygiënemaatregelen
om indirect contact tussen gehouden vogels en (ontlasting van) wilde vogels te voorkomen
zijn daarom ook op deze bedrijven van groot belang.