Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201428753 nr. 33

28 753 Publiek-private samenwerking

32 637 Bedrijfslevenbeleid

Nr. 33 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 april 2014

Hierbij informeer ik u, mede namens de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Infrastructuur en Milieu (IenM) en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) over het kabinetsbeleid ten aanzien van de transitie van de Technologische Top Instituten (hierna: TTI’s). Het kabinet zet in op structurele samenwerking met de reguliere kennisinfrastructuur (met name NWO en de publieke instituten voor toegepast onderzoek). In 2011 en 2013 heb ik u hierover geïnformeerd1.

Van tijdelijke initiatieven naar structurele inbedding

De TTI’s waren tijdelijk gefinancierde samenwerkingsverbanden waarin bedrijven en onderzoekers aan gezamenlijke onderzoeksthema’s werkten. Voordelen van de TTI’s waren bijvoorbeeld meerjarige onderzoeksprogramma’s over de gehele kennisketen, kenniscirculatie, grote betrokkenheid van de industrie, en de netwerkfunctie, ook op Europees vlak en internationaal.

Hoewel met de TTI’s goede resultaten zijn neergezet, waren deze initiatieven niet ingebed in de reguliere kennisinfrastructuur. Hierdoor was de kennisopbouw en kenniscirculatie in de kennisinfrastructuur beperkt. Daarnaast bleef additionele financiering nodig voor de TTI’s. Het incidentele karakter van de subsidies voor publiek-private samenwerking (hierna: PPS) leidde bovendien tot onzekerheid bij bedrijven en onderzoekers. In 2010 heeft het vorige kabinet aangekondigd dat het de subsidies aan de TTI’s na 2012 niet langer zou voortzetten.

Het kabinet, bedrijven en kennisinstellingen willen echter dat de succesfactoren van de TTI’s behouden blijven. De transitieaanpak voorziet daarin via het borgen van het onderzoek en het organiserend vermogen van de TTI’s.

Belang van samenwerking voor Nederlandse kenniseconomie

Nederland is een welvarend land. Om ook in de toekomst welvaartsgroei te kunnen realiseren is het nodig om innovatie te bevorderen. Door de globalisering gaan innovatieprocessen sneller dan ooit, en hierop inspelen vraagt veel kennis en handelingsvermogen. Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen beschikken over de kennis en expertise die kan bijdragen aan het oplossen van mondiale economische en maatschappelijke uitdagingen, zoals grondstoffenschaarste, klimaatverandering en vergrijzing. Zowel het bevorderen van onderzoek als het stimuleren van kenniscirculatie is belangrijk om te kunnen anticiperen op deze ontwikkelingen («Global challenges, Dutch solutions») en wendbaar te kunnen blijven, zoals de WRR aanbeveelt2.

Uitgangspunt: gezamenlijk programmeren op prioriteiten

Het uitgangspunt voor succesvolle samenwerking op het terrein van innovatie en onderzoek is een gezamenlijke agenda. Het doel van het topsectorenbeleid is de samenwerking tussen bedrijven, publieke kennisinstellingen en overheid te bevorderen. Hierbij is afgesproken welke middelen de publieke kennisinstellingen voor de topsectoren zullen inzetten.

Het verhogen van de R&D-intensiteit wordt gestimuleerd via het generieke (bedrijven)beleid, waarvoor onder meer € 1,7 miljard aan fiscale stimulansen, zoals de WBSO, de RDA en de Innovatiebox, beschikbaar is3. Aanvullend op dit generieke beleid wordt PPS gestimuleerd via het topsectorenbeleid. Via de TKI-toeslag en de regeling MKB-Innovatiestimulering Topsectoren is circa € 130 miljoen beschikbaar en via de reguliere kennisinfrastructuur circa € 500 miljoen. Daarnaast worden er middelen ingezet voor cofinanciering in Europees verband4.

Wanneer bedrijven en publieke kennisinstellingen meer samenwerken aan gezamenlijke prioriteiten, neemt het aandeel private R&D in PPS sneller toe en draagt dit ook bij aan de gezamenlijke sturing van de onderzoeksmiddelen. Hierdoor ontstaat een structurele basis voor samenwerking tussen publieke en private partijen. In het afgelopen jaar is deze basis versterkt door gezamenlijk goede spelregels af te spreken voor deze samenwerking over fundamenteel en toegepast onderzoek en intellectueel eigendom, zoals vorig jaar door de Kenniscoalitie5 en een aantal bedrijven6 is gevraagd. Deze spelregels verhelderen de samenhang tussen private en publieke bijdragen, vraagsturing en validatie. Ze zijn gebaseerd op de best practices van bestaande PPS-programma’s en de TTI’s7. Daarmee vormen ze ook een belangrijke basis voor het laten opgaan van de TTI’s in de nieuwe samenwerking met de reguliere kennisinfrastructuur.

Aanpak transitie: voortbouwen op sterk fundament door succesvolle PPS

Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) heeft vorig jaar de topteams van alle topsectoren verzocht om, indien dit in de betreffende sector speelt, een transitieplan in te dienen met het doel dat de bewezen sterktes van de TTI’s onderdeel worden van de reguliere kennisinfrastructuur. De topsectoren Agri&Food, Chemie, Energie, HighTech Systems&Materialen, Logistiek, Life Sciences&Health, Tuinbouw&Uitgangsmaterialen en Water hebben elk een transitieplan ingediend8.

De hieronder beschreven aanpak van de transitie is gebaseerd op deze transitieplannen van de topsectoren (bottom-up proces).

Kernpunten aanpak

1. Een structurele basis voor onderzoek en organiserend vermogen

De succesvolle onderdelen van het missiegedreven onderzoek van de TTI’s, die voor de topsectoren belangrijk zijn, zullen via de publieke kennisinfrastructuur voortgezet worden. Hierdoor ontstaat een structurele financieringsbasis voor vraaggestuurd onderzoek.

Gedurende de transitie wordt in privaat-publieke samenwerking gewerkt aan voldoende kritische massa rond het specifieke onderzoeksdomein. Hierbij zullen onderzoekers meer kennis en competenties opbouwen.

Tegelijkertijd wordt van het bedrijfsleven een hogere bijdrage gevraagd voor het doen van onderzoek op de gezamenlijke prioriteiten. Door dit mechanisme bewegen de onderzoeksbudgetten van de kennisinfrastructuur mee met de gezamenlijk vastgestelde prioriteiten.

De TKI’s vervullen als programmerende eenheden een centrale rol voor de gehele kennisketen. TKI’s voeren activiteiten uit zoals het bijeenbrengen van PPS-partners, kennisdeling en valorisatie met mkb en het versterken van Europese samenwerking. Hierbij zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van de reeds opgebouwde expertise vanuit de TTI’s9. Dit draagt bij aan de continuering van netwerken en het behoud van vertrouwen.

2. Bundeling en verbreding van onderzoeksthema’s

Sommige sectoren grijpen de transitie aan om een aantal activiteiten binnen hun sector meer te bundelen en tegelijkertijd te verbreden naar nieuwe onderzoeksthema’s. Door deze verbindingen ontstaan nieuwe kansen en innovaties. Een mooi voorbeeld van de bredere beweging die met de transitie is ingezet, is het zogenaamde Grand Design van de sector Agri&Food. Hier zal in de transitieperiode een integratie van de samenwerking tussen TNO, DLO en het Top Institute for Food and Nutrition worden uitgewerkt.

De sector Chemie richt het R&D-systeem in langs de volgende lijnen: via één TKI Chemie wordt meer focus en massa aangebracht in vijf belangrijke innovatie- en onderzoeksvelden van de sector die zich uitstrekken van nieuwe materialen tot aan de gezondheidszorg en van energiebesparing tot aan gezonde voeding. Dit biedt grote kansen voor het bredere bedrijfsleven.

3. Deelname mkb is belangrijk

Juist voor innovatieve mkb-bedrijven is het van groot belang om samen te werken met kennisinstellingen en andere bedrijven. Het mkb is cruciaal voor de ontwikkeling van innovatie en voor de versterking van de Nederlandse economie. De verbondenheid van het mkb met de TKI’s is al stevig: van de 1.500 bedrijven in de TKI’s is tweederde mkb10. Door het open karakter van de privaat-publieke samenwerking worden mkb-bedrijven meer gestimuleerd te gaan samenwerken op innovatiethema’s met kennisinstellingen en bedrijven over de gehele keten.

De samenwerking tussen mkb-bedrijven en onderzoekers verloopt echter nog niet altijd vanzelf. Om de samenwerking verder te versterken heeft EZ onlangs aangekondigd de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren eenmalig op te hogen tot € 32 miljoen ter versterking van de aansluiting van het mkb op het topsectorenbeleid, met betrokkenheid van de TKI’s. Dit is inclusief de bijdragen van de provincies Noord-Brabant en Limburg van elk € 1 miljoen. De regeling is 12 maart 2014 gepubliceerd en wordt medio april opengesteld.

In alle transitieplannen wordt aandacht besteed aan het mkb. De mkb-ambities van de verschillende sectoren zijn vooral gericht op het bevorderen van de kenniscirculatie en op een betere toegang van het mkb tot kennisinstellingen.

In aansluiting op de afspraak uit het energieakkoord11, vormt de Chemiesector samen met de Energiesector één loket voor het mkb. Zo kunnen belangrijke kruisverbanden op het snijvlak van beide sectoren met het mkb worden opgepakt. Dit draagt bij aan de bredere maatschappelijke opgave ten aanzien van duurzame energie en energiebesparing.Het mkb-loket zal werken met regionale centra die nauw aansluiten bij de voornaamste clusters van mkb’ers die op deze terreinen actief zijn. Het voormalige DPI-Value Centre zal in deze structuur opgaan.

4. Versterking van de samenwerking met Europa

In de agenda’s van de topsectoren speelt de aansluiting op de Europese agenda een belangrijke rol. Instandhouding van netwerken voor Europese kennisdeling en aansluiting bij de Europese agenda vergroten de potentie om maatschappelijke uitdagingen gezamenlijk op te pakken en de internationale concurrentiepositie te verstevigen. Bovendien zijn Horizon 2020 en de Europese fondsen voor regionale economische ontwikkeling belangrijke bronnen van aanvullende financiering van Nederlands onderzoek en voor synergie tussen regionale agenda’s en de topsectoragenda.

In een aantal topsectoren (onder andere Water en Life Sciences&Health) wordt de internationale consortiavorming aangejaagd en worden Europese onderzoeksmiddelen vanuit Horizon 2020 en regionale EFRO-fondsen ingezet op belangrijke thema’s voor de sectoren.

5. Verbinding met andere overheden

Een belangrijk uitgangspunt voor de transitie is dat bedrijven, kennisinstellingen en overheden gezamenlijk werken aan onderzoeksprogramma’s («gouden driehoek»). In de afspraken over de transitie wordt de samenwerking met de regio en met de Ministeries van VWS en IenM versterkt op gezamenlijke thema’s. Zo wordt binnen het transitieplan van de topsector Water ingezet op intensieve samenwerking met Europese regio’s en de regio Noord-Nederland voor onderzoekssamenwerking en valorisatie. Het onderzoek en de activiteiten van het TKI van de sectoren Life Sciences & Health en Logistiek zijn nauw verbonden met de beleidsagenda’s van respectievelijk de Ministeries van VWS en IenM.

6. Effectieve samenwerking

De transitie is ook een belangrijke stap in het implementeren van de afspraken over de spelregels en het opdoen van ervaringen hieromtrent. Vanuit de kennisinfrastructuur en het bedrijfsleven zal gezamenlijk gezocht worden naar welke samenwerkingsmodellen binnen de spelregels het beste aansluiten bij de behoefte van de sector, bijvoorbeeld door naast vierjarig onderzoek («calls») ook te werken aan kortlopend onderzoek met universiteiten of aan verdere doorontwikkeling van kennis en experimenten. Zo wordt bijgedragen aan een daadwerkelijke gezamenlijke programmering over de gehele keten.

Ook in het instrumentarium voor PPS wordt gewerkt aan meer flexibiliteit die tegemoetkomt aan de wensen van bedrijven. Zo kan de TKI-toeslag in 2014 ten opzichte van 2013 op verschillende momenten in het jaar worden aangevraagd en is het mogelijk om toeslag op meerjarige privaat-publieke samenwerkingprojecten te krijgen, waardoor bedrijven in een keer meer zekerheid krijgen over de middelen die voor het project kunnen worden ingezet. Ook tellen in-kind bijdragen van het mkb mee voor het verkrijgen van toeslag, waardoor de mkb-participatie kan worden vergroot.

7. Afspraken en financiering

De transitie bestrijkt een periode van drie tot vier jaar waarin de succesfactoren van de TTI’s en andere PPS-initiatieven zullen (mee)bewegen naar een nieuwe structuur van werken via de TKI’s en de publieke kennisinfrastructuur. Deze beweging vraagt tijd en behoeft gedurende de transitieperiode een eenmalige ondersteuning. Het kabinet hecht aan een zorgvuldig proces bij de uitvoering van de transitieplannen. Dit proces vereist maatwerk. De topsectoren hebben in de transitieplannen aangegeven hoe de sterktes van de TTI’s kunnen worden ingebed in de nieuwe situatie met inzet van de bestaande kennisinfrastructuur (NWO, TO2).

Van de totale overheidsbijdrage gedurende de transitieperiode is, op basis van de transitieplannen van de topsectoren, circa tweederde voorzien voor onderzoek en een derde voor o.a. netwerkvorming en kennisoverdracht. Het privaat-publieke onderzoek dat voorheen in TTI-verband tot stand kwam en werd gefinancierd, zal nu met inzet van de bestaande kennisinfrastructuur worden ingevuld. Voor dit nieuwe PPS-onderzoek en activiteiten als netwerkvorming en kennisoverdracht heeft EZ € 45 miljoen gereserveerd uit bestaande middelen voor PPS12. Daarnaast stellen de Ministeries van VWS en IenM middelen ter beschikking gedurende de transitieperiode. De financiële bijdrage van het Ministerie van IenM voor het meerjarenprogramma van de Topsector Logistiek zal deels via het TKI Logistiek lopen. Onder voorbehoud van definitieve besluitvorming door IenM en het Topteam Logistiek, telt dit in de transitieperiode (2014 tot en met 2016) op tot circa € 10 miljoen. Onder voorbehoud van de besluitvorming bij Voorjaarnota zal het Ministerie van VWS in totaal ruim € 9 miljoen bijdragen (specifiek om o.a. de Europese netwerkvorming te versterken voor de topsector Life Sciences&Health).

Tot slot

Met de beschreven aanpak wordt door het kabinet een zorgvuldige transitie ingezet, die resulteert in een structurele inbedding van de succesfactoren van de TTI’s via het borgen van het onderzoek in de bestaande kennisinfrastructuur en het organiserend vermogen via de topsectoren. Daarmee wordt een stevig fundament gelegd voor gezamenlijke programmering via PPS-en.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Kamerstuk 32 637, nr. 15 en Kamerstuk 28 753/32 637, nr. 30

X Noot
2

Rapportage: Naar een lerende economie, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2013

X Noot
3

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren in EZ-begroting 2014.

X Noot
4

Uitwerking Regeerakkoord voor versterking kenniseconomie, Kamerstuk 27 406, nr. 198

X Noot
5

De Kenniscoalitie bestaat uit VNO-NCW, MKB-NL, TO2-instituten, NWO, KNAW, VSNU, en de Vereniging Hogescholen.

X Noot
6

Brief van 13 bedrijven aan Minister Kamp, 23 januari 2013.

X Noot
7

Kamerstuk 28 753, nr. 30.

X Noot
8

De creatieve sector heeft geen transitie, omdat de sector geen TTI heeft.

X Noot
9

Ook het Rathenau-instituut is van mening dat voor de coördinatie van privaatpubliek onderzoek moet worden voortgebouwd op bestaande ervaring met PPS in de topsectoren (bron: Coördinatie van publiek en privaat onderzoek, 2013).

X Noot
10

Bron: TKI-aanvraag 2013, TTI-monitor 2011

X Noot
11

In het Nationaal Energie Akkoord is afgesproken dat de topsector Energie in 2014 zal toewerken naar één professioneel MKB loket.

X Noot
12

Artikel 12/13 EZ-begroting 2013