Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201528750 nr. 62

28 750 Gemeentelijke herindeling

Nr. 62 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2015

Hierbij doe ik u een aanvulling op het Beleidskader gemeentelijke herindeling 2013 (Kamerstuk 28 750, nr. 53) toekomen. De aanvulling betreft de toepassingscriteria voor een «lichte» samenvoeging, ook bekend als gemeentelijke toevoeging.

Een lichte samenvoeging is een bijzondere wijze van herindelen, die in de afgelopen jaren driemaal is toegepast.1 Waar bij een «reguliere» samenvoeging de betrokken gemeenten worden opgeheven en een nieuwe wordt ingesteld, wordt bij een lichte samenvoeging ten minste één gemeente niet opgeheven. Daardoor blijven de rechtsgevolgen die zijn verbonden aan opheffing voor (ten minste) één van de betrokken gemeenten achterwege. Met name op het terrein van administratieve lasten levert dit voordelen op. Ook staat de niet op te heffen gemeente niet onder preventief financieel toezicht op grond van artikel 21 Wet algemene regels herindeling en blijven de burgemeester en het ambtelijk apparaat van deze gemeente in functie. Herindelingsverkiezingen, en daarmee nieuwe collegeonderhandelingen, zijn wel nodig. De gemeenteraad van de niet op te heffen gemeente vertegenwoordigt immers niet de inwoners van de gemeente die wordt opgeheven.

Het afgelopen jaar is onderzocht of het wenselijk is om voor deze herindelingsvariant een (specifieke) regeling in de Wet arhi te treffen. Uit deze verkenning is gebleken dat een wettelijke regeling niet nodig is. De Wet arhi regelt reeds de rechtsgevolgen van opheffing van gemeenten en verankering van deze herindelingsvariant past niet goed binnen het systeem van de wet. Wel bestaat behoefte aan duidelijkheid over de criteria waaraan verzoeken tot een lichte samenvoeging worden getoetst, maar daarvoor is geen wetswijziging nodig.

De afgelopen jaren werd als criterium voor de toepassing van deze herindelingsvariant een strikte grens gehanteerd: het inwonertal van de niet op te heffen gemeente zou met ten hoogste 10% toe mogen nemen. Een dergelijke harde norm acht ik niet (langer) wenselijk omdat deze mogelijk geen recht doet aan de specifieke omstandigheden van het geval.

Verzoeken tot gemeentelijke herindeling via een lichte samenvoeging worden beoordeeld aan de hand van de volgende twee criteria:

  • 1. Er is overeenstemming tussen de gemeenten. De rechtsgevolgen voor en na de herindeling zijn voor de betrokken gemeenten verschillend. Het is van belang dat de gemeenten zich hiervan bewust zijn en alle achter de keus voor deze herindelingsvariant staan.

  • 2. Er zijn afspraken over de rechtspositie van het personeel. De medewerkers van de bij een lichte samenvoeging betrokken gemeenten hebben niet dezelfde positie. De medewerkers van de op te heffen gemeente(n) vallen onder het regime van de Wet arhi (tijdelijke aanstelling en binnen zes maanden na de herindeling een besluit over definitieve plaatsing), terwijl de medewerkers van de niet op te heffen gemeente hun aanstelling behouden. Het verleden leert dat dit verschil geen problemen oplevert als de gemeenten onderling voor de herindeling goede afspraken maken over de plaatsing van medewerkers.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Bij de samenvoeging van een deel van Meerlo-Wanssum met Venray (2010), Rozenburg met Rotterdam (2010) en delen van Maasdonk met Den Bosch en Oss (2015).