Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201328750 nr. 53

28 750 Gemeentelijke herindeling

Nr. 53 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 mei 2013

Hierbij bied ik u het nieuwe Beleidskader gemeentelijke herindeling aan, conform mijn toezegging gedaan in het debat over de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 december 2012 (Handelingen II 2012/13, nr. 37, item 8, blz. 101–133).

Het nieuwe Beleidskader geeft de kaders voor gemeentelijke herindeling en vervangt het huidige Beleidskader gemeentelijke herindeling (Kamerstuk 28 750, nr. 28).

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

Beleidskader gemeentelijke herindeling

1. Inleiding

Aanleiding en doel

Beleid kan het beste dicht bij de burger uitgevoerd worden. Met de decentralisaties in het sociale domein draagt het kabinet hieraan bij. Gemeenten staan daardoor voor een grote opgave om een steeds omvangrijker wettelijk takenpakket en hun eigen autonome taken adequaat uit te voeren en de daarvoor benodigde maatschappelijke verbindingen aan te gaan. De eisen aan de bestuurskracht van gemeenten nemen daardoor meer en meer toe; van de bestuurlijke, ambtelijke en financiële slagkracht van gemeenten wordt steeds meer gevraagd.

In dit Beleidskader geeft het kabinet aan hoe gemeentelijke herindelingen worden beoordeeld en getoetst. Ook dit kabinet kiest voor herindeling van onderop. Het is primair aan gemeenten zelf om via herindeling te werken aan versterking van hun bestuurskracht. Het kabinet heeft er daarbij oog voor dat gemeentelijke herindelingen vaak zorgvuldige trajecten zijn die niet zelden meer dan één kabinetsperiode vergen om tot een formeel herindelingsadvies aan het kabinet te komen. Een Beleidskader over gemeentelijke herindeling geeft de handvaten voor provincies en gemeenten om bij voorkeur van begin tot eind een goed proces te organiseren om te komen tot een gemeentelijke herindeling.

Dit kabinet kiest er voor met een nieuw Beleidskader te komen. De overweging hierbij is dat aanpassing van het Beleidskader ondersteunend kan zijn aan het bereiken van een versnelling van het aantal herindelingen dat van onderop tot stand komt. De belangrijkste wijzigingen die het kabinet wil doorvoeren, zijn het versterken van de positie van de provincie om in goede samenspraak met gemeenten zelf tot voorstellen voor herindeling te komen en de weging van het criterium draagvlak. Deze wijzigingen zijn nodig om de dynamiek rond herindelingen van onderop te vergroten en zo een versnelling van het aantal herindelingen te bereiken.

Leeswijzer

Hieronder wordt eerst ingegaan op het (grond)wettelijk kader rond herindeling. In paragraaf 3 wordt nader ingegaan op de rol van Rijk, provincie en gemeente bij herindeling van gemeenten. Paragraaf 4 bevat de criteria voor toetsing van herindelingsvoorstellen. Financiële aspecten komen in paragraaf 5 aan bod. In de 6de paragraaf wordt ingegaan op de overgang van het vorige naar dit nieuwe Beleidskader. Tot slot worden in paragraaf 7 enkele overige onderwerpen behandeld.

2. Grondwettelijk en wettelijk kader

In artikel 123, eerste lid, van de Grondwet is bepaald dat gemeenten bij de wet kunnen worden opgeheven en nieuwe gemeenten kunnen worden ingesteld. In de Wet algemene regels herindeling (Wet arhi) is geregeld hoe achtereenvolgens betrokken gemeente- en provinciebesturen en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de voorbereiding tot een herindelingsregeling ter hand kunnen nemen en welke procedureregels in dat verband in acht genomen moeten worden.

Gelet op deze verantwoordelijkheid van de regering als medewetgever, is een Beleidskader voor gemeentelijk herindelingsbeleid nodig dat inhoudelijke criteria formuleert aan de hand waarvan gemeentelijke en provinciale herindelingsvoorstellen worden getoetst, zodat voor gemeenten en provincies duidelijk is langs welke lijnen herindelingsvoorstellen door het kabinet beoordeeld zullen worden.

3. Gemeentelijke herindeling van onderop

De formele kaders voor deze rolinvulling worden gegeven in de Wet arhi, waarin is beschreven welke bestuursorganen het initiatief tot een herindeling kunnen nemen en welke procesvereisten daarbij gelden. Een belangrijk aspect van een goed verloop van herindelingsprocessen is de rolverdeling tussen overheden, ook in de fase voorafgaand aan een formeel arhi-traject. Een elementaire voorwaarde in dat verband is complementariteit tussen de drie bestuurslagen, waarbij het kabinet het initiatief laat aan gemeenten en provincies. Waar het de onderlinge rolverdeling tussen gemeenten en provincies betreft, dient voorop te staan dat gemeenten als eerste aan zet zijn als het gaat om het vinden van oplossingen om hun maatschappelijke opgaven beter te kunnen oppakken. Tegelijkertijd is het zo dat gemeenten en provincies in deze discussie optrekken in partnerschap, vanuit onderscheidenlijke verantwoordelijkheden in het belang van het lokaal bestuur. Provincies spelen daarbij vanuit hun algemene verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het lokaal bestuur vaak een modererende rol in de discussie over de bestuurskracht van gemeenten en kunnen deze ook in regionaal verband bezien. Vanuit deze rol als moderator dienen provincies waar nodig sturing te geven aan de discussie die kan leiden tot een herindelingsvoorstel. De provincies en gemeenten in Groningen en Noord-Brabant hebben recent laten zien hoe complementair naar de kwaliteit van het lokaal bestuur gekeken kan worden.

Zoals aangegeven, hebben provincies ook een bovenlokale verantwoordelijkheid die uitgaat boven de belangen van afzonderlijke gemeenten. De invulling van deze verantwoordelijkheid kan voor de provincie aanleiding zijn zelf het initiatief te nemen of een initiatief van gemeenten over te nemen als gemeenten na een lange discussie zelf niet tot een herindelingsvoorstel komen, terwijl versterking van de gemeentelijke bestuurskracht wel nodig is.

Daarnaast sturen provincies het herindelingsadvies door naar het kabinet, met een provinciale zienswijze als gemeenten het advies hebben opgesteld. Het kabinet is als medewetgever verantwoordelijk voor het beoordelen van een herindelingsadvies en het omzetten in een wetsvoorstel wanneer het kabinet het herindelingsadvies positief beoordeelt. De formele rol van het kabinet blijft beperkt tot het beoordelen van de ingediende herindelingsvoorstellen. Bij een positief oordeel zal een wetsvoorstel worden voorbereid. Bij een negatief oordeel wordt het herindelingsadvies afgewezen. Gemeenten en provincies zijn dan aan zet om een eventueel nieuw herindelingsvoorstel voor te gaan bereiden. In het geval van een negatief oordeel zal het kabinet de Tweede Kamer informeren over de beweegredenen om het herindelingsadvies niet over te nemen.

Het kabinet heeft een voorkeur voor herindelingsvoorstellen die op de steun van alle betrokken gemeenten kunnen rekenen. Herindelingsadviezen van onderop, die bij gemeenten zelf vandaan komen, worden daarom door het kabinet toegejuicht. Wel wil het kabinet voorkomen dat herindelingsdiscussies tussen gemeenten jarenlang voortduren zonder reëel zicht op een bevredigende uitkomst. Provincies kunnen in dergelijke gevallen en in gevallen waar naar het oordeel van de provincie urgente problemen spelen die alleen opgelost kunnen worden met een herindeling, het initiatief nemen in het gesprek over versterking van de gemeentelijke bestuurskracht en wanneer nodig zelf een arhi-procedure starten. Dat betekent een verruiming van de provinciale rol ten opzichte van het Beleidskader gemeentelijke herindeling uit 2011. Deze verruiming past bij de algemene verantwoordelijkheid die de provincies hebben voor de kwaliteit van het lokaal bestuur.

4. Criteria toetsing voorstellen

Het Beleidskader gemeentelijke herindelingen formuleert de criteria aan de hand waarvan het kabinet gemeentelijke en provinciale herindelingsvoorstellen toetst, maar een herindeling is geen wiskunde. Het is daarom ook niet mogelijk een checklist te ontwikkelen die tot een eenduidige uitkomst zal leiden. Per geval zal een afweging gemaakt moeten worden op basis van de lokale en regionale omstandigheden, ontwikkelingen en context. Een afweging die voor de betrokken gemeenten leidt tot een versterking van de bestuurskracht en die goed past binnen de regio waar de gemeenten in liggen. Het kabinet zal deze afweging in ieder geval toetsen aan de volgende vijf criteria:

  • a) Draagvlak

  • b) Interne samenhang/dorps- en kernenbeleid

  • c) Bestuurskracht

  • d) Evenwichtige regionale verhoudingen

  • e) Duurzaamheid

Het kabinet vraagt gemeenten deze vijf punten mee te nemen in hun herindelingsadvies en provincies om deze punten mee te nemen in hun zienswijze. Provincies kunnen zich in hun zienswijze voorts baseren op een eigen visie op de bestuurlijke inrichting in hun provincie. Verder zal het kabinet toetsen of de ingediende herindelingsadviezen voldoen aan de vereisten van de Wet algemene regels herindeling, zoals de vaststelling van een herindelingsontwerp en -advies en de ter inzage legging.

a) Draagvlak: lokaal bestuurlijk, regionaal en maatschappelijk

Draagvlak voor een herindeling is belangrijk. Het streven moet zijn gericht op herindelingen die op een zo groot mogelijk draagvlak kunnen rekenen. Het kabinet juicht voorstellen die op de steun van alle betrokken gemeenten en (een meerderheid van) hun inwoners kunnen rekenen dan ook toe. Maar dit betekent niet dat unanimiteit bij gemeentebesturen (of inwoners) voor het kabinet vereist is om een herindelingsadvies over te nemen. Het kabinet zal de mate van draagvlak volgens dezelfde maatstaven beoordelen als in de voorgaande kaders: lokaal bestuurlijk, maatschappelijk en regionaal.

De gekozen indeling kent bij voorkeur de steun van alle gemeente(rade)n en van de betrokken inwoners (lokaal bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak). Het kabinet wil echter bij herindelingen voorkomen dat door één gemeente feitelijk een veto kan worden uitgesproken over een herindeling waar andere gemeenten groot belang bij hebben of die een positieve bijdrage levert aan de regionale bestuurskracht, dan wel de regionale bestuurlijke verhoudingen (regionaal draagvlak). Het kabinet wil bovendien voorkomen dat herindelingsdiscussies tussen gemeenten jarenlang voortduren zonder reëel zicht op een bevredigende uitkomst of dat urgente herindelingen niet doorgaan omdat één van de andere gemeenten geen steun aan de herindeling geeft. Het kabinet vraagt gemeenten en provincies daarom bij een herindeling de omliggende of anderszins betrokken gemeenten te vragen een zienswijze in te dienen. Indien gemeenten besluiten een negatieve zienswijze van een omliggende gemeente niet over te nemen, vraagt het kabinet om een onderbouwing waarom hiervoor gekozen is.

Het draagvlak voor een herindeling wordt door het kabinet daarom vanuit de regionale opgave en verhoudingen bekeken. Het kabinet kijkt dus niet alleen naar het draagvlak bij de direct betrokken gemeenten en hun inwoners, maar ook naar de opvatting van de provincie en de buurgemeenten. Aan de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur om te investeren in het maatschappelijk draagvlak voor een herindeling wil het kabinet niets veranderen.

Om het draagvlak van de inwoners en maatschappelijke organisaties te kunnen beoordelen, vraagt het kabinet wel aan gemeenten, of wanneer de provincie het initiatief neemt tot de herindeling, in het herindelingsadvies aandacht te besteden aan het maatschappelijk draagvlak en de wijze waarop dit is vastgesteld, inclusief de ingediende zienswijzen. Het kabinet vraagt ook aan de betrokken gemeenten in een logboek bij te houden op welke wijze burgers en maatschappelijke organisaties betrokken en geraadpleegd zijn in het herindelingsproces.

Indien een provincie het herindelingsadvies heeft opgesteld, en dus niet de gemeenten, vraagt het kabinet een nadere onderbouwing waarom bij een gebrek aan unaniem draagvlak bij de betrokken gemeenten toch een herindeling gewenst wordt door de provincie.

b) Interne samenhang/dorps- en kernenbeleid

Het is van betekenis dat de nieuwe gemeente een interne samenhang kent, die identiteit geeft aan de nieuwe bestuurlijke eenheid zonder het belang van dorpen en kernen te miskennen. De aard van interne samenhang van de nieuw te vormen gemeente kan verschillende uitingsvormen hebben: cultureel, sociaal, economisch, geografisch, enzovoort. Voorkomen moet worden, dat de nieuwe gemeente niet meer is dan een administratieve eenheid waarmee burgers en maatschappelijke organisaties zich niet of nauwelijks verbonden voelen. Ook mag van de betrokken gemeentebesturen een gemeenschappelijke visie worden gevraagd op welke wijze de nieuw te vormen gemeente burgers, maatschappelijke organisaties en gemeenschappen zal betrekken bij de vormgeving, en indien gewenst, bij de uitvoering van beleid. Nieuwe werkwijzen kunnen hieraan bijdragen, zoals wijkgericht werken, een actief kernenbeleid, binnengemeentelijke decentralisatie, bestuurscommissies, wijk- en dorpsraden, ambtelijke deconcentratie en/of allerlei nieuwe vormen van burgerparticipatie. De minister van Binnenlands Zaken en Koninkrijksrelaties is voornemens een handreiking uit te brengen om gemeenten te ondersteunen bij de verdere uitwerking van deze initiatieven.

c) Bestuurskracht

In essentie kan worden gesteld dat gemeenten bestuurskrachtig zijn als zij in staat zijn hun maatschappelijke opgaven op te pakken en wettelijke taken adequaat te vervullen waarbij recht wordt gedaan aan en in het belang van hun maatschappelijke omgeving wordt gehandeld. Daarbij kan worden gedacht aan de volgende elementen:

  • Zij zijn voldoende bestuurskrachtig (met bestuurders met de juiste kwaliteiten) als het gaat om bestuurlijke sturing te geven aan besluitvorming over, uitvoering van en verantwoording over beleid zonder daarbij al te veel afhankelijk te zijn van samenwerkingsverbanden;

  • Zij beschikken over een ambtelijke organisatie die voldoende robuust is en die in staat is taken en verantwoordelijkheden, zoals de taken in het sociale domein die de komende jaren worden gedecentraliseerd, adequaat en op een professionele wijze uit te oefenen. De organisatie van de nieuwe gemeente is in personele zin minder kwetsbaar en heeft een versterkte positie op de arbeidsmarkt;

  • Zij zijn in staat een goede bijdrage te leveren aan de oplossing van maatschappelijke opgaven en taken die in de regio aan de orde zijn;

  • Zij kunnen de regierol oppakken naar medeoverheden en maatschappelijke partners; en

  • Het financieel perspectief van de gemeente.

d) Evenwichtige regionale verhoudingen

Ook opgeschaalde gemeenten blijven relaties met elkaar onderhouden, via formele samenwerking en anderszins. Evenwichtige regionale verhoudingen zijn daarvoor belangrijk. Het kabinet vraagt gemeenten daarom in het herindelingsadvies aan te geven:

  • Hoe hun gemeente zich verhoudt tot de andere gemeenten in de regio.

  • Welk effect hun schaal heeft op de regionale verhoudingen en de positie van de gemeente.

  • Hoe de schaal zich verhoudt tot het regionale opgavenprofiel.

  • Wat de positie van een eventuele regio/centrumgemeente is.

e) Duurzaamheid

De nieuwe gemeente hoort duurzaam in staat te zijn de gemeentelijke taken (zelfstandig) uit te voeren. Voorkomen moet worden dat de nieuwe gemeente binnen afzienbare termijn wederom bij een herindeling wordt betrokken, en aldus van de ene in de andere herindelingsdiscussie terecht komt. Die mogelijkheid wordt niet alleen bepaald door omstandigheden binnen de nieuwe gemeente, maar ook door haar directe omgeving. De duurzaamheid van een nieuw gevormde gemeente heeft nadrukkelijk ook een regionaal aspect, dat wil zeggen dat afwegingen met betrekking tot duurzaamheid ook in een regionale context inzichtelijk moeten worden gemaakt in een herindelingsadvies. Ten aanzien van een herindelingsvoorstel zal dus ook vooraf moeten worden getoetst of sprake is van andere gemeenten die bij het herindelingsproces betrokken zouden moeten worden.

Echter, het kabinet kan zich voorstellen dat er situaties zijn waarin er sprake is van een urgente noodzaak om voor een gemeente de bestuurskracht te versterken, terwijl een gedragen duurzame oplossing op korte termijn niet mogelijk is. In dergelijke gevallen kan het belang van het versterken van de gemeentelijke bestuurskracht zwaarder wegen dan duurzaamheid.

5. Financiële aspecten

5.1 Herindelingsmaatstaf

Een nieuwgevormde gemeente komt in aanmerking voor een uitkering op grond van de tijdelijke verdeelmaatstaf herindeling in het gemeentefonds. Met de tijdelijke verdeelmaatstaf herindeling wordt een vergoeding ontvangen voor de zogeheten frictiekosten van de herindeling. Frictiekosten zijn lasten die zonder herindeling niet gemaakt zouden zijn en die per definitie extra en tijdelijk zijn. Het bedrag van de verdeelmaatstaf wordt in vier termijnen uitgekeerd. Het eerste jaar ontvangt de nieuwgevormde gemeente 40% van het toegekende bedrag. In de drie jaren daarna elk jaar 20%.

De verkenning van positieve financiële prikkels gericht op opschaling, kan leiden tot aanpassing van deze maatstaf.

5.2 Herindelingsscan

Om de discussie en het herindelingsproces op lokaal niveau te faciliteren, heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in samenwerking met de provincies de herindelingsscan ontwikkeld. Deze scan kan worden uitgevoerd door de betrokken provincie in samenwerking met het ministerie op verzoek van alle gemeenten die betrokken zijn bij een herindelingsproces. Het ministerie zorgt voor het beschikbaar stellen en onderhoud van het databestand ten behoeve van de herindelingsscan. Afhankelijk van de beschikbare capaciteit kan het ministerie ook deelnemen aan de uitvoering van herindelingsscans. Aan de hand van de herindelingsscan kunnen gerichte aandachtspunten voor het (financieel) beleid van de nieuw te vormen gemeente worden bepaald. Ook wordt inzicht verkregen in de bouwstenen van de nieuw op te stellen begroting. Daarnaast kunnen gesignaleerde verbeterpunten en risico’s beter worden aangepakt dan wel beheerst gedurende het fusieproces. Voor de herindelingsscan wordt uitgegaan van de nieuw te vormen (fictieve) gemeente.

6. Overgang naar nieuw Beleidskader

De vaststelling van dit nieuwe Beleidskader vraagt om duidelijkheid met betrekking tot herindelingstrajecten die onder het voorgaande Beleidskader zijn gestart.

Overgangsproblemen worden zoveel mogelijk voorkomen. Uitgangspunt is om voorstellen die gericht zijn op herindeling per 1 januari 2015 te behandelen op basis van het oude Beleidskader. Voorstellen gericht op herindeling per 1 januari 2016 of later, zullen op basis van het voorliggende Beleidskader worden getoetst.

7. Overig

7.1 Herindelingsverkiezingen

Gemeentelijke herindelingen vinden ingevolgde de Wet arhi per 1 januari plaats. In november voorafgaand aan de datum van herindeling vinden tussentijdse verkiezingen plaats voor de gemeenteraad van de nieuwe gemeente. De daadwerkelijke datum van deze verkiezingen wordt door de provincie vastgesteld. De provincies proberen de onderlinge data van de verschillende verkiezingen zo veel mogelijk af te stemmen, zodat de tussentijdse verkiezingen gelijktijdig plaatsvinden.

Afhankelijk van het jaar waarin de herindeling ingaat heeft dit gevolgen voor de frequentie van verkiezingen en de zittingstermijn van de gemeenteraad. Voor de komende jaren gelden de volgende effecten:

Voor herindelingen die plaatsvinden per 1 januari 2014, worden de reguliere raadsverkiezingen van maart 2014 overgeslagen. In de herindelingswet wordt geregeld dat tussentijdse raadsverkiezingen worden georganiseerd. Deze vinden plaats in november 2013. De verkiezingen van maart 2018 zijn de eerstvolgende reguliere raadsverkiezingen voor deze gemeenten na de herindelingsverkiezingen. De zittingsduur van de raad is 4 jaar en 3 maanden.

Ook voor de gemeenten die per 1 januari 2015 herindelen, worden de reguliere raadsverkiezingen van maart 2014 overgeslagen en wordt tevens de zittingsduur van de raden van de her in te delen gemeenten voor een korte periode verlengd. Dit geschiedt bij wet. In november 2014 worden de tussentijdse verkiezingen gehouden voor de raad van de nieuwe gemeente. In maart 2018 neemt de nieuwe gemeente weer deel aan de reguliere raadsverkiezingen. De zittingsduur van de nieuwe raad is 3 jaar en 3 maanden.

Herindelingen per januari 2016 zijn bijzonder omdat deze halverwege een raadsperiode vallen. Indien de reguliere verkiezingen van maart 2014 worden uitgesteld dan zouden de zittende raden een zittingstermijn van meer dan 6 jaar hebben. Indien de reguliere verkiezingen van maart 2018 worden overgeslagen, heeft de raad van de nieuwe gemeente een zittingstermijn van meer dan 6 jaar. Deze zittingsduur wijkt te veel af van de reguliere zittingstermijn. Daarom worden voor gemeenten die per 2016 herindelen wel tussentijdse raadsverkiezingen georganiseerd, maar worden de reguliere verkiezingen in maart 2014 en 2018 niet overgeslagen.

Voor gemeenten die per 1 januari 2017 en 2018 herindelen worden in respectievelijk november 2016 en november 2017 herindelingsverkiezingen georganiseerd en worden de reguliere verkiezingen van maart 2018 overgeslagen. De eerste reguliere verkiezingen zijn weer in maart 2022. De zittingsduur van de raad is respectievelijk 5 en 4 jaar en 3 maanden.

Bovenstaande cyclus herhaalt zich vervolgens vanaf 2018.

7.2. Samenloop grenscorrectie en gemeentelijke samenvoeging

Het is denkbaar dat in een herindelingsadvies een of meer grenscorrecties met een of meer gemeentelijke samenvoegingen worden gecombineerd. Of sprake is van een grenscorrectie of van een gemeentelijke samenvoeging, is afhankelijk van het percentage waarmee het inwonertal van de betrokken gemeenten naar verwachting toe- of afneemt (zie artikel 1, eerste lid, sub b en d, Wet arhi). Voor een dergelijke voorgestelde combinatie geldt de eis, dat de onderscheidenlijke grenscorrectie(s) en gemeentelijke samenvoeging(en) zijn gebaseerd op desbetreffende besluiten van de betrokken raden (of ingeval van een provinciaal voorstel op een door provinciale staten vastgesteld herindelingsadvies).

Het Beleidskader gaat niet over zelfstandige grenscorrecties. Deze kunnen bij gelijkluidende raadsbesluiten of bij provinciaal besluit worden gerealiseerd. Alleen indien een grenscorrectie onderdeel uitmaakt van een gemeentelijke samenvoeging, zal een grenscorrectie worden meegenomen in een wetsvoorstel. Deze samenloop speelt nu bijvoorbeeld bij de herindelingen in Fryslân. Zowel bij de splitsing van Boarnsterhim als bij de vorming van De Friese Meren is sprake van grenscorrecties.

Het goedkeuringsvereiste voor grenscorrecties is met de Wet revitalisering generiek toezicht (artikel 1.8) uit de Wet arhi geschrapt. Omdat jaarlijks een overzicht met wijzigingen in de gemeentelijke indeling, grenscorrecties dan wel wijzigingen in namen van gemeenten wordt gepubliceerd in de Staatscourant, zal het kabinet jaarlijks aan de provincies vragen een overzicht te verstrekken van grenscorrecties en naamswijzigingen van gemeenten die niet bij wet hebben plaatsgevonden.

7.3 Naamgeving van de nieuwe gemeente

Het verdient de voorkeur dat betrokken gemeenten in het herindelingsadvies komen met een definitieve naam voor de nieuw te vormen gemeente of anders zo snel mogelijk daarna (zie ook Kamerstuk 30 358, nr. 4). De herindelingspraktijk laat zien dat gemeenten er niet altijd in slagen om tijdig te komen tot een gezamenlijk gedragen voorstel voor de naamgeving van de nieuw te vormen gemeente. Indien gemeentelijke besluitvorming over de definitieve naamgeving uitblijft of indien daarop voor het vervolg van het wetgevingstraject niet kan worden gewacht, hanteert het kabinet het beleid dat in een wetsvoorstel de naam van de naar inwonertal grootste betrokken gemeente wordt opgenomen als naam van de nieuw te vormen gemeente. Daarbij dient te worden aangetekend, dat gemeenteraden op grond van artikel 158 Gemeentewet de bevoegdheid hebben de gemeentenaam op enig moment te wijzigen. De nieuw gevormde gemeente heeft daarmee de mogelijkheid de eigen naam te wijzigen.