Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2003-2004 | 28684 nr. 29 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2003-2004 | 28684 nr. 29 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 mei 2004
Met deze brief bieden wij u de Derde voortgangsrapportage over de uitvoering van het Veiligheidsprogramma aan.
De derde voortgangsrapportage bouwt voort op de eerdere voortgangsrapportages en beschrijft de voortgang met betrekking tot de maatregelen en prestaties uit het Veiligheidsprogramma van 1 juli 2003 tot 1 januari 2004.
In bijlage V wordt uiteengezet op welke wijze de toegekende financiële middelen in het kader van Veiligheid zullen worden gemonitord binnen de begrotingshoofdstukken van Justitie en BZK.
De Minister van Justitie,
J. P. H. Donner
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes
VOORTGANGSRAPPORTAGE
MEI 2004
| Inhoudsopgave | ||
| Samenvatting | 4 | |
| Paragraaf 1 Inleiding | 6 | |
| Paragraaf 2 Algehele voortgang programma | 8 | |
| 2.1 | De doelstellingen in de veiligheid | 8 |
| 2.2 | Beleidsprogramma's en afspraken met ketenpartners | 9 |
| 2.3 | De maatregelen | 10 |
| 2.4 | Algeheel beeld en risico's | 11 |
| Paragraaf 3 Beleidsspeerpunten | 12 | |
| 3.1 | Veelplegers | 12 |
| 3.2 | Risicojongeren | 13 |
| 3.3 | Urgente aanpak | 16 |
| Paragraaf 4 Maatregelen | 17 | |
| 4.1 | Politie en opsporing | 17 |
| 4.2 | Vervolging en afdoening | 23 |
| 4.3 | Sanctietoepassing | 25 |
| 4.4 | Preventie en openbaar bestuur | 28 |
| 4.5 | Publiek-private samenwerking | 32 |
| Bijlage I | Maatregelen en prestaties | |
| Bijlage Ia | Afgeronde maatregelen | |
| Bijlage II | Objectieve en subjectieve veiligheid | |
| Bijlage III | Kerncijfers politie en strafrechtsketen | |
| Bijlage IV | Voortgang wetgevingsprogramma | |
| Bijlage V | Verantwoording over financiën en prestaties | |
| Bijlage VIa | Auditrapportage | |
| Bijlage VIb | Reactie op auditrapportage | |
Ruim anderhalf jaar na de indiening van het programma «Naar een veiliger samenleving» bij de Kamer (d.d. 16 oktober 2002) ligt het Veiligheidsprogramma op koers. Ten opzichte van de vorige voortgangsrapportage (oktober 2003) is het aantal afgeronde maatregelen verdubbeld (van 10 naar 20). In de verslagperiode van 1 juli 2003 tot 1 januari 2004 zijn verschillende mijlpalen bereikt.
In de sfeer van de wetgeving kan hierbij met name worden gewezen op de indiening bij en aanvaarding door de Tweede Kamer van het wetsvoorstel op de identificatieplicht, op de langere vrijheidsontneming voor meerderjarige veelplegers en het wetsvoorstel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, en op het wetsvoorstel tot invoering van meerpersoonscelgebruik. Daarnaast zijn vier wetsvoorstellen ingediend die het strafproces moeten stroomlijnen en de rechterlijke macht moeten ontlasten. Het wetsvoorstel voor de introductie van de OM-afdoening ligt momenteel bij de Raad van State.
In de sfeer van de handhaving en opsporing is in 2003 de totstandbrenging van de nationale en de bovenregionale recherche een aansprekend resultaat. De prestatiecontracten die met alle politiekorpsen en het KLPD zijn gesloten, leiden reeds over 2003 tot de eerste resultaten. Er is sprake van een stijging van het aantal verdachten dat door de regiokorpsen aan het OM wordt aangeleverd met ruim 14 000. Er is tevens sprake van een toename van het aantal uit staandehoudingen voortkomende boetes en transacties. Tevens blijkt dat meer burgers zich positief uitlaten over de beschikbaarheid van de politie en het optreden van de politie bij het laatste contact.
De in het Veiligheidsprogramma vastgelegde intensivering van de opsporing en handhaving verkrijgt derhalve daadwerkelijk gestalte. Tot op heden kan deze toename door OM en ZM ook adequaat worden verwerkt. De situatie aan de zijde van de sanctiecapaciteit en de reclassering daarentegen, blijft ondanks de in 2003 eveneens reeds gerealiseerde uitbreiding van de intramurale sanctiecapaciteit met 1 500 plaatsen en de 7 500 extra toegepaste taakstraffen, onverminderd zorgelijk. Nog voor het zomerreces zal de Kamer nader worden bericht over de voorziene vernieuwingen in de sanctietoepassing en de reclassering die voor een goed functionerend strafrechtssysteem noodzakelijk zijn.
Voor een verbeterde aanpak van jeugdige criminelen zijn in 2003 het justitieel casusoverleg en het landelijk overdrachtsformulier ingevoerd, en wordt het project ter verkorting van de doorlooptijden verder voortgezet. Tevens is begonnen met de geleidelijke uitbreiding van de justitiële jeugdinrichtingen en de toepassing van nachtdetentie. Een traject tot herbezinning op de effectiviteit van jeugdsancties en de positie van onder toezicht gestelde jeugdigen in justitiële inrichtingen, is ingezet.
Met de dertig grootste gemeenten (G30) zijn in de verslagperiode besprekingen gevoerd over de bevordering van meer veiligheid in het kader van het grote stedenbeleid. Het beleidskader GSB III voor de convenantsperiode 2005–2009 is op 27 april jl. ondertekend door de minister voor BVK (namens het kabinet) en de burgemeesters van Zwolle (namens de G26) en van Amsterdam (namens de G4). Op basis hiervan kunnen de komende periode de afspraken met de grote gemeenten nader worden ingevuld. Eerder is reeds aan de G30 en het OM een brief gezonden over het veelplegersbeleid. Op basis hiervan is met de G 4 inmiddels overeenstemming bereikt over het te voeren veelplegersbeleid en ieders bijdrage daarin. De komende periode zullen deze bestuurlijke afspraken op het operationele niveau verder handen en voeten (moeten) krijgen. Voor de voorziene aanpak van de overige thema's die voor gemeenten zo urgent en complex zijn dat zij een bijzondere behandeling vereisen is de Kamer inmiddels bij brief van 24 december 2003 geïnformeerd.
Onder de paraplu van het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing is in 2003 het Actieplan Veilig Ondernemen tot stand gekomen (gepresenteerd op 20 januari 2004). Voor de periode 2004–2008 zijn hierin tien projecten opgenomen voor het terugdringen van criminaliteit gericht tegen het bedrijfsleven. Van de afspraken die eerder met de detailhandel en de juweliersbranche werden gemaakt, zijn er in 2003 reeds verschillende gerealiseerd. Het aantal overvallen op juweliers daalde daarbij van 75 in 2002 tot 40 in 2003.
Het Veiligheidsprogramma is inmiddels ook in de fase beland waarin een rechtstreeks beroep wordt gedaan op de burger om een bijdrage te leveren aan de veiligheid. In december 2003 is depubliciteitscampagne «Nederland veilig» van start gegaan in combinatie met de landelijke invoering van Meld Misdaad Anoniem. Tevens is de website www.veiligheidsprogramma.nl de lucht ingegaan. De website moet zich ontwikkelen tot het (digitale) ontmoetingspunt van alle bij de veiligheid betrokkenen.
De uitvoering van het Veiligheidsprogramma ligt derhalve op koers. Dit betekent niet dat we er reeds zouden zijn: ook in de komende periode zal er hard aan moeten worden getrokken om het Veiligheidsprogramma in zijn volle omvang tot ontplooiing te laten komen. Mede om deze reden hebben wij dit voorjaar een serie bijeenkomsten gehouden met vertegenwoordigers van de belangrijkste ketenpartners. Tijdens deze bijeenkomsten is de stand van zaken in de uitvoering van het veiligheidsprogramma besproken, zijn knelpunten gesignaleerd en mogelijke oplossingen aangedragen. Gebleken is dat met name op lokaal niveau, waar de uitwerking van alle maatregelen samenkomt, nog de nodige obstakels uit de weg te ruimen zijn. Met de G30 zijn wij, als uitvloeisel van het zojuist tot stand gebrachte beleidskader GSBIII, inmiddels in bestuurlijk overleg over hoe wij deze knelpunten kunnen aanpakken. Voor de overige gemeenten zal dit nog nader worden bezien. Het is ook om deze reden dat in de verslagperiode verschillende activiteiten zijn ingezet die zich richten op de lokale problematiek en op het mobiliseren van de inbreng van de samenleving.
Wat betreft de objectieve veiligheidssituatie lijkt sprake te zijn van een verbetering: het CBS registreert een daling in het aantal vermogensdelicten (ca. – 9%). Met uitzondering van het jaar 2002 lijkt de positieve trend van de afnemende vermogenscriminaliteit daarmee weer te zijn hervat. Het aantal geweldsdelicten is daarentegen gestabiliseerd, en bevindt zich volgens het CBS op vrijwel hetzelfde niveau als de laatste twee jaar. In het veiligheidsgevoel bij de burger lijkt momenteel een lichte verbetering waarneembaar. In vergelijking met de meting 2002 signaleert de politiemonitor bevolking gedurende twee achtereenvolgende jaren (meting 2003 en 2004) een lichte verbetering. Het CBS signaleert in de meting 2003 een overeenkomstige beweging in vergelijking met de meting 2002.
Op 16 oktober 2002 heeft het kabinet Balkenende I de nota «Naar een veiliger samenleving» aangeboden aan de Tweede Kamer.1 In deze nota werd het hoofdthema Veiligheid uit het Strategisch Akkoord uitgewerkt tot een stevig en samenhangend pakket van beleidsmaatregelen dat, voorzien van een programmatisch kader, de weg moet uitzetten naar een veiliger samenleving. In het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet Balkenende II is aangegeven dat dit Veiligheidsprogramma verder zal worden uitgevoerd en aangevuld.
Op 2 december 2002 is met de Kamer van gedachten gewisseld over het Veiligheidsprogramma. Daarbij is door het lid Cornielje een motie2 ingediend om aan de uitvoering van de nota de status te verlenen van «groot project» en de essentie daarvan vervolgens in te bedden in de VBTB-systematiek om zo te komen tot een handhavingsbegroting. Daarmee wordt voorzien in periodieke en geïntegreerde informatievoorziening van de Tweede Kamer over de uitvoering van het Veiligheidsprogramma.
De motie is op 18 februari 2003 aanvaard. Bij brief van 3 april 20033 is door het kabinet aangegeven hoe wij aan de motie Cornielje uitvoering willen geven op een wijze die enerzijds recht doet aan de controlerende verantwoordelijkheid van de Kamer en anderzijds tegemoet komt aan de wens van de Kamer de papieren bureaucratie zo beperkt mogelijk te houden. Aangegeven is dat de Kamer tweemaal per jaar over de voortgang van het Veiligheidsprogramma zal worden geïnformeerd; een voorjaarsrapportage op of omstreeks 1 mei over de realisatie van de maatregelen en prestaties in het vorige jaar en een najaarsrapportage op of omstreeks 1 oktober over het lopende jaar. In de rapportages worden ook de effecten op de feitelijke veiligheid meegenomen. Deze worden jaarlijks gemeten.
De eerste voorjaarsrapportage over de voortgang van het Veiligheidsprogramma over de periode tot 1 april 2003 werd op 16 mei 2003 aan uw Kamer aangeboden4. Op 9 september 2003 is de nota «Naar een veiliger samenleving» formeel aangewezen als Groot Project.
Op 11 september 2003 heeft een technische briefing van de Vaste Kamercommissies voor BZK en voor Justitie plaatsgevonden. De eerste voortgangsrapportage is op 24 september 2003 in een algemeen overleg met de Tweede Kamer besproken.
De tweede voortgangsrapportage ontving u op 7 oktober 2003.5 Deze najaarsrapportage bouwt voort op de eerste rapportage en beschrijft de voortgang met betrekking tot de maatregelen en prestaties voor het lopende jaar tot 1 juli 2003. De beleidsmatige en financiële wijzigingen uit het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet Balkenende II zijn hierin verwerkt. Tevens werden voor het eerst de cijfermatige gegevens over de stand van zaken met betrekking tot de hoofddoelstelling wat betreft de veiligheidssituatie opgenomen. Uit deze rapportage kwam onder andere naar voren dat ter zake van de objectieve veiligheid in 2002, dus voorafgaand aan (de feitelijke uitvoering van) het Veiligheidsprogramma, sprake was van een verslechtering. Wel waren er duidelijk moedgevende lichtpuntjes (meer opsporing, hogere opsporingspercentages, groter gevoel van veiligheid). De tweede voortgangsrapportage is op 3 november 2003 in een algemeen overleg met de Tweede Kamer besproken.
Op 3 maart 2004 is de motie Van Hijum6 aangenomen, waarin de regering wordt verzocht de onderdelen van het Actieprogramma Andere Overheid per beleidsterrein in hun samenhang uit te werken, met voorrang op de terreinen veiligheid, onderwijs en zorg en bij de periodieke rapportage expliciet aandacht te besteden aan de voortgang op de genoemde terreinen. In de komende rapportages van het project Andere Overheid en van het Veiligheidsprogramma zal hierop nader worden ingegaan.
De opzet van de voorliggende, derde voortgangsrapportage van het Veiligheidsprogramma sluit aan bij de eerdere rapportages en is als volgt. In paragraaf 2 zal op hoofdlijnen worden gerapporteerd over de voortgang van het programma als geheel. Paragraaf 3 gaat vervolgens in op de voortgang in de beleidsspeerpunten uit het programma: veelplegers (3.1), risicojongeren (3.2) en urgente aanpak (3.3). Ook deze rapportage zal zoveel mogelijk de hoofdlijnen betreffen. In paragraaf 4 wordt daarna ingezoomd op de maatregelen die als randvoorwaarden voor een effectieve aanpak kunnen worden beschouwd. In volgorde komen aan de orde de maatregelen die betrekking hebben op politie en opsporing (4.1), vervolging en afdoening (4.2), sanctietoepassing (4.3) en op preventie en openbaar bestuur (4.4). Nieuw is de toevoeging van een paragraaf (4.5) waarin de preventieve maatregelen in de publiek private samenwerking worden beschreven.
De hoofdteksten centreren zich op het (geven van) overzichten van de betreffende terreinen. Meer exacte informatie over de voortgang op het niveau van de maatregelen en de daarin vervatte concrete prestaties, afspraken, nul- en streefwaarde(n), wordt gegeven in bijlage I. Bijlage Ia bevat een overzicht van de afgeronde maatregelen.
In bijlage II wordt een cijfermatig beeld met betrekking tot de situatie in de objectieve en subjectieve veiligheid gegeven. Bijlage III bevat een terugkerend cijfermatig beeld met betrekking tot de politieprestaties en de stand van zaken in de strafrechtsketen.
Bijlage IV schetst een beeld van de voortgang in het wetgevingsprogramma. Bijlage V beschrijft de wijze van financiële monitoring en verantwoording. Bijlage VIa bevat de conform de Procedureregeling grote projecten voorgeschreven rapportage over de controle door de auditdiensten. Bijlage VIb bevat onze reactie hierop.
PARAGRAAF 2 ALGEHELE VOORTGANG PROGRAMMA
De uitvoering van het Veiligheidsprogramma ligt op koers. In de verslagperiode tot 1 januari 2004 zijn vrijwel alle maatregelen tot wasdom gekomen, en daarbij is veel tot stand gebracht. Het aantal voltooide maatregelen is ten opzichte van de vorige voortgangsrapportage (oktober 2003) verdubbeld tot 20.
Desondanks is een waarschuwende opmerking op zijn plaats. Het Veiligheidsprogramma is immers ook een ambitieus programma, zowel wat betreft de doelstelling, als wat betreft de daarvoor noodzakelijke maatregelen en prestaties, en de condities en aannames waaronder die prestaties bereikt moeten worden. De constatering dat we op koers zijn, betekent derhalve allerminst dat we er reeds zouden zijn: ook in de komende periode zal er hard aan moeten worden getrokken om het Veiligheidsprogramma in zijn volle omvang tot ontplooiing te laten komen. En de overheid kan dit niet alleen: de inzet van alle betrokkenen – burger, bedrijfsleven en andere instellingen – is daarbij hard nodig.
Tegen deze achtergrond hebben wij dit voorjaar een serie bijeenkomsten gehouden met vertegenwoordigers van de belangrijkste ketenpartners. Tijdens deze bijeenkomsten is de stand van zaken in de uitvoering van het veiligheidsprogramma besproken, zijn knelpunten gesignaleerd en mogelijke oplossingen aangedragen. Het beeld dat op hoofdlijnen uit deze bijeenkomsten naar voren kwam was dat de uitvoering van het veiligheidsprogramma op centraal niveau weliswaar gestaag vordert, maar dat met name op lokaal niveau, waar de uitwerking van alle maatregelen immers samenkomt, nog de nodige obstakels uit de weg te ruimen zijn. Met de G30 zijn wij, als uitvloeisel van het zojuist tot stand gebrachte beleidskader GSB III, inmiddels in bestuurlijk overleg over hoe wij deze knelpunten kunnen aanpakken. Voor de overige gemeenten zal dit nog nader worden bezien. Het is ook om deze reden dat in de verslagperiode verschillende activiteiten zijn ontplooid die zich richten op de lokale problematiek en op het mobiliseren van de inbreng van de samenleving (bijvoorbeeld de urgente aanpak en de publiciteitscampagne). Daarbij wordt ook nadruk gelegd op de maatregelen en activiteiten die voor het welslagen van het Veiligheidsprogramma en het bereiken van de doelstelling van bijzonder belang zijn.
Naast de halfjaarlijkse voortgangsrapportages zijn in de aanloop tot 2008 – 2010 nog verschillende momenten voorzien waarin we tussentijds kunnen beoordelen of we met het Veiligheidsprogramma op de goede weg zijn en blijven. In 2005 is een tussenevaluatie voorzien en ultimo 2006 een eindevaluatie. In circa 50 probleemwijken zal daarnaast worden nagegaan of de beoogde landelijke reductie van criminaliteit en overlast op deze plaatsen reeds ín 2006 kan worden bereikt.
2.1 De doelstellingen in de veiligheid
Jaarlijks rapporteren wij op basis van de slachtofferenquêtes van het CBS en de Politiemonitor Bevolking (PMB) over de stand van zaken in de veiligheid met betrekking tot burgers. Wat betreft de objectieve veiligheidssituatie lieten deze over 2002 een verslechtering zien ten opzichte van 2001, zowel wat betreft gewelds- als wat betreft vermogensdelicten. Op 28 april jl. rapporteerde het CBS een verbetering: er is sprake van een daling in het aantal vermogensdelicten (ca. – 9%). Met uitzondering van het jaar 2002 lijkt de positieve trend van de afnemende vermogenscriminaliteit daarmee weer te zijn hervat. Het aantal geweldsdelicten is daarentegen gestabiliseerd (ca. + 1%), en bevindt zich volgens het CBS op vrijwel hetzelfde niveau als de laatste twee jaar. Kijkend naar de aard van de geweldscriminaliteit is enige nuancering daarbij op zijn plaats: tegenover een afname van het aantal seksuele delicten (ca. –20%) staat een toename van het aantal mishandelingen (ca. + 11%) en bedreigingen (ca. + 4%).
Wat betreft de subjectieve veiligheid – het veiligheidsgevoel van de burger – is uit de Politiemonitor Bevolking inmiddels gebleken dat hierin sprake is van een geleidelijke verbetering, in vergelijking met de eerdere enquêtes. Voelde in 2002 en 2003 resp. 30,8% en 27,7% zich wel eens onveilig, in 2004 is dit gedaald tot 26,9%. Dit beeld spoort met de bevindingen van het CBS van maart jl. die in de recente meting eveneens een lichte daling in de beleefde onveiligheid lieten zien. Zowel de Politiemonitor Bevolking als het CBS signaleren derhalve een toegenomen gevoel van veiligheid in vergelijking met 2002; onzeker is nog of hierbij sprake is van een «echte» trendbreuk.
Met betrekking totde criminaliteit tegen het bedrijfsleven hebben wij u in oktober 2003 gerapporteerd dat bij de resultaten van de bestaande Monitor Bedrijven en Instellingen (MBI) vragen waren gerezen over de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van de beschikbare gegevens. Inmiddels is het besluit genomen om het onderzoek naar de criminaliteit met betrekking tot bedrijven en instellingen op een nieuwe leest te schoeien. De voorbereidingen hiervan zijn reeds in gang gezet. Oktober 2004 zullen wij u daardoor kunnen berichten over de criminaliteit tegen de detailhandel (winkeldiefstal). Wat betreft de criminaliteit tegen het overige bedrijfsleven wordt er naar gestreefd om nog in dit jaar het veldwerk te laten verrichten zodat wij ook voor deze categorie zullen beschikken over een meting 2004; de rapportage daarvan zal U later bereiken.
De meting in de 50 geselecteerde meetwijken wordt meegenomen in de derde convenantsperiode van het grotestedenbeleid en de monitor Leefbaarheid en Veiligheid (L&V) daarin. Inmiddels is een brief uitgegaan naar de desbetreffende gemeenten waarin de geselecteerde wijken aan hen worden voorgelegd met de vraag of zij zich in deze selectie herkennen. In de afspraken met de gemeenten wordt dit verder geformaliseerd. De metingen in het kader van de monitor Leefbaarheid en Veiligheid worden inmiddels voortgezet, zodat wij u conform de planning oktober 2004 hierover de stand van zaken kunnen melden, inclusief een vergelijking met vorige jaren.
Tevens is een start gemaakt met het stroomlijnen van de verschillende veiligheidsmonitors met als doel het ontwikkelen van één veiligheidsenquête. Deze enquête komt tegemoet aan de informatiebehoefte op het gebied van de sociale veiligheid van de verschillende partners op rijks-, regionaal en lokaal niveau. Het stroomlijnen richt zich op drie enquêtes, te weten: de enquête Permanent Onderzoek Leef Situatie (POLS) van het CBS, de enquête Leefbaarheid en Veiligheid en de Politie Monitor Bevolking.
2.2 Beleidsprogramma's en afspraken met ketenpartners
Het ontwikkelen van gezamenlijke beleidsprogramma's en het maken van goede en concrete afspraken met de betrokken partners in de veiligheid, met zoveel mogelijk concrete en kwantificeerbare doelen, zijn belangrijke instrumenten in de uitvoering van het Veiligheidsprogramma.
In de verslagperiode zijn hierin verschillende mijlpalen gehaald. Op basis van het Landelijk Kader Nederlandse Politie (februari 2003) zijn met alle regionale politiekorpsen en het KLPD convenanten gesloten. De eerste resultaten daarvan worden inmiddels gerealiseerd (zie paragrafen 4.1 en 4.2 van deze rapportage).
Op 27 april jl. is het beleidskader voor het grotestedenbeleid voor de derde convenantsperiode (2005 tot 2009) ondertekend door de minister voor BVK (namens het kabinet) en de burgemeesters van Zwolle (namens de G26) en van Amsterdam (namens de G4). Op basis hiervan kunnen de komende periode de afspraken met de grote gemeenten verder worden ingevuld. Over de aanpak van door gemeenten als «urgent» aangemerkte thema's, die een bijzondere behandeling vereisen, bent U inmiddels bij brief van 24 december 2003 geïnformeerd (zie ook paragraaf 3.3).1
Het Veiligheidsprogramma is inmiddels in de fase beland waarin een rechtstreeks beroep wordt gedaan op de burger en het bedrijfsleven om een bijdrage te leveren aan de veiligheid.
Waren er voorjaar 2003 reeds afspraken met de detailhandel en de juweliersbranche tot stand gebracht, inmiddels zijn afspraken met het bredere bedrijfsleven geconcretiseerd in het Actieplan Veilig Ondernemen, gepresenteerd op 20 januari 2004.2 In de voortgangsrapportages van het Veiligheidsprogramma wordt U over de voortgang van het Actieplan Veilig Ondernemen voortaan bericht in paragraaf 4.5.
December 2003 is ook depubliciteitscampagne Nederland veilig van start gegaan. In deze publiekscampagne die zal duren tot en met 2006, wordt een beroep op de burger gedaan om ook zijn aandeel in de veiligheid te leveren. Tevens worden de burger hierbij concrete handelingsmogelijkheden aangereikt. In de eerste publiciteitsronde betrof dit de landelijke invoering van Meld Misdaad Anoniem. Burgers kunnen criminele voorvallen voortaan anoniem melden bij meldpunt M. De actie werd ondersteund door postbus 51-spots.
Daarnaast is de website www.veiligheidsprogramma.nl de lucht ingegaan. Deze website beoogt de burger en al degenen die betrokken zijn bij de veiligheid bestendig op de hoogte te houden van het Veiligheidsprogramma en hen daarbij ook interactief te betrekken. Daartoe is een reactiemogelijkheid ingebouwd die inmiddels regelmatig wordt gebruikt. De komende periode zal de site verder worden uitgebouwd.
In de vorige voortgangsrapportage was het totale aantal maatregelen uit het Veiligheidsprogramma opgelopen tot 147. Inmiddels is dit aantal teruggelopen tot 132. 19 maatregelen zijn vervallen of samengevoegd met andere maatregelen (en worden in dat verband verder uitgevoerd). Vier nieuwe maatregelen zijn toegevoegd. In bijlage I vindt U een compleet overzicht. In de paragrafen 3 en 4 worden de bereikte mijlpalen belicht. Afzonderlijke vermelding verdienen in dit verband de mijlpalen in de wetgevende sfeer: het aanvaarden door de Tweede Kamer van belangrijke wetsvoorstellen als de Wet op de identificatieplicht, de Wet op de langdurige vrijheidsbeneming van veelplegers en de Wet plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, en de Wet op het meerpersoonscelgebruik.
Van het totale aantal maatregelen van (nu) 132 zijn er inmiddels 20 (ca 15%) die als voltooid mogen worden beschouwd, een verdubbeling ten opzichte van het aantal maatregelen (ca. 10) dat werd afgerond in de periode januari – juli 2003 en waarvan melding werd gemaakt in de oktoberrapportage 2003. Hierbij past wel de kanttekening dat verschillende maatregelen (7) doelen op de (voltooide) ontwikkeling van een instrument. Het feitelijk gebruik van het instrument in de praktijk is in deze zin dus nog niet «voltooid» maar «in uitvoering» (bijvoorbeeld de anonieme meldlijn en het Landelijk Kader Nederlandse Politie). In bijlage Ia treft U een overzicht aan van de afgeronde maatregelen. In de komende voortgangsrapportages zal op deze uitvoering nog worden teruggekomen.
Over de voortgang van de overige maatregelen kan worden gemeld dat de meerderheid op schema ligt, maar dat circa eenderde van de maatregelen ook vertraging heeft opgelopen. Dergelijke vertragingen behoeven overigens niet altijd ernstig te zijn: in verschillende gevallen betreft het vertraging op onderdelen van een maatregel, of maatregelen die minder relevant zijn voor het algehele welslagen en de doelstellingen van het Veiligheidsprogramma. Van de in de vorige voortgangsrapportage reeds opgelopen vertragingen (toen ca 10% van de maatregelen) ligt inmiddels een derde weer op schema. Momenteel wordt er hard aan gewerkt om ook de per 1 januari 2004 gesignaleerde vertragingen weer te doen inlopen. Maar het zij gezegd, ook in de komende periode zal daar naar verwachting hard aan getrokken moeten worden.
In bijlage I wordt U per maatregel geïnformeerd over de stand van zaken per 1 januari 2004.
2.4 Algeheel beeld en risico's
Het Veiligheidsprogramma ligt op koers. In 2003 zijn tal van resultaten geboekt: zowel in de sfeer van de gemaakte bestuurlijke afspraken, als in de sfeer van de wetgeving. Ook in de sfeer van de handhaving en opsporing worden duidelijke concrete resultaten behaald (zie paragrafen 4.1 en 4.2).
Er zijn echter ook ontwikkelingen te signaleren die om nadere aandacht vragen, bijvoorbeeld in de sfeer van de voortgang van de maatregelen. Ongeveer eenderde van de maatregelen heeft vertraging opgelopen. Daarnaast zijn belangrijke risico gelegen in de uit de expertmeetings gebleken belemmeringen met name op het lokale niveau. De komende jaren zal er nog aan hard aan getrokken moeten worden om het Veiligheidsprogramma ook hierin op koers te houden. In bestuurlijk overleg met de G30 bezien wij hoe deze knelpunten kunnen worden aangepakt. Het is om deze reden dat in de verslagperiode verschillende activiteiten zijn ingezet die zich richten op de lokale problematiek en op het mobiliseren van de inbreng van de samenleving. Daarbij wordt ook de nadruk gelegd op die maatregelen en activiteiten die voor het welslagen van het Veiligheidsprogramma en het bereiken van de doelstelling van bijzonder belang zijn.
Wat betreft de objectieve veiligheidssituatie lijkt sprake te zijn van een verbetering: er is sprake van een daling in het aantal vermogensdelicten (ca. – 9%). Met uitzondering van het jaar 2002 lijkt de positieve trend van de afnemende vermogenscriminaliteit daarmee weer te zijn hervat. Het aantal geweldsdelicten is daarentegen gestabiliseerd, en bevindt zich volgens het CBS op vrijwel hetzelfde niveau als de laatste twee jaar. In het (subjectieve) veiligheidsgevoel van de burger lijkt momenteel een lichte verbetering waarneembaar te zijn: in vergelijking met 2002 signaleert de politiemonitor gedurende twee achtereenvolgende jaren een lichte verbetering. Het CBS signaleert in de meting 2003 een overeenkomstige beweging in vergelijking met de meting 2002. Of hierbij sprake is van een «echte» trendbreuk kan nog niet met zekerheid worden gezegd.
PARAGRAAF 3 BELEIDSSPEERPUNTEN
In de tweede voortgangsrapportage is stilgestaan bij de hoofdlijnen van het beleid ten aanzien van de veelplegers. Aangegeven is dat bij de aanpak van meerderjarige veelplegers het terugdringen van criminele overlast voorop staat, waarbij het landelijk beleid zich in eerste instantie richt op de zeer actieve veelplegers. Op basis van het recent verschenen rapport van het WODC «Bekenden van Justitie» betreft het een groep van ongeveer 6 000 personen, verdeeld over heel Nederland. Het landelijk veelplegersbeleid maakt inmiddels deel uit van vele lokaal ontwikkelde veiligheidsplannen.
Om het veelplegersbeleid tot een succes te maken, is samenwerking tussen de betrokken partners essentieel. Het belang van deze samenwerking is nogmaals benadrukt in een brief die de minister van Justitie op 22 september 2003 naar de G30-gemeenten en het College van Procureurs-generaal heeft gezonden. De veelplegeraanpak is immers meer dan alleen het langduriger insluiten van veelplegers. Wil de aanpak van veelplegers succesvol zijn, dan moeten de schakels in het voor- en natraject en de justitiële keten aan elkaar verbonden zijn. Er moet met andere woorden over de gehele breedte sprake zijn van een sluitende aanpak.
In eerder genoemde brief zijn dan ook de rollen die de lokale/regionale driehoeken, de arrondissementale justitieberaden (AJB's) en de gemeenten spelen bij de uitvoering van het landelijk beleid nader gespecificeerd. Zo wordt het kabinetsbeleid via de lokale/regionale driehoek uitgedragen en vormt de driehoek het aanspreekpunt voor de gehele keten. De driehoek heeft immers een directe link met het AJB, de politie en, via de dubbelrol van de korpsbeheerder als burgemeester, de voor- en nazorg. De hoofdofficier van justitie is daarbij verantwoordelijk voor wijze van de inzet van de justitiemiddelen.
Met de burgemeesters van de G4 zijn afspraken gemaakt over de justitie-inzet (272 ISD-plaatsen plus 600 reguliere plaatsen in sober regiem) en de gemeentelijke nazorg in 2004. Het is nu aan de lokale partners hierover concrete afspraken te maken en zorg te dragen voor een naadloze aansluiting van beide trajecten.
Vervolgens zal dit jaar een voorstel worden gedaan tot verdeling van de beschikbare ISD- (inrichting voor stelselmatige daders) plaatsen in het jaar 2005 e.v. (544 in 2005 (bestaande uit de 272 plaatsen die in 2004 beschikbaar zullen zijn en 272 extra plaatsen), oplopend tot in totaal 1000 in 2007). Deze plaatsen zullen net zoals de 272 plaatsen van 2004 op arrondissementaal niveau via de hoofdofficieren van justitie ter beschikking worden gesteld. De verdeling zal plaatsvinden naar rato van het aantal zeer actieve veelplegers per arrondissement, op basis van HKS-gegevens en volgens de landelijke definities. De lokale partners maken afspraken over de inzet van de justitiemiddelen en het voor- en natraject. Op deze wijze worden de G30 in de afspraken betrokken.
In aansluiting op de afspraken die Justitie (i.c. het OM) op lokaal niveau maakt met de betrokken partners, zullen de G30 in het kader van GSB III ambities formuleren over de aantallen aan te bieden en af te ronden nazorgtrajecten voor volwassen en jeugdige veelplegers. Deze ambities behoeven de instemming van de lokale driehoek en de partners die daaraan door middel van de AJB's verbonden zijn. De ambities worden vervolgens vastgelegd in de in de tweede helft van 2004 op te stellen convenanten tussen het Rijk en de steden.
Een belangrijke randvoorwaarde voor de uitvoering van het kabinetsbeleid vormt het wetsvoorstel «Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders» (28 980), dat in juni 2003 bij de Tweede Kamer is ingediend en in december 2003 daar is aangenomen. Naar verwachting zal binnen afzienbare tijd behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer plaatsvinden. Afhankelijk daarvan zou het wetsvoorstel dit jaar in werking kunnen treden. Met het oog hierop wordt thans capaciteit gerealiseerd, die een gedifferentieerde tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel (van sober tot SOV-achtig) mogelijk maakt. Ter ondersteuning van de gedifferentieerde tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is het diagnose-instrument Risc, dat voor een bredere doelgroep dan enkel de veelplegers is ontwikkeld, van belang. Aan de reclasseringsorganisaties is inmiddels gevraagd een implementatieplan op te stellen.
Toespitsing jeugdige veelplegers
Bij de aanpak van jeugdige veelplegers staat het voorkomen van criminele carrières centraal. Die aanpak is uitgewerkt in de nota Jeugd terecht, actieprogramma aanpak jeugdcriminaliteit 2003–20061 en krijgt in dat verband verder vorm. Juist voor jongeren is het van het grootste belang dat zij door de gezamenlijke inspanning van alle bij hun opvoeding betrokkenen van het criminele pad worden afgehouden. Voor die jongeren waarvoor die aanpak (nog) niet heeft gewerkt, kan plaatsing in een justitiële jeugdinrichting aangewezen zijn. Conform hetgeen in de beleidsbrief veelplegers is aangegeven, is in 2003 gestart met een uitbreiding van 12 plaatsen in de justitiële jeugdinrichting Den Engh voor jeugdige veelplegers. In 2004 zullen de overige twee groepen van 12 jeugdige veelplegers geplaatst worden in Den Engh. Alle jongeren zijn afkomstig uit de vier grote steden. Daarnaast komen in 2004 eveneens voor de G4 veertien «geoormerkte» opvangplaatsen in justitiële jeugdinrichtingen voor jeugdige veelplegers beschikbaar. Deze 50 plaatsen maken onderdeel uit van de 250 plaatsen waarover met de burgemeesters van de G4 afspraken zijn gemaakt. Besloten is dat deze 250 reeds bestaande plaatsen op arrondissementaal niveau via de hoofdofficieren van justitie ter beschikking worden gesteld. Op korte termijn worden over de precieze toedeling nadere afspraken gemaakt. In het kader van het Hoofdlijnenakkoord zijn extra middelen uitgetrokken voor capaciteitsuitbreiding in Glen Mills. Medio 2004 zal naar verwachting in alle 25 politieregio's gewerkt kunnen worden met het landelijk format criminaliteitskaart. Hierdoor zal de informatiepositie per politieregio over de jeugdcriminaliteit versterkt zijn waardoor een effectievere aanpak mogelijk wordt. Eind 2004 zal een inventarisatieonderzoek rondom effectieve aanpakken van jeugdige veelplegers binnen de opsporing gereed zijn.
De algemene doelstelling van het programma Jeugd terecht voor de aanpak van jeugdcriminaliteit is het voorkomen van eerste delicten en het terugdringen van recidive.
De problematiek van de jeugdcriminaliteit vraagt om maatwerk. Andere kernthema's van Jeugd terecht zijn effectiviteit, ketensamenwerking en capaciteit. De relatie tussen de strafrechtelijke aanpak en de preventieve en curatieve aanpak, gericht op het vergroten van kansen voor jongeren en het tegengaan van uitval, krijgt zijn uitwerking in de interdepartementale Operatie Jong. Hierover wordt de Tweede Kamer binnenkort separaat geïnformeerd.
De ondersteuning van ouders van jeugdigen met (een verhoogd risico op) politiecontacten wordt meer gestalte gegeven. Vanuit een gezamenlijk opdrachtgeverschap hebben de ministeries van Justitie en van VWS subsidie verstrekt aan de Stichting voor Opvoedingsondersteuning Zuid-Holland (S&O) om een reeks producten te ontwikkelen die kunnen worden ingezet bij opvoedingsondersteuning.
Uit de enveloppe preventie/jeugdzorg is vanaf 2004 een bedrag van € 3,4 miljoen gereserveerd onder de noemer «opvoedingondersteuning/coördinatie van zorg» oplopend tot € 15 miljoen vanaf 2007 (totaalbedrag VWS en Justitie). De middelen zijn bedoeld om op lokaal niveau het aanbod aan opvoedingsondersteuning en intensieve gezinsbegeleiding (waaronder de implementatie van de functie gezinscoaching) te versterken. Daarmee wordt bijgedragen aan het doorbreken van de stijgende vraag naar zwaardere jeugdzorg en het voorkomen dat jongeren afglijden naar het criminele circuit.
De inventarisatie van instrumenten die binnen de justitiële jeugdketen worden toegepast om risicofactoren van jongeren te (vroeg)signaleren, jongeren te screenen en het risico op recidive te taxeren is in concept gereed. Aan de hand van deze inventarisatie wordt bezien hoe het gebruik van de diverse instrumenten tussen de betrokken ketenpartners beter is af te stemmen.
In de praktijk wordt een aantal knelpunten gesignaleerd bij de toepassing van interventies voor jeugdigen omdat niet alle interventies optimaal passen binnen de bestaande regelgeving. Een voorbeeld is het opleggen van taakstrafachtige activiteiten als bijzondere voorwaarde bij schorsing van de voorlopige hechtenis. Een ander voorbeeld is de plaatsing van jongeren in internaatachtige voorzieningen met gebruikmaking van civielrechtelijke maatregelen als reactie op hardnekkig delictgedrag. Er wordt thans onderzoek verricht naar de mogelijkheden om deze en vergelijkbare knelpunten weg te nemen door wetswijziging. De verschillende mogelijkheden tot wetsaanpassing zijn aan verschillende partijen uit het veld voor reactie voorgelegd. Op basis hiervan is een voorstel in voorbereiding over de te kiezen optie(s). Hierover wordt de Tweede Kamer in 2004 geïnformeerd.
Op 15 september 2003 is het gewijzigd Besluit Halt-feiten in werking getreden. Het gaat daarbij om een beperkte uitbreiding van het aantal Haltwaardige feiten (in de Wet Personenvervoer 2000) alsmede het verhogen van de schadegrens. Een jaar na de inwerkingtreding van het gewijzigd Besluit zal een evaluatieonderzoek worden uitgevoerd naar de uitvoering van dit Besluit.
De jeugdreclassering heeft behoefte aan een methodisch handboek. Hiermee kan meer eenheid in de begeleiding worden aangebracht, en kan worden bevorderd dat op termijn alleen nog gebruik gemaakt wordt van methoden die hun effectiviteit bewezen hebben. De opdracht om dit handboek te vervaardigen is begin 2004 verstrekt.
Enige jaren geleden is de Individuele Traject Begeleiding voor harde-kernjongeren (ITB/HK), een bijzondere, intensieve vorm van reclasseringsbegeleiding, ingevoerd. Voor allochtone jongeren in de grote steden die dreigen af te glijden werd een zorgvariant van ITB ontwikkeld, de zogeheten ITB Criem. Het voornemen bestaat om ITB Criem uit te breiden naar het hele land. Het effectiviteitsonderzoek start voor de zomer 2004. Op basis hiervan wordt besloten over verdere uitbreiding ook naar autochtone jongeren.
De beschikbaarheid en het gebruik van effectief gebleken preventieprogramma's, gericht op jeugdcriminaliteit, wordt verder verhoogd door middel van een toetsing van preventieprogramma's door een auditcommissie. Samen met het ministerie van VWS is opdracht gegeven om een haalbaarheidsonderzoek uit te voeren naar de wijze waarop een effectiviteitstoets gericht op preventieve en curatieve projecten en repressieve maatregelen gericht op jeugd, het beste vorm gegeven kan worden. Hierbij wordt expliciet nagegaan hoe gewaarborgd kan worden dat de verzamelde informatie, wat is effectief en wat niet, benut gaat worden. De resultaten van het haalbaarheidsonderzoek komen in het voorjaar van 2004 beschikbaar.
De werkwijze zoals ontwikkeld in het Project Verkorting Doorlooptijden Jeugdstrafrechtketen is voorgezet binnen Jeugd terecht. In 2003 heeft de opwaartse lijn met betrekking tot de verkorting van de doorlooptijden zich voor elk onderdeel van de jeugdstrafrechtketen doorgezet, ook al wordt nog niet in elk arrondissement door alle ketenpartners aan de norm voldaan. Er is een inventarisatie opgesteld van alle strafrechtelijke interventies voor jeugdigen in Nederland, met per strafrechtelijke interventie een aantal basisgegevens. Die inventarisatie is de allereerste, ruwe versie van de jeugdsanctie-atlas. Die atlas wordt een dynamisch document: in de eerste fase gaat het alleen om beschrijvingen, later worden ook de uitgevoerde evaluaties toegevoegd. Uiteindelijk ligt er een document, waarin per strafrechtelijke interventie wordt aangegeven wat het oordeel daarover is: veelbelovend, effectief, of niet.
Een belangrijke actie is het instellen van eenerkenningscommissie. Dit moet een landelijke commissie worden van onafhankelijke deskundigen, die strafrechtelijke interventies gaat beoordelen en een keurmerk verlenen. Inmiddels is besloten te komen tot één erkenningscommissie, zowel voor volwassenen als voor jeugdigen. De commissie zal strafrechtelijke interventies gaan toetsen op basis van te ontwikkelen erkenningscriteria.
Het Justitieel casusoverleg, gericht op het verbeteren van de snelheid en de kwaliteit van de justitiële reactie, is in alle arrondissementen ingevoerd. Dit blijkt uit een quick-scan die per 1 januari 2004 heeft plaatsgevonden. Het landelijk overdrachtsformulier waarmee zaken door de politie aan ketenpartners worden overdragen is inmiddels bij de meeste arrondissementen in gebruik. Het Parket-Generaal is bezig met een procesbeschrijving jeugdstrafrechtketen welke medio 2004 gereed zal zijn en de basis zal vormen voor meer landelijke standaardisatie.
Per juni 2004 zal een helpdesk Privacy operationeel zijn. Deze helpdesk is erop gericht om betrokkenen optimaal te informeren over de (on)mogelijkheden van gegevensuitwisseling binnen de bestaande regelgeving. De voorbereiding heeft enige vertraging opgelopen, omdat het moeilijk blijkt voldoende deskundigheid aan te trekken.
Er is een landelijk beleidskader en een plan van aanpak ontwikkeld ten behoeve van de landelijke invoering van nachtdetentie tijdens de voorlopige hechtenis. Op 2 september jl. heeft een conferentie over dit onderwerp plaatsgevonden. Deze conferentie was tevens de start van de landelijke invoering. Inmiddels wordt nachtdetentie in een aantal opvanginrichtingen toegepast. Daarnaast zijn voorbereidingen voor een procesevaluatie getroffen en zal ook monitoring plaatsvinden.
Er wordt gewerkt aan een herbezinning op de jeugdsancties en de positie van onder toezicht gestelde jeugdigen in justitiële jeugdinrichtingen. Het totale pakket van jeugdsancties moet leiden tot een transparant, evenwichtig en goedkoper systeem. Bezien wordt of er verbeteringen in het systeem (zowel wet- en regelgeving als organisatie) mogelijk zijn. Hierover wordt de Tweede Kamer voor de zomer van 2004 nader geïnformeerd.
Bij brief van 24 december 2003 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet invulling geeft aan de maatregel «urgentiegebieden».1 De urgente aanpak is één van de instrumenten c.q. werkwijzen die kan worden ingezet om de lokale veiligheidsproblemen aan te pakken.
Het belangrijkste uitgangspunt dat bij de urgente aanpak wordt gehanteerd, is dat het Rijk tegemoet komt aan de behoefte zoals die in de praktijk bestaat. De oplossing van knelpunten in de uitvoering van beleid staat centraal.
Het primaat van de urgente aanpak ligt bij de gemeenten. Daarmee is afgeweken van de lijn uit het Veiligheidsprogramma, waarbij nog uitgangspunt was dat op basis van urgentie van rijkswege urgentiegebieden worden aangewezen. Aangezien gemeenten kennis hebben van de lokale problematiek en voor de aanpak daarvan ook de primaire verantwoordelijkheid hebben, ligt het voor de hand dat de burgemeester (belast met de handhaving van de openbare orde), de mogelijkheid krijgt om binnen de gemeente gebieden of thema's aan te wijzen die, op basis van een lokale probleemanalyse, voor een urgente aanpak in aanmerking komen. Dit betekent dus maatwerk. Niet alleen (de aanpak van) specifieke gebieden, maar dus ook de aanpak van bepaalde thema's kunnen onder de urgente aanpak vallen. De maatregel kan dan dus betrekking hebben op de aanpak van een bepaalde wijk, een winkellocatie of een uitgaansgebied, maar ook op de aanpak van bepaalde soorten overlast; meer themagericht dus (zoals bijvoorbeeld een concentratie van illegalen met de bijkomende effecten (illegale arbeid, huisjesmelkers en mensonterende toestanden)). Ten opzichte van de formulering in het Veiligheidsprogramma, waar primair gedoeld werd op het benoemen van geografische gebieden, is dit een verbreding. Om die reden is er voor gekozen om niet meer te spreken over urgentiegebieden, maar over urgente aanpak.
Op 14 mei 2004 zijn de gemeenten bij brief geïnformeerd over deze maatregel, en met name over hoe en met welke problemen zij bij het Rijk kunnen aankloppen. Daarvoor is op de website van het Veiligheidsprogramma een (elektronische) postbus voor gemeenten georganiseerd (www.veiligheidsprogramma.nl/urgenteaanpak).
Daarnaast is in het kader van het Actieplan Veilig Ondernemen het deelproject dat zich richt op urgente bedrijvenlocaties van start gegaan. Nog dit jaar zullen 10 urgente bedrijvenlocaties worden aangepakt (zie ook paragraaf 4.5). Onder bedrijvenlocaties worden zowel bedrijventerreinen als winkelgebieden verstaan. Per locatie zal, samen met de gemeenten en andere relevante partners, een aanpak worden ontwikkeld om de criminaliteit terug te dringen.
Ook in deze verslagperiode hebben de maatregelen uit het Veiligheidsprogramma voor politie en opsporing zich onverkort gericht op het versterken van de uitvoering van de politiële kerntaken toezicht, handhaving en opsporing. Een efficiënter en effectiever opererend politieapparaat blijft zowel uitgangspunt als oogmerk bij de uitvoering van de maatregelen van het Veiligheidsprogramma die specifiek op politie en opsporing zijn gericht.
Onderstaand wordt weergegeven welke voortgang in de uitvoering van het veiligheidsprogramma voor de politie is geboekt.
Resultaatafspraken met de politie
Nadat op 15 februari 2003 het Landelijk Kader Nederlandse Politie 2003–2006 door de ministers van BZK en van Justitie en de korpsbeheerders is ondertekend, zijn in de loop van dat jaar ook alle regionale convenanten opgesteld en tot stand gekomen.
Hiermee zijn alle noodzakelijke beleids- en beheersmaatregelen voor de politie uit het Veiligheidsprogramma voor de periode tot en met 2006 in concrete afspraken vastgelegd. De convenanten voorzien onder andere in een verhoging van het aantal uit staandehoudingen voortkomende boetes en transacties en van het aantal aan het Openbaar Ministerie aan te leveren rechtbankzaken, en (daarmee) in een intensivering van toezicht, handhaving en opsporing. Tevens zijn afspraken gemaakt over onder andere de tevredenheid van de burger over het contact met de politie, het oordeel van de burger over de beschikbaarheid van de politie, de terugdringing van het ziekteverzuim en het bereiken van efficiencyverhoging, waardoor meer capaciteit voor de politietaken beschikbaar komt. Hiermee is een belangrijke en stevige basis gelegd voor een verdere verbetering (zowel kwantitatief als kwalitatief) in de uitvoering van de politietaak voor de komende jaren.
De convenanten zijn niet alleen van belang voor de uitvoering van het veiligheidsprogramma, maar ook voor het zichtbaar maken van de prestaties van de korpsen. De eerste resultaten daarvan zijn inmiddels zichtbaar. In 2003 zijn de prestaties met betrekking tot uit staandehoudingen voortkomende boetes en transacties en aan het OM aan te leveren rechtbankzaken aanmerkelijk verhoogd. Het aantal uit staandehoudingen voortkomende boetes en transacties is gestegen van 1 425 097 in 2002 naar 1 770 512 in 2003. Het aantal door de regionale politiekorpsen aan het OM aangeleverde rechtbankzaken is toegenomen van circa 214 000 naar circa 228 300. Dit heeft tot op heden niet, zoals de afgelopen tijd in een aantal onderzoeken en artikelen werd gesuggereerd, geleid tot een noemenswaardige afname van de relatieve zwaarte van de aangeleverde zaken. De eerste resultaten laten zien dat de in het Veiligheidsprogramma vastgelegde intensivering van de opsporing en handhaving daadwerkelijk gestalte krijgt. De verwachting is dat hiermee een signaal uitgaat naar de burger, dat maatschappelijke regels strikter en consequenter worden gehandhaafd en dat meer zaken in behandeling worden genomen, maar ook een signaal naar bestuur en politiek, dat de naleving van de landelijke en regionale afspraken door politie en OM serieus wordt genomen. Uit de meest recente gegevens van de Politiemonitor Bevolking1 blijkt dat meer burgers zich positief uitlaten over de beschikbaarheid van de politie en het optreden van de politie bij het laatste contact. De score2 die het oordeel van de burger over de beschikbaarheid van de politie aangeeft is gestegen van 4,4 in 2002 naar 4,7 in 2003. Het percentage personen dat (zeer) tevreden is over het laatste contact met de politie is toegenomen van 62,6 in 2002 naar 64,1 in 2003.
Ook waar het de afspraken betreft die moeten resulteren in een toename van de beschikbare politiecapaciteit zijn positieve ontwikkelingen te melden. Het ziekteverzuim is ten opzichte van 2002 afgenomen van afgerond 8,2% naar 7,2%. Verder hebben alle korpsen een plan van aanpak opgesteld voor het realiseren van de in het Landelijk Kader afgesproken doelmatigheidsverbetering.
In het landelijk kader is opgenomen dat begin 2005 een tussenevaluatie van de landelijke resultaten en de convenantensystematiek zal worden gehouden.
Over de uitvoering van de andere afspraken uit het Landelijk Kader wordt onderstaand nader bericht.
Om de taakuitvoering van de politie op een doeltreffende manier te versterken en te verbeteren is een aantal maatregelen geformuleerd die gericht zijn op het optimaliseren van de (wettelijke) mogelijkheden voor de politie. Van belang zijn de verruiming van de mogelijkheden voor (elektronische) aangifte, de toepassing van DNA-onderzoek, het burgernet, de anonieme meldlijn en het gemeentelijk cameratoezicht.
De elektronische aangifte-voorziening is inmiddels technisch gerealiseerd en kan conform planning in 2004 landelijk worden geïmplementeerd. Het wetsvoorstel tot landelijke invoering is in april van dit jaar aan de Tweede Kamer aangeboden. Met de landelijke voorziening wordt het doen van aangifte – voor nader te bepalen delicten – voor burger én politie aanzienlijk vereenvoudigd. Bij de politie ontstaat capaciteitswinst die kan worden benut voor – andere – operationele politietaken. Wel moet worden bedacht dat de voorziening kan leiden tot een stijging van het aantal aangiften. Statistische gegevens over het aantal aangiften dienen daarom in de nabije toekomst genuanceerd geïnterpreteerd te worden. Op termijn zal naar verwachting een stabilisatie optreden.
De mogelijkheden van DNA-onderzoek zijn inmiddels verruimd. Het wetsvoorstel DNA-onderzoek in strafzaken in verband met het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken uit celmateriaal is op 1 september 2003 in werking getreden. Het wetsvoorstel DNA-onderzoek bij veroordeelden (28 685) treedt vermoedelijk eind 2004 in werking.
Daarnaast heeft de dienst Logistiek van het KLPD eind 2003 de organisatie van het transport van DNA-monsters (en overige stukken van overtuiging) op een centrale manier georganiseerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een «lijndienst» tussen de regiokorpsen en het Nederlands Forensisch Instituut in Rijswijk.
Met het oog op de verruiming en verbetering van de opsporingsmogelijkheden en de betrokkenheid van de burgers daarbij, wordt gewerkt aan de ontwikkeling van de invoering van een burgernet, een netwerk waarbij burgers en bedrijfsleven kunnen worden ingeschakeld bij de opsporing. Een proef met betrekking tot de oprichting van een burgernet start in het tweede kwartaal 2004.
De pilot met de publiek-private anonieme meldlijn (Meld Misdaad Anoniem) heeft aan de verwachtingen voldaan. De meldlijn is na een succesvol proefjaar (ruim 25 000 meldingen, waarvan 2 500 bruikbaar) landelijk ingevoerd. Vanaf begin 2004 participeren alle korpsen en de verzekeringsbranche actief door middel van de inrichting van een backoffice. De voorziening zal bij blijvend goede resultaten in 2005 structureel worden.
Door het creëren van een wettelijk kader waarin camera's in het publieke domein kunnen worden geplaatst, wordt bijgedragen aan het versterken van de handhaving van de openbare orde. Het wetsvoorstel gemeentelijk cameratoezicht (29 440) is op 23 februari aan de Tweede Kamer aangeboden. De inwerkingtreding is voorzien begin 2005.
Versterking (kwaliteit) opsporing
Op landelijk niveau wordt ingezet op een effectievere opsporing van criminaliteit. Belangrijke projecten zijn hierbij: het oprichten van een nationale recherche, de bovenregionale recherche en het realiseren van een samenhangende kwaliteitsverbetering binnen de opsporing.
Voor het beter bestrijden van de zware criminaliteit is conform planning, per 1 januari 2004 bij het KLPD een nationale recherche opgericht. Daarnaast zijn tevens per 1 januari jl. de bovenregionale rechercheteams operationeel. De ministeriële regeling waarin de instelling van de nationale en bovenregionale recherche wordt geregeld is gepubliceerd1 en per 1 januari 2004 in werking getreden. Op grond van het aantal onderzoeken dat nu loopt en de resultaten die worden geboekt kan geconstateerd worden dat de nieuwe structuur positief effect heeft op de slagkracht. Het jaar 2004 zal gebruikt worden voor de afronding van de personele reorganisatie. Dit heeft echter geen invloed op de inzetbaarheid van en sturing op de verschillende eenheden van de nationale en bovenregionale recherche.
De bovenregionale recherche zal per januari 2005 met een milieucomponent zijn uitgebreid en de bestaande centra voor internationale rechtshulp worden gestructureerd naar model van de bovenregionale recherche. Er wordt verder gewerkt aan de verbetering van de informatiehuishouding.
In 2003 is het functieraster voor alle opsporingsfuncties ontwikkeld, dit wordt in 2004 geïmplementeerd. Een belangrijk doel is om in 2004 verdere samenhang te realiseren in de aanpak van de kwaliteitsverbetering binnen de opsporing. Om dit te bereiken wordt op strategisch niveau een communicatiestructuur ingericht rond het thema kwaliteit opsporing. Vanaf 2004 komen medewerkers van de departementen van BZK en Justitie twee keer per jaar bijeen met leden van de Board Opsporing van de Raad van Hoofdcommissarissen en van het College van Procureurs-generaal. Daarnaast zal met regelmaat overleg worden gevoerd met de individuele portefeuillehouders binnen de politie.
Gelet op de grote hoeveelheid projecten is het noodzakelijk om keuzes te maken en prioriteiten te stellen voor wat betreft de onderwerpen waar de aandacht en energie op worden gericht. Voor 2004 zijn de volgende onderwerpen als prioritair aangewezen:
1. het terugdringen van de administratieve lasten binnen de opsporing; in 2004 wordt een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het identificeren van administratieve lasten op het terrein van de recherche;
2. het versterken van het forensisch technisch onderzoek (FTO); in 2004 wordt in samenhang met de door de Raad van Hoofdcommissarissen te formuleren visie op FTO gestart met een onderzoek waarmee beoogd wordt verbeterpunten voor de toekomst te benoemen;
3. het versterken van het loopbaanbeleid binnen de opsporingskolom.
Naast deze prioriteiten wordt uiteraard verder gegaan met de uitvoering van andere lopende projecten. Voorbeelden hiervan zijn de koppeling van DNA en dactysporen (vingerafdrukken) via een landelijke sporendatabank en het centraal ontsluiten van (wetenschappelijke) kennis via een pilot voor een landelijke deskundigheidsmakelaar.
De effectiviteit en efficiency van het politiewerk zijn gebaat bij één landelijke informatiehuishouding. De aanpak van de realisatie hiervan is beschreven in het Bestek 2001–2005. Momenteel wordt een groot aantal activiteiten op het terrein van ICT, organisatie en regelgeving uitgevoerd. Het uiteindelijke doel is een betere ICT-ondersteuning van de bedrijfsprocessen op het terrein van opsporing, handhaving, hulpverlening en bedrijfsvoering. Een van de speerpunten hierin is het ontwikkelen van één informatiesysteem voor de opsporing dat eind 2004 gereed zal komen en dat in de loop van 2005 bij alle korpsen zal worden geïmplementeerd.
De sturing op de uitvoering en op de betrokken uitvoeringsorganisaties is complex. De realisatie van één informatiehuishouding en één ICT-infrastructuur voor de politie zal hierdoor meer tijd vergen dan de geplande termijn, i.e. de instellingstermijn van de Regieraad ICT Politie (31 december 2005). Op 18 maart jl. is met de Tweede Kamer gesproken over het rapport van de Algemene Rekenkamer over ICT bij de politie. Er is steun voor het beleid om de sturing op ICT te verstevigen.
De minister van BZK heeft onlangs met de korpsbeheerders afspraken gemaakt over de uitvoering van de volgende maatregelen:
• het vergroten van het inzicht in de huidige en toekomstige ICT-kosten van de politiekorpsen. Er komt een plafond waar de ICT-kosten van de korpsen onder moeten blijven. Indicatief wordt dit plafond op 13% van de totale bijdrage gesteld. Dit percentage heeft betrekking op de kosten van zowel de landelijke als de regionale ICT. Er worden eenduidige definities van ICT-kosten opgesteld.
• het actualiseren van het Bestek en het stellen van prioriteiten binnen de financiële kaders en het implementatievermogen van de politiekorpsen. De planning voorziet in afronding van de herijking in de zomer van 2004.
• het verstevigen van de sturing op de uitvoering van het Bestek en de betrokken organisaties. De samenstelling en positie van de Regieraad ICT Politie/Raad van Toezicht wordt gewijzigd. Het bestuur van de vraagorganisatie van de politie is inmiddels gewijzigd en bestaat nu uit de portefeuillehouders van de verschillende bedrijfsprocessen van de politie. Er zal mede op basis van een lopend boekenonderzoek in de zomer van 2004 een besluit genomen worden over de positionering van de aanbodorganisatie.
De minister van BZK zal, indien nodig, de politiekorpsen aanspreken op het opvolgen van de gezamenlijke besluiten op het gebied van ICT.
Zoals aangekondigd in het Veiligheidsprogramma, is een voorstel tot wijziging van de Politiewet 1993 voorbereid om meer structuur aan te brengen in de samenwerking tussen politiekorpsen en daarbij tevens te voorzien in sturings- en interventiemogelijkheden voor de minister van BZK (wetsvoorstel samenwerkingsvoorzieningen politie). Met dit voorstel kan onder meer de bestaande samenwerking op ICT-terrein publiekrechtelijk worden vormgegeven. In het voorstel is bovendien een uitdrukkelijke grondslag voor de minister opgenomen om regels te stellen voor de informatiehuishouding van de politie. De grip van de minister op de ICT-organisatie van de politie wordt aldus versterkt. Het wetsvoorstel is voor spoedadvies aan de Raad van State aangeboden en zal na ontvangst van het advies zo spoedig mogelijk aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
In het Landelijk Kader is afgesproken dat de korpsen in de periode 2003–2006 plannen van aanpak zouden aanleveren waarin maatregelen zijn genoemd om de afgesproken doelmatigheidsverbetering van 5% ten behoeve van het primaire proces van de politie te realiseren. Inmiddels zijn alle plannen van aanpak van de korpsen ontvangen, bestaande uit maatregelen resulterend in een afgesproken doelmatigheidswinst (5% van de korpssterkte ultimo 2002 in de periode 2003–2006. Voor alle korpsen betekent dit een doelmatigheidswinst van in totaal 2 623 fte, uitgaande van het geconsolideerde sterktecijfer 2002, zijnde 52 452 fte). Nagenoeg alle plannen van aanpak zijn inmiddels gevalideerd. De te behalen 5% doelmatigheidswinst is onderbouwd en de maatregelen die de onderbouwing vormen, zijn getoetst en geaccordeerd door een extern bureau. De wijze waarop het proces van nadenken en onderbouwen van doelmatigheidsmaatregelen in de korpsen is doorlopen geeft aan dat de korpsen het behalen van doelmatigheidswinst belangrijk achten.
Het Interdepartementaal beleidsonderzoek naar de administratieve lasten bij de politie heeft geresulteerd in het rapport Minder regels, meer blauw, dat op 28 januari 2004 is verzonden aan de Tweede Kamer.1 Hierin wordt aangegeven welke regelingen moeten worden aangepast of op een andere wijze zouden moeten worden toegepast om meer «blauw»op straat te krijgen. In 2004 zal nog aanvullend onderzoek plaatsvinden naar de weten regelgeving op de deelterreinen «verkeer» en «recherche».
De overdracht van de administratieve toelatingstaken van de vreemdelingendiensten naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst is voor een groot deel gereed. Per 1 april 2003 zijn de machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)-taken van de vreemdelingendiensten van de politie overgegaan naar de IND. Met ingang van 1 september 2003 is de behandeling van alle aanvragen om een verblijfsvergunning regulier overgedragen aan de IND. Met de overdracht per 1 december 2003 van de aanvragen om verlenging van de verblijfsvergunning regulier alsmede de visataken zijn alle backoffice-toelatingstaken van de vreemdelingendiensten overgedragen aan de IND. Wat nog resteerde op het gebied van toelating was de overname van de frontoffice-taken door de gemeenten.
De overdracht van deze taken aan de gemeenten heeft in april 2004 plaatsgevonden. De gemeenten vervullen nu een rol bij het innemen van de aanvraag en het uitreiken van de verblijfsdocumenten. Als gevolg van vorengenoemde operatie komt er extra capaciteit (in totaal 450 fte's) vrij voor het toezicht op (criminele) illegale vreemdelingen, vertrek en terugkeer alsmede migratiecriminaliteit (mensenhandel en mensensmokkel).
Enkele vreemdelingendiensten zijn inmiddels gestart met de nieuwe werkwijze Intensivering Toezicht, andere zullen daar in de loop van 2004 mee beginnen. De wijze waarop en de mate waarin dit toezicht wordt geïntensiveerd, maakt integraal onderdeel uit van het Veiligheidsprogramma en is nader uitgewerkt in de convenanten tussen de korpsbeheerders en BZK alsmede in de dienstverleningsovereenkomsten tussen de politieregio's en de IND.
Door gericht capaciteitsmanagement kan worden bereikt dat capaciteit al naar gelang de omstandigheden (locaties en tijdstippen) optimaal wordt ingezet. Ten aanzien van de Arbeidstijdenwet is geconcludeerd dat vervolgacties voor het optimaliseren van de politie-inzet vooral nodig zijn in de sfeer van kennisverbreding. Er zal bijvoorbeeld een brochure worden uitgegeven. De minister van SZW heeft op 18 december 2003 beleidsvoorstellen tot vereenvoudiging van de Arbeidstijdenwet aan de Tweede Kamer gezonden.2
In het Landelijk Kader Nederlandse Politie is met de korpsbeheerders onder andere afgesproken dat het bestaande stelsel voor prestatiebekostiging zal worden aangepast aan de met de korpsbeheerders te maken prestatieafspraken. De hiervoor te hanteren systematiek wordt thans in overleg met het veld aangepast. Hierbij zal, zoals bij het systeem dat in 2003 (over de resultaten van 2002) is gehanteerd, 75% van het voor de korpsen beschikbare prestatiebudget worden uitgekeerd aan korpsen die de gemaakte afspraken nakomen. De overige 25% wordt uitgekeerd op basis van benchmarking.
Naast het met het veld gezamenlijk vaststellen van de te hanteren systematiek en spelregels, dienen tevens enkele indicatoren nader te worden geoperationaliseerd. Dit betreft de indicatoren voor de tijdige afhandeling van rechtshulpverzoeken, de intensivering van het vreemdelingentoezicht en de kwaliteit van de dienstverlening van het Landelijk Telefoonnummer Politie (LTP). Voor de laatste indicator is dit inmiddels gebeurd.
Om het voetbalvandalisme tegen te gaan is een aantal maatregelen geformuleerd waaronder het actualiseren van het beleidskader, het bezien van sanctiemogelijkheden en het formeren van een onderzoeksteam voor preventieve maatregelen.
Het beleidskader voetbalvandalisme is opgesteld door de ketenpartners en in maart 2003 vastgesteld. Bij de totstandkoming van het beleidskader is gekeken naar eventuele leemtes in de aanpak van het voetbalvandalisme en het openbaar ministerie heeft een nieuwe richtlijn uitgevaardigd voor strafvordering en de aanwijzing bestrijding van voetbalvandalisme1. Op basis van het beleidskader 2003 zijn inmiddels in 21 gemeenten convenanten opgesteld tussen de club, de gemeente, het openbaar ministerie en de politie. In een – overigens te – beperkt aantal gevallen zijn ook de supporters betrokken. Het onderzoeksteam voor preventieve maatregelen, het Auditteam Voetbalvandalisme, is op 13 augustus 2003 door de minister van BZK ingesteld en heeft inmiddels een viertal onderzoeken naar de lokale praktijk met betrekking tot de bestrijding van voetbalvandalisme afgerond. De waarnemingen en aanbevelingen zijn aangeboden aan de betrokkenen op lokaal niveau en de minister van BZK. Op landelijk niveau wordt bezien in hoeverre de waarnemingen en aanbevelingen moeten leiden tot een aanpassing van het beleidskader.
In het Hoofdlijnenakkoord is prioriteit gegeven aan het terugdringen van politie-inzet bij grootschalige evenementen. Hieraan is in het beleidskader nadrukkelijk aandacht besteed. Eén van de instrumenten om de politie-inzet bij grote commerciële evenementen, waaronder voetbalwedstrijden, terug te dringen is het doorberekenen van de politiekosten. Om dit laatste mogelijk te maken is een wetswijziging nodig. In april 2004 is hieromtrent een verkennende notitie aan de Tweede Kamer gezonden. Hierin is aangekondigd dat in de tweede helft van 2004 een wetsvoorstel zal worden ingediend dat het doorberekenen van politiekosten mogelijk zal maken.
Opleidingen/loopbaanbeleid politie en opleidingscapaciteit LSOP
In de vorige rapportage is de Kamer geïnformeerd over het plan van aanpak LSOP. De komende jaren wordt een jaarlijkse instroom van ca. 2 000 aspiranten verwacht. Mede om de continuïteit van het LSOP niet in gevaar te brengen is voor deze kabinetsperiode afgesproken dat de bekostiging van het LSOP vanaf 2004 zal zijn gebaseerd op dit instroomniveau, ongeacht de feitelijke instroom van aspiranten. Daarnaast zijn in een convenant met het LSOP ondermeer afspraken gemaakt over het inrichten van de bedrijfsvoering, op een zekere bandbreedte rond de opleidingscapaciteit van 2 000 aspiranten per jaar, inclusief maximaal 200 vrijwilligers.
Het aantal van 2 000 aspiranten per jaar is voldoende om te voldoen aan de vervangings- en uitbreidingsvraag en de sterktedoelstelling van het huidige kabinet. Door uitvoering te geven aan de motie Van Aartsen met betrekking tot de inzet van Defensiepersoneel voor politietaken zal een dreigende éénmalige dip in de sterkte groei in 2004 worden weggewerkt. De aanvragen van de korpsen om Defensiepersoneel in dienst te nemen hebben inmiddels een aantal van ca. 250 bereikt.
Het neerwaarts moeten bijstellen van de bedrijfsvoering van het LSOP leidt tot saneringskosten. De omvang van deze saneringskosten in meerjarenperspectief wordt thans in kaart gebracht. De uiteindelijke financiële problematiek zal worden opgelost door het LSOP, de korpsen en het ministerie van BZK. De Kamer wordt hierover nader geïnformeerd.
In de verslagperiode zijn diverse initiatieven genomen gericht op de versterking van de rechtsprekende macht en de verdere verbetering van het strafproces.
In het Landelijk Kader Nederlandse Politie hebben wij met de korpsbeheerders afgesproken dat de korpsen er voor zorg dragen dat het aantal misdrijfzaken over het jaar 2006 zal zijn gestegen met 40 000 ten opzichte van het aantal in 2002. De stijgende lijn in het aantal aangeleverde zaken waarover wij in de vorige voortgangsrapportage spraken heeft zich de afgelopen verslagperiode voortgezet. De instroom van misdrijfzaken bij het Openbaar Ministerie (aangebracht door de politieregio's) bedroeg in 2002 circa 214 000. In 2003 is een instroom gerealiseerd van ca. 228 300 zaken. Daarmee is een toename van ruim 14 000 zaken gerealiseerd door de politieregio's. Vooral het aantal zaken terzake van geweld, openbare orde en drugs is toegenomen. Daarnaast blijft ook het aantal ingeschreven verkeersmisdrijfzaken stijgen. De gemiddelde zaakzwaarte is tot nu niet noemenswaardig afgenomen. Tot op heden kan de toename door OM en zittende magistratuur ook adequaat worden verwerkt. De totale uitstroom bij beide bedroeg 277 300 rechtbankzaken tegenover 248 300 in 2002. Bovendien worden steeds minder zaken terzijde gelegd: het aantal onvoorwaardelijke sepots daalde van 28 000 naar 26 400.
Om de groeiende instroom van zaken adequaat te kunnen verwerken wordt, naast de toekenning van extra middelen uit het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord, voorzien in meer afdoeningen door het OM zelf in plaats van door de rechter. Daartoe is het wetsvoorstel OM-afdoening opgesteld. De consultatie over dit wetsvoorstel is afgerond en het is voor advies aan de Raad van State gezonden. Het advies van de Raad wordt in mei verwacht, waarna indiening bij de Tweede Kamer rond de zomer zal plaatsvinden.
Om inzicht te krijgen in het functioneren van het OM en de desbetreffende partners in de executiefase, is in 2003 een audit uitgevoerd naar de executie van taakstraffen. De inzichten die deze audit heeft opgeleverd zullen in 2004 worden verbreed naar het gehele executieproces. De herijking van dit proces, alsmede de organisatie daarvan, zal in nauwe samenhang met het programma «Het OM verandert» worden uitgevoerd en moet leiden tot een versterking van de rol van het OM.
In 2003 is onder leiding van het OM een eerste versie gerealiseerd van een informatiesysteem waarmee op korte termijn knelpunten kunnen worden voorzien in de (behoefte aan) celcapaciteit; het zogenoemde early warning systeem. In 2004 zal het nieuwe systeem worden getest en bestuurlijk worden ingebed.
De maatregelen ter oplossing van knelpunten en het bevorderen van de samenwerking in de strafrechtsketen, waarmee ook uitvoering wordt gegeven aan motie 194 (Dittrich) van 11 juni 2001 betreffende ketensamenwerking1, zijn inmiddels deel gaan uitmaken van een bredere operatie (door middel van een aantal programma's) die moet leiden tot een verbetering van de besturing van Justitie. Die inspanningen zijn gericht op de wijze van sturing en de samenwerking, zowel binnen het departement als tussen het departement en het brede justitieveld.
Eén van deze programma's is het programma ketencoördinatie, dat is gericht op:
– het op alle niveaus beter zichtbaar en hanteerbaar maken van wederzijdse afhankelijkheden in de strafrechtketen, met behulp van een te ontwikkelen cluster van informatie- en procesverbeteringsvoorzieningen;
– het met behulp daarvan versterken van de coördinatie binnen en vanuit de beleidsketen in Den Haag.
Het is mede dankzij de Arrondissementale Justitiële Beraden (AJB's) die inmiddels in alle arrondissementen zijn gevormd, dat al enige tijd op versterking van de regionale samenwerking bij criminaliteitsbestrijding wordt ingespeeld en aangestuurd. De ervaringen met de AJB's wijzen uit dat de toegevoegde waarde groot kan zijn. Tegelijkertijd kan worden vastgesteld dat (soms structurele) belemmeringen bestaan voor een soepele afstemming tussen de schakels in de keten. Daarom is besloten om het proces van regionale samenwerking verder te versterken. Met dat doel is een nieuw programma versterking regionalisering gestart. De doelstellingen van het programma zijn:
a. effectiever optreden van Justitie en politie ter vermindering van lokale criminaliteit en recidive door het bevorderen van de lokale en regionale samenwerking en het wegnemen van de belemmeringen waarvoor de Justitiepartners (daarbij inbegrepen de relatie tussen het ministerie en de hoofdkantoren) zich in hun onderlinge verhoudingen geplaatst zien;
b. bevorderen dat knelpunten die vanuit de regio's worden aangedragen en die in Den Haag moeten worden opgelost, slagvaardig en zo nodig op ad hoc basis worden aangepakt;
c. bevorderen dat parallel daaraan structurele voorzieningen worden gecreëerd die of voorkomen dat dergelijke knelpunten in de toekomst nog ontstaan of mogelijk maken dat dergelijke knelpunten in de toekomst vlot en met reguliere middelen kunnen worden aangepakt.
Versterking rechtsprekende macht
In het kader van het veiligheidsprogramma is uw Kamer mede naar aanleiding van het advies van de Commissie verbetervoorstellen van de Raad voor de rechtspraak een viertal wetsontwerpen toegezonden. Het betreft het wetsvoorstel met betrekking tot de inbeslagneming en doorzoeking door de rechter-commissaris (29 252), het wetsvoorstel houdende wijzigingen in de regelingen van de voorlopige hechtenis (29 253), het wetsvoorstel met betrekking tot het horen van getuigen (29 254) en tenslotte het wetsvoorstel over de bekennende verdachte (29 255). De inwerkingtreding van de wetsvoorstellen is afhankelijk van de verdere parlementaire besluitvorming.
Een van de problemen die eerder zijn gesignaleerd betreft aanhoudingen van zittingen bij de rechtbanken en de Hoven ten gevolge van het te laat brengen van gedetineerde verdachten. Een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de Raad voor de rechtspraak, het OM en het ministerie van Justitie heeft op verzoek van de minister van Justitie geadviseerd over deze problematiek. Met name wordt een ketenbrede aanpak van de problematiek noodzakelijk geacht. De minister van Justitie zal hierover in overleg treden met de betrokken partijen. Afhankelijk van dit overleg zal hij zich beraden op specifieke maatregelen.
Overige verbeteringen strafproces
In het Veiligheidsprogramma is aangegeven dat enkele wettelijke maatregelen worden voorbereid waarmee praktische knelpunten in het strafproces kunnen worden weggenomen. Naar verwachting in de loop van dit voorjaar kan een wetsvoorstel ten aanzien van de herziening van de betekeningvoorschriften aan de Raad van State ter advisering worden gezonden.
Dit voorjaar is Uw Kamer een rapport van de Commissie stroomlijning hoger beroep gezonden. Mede naar aanleiding van dit rapport is de minister van Justitie voornemens binnenkort een wetsvoorstel met een aantal procesrechtelijke aanpassingen ten aanzien van het hoger beroep aan Uw Kamer te doen toekomen.
Ook zijn maatregelen in overleg met de Raad voor de rechtspraak aangekondigd gericht op de verbetering van de efficiency en doelmatigheid van de rechterlijke organisatie. In dit verband is begin 2004 het Besluit betere benutting zittingscapaciteit in het kader van de voorhangprocedure aan Uw Kamer gezonden. Uw Kamer heeft geen aanleiding gezien tot het stellen van vragen. Het Besluit is inmiddels ter advisering aan de Raad van State gezonden. Afhankelijk van het advies van de Raad van State wordt verwacht dat het Besluit medio dit jaar in werking kan treden.
De 18 maatregelen van het project Modernisering sanctietoepassing zijn opgenomen in het Veiligheidsprogramma. Met het project wordt gewerkt aan vernieuwing van de sanctietoepassing, waarbij de volgende doelstellingen worden gehanteerd:
– consequentere bewaring (capaciteit);
– verhoging van de effectiviteit van sanctietoepassing;
– bijdrage aan een beter functionerende strafrechtsketen.
In 2003 is slagvaardig aan sanctiecapaciteit gewerkt, met de volgende resultaten.
De wetsvoorstellen meerpersoonscelgebruik en plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders zijn aangenomen in de Tweede Kamer en eind december 2003 aangeboden aan de Eerste Kamer. De datum van inwerkingtreding van de beide wetsvoorstellen is afhankelijk van de behandeling in de Eerste Kamer. Naar verwachting zullen beide wetswijzigingen medio 2004 van kracht zijn.
Een wijziging van de Penitentiaire maatregel is tot stand gebracht. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden om het dagprogramma en activiteiten in penitentiaire inrichtingen te beperken. De wijziging is op 15 september 2003 in werking getreden. Het wetsvoorstel om deelname aan penitentiaire programma's (met elektronisch toezicht) reeds na 6 maanden detentie mogelijk te maken in plaats van de huidige 12 maanden is op 1 januari 2004 van kracht geworden, evenals de wijzigingen in de Penitentiaire maatregel, die hiervoor nodig waren. Deze maatregel zal zorgen voor een vermindering van de behoefte aan sanctiecapaciteit met 72 intramurale plaatsen op jaarbasis.
Ten opzichte van het meerjarig perspectief in de begroting 2003 is het aantal beschikbare plaatsen toegenomen met 1 500. Hiermee is het gestelde doel volledig gerealiseerd. Daarnaast is het aantal gereserveerde plaatsen voor arrestanten – binnen de beschikbare capaciteit – in de rapportageperiode gestegen van 366 naar 600, deze maatregel is hiermee voltooid. Aan een verdere uitbreiding naar 1 200 plaatsen wordt gewerkt.
Naast het bovenstaande is de uitbreiding van meerpersoonscellen in 2003 goed op gang gekomen. Er zijn ultimo december 2003 373 plaatsen gerealiseerd; 173 meer dan gepland. De eerste fase van de invoering wordt voor de zomer met behulp van onafhankelijk onderzoek geëvalueerd.
In de uitbreiding van de capaciteit voor veelplegers naar 1 000 intra- en extramurale plaatsen is een uitbreiding van de SOV-voorzieningen verdisconteerd. In 2004 zullen 272 plaatsen voor veelplegers in de G4 beschikbaar worden gesteld. Hiervan zijn 48 plaatsen voor SOV bestemd; deze worden gerealiseerd in Den Haag (36 intra- en 12 extramurale plaatsen).
Twee nieuwe uitzetcentra voor illegale vreemdelingen in de nabijheid van de luchthavens Zestienhoven en Schiphol werden opgeleverd. Bij Zestienhoven zijn inmiddels 198 plaatsen operationeel en bij Schiphol 102. In 2003 zijn er aldus 300 plaatsen gerealiseerd.
Naar aanleiding van prognoses 2003–2007 heeft op 12 februari 2004 een afzonderlijk Algemeen Overleg plaatsgevonden over sanctiecapaciteit.
Overzicht intramurale uitbreiding in 2003 zoals hiervoor vermeld:
| 2003 | gerealiseerd ultimo 2003 | |
|---|---|---|
| Meerpersoonscelgebruik | 200 | 373 |
| 2 Uitzetcentra | 200 | 300 |
| Extra beschikbaar | 1028 | 1 500 |
Modernisering sanctietoepassing werkt niet alleen aan uitbreiding van intramurale plaatsen, maar ook aan het stimuleren van extramurale modaliteiten zodat de druk op de intramurale capaciteit afneemt.
Nadat in de zomer van 2003 is besloten geselecteerde zelfmelders door middel van elektronische detentie onder huisarrest te plaatsen en de implementatie was voorbereid, werd in november 2003 de uitvoering ter hand genomen. Hiermee wordt gewerkt aan een behoeftevermindering van gemiddeld 200 plaatsen op jaarbasis.
Tegelijkertijd bleek behoefte te bestaan aan een visie rondom het gebruik van elektronische hulpmiddelen bij de sanctietoepassing. De binnenkort vast te stellen visie zal de basis zijn voor het op te stellen wetsvoorstel Elektronische Detentie.
De maatregel om meer taakstraf met elektronisch toezicht toe te passen in plaats van korte vrijheidsstraffen werd in 2003 voorbereid. Tussen OM en reclassering zijn afspraken gemaakt over de noodzakelijk gebleken promotie van deze maatregel. Deze promotie zal plaatsvinden in de eerste helft van 2004.
De maatregel om 40% van de taakstraffen kaal uit te voeren, dus zonder extra begeleiding door de reclassering, is voltooid.
Aan de reclassering zijn extra middelen toegekend, die het mogelijk maakten om in 2003 31 000 werkstraffen uit te voeren. In 2003 is de volle omvang hiervan niet gerealiseerd, maar in 2004 wordt een toename voorzien naar 34 000 werkstraffen.
Het voornemen een regeling in te stellen om taakstraffen tijdelijk vervroegd te kunnen beëindigen is heroverwogen. Immers, de noodzaak uit capaciteitsoverwegingen bleek te ontbreken: de reclassering beschikt over voldoende projectplaatsen om de instroom van taakstraffen te kunnen verwerken. Ten aanzien van de kosten en efficiency (mogelijke capaciteitswinst binnen reclassering) levert incidenteel versneld ontslag bij taakstraffen ook geen positief effect op, aangezien de kosten voornamelijk te maken hebben met het opstarten van de taakstraf.
Om deze redenen is besloten deze maatregel niet verder uit te voeren.
Over de mogelijkheden om in het gevangeniswezen met gebruikmaking van vormen van privaat-publieke samenwerking te komen tot verbetering van de doelmatigheid werd een onderzoeksrapport uitgebracht. De uitkomsten hiervan zijn betrokken bij de plannen voor de inmiddels in gang gezette transformatie van de DJI-organisatie. Bij verschillende gelegenheden heeft de minister van Justitie de Tweede en Eerste Kamer te kennen gegeven PPS-constructies te willen toelaten die passen binnen zijn verantwoordelijkheid voor het gevangeniswezen. De uitwerking daarvan zal in 2004 verder ter hand worden genomen.
De wijze waarop op het gebied van taakstraffen PPS-constructies kunnen worden geïntroduceerd wordt betrokken bij het ontwikkeltraject van de reclassering dat in 2004 wordt uitgevoerd.
Voor een doelgerichte benadering van personen die binnen het gevangeniswezen verblijven worden twee instrumenten ontwikkeld. De quick scan bij inverzekeringstelling moet informatie gaan opleveren over de wijze waarop efficiënt en effectief met een verdachte c.q. veroordeelde kan worden omgegaan. Het instrument werd eind 2003 ontwikkeld door de reclassering. Begin 2004 is het getest en wordt het gereed gemaakt voor invoering medio 2004.
Teneinde gedetineerden te kunnen selecteren die in aanmerking komen voor interventies die zijn gericht op recidivevermindering is inmiddels volgens planning een diagnose-instrument beschikbaar. Dit instrument wordt gefaseerd ingevoerd. Een uit Engeland overgenomen programma, gericht op het verbeteren van cognitieve vaardigheden van gedetineerden, wordt inmiddels in een aantal proeftuinen toegepast. In dezelfde proeftuinen wordt thans een nieuw samenwerkingsmodel tussen het gevangeniswezen en de reclassering beproefd.
Door aanvaarding van het wetsvoorstel met betrekking tot de penitentiaire programma's (PP's) werden de mogelijkheden verruimd om gedetineerden langs deze weg uit te laten stromen uit detentie.
De huidige vervroegde invrijheidstelling wordt herzien. In het licht van het Hoofdlijnenakkoord, waarin is bepaald dat invrijheidstelling een voorwaardelijk karakter krijgt en van rechtswege vervalt bij hernieuwd delinquent gedrag, wordt er gewerkt aan een wetsvoorstel Voorwaardelijke Invrijheidsstelling.
Hierbij blijft het VI-moment gehandhaafd op tweederde van de straf, naar wens van de Tweede Kamer. De besparing van 768 detentieplaatsen die voorzien was bij invrijheidsstelling op de helft van de straf wordt hierdoor niet behaald. Afhankelijk van de uitwerking van wetgeving zal mogelijk extra vraag naar capaciteit ontstaan als gevolg van herroepingen.
Modernisering en organisatieontwikkeling
In het kader van Modernisering sanctietoepassing is de visie op sanctietoepassing verdiept, waarover de Tweede Kamer voor de zomer een brief van de minister van Justitie tegemoet kan zien. Deze visie op de modernisering van sanctietoepassing biedt tevens richting aan de organisatieveranderingen die zijn ingezet bij de betrokken onderdelen van de keten:
– de effectieve en vroegtijdige selectie in de keten en de toerusting van het Openbaar Ministerie op nieuwe mogelijkheden voor adequate reacties (transacties, elektronische detentie);
– de organisatieverandering van DJI gericht op de implementatie van functionele sanctietoepassing (toespitsing preventieve hechtenis op beschikbaarheid voor de rechtsgang; onderscheid naar kort- en langverblijvenden, naar programma en beveiligingsniveau);
– de veranderingen bij de reclassering (het beleid zoals uiteengezet in de brief van de minister van Justitie van 21 oktober 2003). Over de uitwerking hiervan wordt de Tweede Kamer bij afzonderlijke brief nader geïnformeerd.
De minister van Justitie heeft besloten tot invoering van een inspectie voor de sanctietoepassing. Dit orgaan draagt bij aan een verbetering van het toezicht op penitentiaire inrichtingen en reclasseringsinstellingen, alsmede aan een betere afstemming tussen de verschillende toezichthouders. De toezichthoudende taak die nu nog vervuld wordt door de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming zal worden overgenomen door deze inspectie. Naar verwachting zal de inspectie per 1 januari 2005 operationeel zijn.
De tijdelijke directie Bijzondere Voorzieningen is opgericht en functioneert naar tevredenheid. De directie is ingesteld in maart 2003 en stimuleert vernieuwing in het gevangeniswezen. Gerealiseerd zijn 1 265 plaatsen voor drugskoeriers.
4.4 Preventie en openbaar bestuur
Ook in deze verslagperiode hebben de maatregelen uit het Veiligheidsprogramma voor preventie en openbaar bestuur zich onverkort gericht op de bevordering van een veilige leefomgeving en het versterken van de zichtbare handhaving.
De afspraken met de G30 over veiligheid in het beleidskader van het grotestedenbeleid voor de periode 2005–2009 zijn inmiddels een feit.Op 20 januari 2004 is het Actieplan Veilig Ondernemen1 aan de Tweede Kamer gezonden, waarin voor de periode 2004–2008 tien projecten zijn opgenomen voor het terugdringen van criminaliteit gericht tegen het bedrijfsleven (zie paragraaf 4.5). Nog in mei 2004 wordt het wetsvoorstel bestuurlijke boete naar de Ministerraad verzonden.
Hieronder wordt specifieker ingegaan op de voortgang in de uitvoering van de maatregelen van het veiligheidsprogramma ten aanzien van preventie en openbaar bestuur.
Veiligheid binnen het Grotestedenbeleid
De minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (BVK) heeft in juli 2003 de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over het huidige en toekomstige GSB.1 De aanvullende afspraken voor het jaar 2004 die met de G30 zijn gemaakt in juli-augustus 2003 over o.a. veiligheid zijn inmiddels bij de G30 in uitvoering. De verantwoording over de doelbereiking op de aanvullende afspraken over de convenantsperiode 1999–2004 vindt plaats in juli 2005.
In april 2004 is het beleidskader voor de periode 2005–2009 vastgesteld. De (wederzijdse) afspraken over veiligheid binnen dit beleidskader spitsen zich toe op de aanpak van veelplegers, overlastgevende personen, huiselijk geweld en risicogebieden, waarbij de gemeentelijke rol centraal staat. Voor het formuleren van hun eigen ambities op die doelstellingen hebben de steden tot 1 juli 2004 de tijd. In de periode van 1 juli tot 15 november 2004 overleggen Rijk en stad over de conceptinzet van de desbetreffende stad en vindt de rijkstoets plaats, primair op de ambitieniveaus. In januari 2005 worden de afspraken voor 2005–2009 definitief bekrachtigd in de maatwerkconvenanten. De afspraken zijn echter niet eenzijdig. Ook de inzet van het Rijk is daarbij van belang, zodat gemeenten in staat worden gesteld om hun afspraken na te komen. Een belangrijk onderdeel daarvan is dat het Rijk een één-loket-functie voor gemeenten gaat creëren. Rijk en gemeenten voeren daarbij periodiek overleg met elkaar op ambtelijk en bestuurlijk niveau over de ontwikkeling en uitvoering op het veiligheidsterrein. Daarvoor zullen Rijk en gemeenten gezamenlijk een strategische agenda voor de toekomst opstellen. In die agenda komen de belangrijkste opgaven waar Rijk en gemeenten de komende tijd voor staan aan bod.
Veiligheidsbeleid in overige gemeenten
In eerdere voortgangsrapportages is melding gemaakt van het feit dat er met IPO en VNG gesprekken plaatsvinden over de vorming van een nieuw bestuursakkoord waarin veiligheidsafspraken gemaakt konden worden voor gemeenten en provincies. Op dit moment is daarvoor echter bij de verschillende betrokken partijen geen draagvlak. Dat betekent dat in dit kader afspraken over veiligheid vooralsnog niet aan de orde zijn. Wel zijn en blijven Rijk, VNG en IPO met elkaar in gesprek over de interbestuurlijke verhoudingen. Voor de zomer van 2004 vindt hierover nader overleg plaats. Dat betekent echter niet dat het maken van afspraken met overige gemeenten over veiligheid van de baan is; alternatieven zijn denkbaar en die worden op dit moment nader verkend. Daarnaast wordt momenteel verder bezien hoe de overige gemeenten beter gefaciliteerd kunnen worden, met name voor wat betreft het versterken van het regisserende vermogen van gemeenten. Een onderzoek daartoe komt voor de zomer beschikbaar. De aanbevelingen uit dit onderzoek zullen de opmaat zijn voor de wijze waarop het Rijk de regierol van gemeenten op het terrein van veiligheid zal gaan versterken.
Een goed ontwikkeld lokaal veiligheidsbeleid vergt inzicht in de lokale en regionale (veiligheids)problematiek. Hiertoe is een lokale veiligheidsanalyse essentieel.
Onderdeel van de aanvullende afspraken met de G30 over 2004 is de veiligheidsanalyse. In de GSBIII-periode moeten de steden eveneens een analyse maken van de lokale veiligheidssituatie. De 30 grote steden hebben daarvoor eenmalig geld gekregen voor het jaar 2004 dat besteed kan worden aan procesmaatregelen ter bevordering van de veiligheidssituatie. Hier valt ook het maken van een veiligheidsanalyse onder. Met de overige gemeenten is hierover geen afspraak gemaakt. Wel zijn de overige gemeenten bij brief geattendeerd op en gefaciliteerd bij het maken van een veiligheidsanalyse. Naar aanleiding van het verschenen handboek Kernbeleid Veiligheid biedt de VNG vanaf maart 2004 een cursus integraal veiligheidsbeleid aan ten behoeve van gemeenten waarbij de methode Kernbeleid Veiligheid centraal staat.
Intensivering van handhaving en toezicht
Een groot aantal maatregelen dat beoogt het toezicht en de handhaving op lokaal niveau te versterken is in uitvoering. In paragraaf 4.1 is al ingegaan op de versterking van de politiële mogelijkheden voor toezicht en handhaving. Het wetsvoorstel cameratoezicht op openbare plaatsen is op 23 februari 2004 ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel geeft een wettelijk kader waarin gemeenten met het oog op de handhaving van de openbare orde kunnen besluiten tot plaatsing van camera's in het publieke domein. Daardoor ontstaat voor gemeenten meer zekerheid hoe met dit toezicht moet en kan worden omgegaan, onder meer met betrekking tot het hanteren van het privacyregime.
De invoering van de (uitbreiding van de) identificatieplicht versterkt de mogelijkheden voor andere toezichthouders dan de politie om toezicht te houden en te handhaven. Daarnaast is aangegeven dat waar mogelijk een wezenlijk deel van de criminaliteitsbestrijding door buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA's), onder regie van de politie, ter hand zal worden genomen. Naast de reguliere politie zijn ook zij actief bij de opsporing van strafbare feiten. De BOA's zijn belast met specifieke taken waarvoor aan hen op maat gesneden bevoegdheden zijn toegekend. Zij vormen daarmee een aanvulling op de (opsporings-)capaciteit van de politie. Door middel van een evaluatie is onderzocht of de doelstellingen die ten grondslag lagen aan de invoering van de BOA-regeling zijn bereikt. Vastgesteld is dat de BOA-regeling als zodanig goed functioneert. Ten aanzien van de bevoegdheden van een aantal categorieën BOA's is geconstateerd dat deze niet geheel toereikend zijn. In het Veiligheidsprogramma is daarom aangegeven dat de bevoegdheden van deze categorieën BOA's op een aantal punten zullen worden uitgebreid. Inmiddels is deze uitbreiding zo goed als voltooid.
Voorts wordt de mogelijkheid gecreëerd voor gemeenten om particuliere functionarissen in te huren voor het uitvoeren van BOA-taken op het terrein van de kleine ergernissen. Hiertoe zullen deze functionarissen kunnen beschikken over een beperkte buitengewone opsporingsbevoegdheid. De Tweede Kamer wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
De punitieve handhaving door het bestuur met bestuurlijke boete voor overtreding van APV-normen wordt mogelijk gemaakt. Het wetsvoorstel bestuurlijke boete wordt thans voorbereid en naar verwachting in mei 2004 ingediend bij de Ministerraad en vervolgens voor advies naar de Raad van State gezonden. Afhankelijk van de parlementaire behandeling is inwerkingtreding voorzien medio 2005. Tegelijkertijd met dit traject loopt de invoering van bestuurlijke handhaving van het wetsvoorstel voor fout parkeren. De inkomsten van de invoering van de bestuurlijke boete komen ten goede aan de verbetering van de bestuurlijke handhaving op lokaal niveau.
Ook zijn alle kennis, instrumenten en praktijkvoorbeelden ten aanzien van de een-loket-benadering verzameld op www.elo.nl (kenniscentrum elektronische overheid). Gemeenten kunnen daar alle informatie halen over integrale vergunningverlening en integrale handhaving en toezicht, het toepassen van de een-loket-gedachte voor de afgifte van gemeentelijke vergunningen aan openbare inrichtingen. Het programma Andere Overheid heeft daarnaast in haar acties het verbeteren van de dienstverlening als een van de centrale thema's opgenomen.
Sociale veiligheid in het openbaar vervoer
Op 16 oktober 2002 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat het Aanvalsplan Sociale Veiligheid Openbaar Vervoer aan de Tweede Kamer gezonden.1 In de voortgangsrapportage van oktober 2003 bent u geïnformeerd over de voortgang van het Aanvalsplan.2
In april 2004 is het Nationaal veiligheidsarrangement (NVA) tot stand gekomen en is tevens de handreiking lokaal veiligheidsarrangement (LVA) beschikbaar gekomen. In het NVA zijn de afspraken tussen alle betrokken partijen bij de veiligheid in het openbaar vervoer op landelijk niveau voor de periode 2004–2008 neergelegd.
De handreiking LVA is geschreven voor partijen die op lokaal niveau de veiligheid in een OV-gebied willen vergroten of in stand willen houden. Het kan echter ook gaan om een bepaalde probleemlijn (bv. de Flevolijn) die door meerdere gemeenten heengaat. Het te sluiten arrangement zal dan een regionaal karakter in plaats van een lokaal karakter hebben.
De arrangementen vormen een uitwerking van de afspraken die gemaakt zijn in het NVA.
Het KLPD, dienst Spoorwegpolitie, beschikt vanaf januari 2004 over vier VVC- (Veel Voorkomende Criminaliteit) teams/operationele entiteiten, die ieder afzonderlijk of in een samengestelde actie garant staan voor een adequate reactie op de bestrijding van criminaliteit en agressie binnen het spoorwegdomein.
Het experiment met elektronische aangifte op station(s) wordt gekoppeld aan de maatregel landelijk pakket aangiftevoorzieningen uit het Veiligheidsprogramma.
De Regieraad ICT Politie en de politiekorpsen voeren deze maatregel op dit moment uit. Het streven is om de landelijke uitrol van elektronische aangifte voor het eind van het jaar af te ronden. Het voornemen van de spoorwegpolitie is om op politieposten van de spoorwegpolitie een internetomgeving voor aangiften te creëren. De Dienst Spoorwegpolitie KLPD zal in 2004 twee of meer pilots met elektronische aangifte op stations doen.
Beleid coffeeshops / huisteelt nederwiet
Op 22 april jl. is de interdepartementale beleidsbrief cannabis naar de Kamer gestuurd. Met deze beleidsbrief wordt onder meer uitwerking gegeven aan de in het Veiligheidsprogramma opgenomen voornemens om het beleid ten aanzien van coffeeshops en de huisteelt van nederwiet aan te scherpen. In dit kader wordt met gemeenten overlegd over gemeentelijke beleidsplannen, handhavingsarrangementen en prestatieafspraken om de handhaving van het coffeeshopbeleid aan te scherpen. Toepassing van BIBOB, handhaving van de AHOJG-criteria, hanteren van een afstandsbepaling van coffeeshops tot scholen en – waar van toepassing – de grens en intensivering van en knelpunten in de toepassing van artikel 13b Opiumwet en artikel 174a Gemeentewet zijn speerpunten van dit overleg. Ten aanzien van de aanpak van de teelt van nederwiet staat het kabinet een tweesporenbeleid voor van bestuurlijke en strafrechtelijke handhaving. Met een gecoördineerde en geïntegreerde samenwerking tussen de verschillende diensten en instanties (gemeenten, politie, justitie, woningcorporaties, belastingdienst etc.) waarbij informatie wordt uitgewisseld en sanctiemogelijkheden worden gecombineerd, zal de thuisteelt van hennep zo effectief mogelijk bestreden worden. Ter ondersteuning van deze aanpak zal het projectbureau Handhaven op Niveau nog dit jaar«best practices» (bruikbare, innovatieve methoden) opstellen voor het bestrijden van hennepteelt. Verder wordt ingezet op de aanpak van bij grootschalige hennepteelt betrokken criminele organisaties en growshops en zal de strafmaat voor grootschalige hennepteelt verhoogd worden naar tenminste 5 jaar.
In de beleidsbrief cannabis wordt verder nog aandacht besteed aan ontmoediging van cannabisgebruik en het terugdringen van drugstoerisme.
Naar aanleiding van de bezuinigingen op het centrale Jib-budget en in reactie op de motie Griffith is op 19 december 2003 een beleidsbrief naar de Kamer gestuurd, waarin een overgang van Jib-oude stijl naar Jib-nieuwe stijl wordt beschreven. Voor de bestaande Jib-bureaus geldt een financiële overgangsregeling tot en met 2006. De bestaande bureaus zullen, indien men op lokaal niveau overtuigd is van de gekozen aanpak en opzet en dat wil continueren, daarna verder vanuit lokale middelen gefinancierd moeten worden.
Onder Jib-nieuwe stijl, dat vanaf 2005 in gang wordt gezet, is het voor arrondissementen mogelijk om een verzoek tot tijdelijke medefinanciering in te dienen voor breed samengestelde veiligheidssamenwerkingsverbanden, waarvan Justitie deel uitmaakt. Zo'n samenwerkingsverband kan ingezet worden voor een specifiek (probleem)gebied of voor een specifieke probleem-aanpak. Er dient daarbij sprake te zijn van cofinanciering.
Uit een overzicht van de toekomstplannen van de bestaande Jib-bureaus, dat op 14 april 2004 aan de Kamer is gezonden, blijkt dat (ook al zijn er in een aantal gevallen nog geen concrete toekomstplannen, met name bij de bureaus waarvan de termijn in 2005 of later afloopt zijn de plannen nog onderwerp van intern overleg) de meeste bureaus hun activiteiten willen voortzetten. De vorm waarin verschilt, maar de Jib-methodiek blijft gehandhaafd. De Jib-wijkbureaus die willen doorgaan gaan daarbij hun werkgebied uitbreiden, in een aantal gevallen tot een Jib-stadskantoor. De aanpak van de lokale problematiek blijft bij deze Jibs echter uitgangspunt.
In november 2003 is het Voortgangsbericht over de aanpak van huiselijk geweld aan de Tweede Kamer gezonden en breed verspreid onder gemeenten en landelijke instellingen. Het plan dat Transact, Forum en een aantal allochtonenorganisaties hebben opgesteld ten aanzien van huiselijk geweld in allochtone kring is opgesteld en inmiddels in uitvoering. In november 2003 is advies gevraagd aan een aantal raden en colleges over de uithuisplaatsing van plegers van huiselijk geweld. Het kabinetsstandpunt zal in juni 2004 aan de Tweede Kamer worden gezonden.
4.5 Publiek-private samenwerking
Publiek-private aanpak van criminaliteit
Onder de paraplu van het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing is in 2003 het Actieplan Veilig Ondernemen tot stand gekomen (publicatie op 20 januari 2004). Hierin zijn voor de periode 2004–2008 tien projecten opgenomen voor het terugdringen van criminaliteit gericht tegen het bedrijfsleven. Overheid en bedrijfsleven streven hiermee samen naar een reductie van de criminaliteit tegen het bedrijfsleven met minimaal 20% in 2008. Het Actieplan omvat enerzijds al lopende projecten zoals de Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan, het Keurmerk Veilig Ondernemen en de beveiliging van diefstalgevoelige producten. Anderzijds richt het Actieplan zich op nieuwe aandachtsgebieden zoals de transport- en de uitgaanssector en de aanpak van urgente bedrijvenlocaties (zie paragraaf 3.3). Vanaf de volgende voortgangsrapportage (oktober a.s.) zal afzonderlijk over de voortgang van alle tien projecten worden gerapporteerd.
Zoals in de tweede voortgangsrapportage al werd vermeld hebben de rijksoverheid en de detailhandel in januari 2003 20 afspraken gemaakt om de winkelcriminaliteit terug te dringen. Van deze afspraken zijn de volgende in 2003 gerealiseerd:
– de aanstelling van een landelijk overvalcoördinator;
– de ontwikkeling en verspreiding van branchegericht voorlichtingsmateriaal inzake overvallen, geweld en agressie, en trainingen voor het winkelpersoneel;
– de start van tien projecten Keurmerk Veilig Ondernemen;
– de oprichting van 3 nieuwe Regionale Platforms Criminaliteitsbeheersing;
– een inventarisatie van (onorthodoxe) projecten winkelcriminaliteit in Nederland;
– een analyse van (juridische) belemmeringen voor winkelcriminaliteit;
– afspraken met de G30 over de aanpak van veelplegers;
– invoering door alle regiokorpsen van het SDU-aangifteformulier, voor winkeldiefstallen met een bekende verdachte.
De nog niet gerealiseerde afspraken zijn ondergebracht in het Actieplan Veilig Ondernemen en worden naar verwachting in 2004 afgerond.
Zoals in de tweede voortgangsrapportage al werd vermeld, heeft in april 2003 een Commissie Veiligheid Juweliersbranche een rapport opgeleverd met 15 aanbevelingen gericht op het terugdringen van de vele overvallen op juweliers. De meeste daarvan zijn ondertussen gerealiseerd, en met succes. Het aantal overvallen op juweliers daalde van 75 in 2002 naar 40 in 2003.1 De nog niet gerealiseerde afspraken zijn ondergebracht in het Actieplan Veilig Ondernemen en worden naar verwachting eind 2005 afgerond.
Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid
Om kennis en expertise te bundelen, preventieve strategieën te ontwikkelen en brede toepassing van preventieve maatregelen te bevorderen, is in het Veiligheidsprogramma de oprichting van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) aangekondigd. Het CCV bevordert, ondersteunt en stimuleert samenwerkingsprojecten en genereert en draagt informatie, kennis en ervaring over naar actoren in het veld. De departementen en andere opdrachtgevers (medeoverheden en bedrijfsleven) blijven beleidsmatig verantwoordelijk. Evenzeer blijven de regionale en lokale partners verantwoordelijk voor beleid en uitvoering. Het CCV neemt een positie in tussen de beleidsontwikkeling en de uitvoering en draagt zorg voor die uitvoering.
Het centrum gaat in juni 2004 van start door middel van een groeimodel. Taken die bij de start in het CCV zullen worden opgenomen zijn o.a. het bevorderen van de toepassing van het Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO) en de Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan (KVU), het informatiepunt Lokale Veiligheid (ILV) en het Steun- en Informatiepunt Drugs en Veiligheid (SIDV).
Over de oprichting van de Stichting CCV zijn de Eerste en de Tweede Kamer geïnformeerd bij brief van de ministers van Justitie en BZK van 29 maart jl.1
Het aantal Regionale Platforms Criminaliteitsbeheersing steeg in 2003 met 3 naar een totaal van 13. De RPC's zijn in principe autonome regionale organisaties zonder enige formele band met de betrokken departementen en het NPC. Het CCV zal na oprichting een actieve rol spelen bij de informatievoorziening richting RPC's.
Het doel van Politiekeurmerk Veilig Wonen (PKVW) is door een zorgvuldig ontwerp en beheer van de bebouwde omgeving de kans op woninginbraken zoveel mogelijk te verkleinen. Daarbij wil het keurmerk bijdragen aan een verbetering van de sociale veiligheid in de semi-openbare ruimten en de directe woonomgeving. Voor het beheer van de Regeling PKVW is tot 2005 het Beheerinstituut-PKVW verantwoordelijk. Doel is om vanaf 1 januari 2005 veel taken van het huidige Beheerinstituut onder te brengen bij het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en de overige taken door marktpartijen te laten uitvoeren. In 2003 en begin 2004 zijn hiertoe de eerste voorbereidingen getroffen, waarbij de borging van de succesvolle formule PKVW voorop staat (de kans op een inbraak daalt met 95% als een woning PKVW-gecertificeerd is). Ook is in 2003 een extern onderzoek uitgevoerd naar de realisatie van de gestelde doelen en het schetsen van een toekomstvisie.
Kwaliteitsmeter veilig uitgaan
De horecabranche heeft te maken met allerlei incidenten (geweld op straat, vernielingen, overlast) die een grote impact hebben op het veiligheidsgevoel. Daarop inspelend is in 2003 de Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan (KVU) ontwikkeld. De KVU is een methode die de gezamenlijke inspanningen op het gebied van veiligheid in een uitgaansgebied structureert – zoals het toezicht, de openingstijden, het schenkbeleid en de inzet bij calamiteiten. In 2004 wordt gestreefd naar de realisatie van de start van 10 KVU-projecten. Daarvoor is subsidie beschikbaar.
Overheid en bedrijfsleven spannen zich in voor het breed invoeren van het Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO). Hiermee wordt geïnvesteerd in het tegengaan van bijvoorbeeld diefstal, inbraak en vernielingen door de totstandkoming van een krachtig lokaal samenwerkingsverband van ondernemers, gemeente, politie en anderen. Deze stellen met behulp van een risicobeoordelingssysteem een actieplan op met daarin vrijwillige maar niet vrijblijvende doelen en inspanningsverplichtingen. Als deze zijn behaald, wordt het KVO-certificaat (voor bedrijventerreinen) of de Keurmerkster (voor winkelgebieden) uitgereikt. Ter ondersteuning zijn in 2003 handboeken ontwikkeld voor winkelgebieden en voor bedrijventerreinen, zowel voor bestaande bouw als voor nieuwbouw. Tevens zijn de (juridische) belemmeringen geïnventariseerd voor het treffen van preventieve maatregelen. Hieruit blijkt dat voor veel veronderstelde belemmeringen oplossingen kunnen worden gevonden, mits daarover wordt overlegd met de betreffende autoriteiten (gemeenten, politie en justitie).
Het afgelopen jaar zijn de eerste 18 projecten, ondersteund met subsidie vanuit het ministerie van Justitie, van start gegaan. De publiek-private samenwerking waarop het Keurmerk steunt is het afgelopen jaar onderzocht. Gekeken is naar de kansen en de risico's bij de samenwerking. Het rapport «Kleine Stappen Vooruit», Evaluatie van de invoering van het Keurmerk Veilig Ondernemen» (november 2003) geeft een beschrijving van ervaringen tijdens de invoering en aanbevelingen die kunnen helpen bij een effectieve samenwerking.
VOORTGANGSRAPPORTAGE
Mei 2004
Toelichting op Bijlage I overzicht van de maatregelen en prestaties
1. De nummering en clustering van de maatregelen volgt de indeling van de Voortgangsrapportage, de paragrafen 1 tot en met 4
2. De voortgangsrapportage (hoofdtekst) is thans voorzien van een aparte subparagraaf 4.5 betreffende specifieke maatregelen die gericht zijn op publiek-private samenwerking. Het overzicht in de onderhavige bijlage is dienovereenkomstig aangepast. De toevoeging van paragraaf 4.5 Publiek-private samenwerking maakte het noodzakelijk om maatregel 147 Tweede Kamer informeren over ontwikkelingen in criminaliteitspreventie te vernummeren tot 143a om de aansluiting te behouden met de overige maatregelen in paragraaf 4.4 Preventie en openbaar bestuur. In de nieuwe paragraaf 4.5 zal overigens in het vervolgtraject ook gerapporteerd worden over de afzonderlijke actiepunten uit het in januari 2004 verschenen Actieplan «Veilig Ondernemen».
3. Aan het overzicht zijn de maatregelen 8a Plan van aanpak jeugdige veelplegers en 29a Versterken aanbod opvoedingsondersteuning op lokaal niveau toegevoegd.
4. Uit het overzicht zijn thans weggelaten de maatregelen met de nrs. 1, 2, 11, 17, 18, 19, 24, 51, 53, 56, 57, 66, 67, 80, 129 en 139, omdat deze vervallen, vernummerd, of opgenomen zijn in de uitwerking en uitvoering van andere maatregelen.
5. De betekenis van de gebruikte symbolen in kolom stand van zaken is als volgt:
✓ Voltooid
← In uitvoering en volgens planning
⧫ Nog niet in uitvoering
□ In consultatie/bespreking met het veld
– Niet van toepassing/niet relevant/nu niet mogelijk
Paragraaf 2 Algehele voortgang programma
| VP-nummer | Maatregel Doelstelling | Streefdatum realisatie doelstelling | Te verrichten activiteiten/te leveren prestaties en tijdsplanning | Stand per 1-7-2003 | Stand per 1-1-2004 | Toelichting op stand 1-1-2004 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 3. | Afspraken per ketenpartner (i.c. OM) Maken van afspraken met OM in samenhang met afspraken politie | Jaarlijks en doorlopend | 1. bepalen van concrete afspraken en vastellegging in meerjaren beleidsplan, prioriteitenbrief en jaarplan 2. Monitoren van voortgang in het kader van planningn en controlcyclus | 1. ✓2. ✓(door lopend) | 1. ✓2. ✓ (door lopend) | |
| 4. | Inrichting permanente structuur van horizontale inhoudelijke informatie-voorziening voor de gehele strafrechtsketen Verbetering van de informatievoorziening over de gehele strafrechtsketen en tussen de ketenpartners onderling | start 2003 | 3. de ontwikkeling van een informatiebeleid voor de strafrechtsketen; 4. Instelling Informatie Regieraad Justitie: juni 2003 5. de invoering van een inhoudelijk informatiesysteem voor de strafrechtsketen waardoor een goed lopend systeem van inhoudelijke informatievoorziening over het criminaliteitsbeeld en de keten wordt gecreëerd. 6. De totstandbrenging van een permanent steunpunt waar de informatievoorziening ten behoeve van de regie over de keten als geheel onderhouden wordt. | 1. ←2. ✓3. ←4. ← | 1. ←2. ✓3. ←4. ← | |
| 5. | Aansluiting alle actoren strafrechtsketen op VerwijsIndexPersonen (VIP) Verbetering c.q. optimalisering van de operationele samenwerking tussen de ketenpartners | 2005 | 1. Opstellen ontwerp-advies met betrekking tot strategische vraagstukken rond VIP, het ontwerp-VIP-jaarplan en VIP-begroting 2003 tbv pSG MvJ (07-2003) 2. bespreking en besluitvorming met betrekking tot strategische vraagstukken rond VIP, het ontwerp-VIP-jaarplan en VIP-begroting 2003 tbv pSG MvJ (09-2003) 3. Bespreking en besluitvorming definitief conceptadvies met betrekking tot strategische vraagstukken rond VIP, ontwerp VIP-jaarplan en VIP-begroting 2003 tbv pSG MvJ (2003) 4. implementatie ketenbreed (w.o. instellen vooronderzoeken (2004–2005) | 1. ⧫2. ←3. ←4. □ | 1. ✓2. ✓3. ←4. □ | 2. advies over prioritering aansluitingen op VIP in september 2003 gereedgekomen advies over prioritering aansluitingen op VIP in september 2003 gereedgekomen 3. advies voor de eerste keer behandeld in vergadering van Regieraad Informatievoorziening Justitie van november 2003; opnieuw geagendeerd voor januari 2004 4. Implementatie ketenbreed (w.o. instellen vooronderzoeken); Jaarplan VIP 2004 bevat al voornemens om een aantal aansluitingen te realiseren dan wel vooronderzoeken in te stellen |
| 6. | Formeren brede stuurgroep met vertegenwoordigers van ketenorganisaties Inbreng en borging van kennis en deskundigheid vanuit het veld voor de implementatie van de maatregelen | 31-12-2002 | ✓ | ✓ | ||
| 7. | Ontwikkelen en uitvoeren van systeem van monitoring en evaluatie Een monitor en evaluatiesysteem i.o.m. regeling Grote Projecten en VBTB-systematiek dat: 1. waarborgt dat de maatregelen binnen daarvoor gestelde kaders worden gerealiseerd 2. het met het VP beoogde beleidseffect en de ontwikkelingen daarbinnen zichtbaar maakt 3 en volledig, betrouwbaar en tijdig informatie verschaft om de uitvoering van het programma adequaat te kunnen sturen en hierover verantwoording af te leggen. | 2003 en jaarlijks | 1. Vorm en inhoud gegeven aan informatievoorziening (proces en procedurebeschrijving, aard, beschikbaarheid en kwaliteit van de monitorgegevens, voorschriften en richtlijnen etc.) 2 Opstellen van in overleg met het veld landelijke afrekenbare outcome doelstellingen met basis en streefwaarden 3 De mogelijkheden bezien voor inrichting van een landelijke veiligheidsmonitor, een gewogen landelijke veiligheidsindex en lokale veiligheidsindices 4. Opstellen van voortgangsrapportages tbv de Staten-Generaal. | 1. ✓/© 2. ✓/← 3. ←4. ← | 1. ✓2. ✓3. ←/⧫ 4. ← | 3. Naar aanleiding van bezuinigingstaakstelling bij CBS: overleg over waarborging continuiteit gevensvoorziening mbt POLS; verkennende gesprekken mogelijkheden integratie CBS-POLS en PMB. MBI-traject: inventarisatie informatiebehoefte; dreigende vertraging MBI-2004 agv strenge eisen aan onzekerheidsmarges, methodologische consequenties (grote steekproef) en Europese aanbestedingstraject, extra ingelaste review statistisch adviesbureau etc.. |
| VP-nummer | Maatregel Doelstelling | Streefdatum realisatie doelstelling | Te verrichten activiteiten/te leveren prestaties en tijdsplanning | Stand per 1-7-2003 | Stand per 1-1-2004 | Toelichting op stand 1-1-2004 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 8. | Veelplegers Eindresultaat Effectiviteit sanctietoepassing is toegenomen, overlast van veelplegers is afgenomen; vermindering wordt bereikt Nulwaarde en streefwaarde: zie bij maatregel 114 | 2007 | 1. Beleidsbrief naar de Tweede Kamer, (01-05-2003) 2. Plan van aanpak 3. Implementatie start nog in 2003 | 1. ✓2. ←3. □ | 1. ✓2. ✓3. ← | 2. In december 2003 is plan van aanpak gereed gekomen |
| 8a | Plan van aanpak jeugdige veelplegers Leveren van een substantiele bijdrage aan het terugdringen van het aandeel jeugdige veelplegers in de totale jeugdcriminaliteit Nul- en streefwaarde: worden vastgesteld bij de ontwikkeling van de monitor veelplegersbeleid | 31-12-2006 | 1. Opstellen plan van aanpak project jeugdige veelplegers 2. ex ante evaluatie van het volledige veelplegersbeleid (31-12-2004) 3. facilitering G-30 tbv uitvoering veelplegersbeleid (31-12-2005) 4. monitoring veelplegersbeleid (31-12-2006) | 1. ✓2. ←3. ←4. ← | 2. Vooruitlopend op resultaten evaluatie wordt al wel gestart met het op onderdelen uitvoeren van het plan van aanpak |
| VP-nummer | Maatregel Doelstelling | Streefdatum realisatie doelstelling | Te verrichten activiteiten/te leveren prestaties en tijdsplanning | Stand per 1-7-2003 | Stand per 1-1-2004 | Toelichting op stand 1-1-2004 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 9. | Invoeren criminaliteitskaart Versterken van de informatie per politieregio over de jeugdcriminaliteit ten behoeve van een effectieve aanpak. Nulwaarde het aantal criminaliteitskaarten dat door politiekorpsen is opgesteld. 01-2003: 0 regionale korpsen Streefwaarde 01-2004: 15–20 regionale korpsen Streefwaarde 05-2004: 25 regionale korpsen | 01-05-2004 | Landelijke invoering criminaliteitskaart (01-05-2004) | ← | ← | • Opleveren kerndeel betreffende informatie uit grafieken en statistieken (CBA-J) heeft plaatsgevonden • Uitrol van nieuwe versie GIDS over de regionale korpsen met daarin de jeugdkubus tbv van CBA-J is gaande • In november 2003 is voor de korpsen een opleiding verzorgd voor het gebruiken van de criminaliteitskaart |
| 10. | Naar effectieve aanpak van jeugdige veelplegers Brede toepassing van effectieve aanpakken waardoor bedoelde jongeren en jeugdgroepen gerichter kunnen worden aangepakt en er landelijk meer uniform beleid ontstaat. | 2006 | 1. Uitvoering effectiviteittoets (nieuw 01-07-2004) 2. Databank effectieve werkwijzen (31-12-2006) | 1. ←2. □ | 1. ⧫2. □ | 1. er is enige vertraging opgelopen. Rapport van inventarisatie onderzoek wordt thans verwacht op of omstreeks 1 juli 2004 (was ultimo 2003) 2. Vertraging in activiteit 1 leidt niet tot vertraging in het realiseren van de databank. |
| 12. | Registratie doorverwijzingen naar jeugdzorg Inzicht verkrijgen in het aantal doorverwijzingen na politiecontact naar het Bureau Jeugdzorg door rapportage vanuit politie | 2004 | 1. Onderzoeken of de informatie is te betrekken uit bestaande registraties (01-09-2003) 2. Nemen van maatregelen om periodiek over de maatregelen te beschikken (01-09-2004) | 1. □2. □ | 1. ✓2. ← | 1. Conclusie onderzoek: doorverwijzingen kan nog niet in politiesystemen worden geregistreerd2. Oorspronkelijk opgenomen planningsdatum van 1-10-2003 is niet juist; dit moet zijn 1-9-2004 |
| 13. | Uitvoeren van vervolgonderzoek Inspectie Openbare Orde en Veiligheid Een antwoord geven op de vraag in hoeverre er sprake is van een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de politiële jeugdtaak. | 2004 | Onderzoeksrapportage van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (nieuw: 29-02-2004) | 1. ← | 1. ⧫ | Rapport is in februari 2004 ipv in januari 2004 opgeleverd en is vervolgens op 7 april 2004 aangeboden aan de Tweede Kamer. |
| 14. | Verbeteren inzicht etnische herkomst daders Het beschikbaar krijgen van betrouwbare cijfers over de herkomst van jeugdige daders door een koppeling tot stand te brengen tussen politiesystemen en GBA voor het kunnen voeren van specifiek beleid. Nulwaarde en streefwaarde: PM | 04-2004 | 1. Onderzoeken van de beste manier om inzicht te verkrijgen in de herkomst van jeugdige daders met de Nederlandse nationaliteit door koppeling van dadergegevens aan gegevens over herkomst ouders (01-04-2003) 2. Verkrijgen van advies van College Bescherming Persoonsgegevens (01-06-2003) 3. Maken van werkafspraken met CBS, Politie, WODC en BZK (01-10-2003) 4. Produceren van de gewenste gegevens door geanonimiseerde koppeling tussen de gegevens van de politie en GBA (nieuw 01-07-2004) | 1. ✓2. ✓3. ←4. □ | 1. ✓2. ✓3. ✓4. ⧫ | 4. Oplevering van gegevensrapport is met ca. drie maanden vertraagd tot 1-7-2004 |
| 15. | Landelijke invoering van casusoverleg met heldere verantwoordelijkheidsdeling voor individuele casusregie en de bewaking van het proces Een betere samenwerking in de jeugdstrafrechtsketen gericht op afstemming van de werkprocessen van ketenpartners en gericht op kwaliteitsverbetering van de (samenhang in) strafafdoening en hulpverlening. Nulwaarde: enkele arrondissementen met casusoverleg per 1-2003 die voldoen aan de minimaal gestelde inrichtingseisen Streefwaarde: 19 arrondissementen waarvan het casusoverleg voldoet aan de minimaal gestelde inrichtingseisen en waarin maximaal 30 000 jongeren worden besproken. | 2006 | 1. Het casusoverleg is in de eerste helft van 2003 operationeel in alle arrondissementen conform de notitie Casusoverleg (01-07-2003) 2. Het Landelijk Overdrachtsformulier is landelijk beschikbaar en ingevoerd (01-07-2003) 3. De werkprocessen van casusoverleg, casusregie en procesbewaking zijn beschreven, op elkaar afgestemd en vastgesteld. (Toegevoegd:) Zie ook maatregel 20, onder activiteit 1. (nieuw: 01-07-2004) 4. Uitvoeren van nulmeting betreffende de stand van het casusoverleg 01-07-2003) 5. Uitvoeren quickscan betreffende de stand van het casusoverleg (01-03-2004) 6. Uitvoeren evaluatie van het casusoverleg (01-12-2004) 7. Zonodig nemen van maatregelen naar aanleiding van activiteiten 4, 5 en 6 (PM) 8. Bespreking van maximaal 30 000 jongeren eind 2006 in het casusoverleg (31-12-2006) | 1. ✓2. ✓3. ←4. ←5. □6. □7. □8. □ | 1. ✓2. ✓3. ⧫4. ✓5. ←6. □7. □8. □ | 3. Concept-modelproces jeugdstrafrechtsketen is opgesteld door OM en wordt in de eerste helft 2004 intern besproken en met ketenpartners. Afstemming vergt meer tijd dan gepland. Realisatie van activiteit was aanvankelijk gesteld op 1-1-2004.) 5. Oorspronkelijk vermelde plandatum was niet juist. Dit moet zijn 1-3-2004 |
| 16. | Verkorten doorlooptijden jeugdstrafrechtketen Verder terugdringen van de doorlooptijden in de jeugdstrafrechtketen naar de geformuleerde streefnormen (Kalsbeek-normen) en handhaven van de doorlooptijden op dat niveau. Nulwaarde 01-2001: Ontvangst pv bij parket 1 maand na 1e verhoor: 43% Beoordeling OM binnen 3 maanden na 1e verhoor: 33% Vonnis door rechters binnen 6 maanden na 1e verhoor: 38% Haltverwijzing door politie binnen 5 dagen na 1e verhoor 23% Start Haltwerkzaamheden binnen 2 maanden na 1e verhoor: 50% Streefwaarde 2006: duurzaam voldoen aan de Kalsbeektijdslimiet door percentages te brengen naar minimaal 80% | 2006 | 1. Opzetten meet- en monitorsysteem 2. Voortzetting van het monitoren van de doorlooptijden (tweemaandelijks) 3. Voorzetting van de visitaties van de ketenpartners en van de APJ's door de deelprojectleiders per ketenpartner (per halfjaar) 4. Op basis van eindrapportage van het project doorlooptijden bezien of en zoja welke extra maatregelen nodig zijn 01-(09-2003) 5. Duurzaam voldoen aan de normen (31-12-2006) | 1. ✓2. ←3. ←4. □5. □ | 1. ✓2. ←3. ←4. ✓5. ← | 2. Stand van zaken per 1-1-2004: Ontvangst pv bij parket 1 maand na 1e verhoor: 64% Beoordeling OM binnen 3 maanden na 1e verhoor: 72% Vonnis door rechters binnen 6 maanden na 1e verhoor: 50% Haltverwijzing door politie binnen 5 dagen na 1e verhoor: 31% Start Haltwerkzaamheden binnen 2 maanden na 1e verhoor: 61% 3. Volgende visitatieronde in voorjaar 2004 5. Waar wordt voldaan aan de normen moet worden gezorgd dat dit zo blijft. Dit is de primaire verantwoordelijkheid voor de ketenpartners. Op 31-12-2004 dienen voldoende voorzieningen te zijn getroffen in de p&c-cycli van de justitiele organisaties, waarvoor de minister van Justitie formeel verantwoordelijk is, opdat korte doorlooptijden duurzaam gewaarborg zijn. In overleg met BZK zal worden bezien hoe de borging van doorlooptijden door de politie kan worden gerealiseerd. |
| 20. | Keten informatievoorziening ten behoeve van casusregie en procesbewaking Het voorzien in een sluitend systeem van informatievoorziening binnen de jeugdstrafrechtketen ten behoeve van de gewenste samenwerking vanuit de verantwoordelijkheden procesbewaking en casusregie Nulwaarde: in ontwikkeling Streefwaarde: in ontwikkelig | 2006 | 1. Beschrijving van de werkprocessen van casusregie RvdK en procesbewaking OM (01-07-2004) 2. Oprichten van Adviesgroep Keteninformatie (AKI) 3. Uitvoeren van de opdracht door AKI (01-07-2004) 4. Uitvoering noodzakelijke maatregelen ((31-12-2006) 5. Inventariseren en waar mogelijk opheffen van knelpunten in de privacywetgeving tbv de gegevensuitwisseling tussen ketenpartners (01-07-2004) 6. Oprichten helpdesk privacy (was: 01-04-2004; wordt: 01-06-2004) | 1. ←2. ✓3. □4. □5. ←6. ← | 1. ⧫2. ✓3. □4. □5. ←6. ⧫ | 1. Concept modelproces is opgesteld door het OM. Afstemming vergt meer tijd dan gepland. 6. Streefdatum voor de start van de helpdesk is 01-06-2004. |
| 21. | Leerlingbemiddeling De methodiek inzetten om leerlingen conflicten te leren oplossen en zo delictgedrag voorkomend uit escalatie van conflicten te voorkomen | 2006 | 1. ←2. ← | 1. – 2. – | Maatregel 21 is reeds in 2003 ingetrokken en per abuis meegenomen in de tweede voortgangrapportage over de uitvoering van het Veiligheidsprogramma. | |
| 22. | Ontwikkelen screeningsmodule voor zedenzaken Vroegtijdig signaleren van, en hulp bieden aan jeugdige zedendelinquenten door middel van een screeningsmodule. Nulwaarde (implementatie: 0 Streefwaarde (implementatie: screeningsmodule ingevoerd bij alle vestigingen van de Raad voor de Kinderbescherrming | 2007 | 1. Evaluatie van de testfase van de screeningsmodule (01-12-2004) 2. Besluit over landelijke invoering van de screeningsmodule (01-01-2005) 3. Eventueel landelijke invoering (31-12-2007) | 1. ←2. □3. □ | 1. ←2. □3. □ | |
| 23. | Ontwikkelen signaleringsinstrumenten Het beschikbaar krijgen van een afgestemd en geevalueerd instrumentarium voor: • Vroegsignalering ter ondersteuning van herkenning van achterliggende (gezins)problematiek bij risicogedrag/ politiecontact, opdat jongeren en of hun ouders adequaat kunnen worden doorverwezen naar relevante zorg-, ondersteunings-, of hulpverleningsinstanties • Screening ter beoordeling van de ernst van de situatie waarin jongere verkeert, bepaling van de zorg gericht op de vraag welke (strafrechtelijke) interventie gewenst is Nulwaarde en streefwaarde: PM | 2007 | 1. Inventarisatie van het bestaande instrumentarium op het gebied van (vroeg)signalering, screening en risicotaxatie (01-12-2003) 2. Met relevante partners overeenstemming bereiken over begrippenkader (signalering, screening, risicojongeren) en het vaststellen van de doelgroep en doelstellingen (01-08-2003) 3. Bezien hoe de samenwerking en gegevensuitwisseling tussen organisaties binnen en buiten de jeugdstrafrechtsketen kan worden bevorderd (01-07-2004) 4. Draagvlak creëren bij partners door bijvoorbeeld expertmeetings (31-12-2004) 5. Op basis van de beoordeling van bestaande instrumenten door deskundigen laten afstemmen en zonodig aanvullen van bestaande instrumenten; daarbij aansluiten bij de methodiek van het risicotaxatie instrument (01-07-2004) 6. Testen en zonodig bijstellen van het instrumentarium (31-12-2004) 7. Beschikbaarstellen en in gebruik nemen van het instrumentarium (31-12-2005) 8. Landelijk uitzetten van het instrumentarium bij de uitvoerende instanties (31-12-2005) 9. Landelijke evaluatie (31-12-2007) | 1. ←2. ✓3. □4. □5. □6. □7. □8. □9. □ | 1. ✓2. ✓3. ✓4. ←5. □6. □7. □8. □9. □ | De maatregelen 24 en 53 zijn meegenomen in de uitwerking van maatregel 23. 3. De verbeterde samenwerking van en informatie-overdracht tussen de ketenpartners wordt meegenomen in de verdere uitwerking van maatregel 20 4. Op 27-11-2003 is een eerste expertmeeting met behandelaars in de forensische jeugdpsychiatrie geweest over het gebruik van screenings- en risicotaxatieinstrumenten. |
| 25. | Herstel in het jeugdstrafrecht Het stimuleren van herstelbemiddeling als methode om jeugdigen verantwoordelijkheid te laten nemen voor hun daden gericht op recidivevermindering Nulwaarde en streefwaarde: afhankelijk van landelijke invoering | 2007 | 1. Uitvoering van 5 projecten (3 lopende en 2 nieuwe) (31-12-2006) 2. Recidiveonderzoek van de 5 projecten (31-12-2006) 3. Besluit over landelijk invoering (31-12-2007) | 1. □2. □3. □ | 1. ←2. □3. □ | |
| 26. | Experimenteren met signaleringsgesprekken Gewijzigde maatregelomschrijving: Onderzoek best practices signalering Gewijzigde doelomschrijving: Door middel van onderzoek naar best practices (was: door middel van exerimenten) komen tot kwantitatieve en kwalitatieve verbetering van signalering van risicofactoren en of achterliggende (gezins)problematiek bij politiecontact van minderjarigen ten behoeve van kwantitatieve en kwalitatieve verbetering van de doorverwijzing vanuit de jeugdstrafrechtsketen naar vrijwillige hulpverlening en of opvoedingsondersteuning Nulwaarde en streefwaarde: afhankelijk van gekozen wijze van inbedding | 2006 | 1. Uitvoering van pilots waarin wordt geëxperimenteerd met verschillende vormen van signaleringsgesprekken (31-12-2004) 2. Evaluatie van pilots (31-12-2005) 3. Beschrijving van de gebruikte signaleringsgesprekken (31-12-2005) 4. Bij positieve resultaten: inbedding van signaleringsgesprekken in jeugdstrafrechttraject (31-12-2006) Gewijzigde opzet van activiteiten 1. Onderzoek naar bestaande vormen van signalering naar aanleiding van politiecontacten en de resultaten van deze verschillende signaleringsvormen (31-12-2004) 2. Voor zover de uitkomsten van het onderzoek positief uitvallen, implementatie hiervan in het traject van het jeugdstrafrecht (31-12-2006) | 1. ←2. □3. □4. □ | 1. ←2. □ | In overleg met het veld is besloten niet tot het opzetten van pilots over te gaan en is ervoor gekozen om onderzoek door het WODC te laten verrichten naar bestaande vormen van signalering naar aanleiding van politiecontacten en de resulataten die hieruit zijn voortgevloeid. Het onderzoek is begin 2004 gestart. Dit besluit heeft ertoe geleid om zowel de oorspronkelijk omschrijving van maatregel 26, alsmede de doelomschrijving en activiteitenopzet te wijzigen.. 2. Bezien in relatie met maatregel 23 |
| 27. | Uitbreiding Communities that Care (CtC) Uitbreiding van de toepassing (was: beschikbaarheid) van programma's voor een effectieve wijkstrategie ten behoeve van het voorkomen van jeugdcriminaliteit Nulwaarde CTC in 4 wijken Streefwaarde CTC in 7 wijken | 2006 | 1. Uitbreiding van de CtC systematiek van 4 naar 7 wijken Toegevoegd: 2. Begeleiding en onderzoek pilots (31-12-2005) 3. Beschikbaar stellen definitieve opzet (31-12-2006) | 1. ← | 1. ✓ 2. ←3. □ | De uitbreiding van de CtC-systematiek naar 7 wijken is voltooid. De uitvoering hiervan zal worden begeleid en onderzocht. Na aflloop wordt de CtC-systematiek breed beschikbaar gesteld. Met oog hierop zijn aan maatregel 27 twee nieuw actviteiten toegevoegd. |
| 28. | Ontwikkelen opvoedingsondersteunings-methodiek en materiaal Laten ontwikkelen van opvoedingsondersteuningsmateriaal voor ouders uit de Justitiedoelgroep | 2006 | 1. Subsidie verstrekken aan de Stichting voor Opvoedingsondersteuning Zuid-Holland (S&O) voor 1e fase materiaalontwikkeling (31-12-003) 2. Subsidie verstrekken aan S&O voor 2e fase materiaalontwikkeling (31-12-2004) 3. Subsidie verstrekken aan S&O voor 3e fase materiaalontwikkeling (31-12-2005) 4. Implementatie van de ontwikkelde materialen (31-12-2006) 5. Effectonderzoek (start 2006) | 1. ←2. □3. □4. □5. □ | 1. ✓2. ←3. □4. □5. □ | In februari 2004 zijn de eerste conceptproducten gepresenteerd. |
| 29. | Ontwikkelen en invoeren drangmaatregelen Laten ontwikkelen van een intensieve vorm van opvoedingsondersteuning ten behoeve van ouders van jongeren uit de Justitiedoelgroep Nulwaarde en streefwaarde: in ontwikkeling | 2006 | 1. Laten doen van onderzoek naar effectieve vormen van intensieve gezinsbegeleiding (31-12-2003) 2. Op basis van de resultaten van dat onderzoek laten beschrijven van de «best practice» 31-12-2004) 3. Landelijk beschikbaar stellen (31-12-2005) 4. Deskundigheidsbevordering (31-12-2006) | 1. ←2. □3. □4. □ | 1. ⧫2. □3. □4. □ | 1. Rapportage is eind januari 2004 opgeleverd. Vertraging komt door een verlate start van het onderzoek. 2. Uitvoering is afhankelijk van de uitkomst van activiteit 1 |
| 29a. | Versterken aanbod opvoedingsondersteuning op lokaal niveau 1. Het op lokaal niveau vergroten van het bereik van bestaande vormen van opvoedingsondersteuning en ondersteuning en intensieve gezinsbegeleiding 2. Het beoordelen van de effectiviteit van deze bestaande vormen van opvoedingsondersteuning Nulwaarde en streefwaarde: PM | 2004 | 1. Het samen met VWS opstellen van een plan van aanpak voor de inzet van de extra financiële middelen (01-06-2004) 2. Het op basis van activiteit 1 ontwikkelen van een onderzoeksplan voor het monitoren van de voortgang in het bereiken van doelstelling 1 en het beoordelen van de effectiviteit (01-12-2004) | 1. ←2. □ | Maatregel vloeit voort uit de extra financiele middelen die ten behoeve van preventie in het kader van het Hoofdlijnenakkoord ter beschikking zijn gesteld | |
| 30 | Versterking van de toepassing van de Stopreactie Het bieden van een adequate reactie op strafbaar gedrag van 12 minners door middel van het zorg dragen voor optimaliseren van de Stopreactie en gerichte verwijzing naar opvoedingsondersteuning Nulwaarde 2003: 50% bereik van de totale doelgroep (ca 3000 kinderen) Streefwaarde 2006: 70% bereik van de totale doelgroep (ca 3000 kinderen) | 2006 | 1. Verhoging bekendheid Stopreactie (continu proces tot 2006) 2. Vaststelling en handhaving doorlooptijden Stopreactie (31-12-2004) 3. Beschrijving van werkprocessen die aansluit op individuele behoefte (01-03-2004) 4. Maatwerk is ingebouwd in de werkprocesbeschrijving van de Stopreactie waarbij het uitgangspunt is dat de Stopreactie kan aansluiten op de individuele behoefte (31-12-2004) 5. Aansluiting tussen Stopreactie en opvoedingsondersteuning (31-12-2006) | 1. ←2. □3. ←4. ←5. ← | 1. ←2. ←3. ←4. ←5. ← | 2. Conceptvoorstel voor Stop-doorlooptijd is gereed. 5. Aansluiting tussen Stop en opvoedingsondersteuning hangt nauw samen met start pilots opvoedingsondersteuning (zie maatregel 28) |
| 31. | Uitbreiding mogelijkheden inbeslagname/verbeurdverklaringen Het mogelijk maken dat jongeren na aanhouding worden geconfronteerd met hun gedrag door hen «materieel te raken» | 2005 | 1. Verkenning naar juridische mogelijkheden uitbreiding inbeslagname en verbeurdverklaringen (01-01-2004) 2. Op basis van de uitkomsten van genoemde verkenning bestaande wet- en/of regelgeving aanpassen (31-12-2005) | 1. □2. □ | 1. ⧫2. □ | In de verkenning is een kleine vertraging opgetreden. De uitkomsten hiervan zijn in januari 2004 opgeleverd. |
| 32. | Ruimere toepassing van voorlopige hechtenis bij jeugdige veelplegers Het vergroten van de capaciteit binnen justitiële jeugdinrichtingen ten behoeve van een persoonsgerichte aanpak van jeugdige veelplegers Nulwaarde en streefwaarde: de waarden zullen blijken uit het vooronderzoek naar capaciteitsbehoefte (activiteit 2) | 2006 | 1. Ontwikkeling Beleidskader jeugdige veelplegers (01-09-2003) 2. Vooronderzoek naar capaciteitsbehoefte (31-12-2004) 3. Capaciteitsuitbreiding binnen reguliere inrichtingen (31-12-2006) | 1. ←2. □3. □ | 1. ✓2. □3. ← | 1. Het plan van aanpak project jeugdige veelplegers is gereed; er wordt gewerkt aan een dynamische activiteitenlijst en feitelijke planning voor de uitvoering van het plan van aanpak. Zie hiervoor maatregel 8a 3. Ruimtelijke capaciteit voor 14 plaatsen is in 2003 gerealiseerd. Programmatische invulling is 31-12-2004 gereed. |
| 33. | Onderzoek naar de mogelijkheid van een voorlopige voorziening binnen de schorsing van de voorlopige hechtenis Indien er thans onvoldoende mogelijkheid blijkt te zijn tot het opleggen door de rechter van een meer op persoon toegesneden programma binnen de schorsing van de voorlopige hechtenis, zal onderzocht worden hoe hiertoe de mogelijkheid vergroot kan worden | 2004 | 1. Inventarisatie/Onderzoeksrapport naar mogelijkheden van een voorlopige voorziening binnen de schorsing van de voorlopige hechtenis (31-12-2004) 2. Advies over noodzaak aanpassing wetgeving (31-12-2004) | 1. □2. □3. □ | 1. ←2. □3. □ | 2. Inhoudelijk zal worden aangesloten bij activiteit 3 van maatregel 44 (eventueel ontwikkelen van wetgeving) |
| 34. | Versterking Halt Uniforme landelijke naleving van het Besluit Halt-feiten Nulwaarde 2001: 5% van de HALTafdoeningen zijn niet HALT-waardige feiten Streefwaarde 2005: 3% van de HALT-afdoeningen zijn niet HALT-waardige feiten | 2006 | 1. Herziening Besluit Halt-feiten (01-12-2003) 2. Communicatieplan (01-01-2004) 3. evaluatieonderzoek (01-12-2004) | 1. ←2. □3. □ | 1. ✓2. ⧫3. □ | 1. De herziening van het Besluit Halt-feiten is op 15 september 2003 van kracht geworden 2. Het concept communicatieplan is besproken met vertegenwoordigers van het OM, politie en het Halt Nederland. Vaststelling van plan en start van de uitvoering hiervan is gepland op 1-4-2004. |
| 35. | Aanpak schoolverzuim Het versterken van de handhaving van de leerplicht door middel van het ontwikkelen en toepassen van een landelijk model | 2005 | 1. Uitbreiding van het project HandhavenOpNiveau-leerplicht naar 4 pilots (01-03-2003) 2. Ontwikkeling van een geïntegreerde aanpak van schoolverzuim binnen gemeenten (01-04-2005) 3. Ontwikkeling en aanbieding van een gemeenschappelijk model (01-04-2005) 4. Onderzoek naar Justitiele interventies bij overtreding leerplichtwet (01-04-2004) | 1. ✓2. ←3. ←4. ← | 1. ✓2. ←3. ←4. ← | |
| 36. | Aanscherping OM-richtlijn over tenuitvoerlegging vervangende jeugddetentie na mislukken taakstraf Goede uitvoering van taakstraffen door middel van effectieve sanctionering van het niet (volledig) nakomen van de taakstraf door de jongere. Nulwaarde: naar het aantal mislukte taakstraffen dat wordt omgezet in jeugddetentie wordt onderzoek verricht Streefwaarde 2007: 75% van de mislukte taakstraffen moeten worden omgezet in jeugddetentie | 2007 | 1. Overleg met het OM (01-04-2003) 2. Onderzoek in hoeveel gevallen er wel een jeugddetentie ten uitvoer wordt gelegd vanwege de consequenties voor de JJI's (01-04-2003) 3. Informatie inwinnen bij RvdK, OM en ZM over huidige praktijk (01-10-2003) 4. Analyse van informatie onder 3 (01-11-2003) 5. Voorbereiding evt. verbetervoorstellen (01-08-2004)6. Onderzoeken van de mogelijkheden om een communicatieplan te ontwikkelen (01-06-2004) | 1. ✓2. ✓3. ←4. □5. □6. □ | 1. ✓2. ✓3. ⧫4. ⧫5. ⧫6. □ | 3. Informatie is nog niet door het OM geleverd en leidt daardoor tot vertraging in de activiteiten 4 en 5. Afronding van activiteit 5 is thans gepland op 1-8-2004 (was: 01-03-2004) |
| 37. | Landelijke invoering nachtdetentie Versterken van mogelijkheden op resocialisatie van jongeren die in voorlopige hechtenis zitten en buiten JJI een zinvolle dagbesteding hebben door hen de mogelijkheid te bieden om overdag buiten de inrichting te verblijven. Nulwaarde aantal plaatsen 2003: 0 Streefwaarde aantal plaatsen 2004: 14 Streefwaarde aantal plaatsen 2005: 34 Streefwaarde aantal plaatsen 2006: 70 | 2006 | 1. Ontwikkelen van beleidskader (01-06-2003) 2. Organiseren startconferentie (01-09-2003) 3. Proces en effectevaluatie (01-08-2004 resp. 31-12-2006) 4. Het landelijk invoeren van nachtdetentie in alle opvanginrichtingen; geleidelijk opbouw naar 70 plaatsen in 2006 (01-12-2006). | 1. ✓2. ←3. □4. ← | 1. ✓2. ✓3. ←4. ← | 4. Landelijke invoering van nachtdetentie is in de arrondissementen Amsterdam en Rotterdam gestart; invoering in andere arrondissementen is in voorbereiding. |
| 38 | Uitbreiding scholings- en trainingsprogramma's (STP) De resocialisatie bevorderen door het aanbieden van scholings- en trainingsprogramma's aan (meer) jongeren die een jeugdinrichting verlaten Nulwaarde 01-2003: 25 jongeren met STP en aantal STP jongeren dat vervolgens niet recidiveert Streefwaarde 2005: 250 jongeren met STP en aantal STP jongeren dat vervolgens niet recidiveert Streefwaarde 2006: 360 jongeren met STP en aantal STP jongeren dat vervolgens niet recidiveert | 2006 | 1. Onderzoek naar knelpunten is gereed (01-07-2004) 2. Een werkgroep met als taak het doen van voorstellen voor verbetering is opgericht (01-03-2004) 3. Voorstellen van de werkgroep zijn geïmplementeerd (31-12-2005) 4. (Gewijzigd tov van 1-4-2003) Het aantal STP's neemt jaarlijks toe 5. (Nieuw tov 1-4-2003) effectevaluatie STP's (31-12-2006) | 1. □2. □3. ←4. ←5. ← | 1. □2. ⧫3. □4. ←5. □ | 1. is in voorbereiding met de Dienst Justitiële Inrichtingen 2. Het doen van voorstellen is met twee maanden opgeschoven (was: 01-01-2004) om de werkgroep te laten aansluiten op de uitkomsten van de evaluatie door DJI van STP |
| 39. | Verbeteren professionaliteit jeugdreclassering De jeugdreclassering ontwikkelt zich tot een professionele organisatie die haar werkprocessen beschreven heeft in termen van kwaliteit en gebruikte methoden | 2006 | 1. (nieuw)a. Verkenning van de vraag hoe prestatieindicatoren jeugdreclassering te expliciteren (31-12-2004)b. een beschrijving van de werkprocessen waarover alle ketenpartners geïnformeerd zijn (31-12-2004) 2. handboek jeugdreclassering (01-06-2005) 3. een vormings- en scholingsprogramma dat in beginsel voor elke jeugdreclasseringmedewerker beschikbaar is (31-12-2004) 4. een werkend informatiesysteem dat voldoet aan de behoefte van zowel de jeugdreclassering als van de ketenpartners (31-12-2006) 5. Toetsing professioneel gehalte jeugdreclassering (31-12-2006) | 1. □2. □3. ←4. ←5. □ | 1. □2. ←3. ←4. ←5. □ | 1. Werkzaamheden zijn per 1-2-2004 gestart om in procesinhoudelijke zin beter aan te kunnen sluiten op de activiteiten van maatregel 40. 2. Offerteprocedure loopt. 3. De basismodellen voor scholing en vorming zijn inmiddels gereed. Een aanvulling komt voor het onderdeel CRIEM, zodra de methodische beschrijving hiervan gereed is (01-03-2004). Tijdens de ontwikkeling van het methodisch handboek jeugdreclassering zullen bestaande modulen geëvalueerd en zo nodig aangepast worden. |
| 40. | Verhelderen positie BJZ/jeugdreclassering in relatie tot justitiële ketenpartners De jeugdreclassering heeft een herkenbare positie binnen Bureau Jeugdzorg en is direct te benaderen door de keten- en netwerkpartners | 2004 | 1. (nieuwe tekst) Afspraken tussen Openbaar Ministerie, Politie en BJZ-jeugdreclassering over samenwerking, en afstemming in het kader van de nieuwe wet op de Jeugdzorg. (oude tekst was: afspraken tussen Justitie en BJZ-jeugdreclassering over zowel kwaliteit als kwantiteit) (31-12-2004) 2. een nieuw afstemmingsprotocol tussen de Raad voor de Kinderbescherming en BJZ-jeugdreclassering waarin de relatie en het verkeer tussen beiden worden beschreven (01-07-2004) 3. Toetsing bij alle ketenpartners mbt de positie JR binnen BJZ. Dmv enquête nagaan of men zich houdt aan afspraken en protocol (31-12-2006) | 1. ←2. ←3. □ | 1. □2. ←3. □ | |
| 41 | Verbreden beschikbaarheid ITB-harde kern en ITB-Criem na bewezen effectiviteit Een betere benutting van de beschikbare capaciteit, een toetsing van de effectiviteit en een uitbreiding ITB Criem (bij voldoende aanwijzingen voor effectiviteit) Nulwaarde en streefwaarde: zie in de kolom toelichting | 2006 | 1. Definitieve vaststelling doelgroep ITB/HK (01-09-2004) 2. Afspraken omtrent (on)geldigheid van verblijfsvergunningen voor minderjarige ITB-kandidaten Definitieve vaststelling ITB-modaliteiten (01-09-2004) 3. Antwoord op de vraag of wetswijziging geïndiceerd is (01-09-2004) 4. Toename instroom ITB-kandidaten: instroom van 700 (HK) resp. 1000 (Criem) per jaar in 2003 en 2004 (uitgaande van voldoende kandidaten) (31-12-2006) 5. Voorlichtingsmateriaal t.b.v. reclasseringsmedewerkers (31-12-2004) 6. Protocol gezamenlijke toetsing Raad en JR inzake voldoen (van kandidaten) aan ITB-criteria (31-12-2004) 7. (aanvullende) scholingsmodules voor de training van ITB-werkers (31-12-2004) 8. methodiekbeschrijving ITB/Criem (01-03-2004) 9. (zo nodig) herziene versie methodiekbeschrijving ITB/HK (31-12-2004) 10. vastgestelde kostprijs/productfinanciering (31-12-2003) 11. landelijk uniforme registratie ITB-ers door de hele strafrechtketen (31-12-2004) 12. consultancyrapportage WODC en rapportage effectevaluatie door WODC (01-03-2004 resp. 01-07-2005) | 1. ⧫ 2. □ 3. □ 4. ← 5. □ 6. □ 7. □ 8. ← 9. ←10. ←11. □12. □ | 1. ⧫ 2. ⧫ 3. ⧫ 4. ← 5. □ 6. □ 7. □ 8. ← 9. □10. ✓11. ←12. ✓/⧫ | 1. Advies is in concept gereed. Voor definitieve besluitvorming moet gewacht worden op synchronisatie met aanverwante gremia. 2. Zie onder 1; idem met betrekking tot planningsdatum 3. Zie onder 1; idem met betrekking tot planningsdatum 4. Instroom is als volgt: 2002 2003 2004 2005 2006(ITB/HK) 296 398 660 700 765(ITB CRIEM) 389 579 890 950 1035 9. Per abuis is in vorige voortgangsrapportage als stand opgenomen «in uitvoering en volgens planning». Dit had moeten zijn: «nog niet in uitvoering» 12. Effectevaluatie wordt voorafgegaan door een ITB-programma-evaluatie. Programma-evaluatie wordt in maart 2004 extern aanbesteed. |
| 42 | Uitbreiding internaatachtige voorzieningen Verminderen van de recidive van jeugdige veelplegers en het versterken van de resocialisatie van de jeugdigen. Nulwaarde aantal plaatsen in Den Engh. 01-2003: 0 Streefwaarde 01-2004: aantal plaatsen in Den Engh 36 | 2004 | 1. Beleidsbrief veelplegers aan de Tweede Kamer, waarin het algehele kader rondom veelplegers is geschetst (01-05-2003) 2. Plan van aanpak in het kader van de implementatie van het veelplegersbeleid (01-09-2003) 3. Versnelde capaciteitsuitbreiding in Den Engh met plaatsen ten behoeve van jeugdige veelplegers (31-12-2004). | 1. ✓2. ←3. ← | 1. ✓2. ✓3. ← | 2. Er wordt gewerkt aan een dynamische activiteitenlijst en planning voor de uitvoering van het plan van aanpak; zie verder onder maatregel 8a «Plan van aanpak project jeugdige veelplegers» 3. In 2003 zijn 12 plaatsen gerealiseerd. De overige 24 plaatsen komen in 2004 gereed. |
| 43 | Inventariseren mogelijkheden en ervaringen groepsaanpak Verbeteren van het inzicht bij politie en/of justitiële jeugdinrichtingen in groepsgerichte aanpakken voor jeugdige veelplegers en het mogelijk maken dat het verkregen inzicht breder beschikbaar komt en kan worden toegepast. | 2004 | inventarisatieonderzoek (31-12-2004) | □ | □ | |
| 44. | Onderzoek wenselijkheid/mogelijkheid gedragsbeïnvloedende maatregel in jeugdstrafrecht Onderzoek naar de wenselijkheid van een strafrechtelijke maatregel als aanvulling op de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) waarmee het gedrag van jongeren, intra- en extramuraal, kan worden beïnvloed en het ontwerpen van bijbehorende wetgeving | 2004 | 1. Organiseren van een expertmeeting (01-05-2003) 2. Inventariseren van knelpunten (01-12-2003) 3. Het – eventueel – ontwikkelen van wetgeving (31-12-2004)4. Communicatie en voorlichting aan het veld (continu vanaf 2004) | 1. ✓2. ←3. □4. □ | 1. ✓2. ✓3. ←4. □ | |
| 45. | Uitbreiden capaciteit justitiële jeugdinrichtingen mede als gevolg van keteneffecten Aanpak personele vraagstuk JJI's De behoefte aan jeugdcapaciteit en de beschikbare capaciteit redelijkerwijs met elkaar in evenwicht brengen. Zorgdragen voor voldoende personeel voor de geplande activiteiten Nulwaarde en streefwaarde: afhankelijk van de activiteiten 1 tot en met 4 | 2007 | 1. Overleg met ketenpartners over de keteneffecten van de uitvoering Jeugd Terecht (01-08-2003) 2. Bijstellen van de prognoses (was: 01-09-2003; wordt doorlopend) 3. Onderzoek naar optimalisering benutting capaciteit JJI en onderzoek naar substituties (was: meerjarig; wordt 01-01-2005) 4. Uitvoering van de DJI-nota Investeren in personele zorg (was: meerjarig; wordt doorlopend) | 1. ←2. ←3. ←4. ← | 1. ✓2. ✓/← 3. ←4. ✓ | 3. Wordt uitgevoerd door Dienst Justitiële Inrichtingen 4. DJI-nota is geïmplementeerd. |
| 46. | Inzicht in de inhoud en effectiviteit van bestaande sanctiemodaliteiten • Overzicht van het hele palet van bestaande strafrechtelijke interventies voor jeugdigen (2003). • Het kunnen bepalen van de effectiviteit van strafrechtelijke interventies, zowel waar het gaat om het aangeboden programma als waar het gaat om recidivevermindering. Bij de effectiviteit van het programma speelt ook het kwaliteitszorgsysteem van de uitvoeringsorganisatie mee (2004). • Standaardiseren en borging/structureel maken van effectonderzoek (2005). • Strafrechtelijke interventies die voldoen aan vastgestelde criteria (2006). | 2007 | 1. Inventarisatie van strafrechtelijke interventies in Nederland en van effectieve strafrechtelijke interventies in het buitenland (literatuuronderzoek) (was:31-12-2003; wordt: 31-12-2004) 2. Een atlas (geüpdate) met een overzicht van het totale palet van strafrechtelijke interventies, beschreven volgens een vaste format (31-12-2004) 3. Evaluatieonderzoek van een aantal strafrechtelijke interventies (doorlopend) 4. Ontwikkeling (prototype) toetsingsinstrument erkenningsregeling ((31-12-2003) 5. Monitoring ontwikkeling handboek voor (effect) evaluatieonderzoek (was: 31-12-2003; wordt 01-04-2004) 6. Ontwikkeling procedure voor standaardisering van certificering van alle strafrechtelijke interventies, die binnen het jeugdstrafrecht worden aangeboden (31-12-2004) 7. Instelling landelijke commissie van onafhankelijke deskundigen, die de aangeboden programma's toetst op basis van de standaardprocedure (was:01-07-2005; wordt: 01-01-2005) 8. Opstellen randvoorwaarden (missie, visie, personeelsbeleid, integriteit van eigen programma's) voor een kwaliteitszorgsysteem, als handreiking voor uitvoeringsorganisaties (was:01-12-2006; wordt: 01-04-2004) | 1. ←2. □3. □4. □5. □6. □7. □8. □ | 1. ⧫2. ←3. ←4. ⧫5. ⧫6. □7. □8. ← | 1. Inventarisatie van strafrechtelijke interventies in Nederlands is gereed; Daarna zal een inventarisatie van buitenlandse interventies worden verricht. Deze is gereed op 31-12-2004 2. De inventarisatie van strafrechtelijke interventies in Nederland vormt de eerste versie van de atlas; actualisatie hiervan geschiedt daarna jaarlijks 3. In december is een evaluatie van twee leerstraffen voltooid; Gestart is met evaluaties van «Glen Mills» en «Den Engh» 4. Samen met het programma «Terugdringen recidive» worden erkenningscriteria ontwikkeld (zie maatregel 119, activiteit 3). De criteria zijn gereed op 01-07-2004. 5. Handboek wordt ontwikkeld door het WODC 8. De randvoorwaarden zijn geïntegreerd in de erkenningscriteria (zie activiteit 4) Maatregel 51 is opgenomen in maatregel 46 |
| 47. | Onderzoek wettelijke mogelijkheden verplichte nazorg Mogelijk maken om verplichte nazorg op te leggen om daarmee resocialisatie te versterken Nulwaarde en streefwaarde: in ontwikkeling | 2005 | 1. inventarisatie van lacunes in de wetgeving gerelateerd aan doelgroepen (01-12-2004) 2. inventarisatie bij stake-holders in advisering, oplegging en uitvoering van nazorg over inhoudelijke en organisatorische knelpunten (01-12-2003) 3. Bij gebleken lacunes wetgeving aanpassen (31-12-2005) | 1. □2. □3. □ | 1. ←2. ⧫3. □ | 2. Eerste inventarisatieronde heeft plaatsgevonden, vervolg is afhankelijk van uitkomst activiteit 1. Op 1-5-2004 is de schriftelijke rapportage gereed en ligt er een plan voor verdere aanpak. |
| 48. | Inventariseren nazorgprogramma's in binnen- en buitenland Zo volledig mogelijk overzicht van effectieve nazorgprogramma's (binnen- en buitenland), teneinde daaruit een keuze te kunnen maken voor de Nederlandse situatie Nulwaarde en streefwaarde: PM | 2004 | 1. benoeming van effectiviteitscriteria ten behoeve van de inventarisatie (31-12-2003) 2. inventarisatie van beschikbare effectieve nazorg programma's, uitmondend in rapport. Literatuur- en internetstudie (01-07-2004) 3. inventarisatie van inhoudelijke en organisatorische knelpunten in de uitvoering van de nazorgactiviteiten (31-12-2003) 4. afspraken met betrokken (uitvoerings)instanties over uit het buitenland over te nemen effectieve nazorg programma's (01-07-2004) 5. vervallen (was: afspraken met ketenpartners in advisering, verwijzing en instroom, vastgesteld in samenwerkingsovereenkomsten (01-07-2004) | 1. □2. □3. ←4. □5. □ | 1. ✓2. ←3. ✓4. □/– | 1. Er zijn criteria ontwikkeld waar ook in de inventarisatie van nazorgprogramma's mee gewerkt gaat worden 5. Activiteit is komen te vervallen; deze activiteit wordt reeds onder maatregel 49 uitgevoerd. |
| 49. | Geleidelijke uitbreiding capaciteit jeugdreclassering Uitgaande van de beschikbaarheid (op termijn) van verschillende effectieve nazorgprogramma's, moeten alle jongeren die daarvoor in aanmerking komen, nazorg kunnen ontvangen. Vraag en aanbod dienen daarbij goed op elkaar aan te sluiten (2006). Uitbreiding stapsgewijs en wel als volgt: • Voldoende capaciteit voor 750 zaken in 2003/2004 (I) • Voldoende capaciteit voor 1500 zaken in 2005 (II) • Voldoende capaciteit voor 4000 zaken in 2006 (III) Nulwaarde en streefwaarde: zie boven en voorts bedroeg in 2000 het aantal nazorgprogramma's 233 | 2006 | 1. afronden maatregel 48 (01-05-2004) 2. Met de betrokken partijen in advisering en oplegging (RvdK, kinderrechters, OM) overleg voeren over knelpunten en oplossingsrichtingen in de huidige praktijk (01-05-2004) 3. Met de betrokken partijen vanuit detentie en maatregelen (JJI's, internaten) overleg voeren over knelpunten en oplossingsrichtingen in de huidige praktijk ( 01-05-2004) 4. Overleg voeren met gemeenten (vanuit het lokale veiligheidsbeleid) en IPO (vanuit hun sturingsrol naar de Bureaus Jeugdzorg) (01-05-2004) 5. Afspraken met ketenpartners in advisering, verwijzing en instroom, vastgesteld in samenwerkingsovereenkomsten (01-12-2004) 6. uitbreiden capaciteit (I) (31-12-2004) 7. uitbreiden capaciteit (II) (31-12-2005) 8. uitbreiden capaciteit (III) (31-12-2006) 9. gebruik maken van toetsingskader (zie maatregel 50) (2005 zodra beschikbaar) | 1. □2. ←3. ←4. ←5. □6. □7. □8. □9. □ | 1. □2. ←3. ←4. ←5. □6. □7. □8. □9. □ | 2. Vervolggesprekken vinden plaats in het voorjaar 2004 3. Er zijn twee pilots voor korte detentie in het voorjaar 2004 gestart om de samenwerking met de JJI te verbeteren en deze meer onderdeel te maken van een trajectplan. In 2004 zullen op meer plaatsten pilots starten voor langdurende detentie en PIJ 4. Eerste inventarisatieronde heeft plaatsgevonden. 5. Wordt onderdeel van activiteit 3 |
| 50. | Opstellen toetsingskader beoordeling nazorgprogramma's Beoordelen van nieuwe nazorg programma's op hun bijdrage aan het terugdringen van recidive of het tegengaan dan wel verminderen van een criminele carrière | 2006 | 1. Een toetsingskader voor nazorg programma's ontwerpen (31-12-2005) 2. Invoeren toetsingskader (31-12-2006) | 1. □2. □ | 1. □2. □ | |
| 52. | Verbeteren aansluiting tussen jeugdreclassering en volwassenenreclassering Continuïteit in begeleiding als de jeugdige de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, door betere aansluiting van werkwijze tussen jeugdreclassering en volwassenreclassering zowel in werkwijze (methodiek van werken) als in concrete overdrachten en afstemmingen Nulwaarde en streefwaarde: PM | 2006 | 1. Een nieuw afstemmingsprotocol dat mede recht doet aan de Wet op de jeugdzorg die in 2004 wordt ingevoerd (01-07-2005) 2. Vervallen (Was: Een uitgeschreven methodiek (met daaraan gekoppeld een scholingstraject)) 3. Een evaluatie van het nieuwe afstemmingsprotocol (was: 01-07-2006; wordt: 01-01-2007 | 1. ←2. □3. □ | 1. ←/– 3. □ | 1. Er is een start gemaakt met de herziening van het bestaande afstemmingsprotocol. Voorts zijn er verschillende pilots gestart waarin Jeugdreclassering en de Volwassenreclassering met JJI's samenwerken in de begeleiding van jeugdige gedetineerden. 2. Activiteit 2 is komen te vervallen, deze activiteit was per abuis onder deze maatregel opgenomen. |
| 54. | Ontwikkelen en implementeren risicotaxatie instrument Het beschikbaar krijgen van een doelgericht, uitvoerbaar en gestandaardiseerd instrument om risico's en terugval in het oude gedrag te beoordelen met het oog op beslissingen over de straf/maatregel, verlof, beëindiging van sanctie en nazorg. Nulwaarde en streefwaarde: PM | 2006 | 1. Inventarisatie en analyse van de verschillende instrumenten (01-07-2004) 2. Expertmeetings (doorlopend 31-12- 2006) 3. Opstellen en afstemmen van een concept risicotaxatie instrument en waarborgen van aansluiting op en afstemming met instrumenten voor (vroeg)signalering en screening (31-12-2006) 4. Landelijke invoering risicotaxatie instrument (31-12-2006) 5. Evaluatie (was: 01-07-2006; wordt: 31-12-2006) | 1. ←2. □3. □4. □5. □ | 1. ✓2. ←3. □4. □5. □ | 2. Op 27-11-2003 is een eerste expertmeeting geweest met behandelaars in de forensische jeugdpsychiatrie over het gebruik van screenings- en risicotaxatieinstrumenten |
| 55. | Toetsing preventieprogramma's door auditcommissie • Preventieprogramma's, gericht op jeugdcriminaliteit, op hun effectiviteit toetsen (2005) • Bevorderen van kennis over en het gebruik van getoetste effectieve preventieprogramma's (2005 e.v.) | 2005 | 1. Haalbaarheidonderzoek naar het opzetten van een effectiviteittoets (01-05-2004) 2. Blauwdruk werkwijze uitvoering effectiviteittoets en werkwijze auditcommissie (01-06-2004) 3. Onderbrengen effectiviteittoets (inclusief auditcommissie) bij onafhankelijke partij (01-09-2004) 4. Eerste toetsing door auditcommissie (01-03-2005) 5. Informatie over beoordeelde preventieprogramma's is toegankelijk (01-03-2005) 6. Continuering van toetsingsactiviteiten van de auditcommissie en het toegankelijk maken van de resultaten (31-12-2005) | 1. ←2. □3. □4. □5. □6. □ | 1. ⧫2. □3. □4. □5. □6. □ | 1. Opdrachtverstrekking heeft vertraging opgelopen. Het uitbrengen van de onderzoeksrapportage is gepland op 1-5-2004 (was: (01-02-2004) 2. Als gevolg van vertraging in activiteit 1 wordt realisatiedatum van activiteit 2: 1-6-2004 (was: 1-3-2004) 3. Als gevolg van vertraging in activiteit 1 wordt realisatiedatum van activiteit 3: 1-9-2004 (was: 1-6-2004) |
Paragraaf 3.3 Urgentiegebieden
| VP-nummer | Maatregel Doelstelling | Streefdatum realisatie doelstelling | Te verrichten activiteiten/te leveren prestaties en tijdsplanning | Stand per 1-7-2003 | Stand per 1-1-2004 | Toelichting op stand 1-1-2004 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 56a. | Structurele aandacht voor onveilige gebieden en treffen van specifieke maatregelen voor aan te wijzen urgentiegebieden • Een samenhangend geheel van maatregelen dat als basis dient om in gemeenten urgentiegebieden te kunnen aanwijzen waar een onorthodoxe aanpak van onveiligheid mogelijk wordt gemaakt.• Verhoging effectiviteit toezicht door de focus te richten op risicovolle terreinen, plaatsen en situaties, waar de kans op schending van de openbare orde relatief groot is | vanaf 2004 | 1. Opstellen startnotitie en plan van aanpak (01-03-2003) 2. Inventarisatie van de behoeften van gemeenten om een zo effectief mogelijke maatregel te creëren (01-04-2003) 3. Uitwerken van de startnotitie, incl wettelijke kader en een concrete invulling van de mogelijkheden (01-05-2003) 4. Tweede Kamer informeren over de invulling en nadere uitwerking van deze maatregel (01-06-2003) 5. Het ontwikkelen van een wetsvoorstel indien vereist (01-10-2003) | 1. ✓2. ✓3. ←4. ⧫5. □ | 1. ✓2. ✓3. ✓4. ✓5. – | 4. Op 24 december 2003 is de TK geïnformeerd bij brief over de urgente aanpak (TK 2003-2004, 28 684, nr 21). Het plan van aanpak is uitgewerkt. Tevens is een brief over de urgente aanpak begin begin 2004 aan gemeenten verzonden. De internetvoorzieningen zijn gereed gemaakt. 5. Afhankelijk van de problemen dient bezien te worden in hoeverre wetgeving een oplossing is voor de geschetste problematiek. Wetgeving is echter ultimum remedium |
| 56b. | Uitbreiding bevoegdheden ter bestrijding van illegaal wapenbezit Het verder beteugelen van het voorhanden hebben en het in de handel brengen van wapens alsmede het vergemakkelijken van de opsporing en vervolging van verdachten | 2006 | Verrichten van evaluatieonderzoek naar de noodzaak van aanvullende bevoegdheden | ← | ← | Tusssenevaluatie is gereed en is op 16 maart 2004 aan de TK aangeboden (TK 2003–2004, 29 200 VI, nr. 126)) ; een vervolgbericht over de uitbreiding van bevoegdheden zal medio 2004 naar de TK worden verstuurd. |
Paragraaf 4.1 Politie en Opsporing
| VP-nummer | Maatregel Doelstelling | Streefdatum realisatie doelstelling | Te verrichten activiteiten/te leveren prestaties en tijdsplanning | Stand per 1-7-2003 | Stand per 1-1-2004 | Toelichting op stand 1-1-2004 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 58. | Verbetering en verruiming aangiftemogelijkheid burgers Vergroting aangiftebereidheid van burgers, klanttevredenheid en efficiëntie organisatie en bedrijfsvoering politie Nulwaarde en streefwaarde: alle korpsen hebben de beschikking over een electronische aangiftevoorziening | 2005 | 1. Onderzoek doen naar huidige aangiftevoorzieningen binnen korpsen (01-07-2003) 2. Onderzoek doen naar wensen van de burger (01-05-2003) 3. Vaststelling uniforme eisen basispakket aangiftevoorzieningen op basis van voorstellen van korpsen (01-12- 2003) 4. Ontwikkeling van elektronische aangiftevoorziening c.a. ontwikkelen en implementeren bij korpsen (01-11-2003) 5. Gefaseerde implementatie van basispakket (01-01-2005) | 1. ✓2. ✓3. ←4. ←5. ← | 1. ✓2. ✓3. ✓4. ←5. ← | 3. De Tweede Kamer is schriftelijk geinformeerd over het basispakket aangiftevoorziening. Behandeling hiervan heeft plaatsgevonden in het AO van 9 maart 2004 4. Electronische aangiftevoorziening is gereed. Voor het eind van 2004 moet de implementatie bij de korpsen voltooid zijn. 5. Zie onder 4. |
| 59. | Uitvaardigen aanwijzing over politiele reactie bij vermoedelijke strafbare feiten Helderheid geven over wat in redelijkheid van de politie mag worden verwacht | 2003 | Opstellen OM-aanwijzing voor politie voor het geven van een reactie op afzonderlijke strafbare feiten die haar ter kennis komen (2003) | ✓ | ✓ | Aanwijzing voor de opsporing is op 1 maart 2003 van kracht geworden. |
| 60. | Experimenteren en mogelijk landelijk implementeren publiek private meldpunt M. (Meld Misdaad Anoniem) Het op experimentele basis starten van een meldlijn waar misdrijven anoniem gemeld kunnen worden, die zodanig veel bruikbare informatie (indicatie: ca. 2500 meldingen jaarlijks) oplevert dat het zinvol wordt geacht de meldlijn te continueren Nulwaarde: 0 meldingen Streefwaarde: jaarlijks 2500 meldingen | 2003/2004 | 1. Opzetten en uitvoeren van pilot 2. Evalueren van pilot en standpuntbepaling 3. Obv uitkomst van evaluatie bepalen of de meldlijn ook na het proefjaar wordt gecontinueerd (01-09-2003) 4. Bij voortzetting van de meldlijn het opzetten en instandhouden van een frontoffice en projectbureau (nieuwe activiteit) 5. Onderzoeken op welke wijze «Meld misdaad anoniem» organisatorisch en bestuurlijk ingebed kan worden | 1. ←2. ←3. ←4. □ | 1. ✓2. ✓3. ✓4. □ 5. □ | 3. In januari 2004 is besloten om de pilot om te zetten in een landelijke voorziening 5. Meld misdaad anoniem is ondergebracht in een tijdelijke stichting |
| 61. | Uitvoering pilot toepasbaarheid burgernet Vergroting effectiviteit opsporing (in termen van pakkans) Nulwaarde en streefwaarde: PM | 31-12-2004 | 1. Uitvoering pilot burgernet in regio Utrecht (start 01-10-2003) 2. Evaluatie van pilot om bredere toepasbaarheid te bezien (start 01-10-2004) | 1. ←2. □ | 1. ⧫2. □ | 1. Pilot wordt in mei 2004 opgezet in de gemeente Nieuwegein en duurt een jaar. Wervingstraject voor personeel is wat langer dan voorzien. |
| 62. | Versterking professionaliteit recherche Vergroting kwaliteit en effectiviteit van de opsporing in het algemeen Nulwaarde en streefwaarden: afhankelijk van op te stellen programma | 31-12-2007 | 1. Deskundigheidsbevordering via onderwijs 2. Ontwikkeling loopbaanbeleid rechercheurs met als eerste stap het opstellen van een functiegebouw (01-01-2004) 3. Invoeren van gestandaardiseerde en gevalideerde producten (t.b.v. versterking en standaardisering van het opsporings- en informatieproces) 4. Ontwikkelen van een landelijke sporendatabank (t.b.v. forensisch – technisch onderzoek) 5. Opstellen van programma voor de aanpak van de kwaliteitsverbetering 2004–2007 (was: 01-01-2004; wordt 01-05-2004) | 1. ←2. ←3. ←4. ←5. ← | 1. ←2. ⧫3. ←4. ←5. ⧫ | 5. Met de Raad van Hoofdcommissarissen (RHC) wordt inmiddels frequent overlegd over de te nemen maatregelen die de kwaliteit van de opsporing versterken en faciliteren. Met de RHC worden jaarlijks de prioriteiten bepaald en vastgelegd, en in overleggen met de betrokken portefuillehouders van de RHC wordt de voortgang gemonitord. Voor 2004 zijn als prioriteiten benoemd: 1. verder terugdringen administratieve lasten 2. versterken forensisch-technisch onderzoek 3. implementatie functieraster en versterken loopbaanbeleid recherche |
| 63. | Verruiming toepassingsmogelijkheden DNA-onderzoek Verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van DNA-onderzoek met als doel de opsporing en vervolging van strafbare feiten te vergemakkelijken Nulwaarde en streefwaarde: PM | 1. Implementatie van de wet van 5 juli 2001 die de mogelijkheden heeft verruimd van DNA-onderzoek bij verdachten (01-12-2003) 2. Wetsvoorstel DNA onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte (01-09-2003) 3. Wetsvoorstel voor DNA onderzoek bij veroordeelden ( iwtr: 1-04-2004) | 1. ←2. ←3. ← | 1. ✓2. ✓3. ⧫ | 3. Mondelinge behandeling in de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden op 18 maart en op 7 april jl. (TK 2003–2004, 28 685). Het wetsvoorstel is met algemene stemmen aangenomen. | |
| 64. | Implementatie werkwijze Vreemdeling in de strafrechtketen (VRIS) in alle regiokorpsen Het adequaat laten meewegen van criminele antecedenten bij het bepalen van het verblijfsrecht van vreemdelingen in Nederland | 2003–2004 | 1. Koppeling van de strafrechtsketen aan de Vreemdelingenketen met behulp van de een in een protocol vastgelegde werkwijze 2. Koppeling van de strafrechtsketen aan de Vreemdelingenketen met behulp van ondersteunende informatiseringssystemen | 1. ✓2. □ | 1. ✓2. □ | 1. In het voorjaar van 2004 ontvangt de Kamer een afzonderlijke rapportage omtrent de resultaten van VRIS 2. De infomatiseringsaanpassingen worden voorbereid |
| 65. | Intensivering operationeel vreemdelingentoezicht (MTV) Het in een zo vroeg mogelijk stadium voorkomen, ontdekken en tegengaan van illegaal binnenkomst van vreemdelingen die illegaal verblijf in Nederland beogen Nulwaarde en streefwaarde: in ontwikkeling | 2003/2004 | 1. Verbetering van de effectiviteit en resultaatsgerichtheid van het MTV 2. Steekproefsgewijs uitvoeren van controle rond de grensovergangen met Duitsland en Belgie | 1. ←2. ← | 1. ←2. ← | Zie ook maatregel 68 2. Is een doorlopende activiteit |
| 68. | Overhevelen administratieve taken mbt vreemdelingen van politie naar IND Vergroting van capaciteit en professionaliteit voor het houden van toezicht op (criminele) illegale vreemdelingen, het vertrek en terugkeer van hen en het bestrijden van migratiecriminaliteit Nulwaarde: 1-1-2003 aantal fte's bij Vreemdelingendienst met toezichtstaken Streefwaarde: 1-1-2004 aantal fte's bij Vreemdelingendienst met toezichtstaken +450 fte | 2003–2005 | 1. Overgang in fases van backoffice toelatingstaken naar de IND (01-04-2003 – 31-12-2003) 2. Overgang van de frontoffice toelatingstaken naar gemeenten (31-12-2004) 3. (nieuw tov 1-4-2003) Versterking toezicht op (illegale) criminele vreemdelingen en bestrijding van migratiecriminaliteit (vanaf 01-01-2003) | 1. ←2. ←3. ← | 1. ✓2. ←3. ← | 2. Uiterlijk 1 april 2004 nemen de gemeenten de front office taken over. 3. Tussen betrokken instanties is (op ambtelijk niveau) inmiddels overeenstemming bereikt. |
| 69. | Vorming Nationale Recherche Vergroting effectiviteit opsporing criminaliteit op landelijk niveau Nulwaarde 1-1-2003: 7 kernteams, 1 USD, 1 UMS, 1 LRT Streefwaarde 1-1-2004: 1 Nationale recherche | 01-01-2004 | 1. Formalisatie van samenvoeging van kernteams, LRT, USD en UMS tot een Nationale recherche (01-01-2004 formeel) 2. Feitelijke overgang van mensen en middelen (01-07-2003)3. Aanpassing gezagsorganisatie (01-07-2003) | 1. ←2. ✓3. ← | 1. ✓2. ✓3. ✓ | |
| 70. | Vorming zes BRT/IFT combinaties Effectievere en efficiëntere opsporing voor bovenregionale criminaliteit Nulwaarde: 0 BRT/IFT Streefwaarde 6 BRT/IFT | 01-01-2004 | 1. Zes BRT/IFT's (07-2003; formeel 01-01-2004) 2. 1% van politiesterkte toewijzen aan centrumkorpsen + 90 fte (01-07-2003) 3. Vorming bovenregionaal recherche overleg (01-07-2003) | 1. ←2. ✓3. ✓ | 1. ✓2. ✓3. ✓ | |
| 71. | Realisatie gemeenschappelijke informatiearchitectuur politie Realisatie geïntegreerde Landelijke ICT-infrastructuur veiligheidspartners (LICTIV) 1. Realisatie gemeenschappelijke informatie-architectuur politie: • het tot stand brengen van een informatiehuishouding; • de ontwikkeling van een verzameling gemeenschappelijke ICT-voorzieningen, zowel applicaties (Politie Suite) als technische infrastructuur (Nutsvoorziening); • de realisatie van rekencentra (Verzorgingsgebieden); • de vormgeving van het regionale informatiemanagement; • de oprichting van publiekrechtelijke rechtspersonen als opvolger van de coöperaties. 2. Realisatie van een geïntegreerde landelijke ICT-infrastructuur voor de politie en ketenpartners Nulwaarde en streefwaarde: komen gezien de veelomvattendheid en voor zover van toepassing tot uitdrukking in diverse ICT-projecten | 2006 | 1. Realisatie gemeenschappelijke informatie-architectuur politie a. Financieren van de Regieraad ICT Politie en het bewaken van de besteding hiervan in een planning/control-cyclus (continu) b. Stellen van politiek/bestuurlijke prioriteiten op basis van het Veiligheidsprogramma in een Kaderbrief ICT Politie (01-07-2003) c. Opstellen wetsvoorstel samenwerkingsvoorzieningen (exclusief het vervolgtraject) (01-05-2003) 2. Realisatie van een geïntegreerde landelijke ICT-infrastructuur voor de politie en ketenpartners. a. het vaststellen van niveaus van beveiliging voor een geintegreerde landelijke ICT-infrastructuur voor de politie en veiligheidspartners (01-12-2003) b. uitrol Nutsvoorziening Politie als basis voor Nutsvoorziening OOV (01-03-2005) c. onderzoek Brandweer op Nutsvoorziening OOV 01-12-2003) d. het vaststellen van kaders voor het concept van een gemeenschappelijke Nutsvoorziening en ICT-basisvoorziening voor OOV en de veiligheidspartners (continu) | 1a. ←1b. ←1c. ✓ 2a. ←2b. ←2c. ←2d. ← | 1a. ←1b. ←1c. ✓ 2a. ←2b. ←2c. ←2d. ← | 1a. De continue financiering en bewaking zal plaatsvinden op basis van een bijdrageregeling die in maart 2004 gereed zal zijn. De definitieve bijdrageregeling is afhankelijk van de uitkomst van de overleg met de korpsbeheerders over de positie en samenstelling van de Regieraad en de aanbodorganisatie. 1b. De komende jaren zal een Kaderbrief worden verzonden aan de Regieraad ICT politie. Een brief voor de begrotingen voor 2005 is in voorbereiding die in maart 2004 gereed zal zijn. 1c. Het wetsvoorstel wordt volgens bijgestelde planning in februari 2004 voor spoedadvies voorgelegd aan de Raad van State (zie toelichting bij maatregel 73). Door de discussie over de gekozen burgemeester en de positie van de korpsbeheerder heeft de gecombineerde behandeling van dit wetsvoorstel en het voorstel wijziging Politiewet vertraging opgelopen 2a De opdracht is uitgebreid met het opstellen van functionele specificaties. Deze opdracht is vrijwel gereed en zal juni 2004 worden afgerond.2c. Een pilot is gestart, het onderzoek zal aan het einde van dit jaar (december 2004) gereed zijn |
| 72. | a. Bestrijding voetbalvandalisme Effectievere bestrijding voetbalvandalisme | Doorlopend | Bestrijding voetbalvandalisme 1. actualisatie beleidskader 2. formatie auditteam 3. onderzoek door JUS naar sanctiemogelijkheden4. inventarisaties leemtes aanpak | 1. ✓2. ✓3. ✓4. ✓ | 1. ✓2. ✓3. ✓4. ✓ | In de uitwerking van maatregel 72 is maatregel 80 meegenomen. |
| 73. | Uitbreiden beheersrol minister van BZK Met behulp van het wetsvoorstel Bestel in Balans het versterken van de beheersverantwoordelijkheid van de korpsbeheerder, zodat deze daarop in de relatie Rijk-Regio ten volle daarop kan worden aangesproken Gewijzigd tov 01-07-2003: Met behulp van het wetsvoorstel Versterking bevoegdheden op rijksniveau ten aanzien van de politie het onder meer versterken van de bevoegdheid van de Minister van BZK ten aanzien van het beheer van de politie | 31-12-2004 | Wetsvoorstel «Bestel in Balans» voor versterking beheersbevoegdheid van de korpsbeheerder Gewijzigd tov 01-07-2003: Indiening wetsvoorstel Versterking bevoegdheden op rijksniveau ten aanzien van de politie (beoogde iwtr. 01-01-2005) | – | ←/© | Zie wetgevingsprogramma; het wetsvoorstel samenwerkingsvoorziening is voor advies voorgelegd aan de Raad van State Het voorstel van Wet versterking bevoegdheden op rijksniveau t.a.v. de politie voorziet onder meer in de bevoegdheid van de minister van BZK om hoofdlijnen van beleid t.a.v. het beheer te geven, en deze hoofdlijnen te vertalen naar doelstellingen per regiokorps. Voor de uitvoering van deze (in korpsdoelstellingen vervatte) hoofdlijnen leggen de korpsbeheerders rechtstreeks aan de minister verantwoording af. Het wetsvoorstel ziet niet alleen op een versterking van verticale sturingsrelaties, maar bevat tevens elementen uit het eerdere wetsvoorstel Bestel in Balans (inzake de bestuurlijke verhoudingen binnen de politieregio). Laatstgenoemd wetsvoorstel zal worden ingetrokken. Een en ander is aangekondigd in de beleidsbrief d.d. 26 september 2003 van de ministers van BZK en van Justitie (Kamerstukken II, 29 200 VII, nr. 4). Wetsvoorstel versterking, tezamen met wetsvoorstel samenwerkingsvoorzieningen (zie maatregel 71) thans voor consultatie bij politieberaden. Beide wetsvoorstellen zijn in februari 2004 voor (spoed)advies voorgelegd aan de Raad van State. Het wetsvoorstel versterking voorziet in de intrekking van het wetsvoorstel Bestel in Balans, dat na de val van het eerste kabinet Balkenende controversieel werd verklaard. |
| 74. | Verbetering doelmatigheid in de keten (i.c. schakel politie) De korpsen zullen in de periode 2003–2006 komen tot een doelmatigheidsverbetering van minimaal 5% van de sterkte per 31 december 2002 zijnde 2612 fte (incl het terugdringen van het ziekteverzuim) tbv het primaire proces Aanvullende doelen nav Hoofdlijnenakkoord: efficientieverbetering ad euro 50 mln Ziekteverzuimreductie ad euro 7 mln Nulwaarde en streefwaarde: zie in doelomschrijving. Het FTE-equivalent van de 5% doelstelling 2612 fte ten behoeve van het primair proces | 2006 | 1. Oplevering model Plan van Aanpak (01-09-2003) 2. Indienen ingevulde plannen van aanpak door korpsen (01-12-2003) 3. Uitvoeren nulmeting (01-12-2003) 4. Indiening, behandeling en toetsing van plannen van aanpak (01-01-2004) 5. (Eind)evaluatie doelmatigheid (01-12-2006) | 1. ←2. □3. □4. □5. □ | 1. ✓2. ✓3. ✓4. ⧫5. □ | 4. Beoordeling van de plannen wordt afgerond op 1-3-2004 Zie onder maatregel 84 |
| 75. | Opheffen knelpunten arbeidstijdenwet Politie Vergroting van flexibiliteit en effectiviteit van politie-inzet door opheffen knelpunten in ATW Nulwaarde en streefwaarde: PM | 2006 | 1. Inventarisatieonderzoek knelpunten ATW (01-12-2003)2. Eventuele maatregelen ter opheffing van knelpunten | 1. ←2. ← | 1. ✓2. ← | 1. ATW is goed toepasbaar op de politie-organisatie en leidt niet tot grote knelpunten 2. Minister SoZaWe heeft naar de Tweede Kamer een aantal voorstellen gestuurd tot vereenvoudiging van de ATW die ruimte biedt voor het maken van sectorale afspraken tussen werkgever en werknemer. In het overleg voor de CAO 2004 wordt toepassing van ATW betrokken. |
| 76. | Terugdringen ziekteverzuim naar 8% Het bereiken van een landelijke waarde van 8% ziekteverzuim in het jaar 2006 voor de sector politie Nulwaarde: ziekteverzuim 2001 is 9,5% Streefwaarde: ziekteverzuim 2006 is maximaal 8% Indicator: opgave verzuimpercentages korpsen | 2006 | Initieren en subsidiëren projecten ter reductie van ziekteverzuim en vermindering werkstress (loopt reeds vanaf 2001 tot heden) ism Cie. Brink 1. Opleveren en invoering nieuwe regeling ziekteverzuimregistratie (01-01-2004) 2. Afspraken maken in regionale convenanten over ziekteverzuimpercentage 2006 (zie 84), 3. Monitoring ziekteverzuimpercentage 4. In het kader van de monitoring convenanten bezien of afspraken worden nagekomen. Bij niet nakomen krijgt men minder/geen prestatiebudget. | 1. ←2. ←3. ←4. ← | 1. ✓2. ✓3. ←4. ← | Zie onder maatregel 84 |
| 77. | Interdepartementaal Beleidsonderzoek administratieve lasten politie Vermindering van administratieve lasten ten gunste van meer executieve taken Nulwaarde en streefwaarde: PM | 2004 evj | 1. Interviews met velddeskundigen voor vaststelling knelpunten (start 01-11-2002; eind 0108-2003) 2. Expertmeetings (01-03-2003 – 01-04-2003) 3. Werkbezoek aan vier representatieve korpsen (01-05-2003 – 01-06-2003) 4. Eindrapportage(01-08-2003) 5. Kabinetstandpunt (01-10-2003) 6. Evt. maatregelen naar aanleiding van kabinetsstandpunt (2004 evj) | 1. ✓2. ✓3. ✓4. ←5. ←6. □ | 1. ✓2. ✓3. ✓4. ✓5. ⧫6. □ | Rapport «Minder regels, meer blauw» is op 28 januari 2004 vergezeld van het standpunt van het kabinet gezonden naar de Tweede Kamer (TK 2003–2004, 29 408, nr. 1) |
| 78. | Opleidingen en loopbaanbeleid politie (vernieuwing politieonderwijs, personeelsarrangementen, professionalisering loopbaanbeleid) Invoering nieuw samenhangend stelsel van politieonderwijs en een adequaat loopbaanbeleid in korpsen gericht op specialisten en leidinggevenden Nulwaarde en streefwaarde: afhankelijk van activiteiten | 31-12-2006 | 1. Implementatie nieuw samenhangend stelsel van politieonderwijs en vaststellen bekostiging en besturing van het nieuwe politieonderwijs (vanaf 1999) 2. Uitwerken plan van aanpak gericht op een meer flexibel functionerend LSOP (vanaf 01-02-2003) 3. Uitrol nieuw politieonderwijs via projectinhoudelijke aanpak (was 31-12-2006; wordt 31-12-2005) 4. Ontwikkeling loopbaanbeleid (start 01-07-2003) | 1. ←2. ←3. ←4. ← | 1. ←2. ←3. ←4. ← | 1. invoering van het nieuwe politieonderwijs wordt in het voorjaar 2004 ingepast in de staande organisatie van politie en LSOP 2. Ten aanzien van besturing initieel: het bekostigingsmodel wordt in de eerste helft 2004 aangepast in overleg met het LSOP Ten aanzien van besturing postinitieel: Politie Onderwijsraad adviseert in maart 2004 4. Zie maatregel 62, actviteit 2 |
| 79. | Overdracht algemene hulpverleningstaken politie (beperking hulpverlening tot noodhulp) Vergroting van de inzet van politie op haar kerntaken. Nulwaarde en streefwaarde: PM | 2006 | 1. Sluiten van convenant door politie met GGZ (01-01-2003) 2. Maken van afspraken met G30 voor het GSB verlengingsjaar 2004 over maatschappelijke opvang (01-08-2003) 3. Maken van afspraken met de G30 voor de nieuwe convenantsperiode GSB III (was: 01-12-2004; wordt 31-12-2005) 4. Maken van afspraken met overige zorginstellingen | 1. ✓2. ←3. ←4. ← | 1. ✓2. ✓3. ⧫4. ← | 3. Ondertekening van de convenanten staat gepland voor januari 2005 4. In relatie tot het kunnen maken van de afspraken, wordt door de Minister van BZK over de verdere gedachten- en besluitvorming rond de kerntaken van politie medio 2004 een brief naar de TK gestuurd. |
| 81. | Aanpassen budget verdeel systeem (BVS) Bezien hoe het BVS beter kan aansluiten bij de ontwikkelingen van de (relatieve) veiligheidssituatie Nulwaarde en streefwaarde: afhankelijk van nieuwe systematiek | 2005 (realisatie)2007 (invoering) | 1. Opzetten van het project voor aanpassing BVS (01-10-2003) 2. Evalueren huidig Budget Verdeelsysteem (01-03-2004) 3. Bestuurlijk-politieke besluitvorming (01-10-2004) 4. Effectueren van de uitkomst van de besluitvorming (01-10-2004) 5. Migreren naar de nieuwe budgetverdeling (31-12-2006) 6. Verdeling budget conform nieuwe verdeelsystematiek (31-12-2007) | 1. ✓2. □3. □4. □5. □6. □ | 1. ✓2. ←3. □4. □5. □6. □ | 2. Evaluatie is gestart |
| 82. | Uitwerken stelsel van prestatiebekostiging Aanpassen huidig bekostigings systeem politie voor (centrale) sturing op prestaties Nulwaarde en streefwaarde: afhankelijk van nieuw stelsel | 2004 | 1. Onderzoek huidig stelsel naar aangrijpingspunten voor ontwikkeling nieuw stelsel (01-07-2003) 2. Testen van huidig stelsel voor prestatiebekostiging op basis van gegevens 2002 (01-07-2003) 3. Migratie huidig stelsel naar nieuw stelsel (01-07-2003) 4. Voorstel voor nieuw stelsel voor advies aan politieveld (01-10-2003) 5. Vaststellen nieuw stelsel (01-10-2003) 6. Jaarlijks opvragen gegevens (01-04-2004, 04-2005 enz.) | 1. ←2. ←3. ←4. □5. □6. □ | 1. ✓2. ✓3. ⧫/© 4. ⧫/© 5. □6. ✓ | 4. Voorstel naar het veld. Na de bekendmaking van de prestatiebekostiging in 2003 over de prestaties in 2002 heeft een «evaluatie»plaatsgevonden om de leerpunten mee te nemen in het voorstel voor de toekomstige prestatiebekostiging 2003–2006. Deze tussenstap was in de eerdere planning niet voorzien |
| 83. | Periodiek publiceren van vergelijkende resultaten politieregio's Publiekelijk en periodiek bekend maken en vergelijken van de behaalde resultaten van politieregio's Nulwaarde en streefwaarde: vergelijken resultaten van alle politieregio's | 2004 | 1. het benaderen van verschillende instanties voor het ontsluiten van gegevensverzamelingen (01-01-2004) 2. Overleggen over vorm, inhoud, kwaliteit en periodiciteit van gewenste gegevens (01-01-2004) 3. Het formeel aanschrijven van instanties (01-01-2004)4. Het opslaan en beschikbaar stellen van gegevens (jaarlijks) | 1. ←2. ←3. ←4. ← | 1. ✓2. ⧫3. ✓4. ← | 2. Over de inhoud en vorm van een aantal gegevens is nog geen overeenstemming bereikt met de aan te leveren instanties. |
| 84. | Landelijke Kader Nederlandse Politie en regionale convenanten Prestatiegerichter werken/maken van prestatieafspraken met korpsen Nulwaarde: 0 convenanten Streefwaarde: 27 convenanten + Landelijk kader | 31-12-2002 -01-10-2003 | Sluiten van landelijk en regionale convenanten en het monitoren van de daarin opgenomen prestatie-afspraken over 1. 40 000 extra misdrijfzaken met bekende dader naar OM 2. Aanpak van veelplegers en harde kernjongeren 3. Stijging tijdige afdoening van aantal internationale rechtshulpverzoeken 4. Intensivering operationeel vreemdelingentoezicht 5. Verbetering bereikbaarheid en beschikbaarheid politie 6. Verbetering tevredenheid burger dienstverlening politie 7. (Structurele) toename aantal staandehoudingen van ten minste 180 000 te bereiken in 2006 8. Terugdringen ziekteverzuim 9. Verbetering doelmatigheid 5% | 1. ✓/← 2. ✓/← 3. ✓/←/ – 4. ✓/← /– 5. ✓/←/– 6. ✓/←/–7. ✓/←8. ✓/← / – 9. ✓← | 1. ✓/←2. ✓/← 3. ✓/←/ – 4. ✓/← / – 5. ✓/← / – 6. ✓/← / – 7. ✓/←8. ✓/← 9. ✓/← | 1. Instroom aantal misdrijfzaken bij OM (1-1-2003) 2. Aantal veelplegers en harde kernjongeren ; zie maatregel 8 en de maatregelen 32 en 41 (1-1-2003) 3. nader te bepalen; zie maatregel 85 4. nader te bepalen; zie de maatregelen 66 en 68 5. de feitelijke bereikbaarheid van het LTP/1-1-2 en de gemeten kwaliteit van de dienstverlening in het kader van het LTP die volgt uit de regionale toepassing van de «Kwaliteitsthermometer teleservice». De schaalscore beschikbaarheid zoals gemeten in de Politie Monitor Bevolking (1-1-2003) 6. Het percentage respondenten dat tevreden of zeer tevreden is over politieoptreden bij het laatste contact met de politie, zoals gemeten in de Politie Monitor Bevolking 7. Het aantal uit staandehoudingen voortgekomen boetes en transacties 8. (Betreft uitwerking van maatregel 76) Het landelijke totale ziekteverzuimpercentage dient over het jaar 2006 maximaal 8% te bedragen. Met de korpsen worden hiertoe afzonderlijke afspraken gemaakt. De afspraken zullen in lijn zijn met het Arboconvenant 2001-2004 en de reductiedoelstellingen in dit convenant verder continueren. 9. (Betreft uitwerking van maatregel 74) Opstellen van plannen van aanpak door korpsen om te komen tot de doelmatigheidswinst van 5% van feitelijke sterkte ultimo 2002. Ieder korps stelt daartoe een plan van aanpak op waarin de samenhangende maatregelen (waaronder de optimalisatie van het capaciteitsmanagement) worden weergegeven die, samen met de maatregelen ten behoeve van het terugdringen van het ziekteverzuim, deze doelmatigheidsverbetering realiseren |
| 85. | Internationale rechtshulpverzoeken Tijdige en adequate reactie op rechtshulpverzoeken uit het buitenland Nulwaarde: PM (kwalitatief en kwantitatief) Streefwaarde: PM (kwalitatief en kwantitatief) | 2006 | 1. Optimaliseren van managemetninformatiesysteem LURIS II (continu) 2. Opstellen van kwantitatieve en kwalititatieve normen voor afdoening van rechtshulpverzoeken (was: 31-12-2003; wordt 01-06-2004) 3. Ontwikkelen van verdeelinstrument voor budgettering van Internationale rechtshulpcentra (01-06-2004) | 1. ←2. ←3. ← | 1. ←2. ⧫3. ⧫ | 1. 1e helft wordt implememtatie LURIS 3.0 en het daaraan gekoppelde digitaal archief Zylab voorzien 2. Dit bleek in 2003 nog niet haalbaar te zijn omdat de huidige versie van LURIS nog niet de mogelijk heeft om de managementinformatie op te leveren die voor een nulmeting van belang is. Met LURIS 3.0 wordt in deze mogelijkheid wel voorzien. Verwacht wordt dat de kwantitatieve ne kwalitaitieve normen zijn opgesteld vóór 01-06-2004. 3. Dit bleek in 2003 nog niet haalbaar te zijn in verband met de huidige ontwikkelingen rondom Nationale en Bovenregionale recherche in relatie tot doorontwikkeling IRC's. Verdeelinstrument wordt naar verwachting voor 1-6-2004 gerealiseerd. |
Paragraaf 4.2 Vervolging en afdoening
| VP-nummer | Maatregel Doelstelling | Streefdatum realisatie doelstelling | Te verrichten activiteiten/te leveren prestaties en tijdsplanning | Stand per 1-7-2003 | Stand per 1-1-2004 | Toelichting op stand 1-1-2004 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 86. | Keteneffecten voor de Justitieketen als gevolg van de intensivering van de handhaving en van het toezicht in de publieke ruimte De adequate verwerking van de extra instroom als gevolg van het landelijk kader van de politie Nulwaarde: aantal misdrijfzaken over 2002 Streefwaarde in 2006: aantal misdrijfzaken over 2002 + 40 000 Nulwaarde: aantal boetes en transacties uit staandehoudingen over 2002 Streefwaarde 1-1-2006 aantal boetes en transacties uit staandehoudingen over 2002 +180 000 in 2006 | 2006 | 1. Verwerking van 40 000 extra misdrijfzaken 2. Verwerking van 180 000 uit staandehoudingen voortkomende boetes en transacties | 1. ←2. ← | 1. ←2. ← | Zie de brief van de minister van Justitie d.d. 19 maart 2004 (TK 2003–2004, 28 684, nr. 26) en bijlage III bij de derde voortgangsrapportage |
| 87. | Meer en executabele OM-afdoening Vergroten van de doelmatigheid in de Justitieketen en ontlasting van de rechtsprekende macht Doelomschrijving gewijzigd in: vergroten van de doelmatigheid in de Justitieketen en werklastvermindering van de rechtsprekende macht Nulwaarde en streefwaarde: daling van 44 000 kantonzaken en 21 000 rechtbankzaken | 2005 | 1. (Vervallen: wetsvoorstel uitbreiding transactiemogelijkheden) 2. Wetsvoorstel OM-afdoeningen (01-03-2005) | 1. ⧫2. ⧫ | 1. –2. ⧫ | 1. het wetsvoorstel uitbreiding transactiemogelijkheden is «ingehaald» door het wetsvoorstel OM-afdoening en kan derhalve vervallen 2. Wetrsvoorstel is voor advies aanhangig gemaakt bij de Raad van State in februari. Beoogde indiening bij de Tweede Kamer is 1 mei 2004; beooogde inwerkingtreding is 1 maart 2005 |
| 88. | Versterking rol OM bij executie Verhoging van de effectiviteit van de sanctie door versterking van de rol van het OM in de executiefase, zodat het OM in staat is tijdige, volledige en juiste, juridische beslissingen te nemen Nulwaarde en streefwaarde: afhankelijk van de ultimo 2004 te ontwikkelen maatregelen | 2006 | 1. Uitvoering van een operational audit naar de executie van taakstraffen (was: 01-09-2003; wordt:01-03-2004) 2. Verbreding van de uitkomsten van de audit naar de andere executieterreinen (was: 01-12-2003; wordt: 01-06-2004) 3. Formulering van maatregelen ter versterking van de organisatie van het OM in executiefase (was: 01-03-2004; wordt: 01-10-2004)4. Invoering van de maatregelen, landelijk en lokaal, waaronder inrichting van werkprocessen i.o.m. ketenpartners, automatisering (was: 01-12-2005; wordt: 31-12-2005) | 1. ←2. □3. □4. □ | 1. ⧫2. □3. □4. □ | 1. Uitvoering van operational audit is inmiddels voltooid. Bespreking en vaststelling van de uitkomst van de operational audit in de auditcommitee van het OM is met een vertraging van enkele maanden geschied in februari 2004 2. Begin 2004 zal worden bepaald of de herijking van het executieproces alsmede de organisatie daarvan, integraal onderdeel zal uitmaken van het programma «Het OM verandert». Is dit niet het geval, dan zal, in nauwe samenhang met het «OM verandert» worden bezien of een apart traject moet worden ingericht. Tevens wordt afstemming gezocht met het project «Versterking executie» van het CJIB. |
| 89. | Invoeren quick scan bij inverzekeringstelling Stelselmatige en vroegtijdige screening en indicatiestelling bij inverzekeringstelling, opdat in een vroeg stadium als onderdeel van strafrechtsketenbrede risicoanalyse een efficiënte en effectieve aanpak door het OM kan worden gekozen Nulwaarde en streefwaarde: beschikbaarheid van instrument | 2005 | 1. prototype is gereed (01-12-2003) 2. Implementatieplan gereed (01-07-2004) 3. Implementatie van start (01-07-2004) | 1. ←2. □3. – | 1. ✓2. □3. □ | 1. Prototype doorloopt met ondersteuning vanuit het WODC validatietraject |
| 90. | Early warning systeem Een goed ontwikkeld en bestuurlijk ingebed informatiesysteem, waarmee op de korte termijn urgente knelpunten kunnen worden voorzien in (de behoefte aan) celcapaciteit Nulwaarde en streefwaarde: informatiesysteem is operationeel dat voldoet aan het medio 2004 uitgewerkte programma van eisen | 2004 | 1. Ontwikkelen van een korte- termijn- informatiesysteem voor celcapaciteit (01-04-2003) 2. Testen van informatiesysteem en optimaliseren (01-07-2004)3. Bestuurlijke inbedding via het Landelijk Executie Overleg (01-12-2004) | 1. ✓2. ←3. ← | 1. ✓2. ←3. ← | |
| 91. | Verdere uitbouw van de Arrondissementale Justitiële Beraden Optimalisatie van afstemming en samenwerking tussen de lokale justitiële organisaties | 2005 | 1. Verdere uitbouw van AJB's (continu) 2. Bindende afspraken over inzet van deelnemende organisaties aan AJB (31-12-2005) | 1. ←2. ← | 1. ←2. ← | 1. Als onderdeel van de verbetering van de besturing van Justitie is een programma versterking regionalisering gestart dat zich ter ondersteuning van de AJB's en de daarbij betrokken organisaties richt op het oplossen en het voorkomen van structurele knelpunten 2. Over aard, inhoud en vorm van te maken c.q. gemaakte bindende afspraken vindt intensief overleg en uitwisseling plaats in en tussen de AJB's |
| 92. | Onderzoek naar aard en oorzaak van belemmeringen in de aansturing en financiering van de ketenpartners die praktische samenwerking in de weg staan Opheffen knelpunten regionale samenwerking tussen justitieorganisaties in de strafrechtsketen Nulwaarde en streefwaarde: nvt | 2006 | 1. Inventarisatie knelpunten (01-03-2003) 2. Werken aan opheffen van geïnventariseerde knelpunten (31-12-2006) • het vereenvoudigen en het procesmatig afstemmen van stappen in planning en control procedures • het wegnemen van een aantal specifieke problemen met outputsturing en het formuleren van generieke eisen waaraan outputsturing in de keten moet voldoen • het vinden van een verstandige vertaling en gebruik van begrippen op de « koppelvlakken» tussen de partners • het op centraal niveau ontwikkelen en gebruiken van een probleemgeorienteerde verzameling van begrippen, terwijl op lokaal niveau bruikbare oplossingen moeten worden gevonden voor het in beeld krijgen van de productie bij de naast gelegen ketenpartner | 1. ✓2. ← | 1. ✓2. ← | 2. De aanpak van de knelpunten wordt geïntensiveerd door middel van de programma's die zijn gestart om de besturing van Justitie te verbeteren. De programma's zijn erop gericht om de ervaringen en de deskundigheid van de uitvoerende organisaties te matchen met die van de beleidseenheden. |
| 93. | Commissie Verbetervoorstellen De Commissie heeft tot doel te komen met wets wijzigingen die leiden tot een efficiëntere strafrechtspleging Nulwaarde en streefwaarde: nvt | 2003 | 1. Interimrapportage (01-12-2002) 2. Eindrapportage (01-10-2003) 3. Implementatie van de voorstellen (PM) | 1. ✓2. ←3. ← | 1. ✓2. ←3. ← | 2. Eindrapportage is in februari 2004 aangeboden aan de Minister van Justitie 3. Zie wetgevingsprogramma; uitwerking in maatregelen 95, 97, 101 en 103 |
| 94. | Betere benutting zittingscapaciteit Het beter gebruik maken van de totale ztiingscapaciteit bij alle gerechten ten behoeve van het opvangen van lokale piekbelasting bij een gerecht. Daardoor zullen doorlooptijden niet oplopen en zullen er geen achterstanden ontstaan | 2004 | AMVB betere benutting zittingscapaciteit (beoogde iwtr. was 01-01-2004 en wordt 01-06-2004) | © | ⧫ | Zie wetgevingsprogramma; Ontwerp AMVB is in het kader van voorhangprocedure aanhangig bij de Tweede Kamer en Eerste Kamer |
| 95. | Aanpassing betekeningsregeling Het verminderen van het aantal nietigverklaringen van de dagvaariding Nul- en streefwaarde: PM | 2005 | Wetsvoorstel Herziening Betekeningsvoorschriften (beoogde iwtr 01-07-2005) | ← | ©/← | Zie wetgevingsprogramma. De indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer is met 9 maanden vertraagd tot 1 september 2004. De geplande inwerkingtreding van 1-7-2005 blijft vooralsnog gehandhaafd |
| 96. | Efficiencyverbetering transport gedetineerden Efficiëntieverbetering transport gedetineerden van en naar voorgeleiding en zitting met als gevolg minder aanhoudingen bij strafzaken Nulwaarde en streefwaarde: afhankelijk van plan van aanpak | PM | 1. inventarisatie van mogelijkheden voor verbetering in transport 2. Nav (1) opstellen van plan van aanpak | 1. ✓2. □ | 1. ✓2. □ | 1. Over de uitkomsten van de inventarisatie en de ter zake gedane aanbevelingen zal de minister van Justitie overleg voeren met het College van Procureurs-generaal |
| 97. | Invoering telehoren in strafzaken Telehoren van verdachten in het strafrecht wettelijk mogelijk maken Nulwaarde en streefwaarde: afhankelijk van resultaten van de pilots | 01-01-2007 | 1. Voorbereiden wetsvoorstel 2. Start van pilot in 2 arrondissementen 3. Evt. invoering van telehoren | 1. ←2. ←3. □ | 1. ©/← 2. ←3. □ | Zie wetgevingsprogramma.De indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer is vertraagd. Indiening is thans voorzien in juli 2004. De geplande inwerkingtreding van 1-7-2005 blijft vooralsnog gehandhaafd |
| 98. | Onderzoek naar verruiming bedrijfstijden van gerechten Verkrijgen van inzicht in de mogelijkheden van verruiming van bedrijfstijden van gerechten | PM | 1. inventarisatie van mogelijkheden voor verruiming van bedrijfstijden 2. Nav (1) opstellen van plan van aanpak | 1. ✓– | 1. ✓– | |
| 99. | Onderzoek verruiming bevoegdheden politierechter (motie Teeven) Nulwaarde en streefwaarde: nvt | 2003 | 1. Verrichten van onderzoek 2. Opleveren van onderzoeksrapport (01-10-2003) | 1. ✓2. ← | 1. ✓2. ✓ | Onderzoeksrapport is, voorzien van kabinetsstandpunt, op 12 november 2003 aangeboden aan de Tweede Kamer tegelijk met de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel tot beperking van de bevoegdheid van enkelvoudige kamers (TK 2003–2004, 28 866, nr 6) |
| 100. | Terugdringen van aanhoudingen voor onbepaalde tijd met in persoon betekende dagvaarding (Nieuw tov 01-07-2003) Verkorting van doorlooptijd in strafzaken Nulwaarde: PM Streefwaare: PM | 2004 | 1. Ontwikkelen van een beleidsinhoudelijk kader in overleg met de sectorvoorzitters straf van de gerechten. Kader moet handvatten bieden wanneer en in welk geval een zaak voor onbepaalde dan wel bepaalde tijd kan worden aangehouden (01-06-2004) 2. Implementeren beleidsinhoudelijk kader (01-12-2004) | 1. ←2. □ | 1. ←2. □ | |
| 101. | Indienen wetsvoorstel voor verlenging termijn oproepen getuigen (Nieuw tov 01-07-2003) Het verminderen van het aantal gevallen dat een zaak ter terechtzitting moet worden aangehouden Nulwaarde en streefwaarde: nvt | 2003 | Wetsvoorstel (iwtr. 01-07-2003) | 1. ✓ | 1. ✓ | Wetsvoorstel is tot wet verheven en in werking getreden op 1 juli 2003 |
| 102. | Aanpassing Vreemdelingenwet op het punt van rechterlijke toets in bewaringszaken (Nieuw tov 01-07-2003) Het verkorten van de doorlooptijden van de beroepsprocedures in reguliere vreemdelingenzaken en asielzaken, alsmede een vermindering van de werklast van de vreemdelingenkamers van de rechtbanken Nulwaarde en streefwaarde: nvt | 01-05-2004 | Wetsvoorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (beoogde iwtr. 01-05-2004) | 1. ← | 1. ← | Het wetsvoorstel is in december 2003 door de Tweede Kamer aanvaard en is thans aanhangig bij de Eerste Kamer. |
| 103. | Bezien mogelijkheden afschaffing aanwezigheidseis voor minderjarigen bij jeugdstrafzaken Nulwaarde en streefwaarde: nvt | 01-03-2005 | Wetsvoorstel n.a.v. evaluaties Penitentiaire Beginselenwet c.a. (beoogde iwtr. 01-03-2005) | ← | ← | |
| 104. | Bezien mogelijkheden versterking van het voortbouwende aspect van de appelbehandeling (Nieuw tov 01-07-2003) Het verminderen van het aantal appèlzaken waarin zonder noodzaak beslissingen worden overgedaan Nulwaarde en streefwaarde: PM | 01-01-2006 | Wetsvoorstel stroomlijning van de procedure in hoger beroep (beoogde iwtr. 01-01-2006) | ← | ← | Zie wetgevingsprogramma. Beoogde indiening bij TK 1-7-2004. Beoogde iwtr 1-1-2006. Rapport van de werkgroep «Hoger beroep en verzet» is voltooid en aangeboden aan de Tweede Kamer met het standpunt dat het rapport uitgevoerd gaat worden. In maart is het wetsvoorstel in consultatie gegeven. |
Paragraaf 4.3 Sanctietoepassing
| VP-nummer | Maatregel Doelstelling | Streefdatum realisatie doelstelling | Te verrichten activiteiten/te leveren prestaties en tijdsplanning | Stand per 1-7-2003 | Stand per 1-1-2004 | Toelichting op stand 1-1-2004 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 105. | Eenvoudigere en goedkopere capaciteit Eindresultaat: Rekening houdend met detentieduur, fase van vrijheidsbeneming en doelgroep, eenvoudigere en goedkopere plaatsen realiseren door wijziging PM en implementatie in HvB's en gevangenissen Nulwaarde: PM Streefwaarde: PM | 2008 | 1. Wijziging Penitentiaire maatregel gereed (01-10-2003) 2. Opstellen plan gereed (vanaf 01-01-2004) 3. Implementatie van start gegaan (01-12-2003) | 1. ✓2. ←3. □ | 1. ✓2. ©/⧫ 3. ⧫ | 2. Plan voor invoering is voor advies voorgelegd aan medezeggenschapsorganen; advies wordt eind april/begin mei verwacht 3. Vertraging wordt veroorzaakt door complexiteit in samenhang met bezuinigingen op DJI |
| 106. | Meerpersoons celgebruik bij penitentiaire inrichtingen Eindresultaat: 1000 plaatsen Nulwaarde: 0 Streefwaarde: 1000 | 01-01-2005 | 1. Wetsvoorstel in TK is ingediend (01-05- 2003) 2. Aanpassing Penitentiaire beginselenwet is in werking getreden (01-01-2005) 3. 200 plaatsen gerealiseerd (01-06-2003) 4. 300 plaatsen gerealiseerd (01-01-2004) 5. 1000 plaatsen gerealiseerd (01-01-2005) | 1. ←2. □3. ⧫4. □5. □ | 1. ✓2. □3. ✓4. ✓5. □ | 1. Wetsvoorstel is door de Tweede Kamer aangenomen. In december 2003 is het wetsvoorstel aangeboden aan de Eerste Kamer. 2. Afhankelijk van behandeling in de Eerste Kamer kan in inwerkingtreding mogelijk worden vervroegd naar 1-7-2004. |
| 107. | Elektronische detentie (ED) i.p.v. korte vrijheidsstraffen Eindresultaat: de behoefte aan capaciteit is afgenomen met 200 plaatsen gemiddeld (op jaarbasis) in 2004 Nulwaarde en streefwaarde: behoefte aan capaciteit is met -/- 200 plaatsen afgenomen | 01-01-2005 | 1. Wetsvoorstel TK is ingediend (was 01-12-2003; wordt 01-03-2005) 2. Implementatieplan voor eerdere start is gereed (01-05-2003) 3. Circulaire gereed (voor 01-08-2003) 4. Bepaalde categorieën zijn voortijdig van start gegaan (01-10-2003) 5. Wet in werking getreden (was: 01-01-2005; wordt 01-07-2006) | 1. ←2. □3. ←4. ←5. □ | 1. ⧫2. ✓3. ✓4. ←5. □ | 1. Beleidsvisie die nodig is voor wetsvoorstel is nog in ontwikkeling. Verwacht wordt dat deze beleidsvisie gereed is in april 2004. 4. Er is van start gegaan op 15-11-2003. Er zijn thans ca 150 personen onderworpen aan ED. Het aantal van 200 personen zal worden gehaald in maart 2004. Vanaf de start zijn reeds 250 personen onderworpen geweest aan ED met een slagingspercentage van 96. |
| 108. | Doorplaatsen van in eerste aanleg veroordeelden Eindresultaat: nog nader te bepalen aantal van doorstromingen uit de huizen van bewaring van in eerste aanleg veroordeelden Nulwaarde: PM Streefwaarde: PM | 01-01-2005 | 1. Wetsvoorstel TK is ingediend (was:01-12-2003; wordt: 15-03-2004)) 2. Implementatieplan is gereed (was: 01-05-2004; wordt: 01-01-2005) | 1. ⧫2. □ | 1. ⧫2. □ | 1. Wetsvoorstel is naar de RvS doorgestuurd. De RvS heeft advies uitgebracht in februari 2004 De Inwerkingtreding is thans voorzien op 1-7-2005 |
| 109. | Sneller doorplaatsen naar minder beveiligde inrichtingen Eindresultaat : aantal nog nader te bepalen gedetineerden in inrichtingen met een lager beveiligingsniveau Nulwaarde: PM Streefwaarde: PM | 01-11-2003 | 1. Wijzigingsvoorstel ministeriële regeling «Selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden» en ministeriële regeling «tijdelijk verlaten van de inrichting» zijn na consultatie vastgesteld (01-08- 2003) 2. Wijzigingsvoorstel is inwerking getreden (01-11-2003)3. Implementatie is gestart (01-11-2003) | 1. ←2. □3. □ | 1. ⧫2. □3. □ | 1. Er zijn andere prioriteiten gesteld mede door ontbrekende ruimte in minder beveiligde inrichtingen om effect te sorteren. Dit hangt samen met het actieprogramma van DJI: «De Nieuwe Inrichting» 2. Er is bij DJI vertraging opgetreden in de ontwikkeling van regelgeving |
| 110. | Reserveren van plaatsen voor arrestanten Eindresultaat: 600 plaatsen zijn gereserveerd Nulwaarde: 0 Streefwaarde: 600 | 31-12-2003 | 1. Samenwerkingsovereenkomst is getekend door DJI en het CJIB (01-05-2003) 2. Eind 2de kwartaal: 500 plaatsen gereserveerd 3. Eind 3de kwartaal: 600 plaatsen gereserveerd | 1. ⧫2. ←3. □ | – 2. ✓3. ✓ | 1. Het project dat gekoppeld is aan maatregel 110 is afgerond, nl 600 plaatsen zijn gereserveerd in samenwerking tussen DJI en CJIB |
| 111. | Publiekprivate samenwerking toepassen bij gevangeniswezen en bij taakstraffen Eindresultaat: a. Toepassen van publiek-private samenwerking bij de realisatie en exploitatie van (een deel van) de penintentiaire inrichtingen die tot een gunstiger prijs-kwaliteit verhouding moet leiden; b. Vergroten doelmatigheid bij tenuitvoerlegging taakstraffen door een via PPS mogelijke vergroting van capaciteit en verlaging van de kostprijs Nulwaarde: PM Streefwaarde: PM | 31-12-2005 | Activiteiten betreffende doel a 1. Onderzoek naar wenselijkheid en mogelijkheden PPS voor GW is afgerond en vertaald in voorstel (01-12-2003) 2. Contract(en) voor PPS/inrichting(en) zijn gesloten (01-07-2004) 3. Implementatie is voorbereid (01-12-2004) Activiteiten betreffende doel b 1. Onderzoek naar wenselijkheid en mogelijkheid PPS bij taakstraffen is afgerond en vertaald in voorstel (was: 01-12-2003; wordt: PM) 2. Contract(en) voor PPS/taakstraffen zijn gesloten (was: 01-07-2004; wordt: PM 3. Implementatie is voorbereid (was: 01-12-2004; wordt: PM) | 1. ←2. □3. □ 1. ←2. □3. □ | 1. ⧫2. □3. □ 1. ⧫2. □3. □ | 1. Onderzoek is met vertraging opgeleverd. Voorstel wordt uitgewerkt en is naar verwachting gereed in juni 2004 1. Uitvoering is vertraagd door ombuigingen bij Reclassering en in gang gezette reorganisatie. In de loop van de inrichting van de nieuwe organisatiestructuur zal de uitvoering van de maatregel worden ingepast. |
| 112. | Tijdelijk vervroegd beëindigen van taakstraf Eindresultaat: Beschikbaarheid van een regeling om taakstraffen vervroegd te beëindigen bij goed gedrag is gerealiseerd. Nulwaarde en streefwaarde: beschikbaarheid regeling | 31-12-2003 | 1. Criteria en toepassingsprocedure door Stichting Reclassering Nederland zijn vastgesteld (01-08-2003) 2. Er is overeenstemming bereikt met zittende en staande magistratuur (01-11-2003) | 1. ←2. ← | – – | Op 10-2-2004 is besloten af te zien van verdere uitvoering van de maatregel door het ontbreken van: • capacitatieve noodzaak • van noodzaak ten aanzien van kostenefficientie • politiek en maatschappelijk draagvlak en door het niet kunnen vaststellen van bruikbare beslissingscriteria voor een IVO-regeling |
| 113. | Kale werkstraffen Eindresultaat: 40% van de werkstraffen wordt kaal uitgevoerd, d.w.z. zonder extra begeleiding door reclassering Nulwaarde: 0% van de werkstraffen worden kaal uitgevoerd Streefwaarde: 40% van de werkstraffen worden kaal uitgevoerd | 31-12-2003 | 1. Productportfolio (splitsing trajectbegeleiding in indicatiestelling en begeleiding) is aangepast 2. Het aantal taakstraffen is verhoogd tot het niveau van 31 000 in 2003 (31-12-2003) | 1. ✓2. ← | 1. ✓2. ✓ | 2. Inmiddels wordt 40% zonder begeleiding uitgevoerd; het aantal werkstraffen is zeer aanzienlijk toegenomen; in 2003 nog onder het aantal van 31 000, in 2004 is een toename voorzien naar 34 000 |
| 114. | Speciale categorale voorzieningen – veelplegers Eindresultaat: Effectiviteit sanctietoepassing is toegenomen, overlast van veelplegers is afgenomen; vermindering van recidive wordt bereikt. Nulwaarde: zie onder activiteit 2 Streefwaarde: zie onder activiteit 2 | 2007 | 1. Wetsvoorstel bestraffing veelplegers (beoogde iwtr was: 01-05-2004; beoogde iwtr wordt: 01-07-2004) 2. De volgende plaatsen zijn gerealiseerd 30 in 2003 272 in 2004 544 in 2005 967 in 2006 1000 in 2007 | 1. ←2. ← | 1. ✓2. ← | 1. Wetsvoorstel is op 16-12-2003 aangenomen door de Tweede Kamer en is nadien aangeboden aan de Eerste Kamer Zie ook bij maatregel 8 (Aanpak veelplegers) en wetgevingsprogramma |
| 115. | Speciale categorale voorzieningen – strafrechterlijke opvang verslaafden (SOV) Eindresultaat: Het aantal SOV-plaatsen is met 144 uitgebreid, waarmee een betere dekking over het land is gerealiseerd. Nulwaarde 1-7-2003: 293 Streefwaarde: 437 | 2007 | 1. Opstelling kader op basis van 144 plaatsen uit de 1000 t.b.v. veelplegers (01-09-2003) 2. Realisatie (als onderdeel van maatregel 114, activiteit 2) (31-12-2007) | 1. ←2. ← | 1. ✓2. ← | 2. Als onderdeel van het realiseren van 144 SOV-plaatsen tot 2007, komen er in 2004 48 SOV-plaatsen beschikbaar voor Den Haag. Dit betreft 36 intramurale en 12 extramurale plaatsen. Deze plaatsen zijn volgens planning aan Den Haag toebedeeld. |
| 116. | Speciale categorale voorzieningen -uit te zetten vreemdelingen Eindresultaat: twee uitzetcentra zijn gerealiseerd in totaal met 600 plaatsen Nulwaarde: 0 plaatsen Streefwaarde: 600 plaatsen | 31-12-2007 | 1. twee locaties nabij Zestienhoven en Schiphol zijn bouwkundig opgeleverd met resp. 96 plaatsen en 102 plaatsen (01-06- resp. 01-07-2003) 2. eerste instroom van uit te zetten vreemdelingen gerealiseerd (01-06- resp. 01-07-2003)Nieuw: 3. Realisatie naar 500 plaatsen (in loop van het jaar van 300 naar 600) 4. Realisatie naar 600 plaatsen (01-01-2007) | 1. ⧫2. ← | 1. ✓2. ✓3. □4. □ | 1. 198 plaatsen bij Zestienhoven operationeel; 102 plaatsen bij Schiphol. Ultimo 2003 zijn derhalve 300 plaatsen gerealiseerd. 2. Op 10-11-2003 is de instroom gestart 3. Realisatie naar 500 plaatsen vindt plaats medio 2006 |
| 117. | Vaker taakstraf + elektronisch toezicht ipv gevangenisstraffen van 6 tot 12 maanden Eindresultaat: Uitbreiding aan taakstraffen in combinatie met elektronisch toezicht voor bepaalde categorieën justiabelen is gerealiseerd, zodanig dat hierdoor vanaf 2006 de behoefte aan plaatsen met 200 is afgenomen Nulwaarde: 0 Streefwaarde: bereikte behoeftevermindering van 200 plaatsen | 2006 | 1. Ontwikkelen beleidskader voor ET en ED (was: 01-10-2003; wordt: 01-04-2004) 2. Bereiken consensus met reclassering, OM en ZM over toepassing ET (was: 01-10-2003; wordt: 01-04-2004) 3. Implementatie (was: 01-12-2003) | 1. ←2. ←3. □ | 1. ⧫2. ⧫/© 3. □ | 1. Zie maatregel 107 2. Het creëren van draagvlak bij OM en reclasseringsinstellingen vergt meer tijd. OM en reclassering ontwikkelen met het oog daarop in overleg met het ministerie een actieplan dat vanaf april 2004 wordt uitgevoerd 3. Implementatie start in de tweede helft van 2004 |
| 118. | Programma TR. Effectieve interventies voor daarvoor in aanmerking komende gedetineerden – Diagnose-instrument E indresultaat: Landelijke toepassing van een betrouwbaar diagnose-instrument waarmee het recidive risico van plegers van misdrijven kan worden bepaald en de veroorzakende factoren Nulwaarde en streefwaarde: beschikbaarheid diagnose-instrument | 31-12-2006 | 1. Een ontwikkelde en geteste eerste versie diagnose instrument is beschikbaar (01-07-2003) 2. Een definitieve papieren versie diagnose instrument is gereed (01-12-2003) 3. Invoeringsplan diagnose instrument is voltooid (was: 01-12- 2003; wordt: 01-04-2004) 4. Diagnose instrument in geautomatiseerde informatiesystemen DJI en reclassering ingebouwd (was: 01-12-2004; wordt: 01-07-2004)5. Diagnose instrument gefaseerd ingevoerd (12-2006) | 1. ✓2. ←3. ←4. □5. □ | 1. ✓2. ✓3. ⧫4. ⧫5. □ | 2. Na te zijn getest en bijgesteld is door logistieke problemen de oplevering van het diagnose-instrument enigszins vertraagd. In de pilots waar het diagnose-instrument voor het eerst wordt ingevoerd, wordt door de desbetreffende inrichtingen voorlopig gewerkt met de papieren versie totdat de digitale versie van het instrument beschikbaar is. |
| 119. | Programma TREffectieve gedragsinterventies voor gedetineerden Een dekkend aanbod van effectieve gedragsinterventies voor gedetineerden om recidive te verminderen Nulwaarde en streefwaarde: beschijkbaarheid aanbod effectieve gedragsinterventies | 31-12-2006 | 1. Voorbereiding experimentele introductie cognitieve vaardigheidstraining is gerealiseerd (01-12-2003) 2. Voorstel voor uitbreiding van het interventieaanbod voor verslaafde gedetineerden is gereed (01-03-2004) 3. Verbeterplan bestaande interventies incl. accreditatieregeling en implementatieplan zijn beschikbaar gekomen (was: 01-04-2004; wordt: 01-07-2004) 4. Experimentele introductie nieuwe interventies en verbetering van bestaande interventies worden uitgevoerd (31-12-2006) | 1. ←2. ←3. □4. □ | 1. ✓2. ←3. ⧫/© 4. □ | 3. Overleg over verbeterplan vergt meer tijd dan gepland |
| 120. | Programma TR verbetering samenwerking gevangeniswezen -reclassering Eindresultaat: Een transparant samenwerkingsmodel tussen gevangeniswezen en reclassering voor reïntegratie trajecten van gedetineerden is landelijk ingevoerd Nulwaarde en streefwaarde: beschikbaarheid van een transparant samenwerkingsmodel | 31-12-2005 | 1. opstellen concept samenwerkingsmodel is voltooid (01-04-2003) 2. uitwerking en toetsing in 3 pilots heeft plaatsgevonden (01-07-2004) 3. model reïntegratieplan is gereed gekomen (01-10-2003) 4. definitief samenwerkingsmodel + implementatieplan is vastgesteld (01-07-2004) 5. landelijke implementatie is voltooid (01-12-2005). | 1. ✓2. ←3. □4. □5. □ | 1. ✓2. ←3. ✓4. □5. □ | |
| 121. | Programma TR Verbetering aansluiting nazorgvoorzieningen voor gedetineerden Eindresultaat: Een betere aansluiting van reïntegratie trajecten van gedetineerden op maatschappelijke nazorgvoorzieningen is bereikt. Nulwaarde en streefwaarde: PM | 31-12-2006 | 1. Opstellen verbeterplan nazorgvoorzieningen is gerealiseerd (01-07-2003) 2. Implementatie verbeterpunten is gerealiseerd (01-12-2004) 3. Pilots toeleiding drangtrajecten voor verslaafde veelplegers zijn gehouden (01-07-2004) 4. Landelijke intensivering drangbeleid voor verslaafde veelplegers is voltooid (01-12-2006) | 1. ✓2. □3. ←4. □ | 1. ✓2. ←3. ←4. □ | Voor de activiteiten 3 en 4 zie maatregel 8 (Aanpak van veelplegers) |
| 122. | Invoering voorwaardelijke invrijheidstelling (VI), waarin het penitentiair programma opgaat, (was: vanaf de helft van de straf; wordt: vanaf 2/3 van de straf) Eindresultaat was: Het huidig automatisme van de onvoorwaardelijk vervroegde invrijheidstelling uit detentie op 2/3 van de vrijheidstraf is vervangen door invrijheidstelling onder voorwaarden op de helft van de vrijheidsstraf. Doel: vrijspelen van ca 800 detentieplaatsen en vermindering van recidive Eindresultaat wordt: Het huidig automatisme van de onvoorwaardelijk vervroegde invrijheidstelling uit detentie op 2/3 van de vrijheidstraf is vervangen door invrijheidstelling onder voorwaarden op 2/3 van de vrijheidsstraf. Doel: vermindering van recidive | 01-07-2006 | 1. Beoogde indiening TK van wetsvoorstel (was: 01-01-2004; wordt: 01-03-2005) 2. Voorbereiden invoering is voltooid (was: 01-12-2004; wordt: 01-05-2006) 3. Invoering is gestart (was: 01-01-2005; wordt: 01-07-2006) | 1. ⧫2. □3. □ | 1. ⧫2. □3. □ | 1. Politieke stellingname ten aanzien van oorspronkelijk voorgestelde maatregel heeft geleid tot heroverweging en daardoor tot vertraging. Deze heroverweging levert niet de eerder geplande capaciteitswinst op, maar kost extra capaciteit. |
| 123. | Verruimen toepassing van het penitentiair programmaEindresultaat: Meer gedetineerden komen in aanmerking voor uitstroom via een penitentiair programma (PP) met als gevolg vermindering van behoefte aan 72 detentieplaatsen en vermindering van recidive Nulwaarde en streefwaarde: bereikte behoeftevermindering aan 72 detentieplaatsen | 2004 | 1. Wetsvoorstel om penitentiair programma met elektronisch toezicht na 6 maanden detentie mogelijk te maken en wijziging in Penitentiaire Maatregel (PM) zijn in werking getreden (01-01-2004) 2. (was) 30 plaatsen in 2003 (31-12-2003) (wordt) 72 plaatsen in 2003 (31-12-2003) 3. 72 plaatsen op jaarbasis in 2004 (31-12-2004) | 1. ✓2. ←3. ← | 1. ✓2. ⧫3. ← | 1. Wet en wijziging van PM zijn op 1-1-2004 in werking getreden 2. In 2003 zijn 326 experimentele pp's gestart, bereikte behoeftevermindering was gemiddeld 50 plaatsen (minder dan de beoogde 72 plaatsen, omdat de gemiddelde duur van de pp's kort was). Daarnaast zijn in 2003 814 reguliere pp's gestart, bereikte behoeftevermindering was gemiddeld 280 detentieplaatsen. Dit is meer dan voorzien, dankzij de gemiddeld langere duur van de reguliere pp's. |
| 124. | Nieuwe besturingsvormen uitvoeringsorganisaties - herpositionering Reclassering Eindresultaat: Positionering en aansturing van reclassering die in overeenstemming is met (wettelijke) taken | 2007 | 1. Een ontwikkelde en vastgestelde Beleidsvisie op toekomstig takenpakket reclassering en consequenties voor positionering en aansturing zijn bepaald (was: 01-01-2004; wordt: 01-03-2005) 2. Opstellen wetsvoorstel Wet op de reclassering (01-01-2007) | 1. ✓2. ← | 1. ✓2. ← | 1. Aan de Tweede Kamer is in okober 2003 bericht dat het een globale visie betreft die in een meerjarig verandertraject wordt uitgewerkt en geimplementeerd. Deze uitwerking vergt meer tijd. Voorzien wordt de uitwerking gereed te hebben op 1-3-2005. |
| 125. | Nieuwe besturingsvormen uitvoeringsorganisaties – inrichten tijdelijke Directie Bijzondere Voorzieningen Eindresultaat: Tijdelijke Directie Bijzondere Voorzieningen is gestart Nulwaarde en streefwaarde: nvt | 2003 | Instellen van Tijdelijk directie Bijzondere Voorzieningen (01-03-2003) | ✓ | ✓ | |
| 126. | Nieuwe besturingsvormen uitvoeringsorganisaties – Verruiming bevoegdheden DJI Eindresultaat: Slagvaardigheid van DJI is vergroot en meer in het bijzonder ten gevolge van de nieuw voorgestane detentiefasering en regionale ketensamenwerking | 2007 | 1. Onderzoek is verricht naar voor het agentschap DJI geldende regelgeving en bezien is welke onderdelen daarvan voor wijziging of herziening in aanmerking komen (01-08-2003) 2. Plan van aanpak voor alle betrokken onderdelen is opgesteld (01-10-2003) | 1. ←2. ← | Maatregel 126 wordt niet zelfstandig voortgezet, activiteit 2 is ingebed in het bredere project regionalisering | |
| 127. | Nieuwe besturingsvormen Uitvoeringsorganisaties – vorming inspectie voor de sanctietoepassing Eindresultaat: Toezicht op penitentiaire inrichtingen en reclasseringsinstellingen is verbeterd en tevens de afstemming tussen de verschillende toezichthouders, door middel van een operationele inspectie. | 2005 | 1. plan van aanpak is opgesteld (01-04-2003) 2. regelgeving is opgesteld (01-12-2004) 3. implementatie (01-01-2005) | 1. ✓2. ←3. □ | 1. ✓2. ←3. □ |
Paragraaf 4.4 Preventie en Openbaar bestuur
| VP-nummer | Maatre gel Doelstelling | Streefdatum realisatie doelstelling | Te verrichten activiteiten/te leveren prestaties en tijdsplanning | Stand per 1-7-2003 | Stand per 1-1-2004 | Toelichting op stand 1-1-2004 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 128 | Afspraken met betrokken overheden en bedrijven (i.c. gemeenten) Veiligheid als vierde pijler binnen GSB Het in het kader van de uitvoering van het VP, maken van sluitende afspraken met gemeenten over het lokale veiligheidsbeleid die in logische samenhang zijn met de afspraken met de andere ketenpartners Nulwaarde en streefwaarde: afhankelijk van convenanten en bestuursakkoorden | 2003/2004/2005 | 1. Afspraken met G30 a. in samenspraak met betrokken ministeries en steden formuleren van outputdoelstellingen voor de aanvullende afspraken met de G30 voor het jaar 2004 obv de huidige convenanten (01-07-2003) b. In samenspraak met betrokken ministeries steden, formuleren van outputdoelstellingen voor de nieuwe convenantperiode GSB III (2005–2009) waarbij een vierde pijler veiligheid tot stand wordt gebracht (was: 01-11-2003; wordt: 30-04-2004) c. Het door de G30 formuleren van hun ambities op de outputdoelstellingen (01-11-2003 – 01-11-2004) d. het sluiten van convenanten met de G30 voor de GSB3-periode (was::01-12-2004; wordt 31-01-2005) 2. Afspraken met overige gemeenten Voorbereiden van de afspraken die met de overige gemeenten gemaakt worden over het thema veiligheid: een nieuw bestuursakkoord met VNG en IPO (01-07-2003 – 01-10-2003) | 1. a. ✓b. ←c. □d. □ | 1. a. ✓b. ⧫c. □d. □ | b) planning is aangepast. et beleidskader GSB III is 16 april door het kabinet vastgesteld en verzonden aan de Tweede kamer. c) Steden formuleren in de periode juli-november 2004 hun ambities. d) Ondertekening staat gepland voor januari 2005 2. Rijk, VNG en IPO zijn met elkaar in gesprek over de interbestuurlijk verhoudingen. Voor de zomer van 2004 vindt hierover nader overleg plaats. Afspraken over veiligheid met de overige gemeenten zijn hierdoor op dit moment nog niet aan de orde. |
| 130. | Aanpak onveiligheid Openbaar vervoer (uitbrengen en uitvoeren van aanvalsplan sociale veiligheid | Over voortgang van deze maatregel wordt apart gerapporteerd | ← | ← | Hangt samen met maatregel 128 Veiligheid als vierde pijler binnen GSB De voortgangsrapportage SVOV wordt in dezelfde periode uitgebracht als de voortgangsrapportage over het Veiligheidsprogramma. | |
| 131. | Justitie in de Buurt Snel, doelgericht en in nauwe samenwerking met Justitieorganen en ketenpartners interveniëren bij veiligheidsproblematiek waardoor de veiligheid in wijken vergroot wordt Nulwaarde en streefwaarde: PM | 2003-2006 | Herschikken van het aantal Justitie in de Buurtkantoren naar high crime areas Nieuwe opzet van activiteiten 1. In gang zetten van het Jib-nieuwe-stijl-beleid (01-04-2005) 2. overgang voor de huidige Jib-bureaus (01-04-2007) | ← | 1. ←2. ← | 1. Op 19 december 2003 is voor het uitvoeren van het beleid Jibnieuwe stijl een brief aan de TK gestuurd |
| 132. | Invoering identificatieplicht Een efficientere bestrijding van de criminaliteit | 1-1-2005 | Wetsvoorstel op de uitgebreide identificatieplicht (beoogde iwtr. 01-01-2005) | 1. ← | 2. ← | Wetsvoorstel is op 18-12-2003 aanvaard door de Tweede Kamer |
| 133. | Versterking van de bestuurlijke handhaving (inclusief bestuurlijke boete) 1. Versterking van gemeentelijk toezicht op de naleving en handhaving van regels door het beproefde concept van programmatische handhaving verder uit te dragen bij gemeentelijke overheden 2. Het langs programmatische lijnen ontwikkelen van het handhavend werk van de centrale overheid in het kader van het Programma «Rijk aan Handhaving» 3. Uitbreiding mogelijkheden bestuurlijke handhaving door introductie bestuurlijke boete voor aan fout parkeren gerelateerde delicten van de Wet Mulder. 4. Met het oog op vergroting van veiligheid in het publieke domein, uitbreiding bestuurlijke handhaving inclusief bestuurlijke boete voor model APV-feiten ter versterking van toezicht en handhaving door gemeenten Nulwaarde en streefwaarde: PM | 2004–2005 | 1. Verder uitdragen concept programmatische handhaving bij gemeentelijke overheden (31-12-2005) 2. (nieuwe opzet tov 01-07-2003)) Het langs programmatische lijnen ontwikkelen van het handhavend werk van de centrale overheid in het kader van het Programma «Rijk aan Handhaving» (31-12-2005) 3. (nieuwe opzet tov 01-07-2003) Uitbreiding mogelijkheden bestuurlijke handhaving door introductie bestuurlijke boete voor aan foutparkeren gerelateerde delicten (01-01-2005) 4. (nieuwe opzet tov 01-07-2003) Met het oog op vergroting van veiligheid in het publieke domein, uitbreiding bestuurlijke handhaving, inclusief bestuurlijke boete voor model APV-feiten ter versterking van toezicht en handhaving door gemeenten: a. Consultatieronde VNG, RHC, KBB en College van PG's (01-09-2003 tot 01-10-2003) b. Verzending brief in juli 2003 aan de Tweede Kamer met voorstel over mogelijkheden uitbreiding bestuurlijke boete (was: 31-07-2003; wordt: 31-03-2004) c. Start wetgevingstraject op basis van definitief besluit Tweede Kamer (beoogde iwtr. medio 2005) | 1. ←2. ⧫3. ⧫4. □ | 1. ←2. ←3. ⧫4a. ⧫/⧫ b./← c//← | 3. Zie wetgevingsbijlage. November 2003 is het concept-wetsvoorstel het adviescircuit ingegaan (college PG's, VNG, IPO, UvW, NPI, etc.). Deadline voor advisering was half februari. Tot op heden slechts 1 concept-advies ontvangen (VNG). Datum van 1-1-2005 voor invoering lijkt niet haalbaar, zowel gelet op de nog te volgen procedures, als op het feit dat de VNG heeft aangegeven meer c.q. een goede voorbereidingstijd nodig te hebben. Traject loopt nu gelijk met traject onder 4. 4. a. Alle adviezen zijn inmiddels ontvangen b. Contourenbrief is in oktober 2003 verzonden. Vervolgbrief staat gepland voor mei 2004 c. Voorbereidingen wetgeving zijn gestart. Er is niet gewacht op verzending van de brief aan de TK en mogelijke overleg over de uitgangspunten met de TK. Beoogde inwerkingtreding medio 2005. |
| 134. | Gemeentelijk cameratoezicht Creëren van wettelijk kader | 2004 | Wetsvoorstel tot wijziging van de Gemeentewet en lagere regelgeving (beoogde iwtr. was 01-07-2004; wordt 01-01-2005) | 1. ⧫ | 2. ← | Na verwerking van advies van Raad van State is op 23-02-2004 het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer (TK 2003–2004, 29 440, nrs. 1-4) |
| 135. | Uitbreiding cameratoezicht Het openbaar vervoer, stations, winkelcentra en andere semi-publieke ruimtes – zoals zwembaden – die op basis van lokale veiligheidsanalyse een verhoogd risico kennen, zijn in 2005 voorzien van cameratoezicht, extra toezichthouders dan wel via fysieke maatregelen extra beveiligd Nulwaarde en streefwaarde: PM | 2004 e.v. | 1. De uitvoering van maatregel 135 vindt plaats in het kader van maatregel 128 en 145 (01-01-2005) | ← | ← | De maatregelen betreft het werkingsgebied van het lokale bestuur, openbaarvervoer autoriteiten, en private partijen. Uitbreiding van het cameratoezicht in het openbaarvervoer wordt aangepakt via het aanvalsplan OV. Met de G30 gemeenten worden voor de convenantsperiode 2005–2009 afspraken gemaakt over het verminderen van criminaliteit in risicogebieden door een gebiedsgerichte aanpak. Voor het stimuleren van het toepassen van genoemde voorzieningen in het private domein zal onder andere gebruik worden gemaakt van het keurmerk veilig ondernemen. Tevens speelt ihkv het Actieplan Veilig Ondernemen de aanpak van urgente bedrijfslokaties/winkelgebieden, waar cameratoezicht ook een instrument is om de onveiligheid aan te pakken |
| 136. | Aanscherpen beleid t.a.v. coffeeshops en huisteelt nederwiet (presenteren uitgewerkte voorstellen voor aanpak) Nulwaarde en streefwaarde: PM | 2004 | 1. Beleidsbrief cannabis aan de TK (01-06-2003) 2. Implementatie van de voorstellen (01-07-2004) | 1. ⧫2. □ | 1. ⧫2. ← | 1. De integrale brief inzake het cannabisbeleid is vertrraagd mede door aanpassingen die op basis van de consultatie van gemeenten in de brief aangebracht moeten worden. De bedoeling is thans de brief in april 2004 naar de Tweede Kamer te sturen. 2. Met de uitvoering van verschillende maatregelen uit de cannabisbrief is al een eerste stap gemaakt. |
| 137. | Uitbreiding inzet particuliere beveiliging, buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA en stadswachten Uitbreiding toezicht en handhaving in het publieke domein | 01-01-2005 | Onderzoek naar: 1. uitbreiding opsporingsbevoegdheid groene BOA (01-01-2004) 2. uitbreiding opsporingsbevoegdheid OV- BOA (01-10-2003) 3. uitbreiding opsporingsbevoegdheid gemeente-BOA (01-01-2004) 4. uitbreiding territoriale bevoegdheid groene BOA (01-09-2003) 5. mogelijkheden inhuur door gemeenten van particulieren voor BOA-taken (01-01-2004) 6. doorstroming stadswachten naar BOA-functies (01-01-2004)7. invoering BOA-insigne (01-01-2005) | 1. ✓/© 2. ←/© 3. ←4. □5. ←6. ←7. © | 1. ✓/© 2. ✓3. – 4. ✓5. ⧫6. ✓7. ← | 3. Activiteit is vervallen. Uitbreiding bevoegdheid is niet nodig gebleken 5. De voorwaarden waaronder de inhuur van particuliere BOA mogelijk is, zijn betrokken in de beschouwing over de mogelijkheden voor het inzetten van particuliere beveiligers in het publieke domein. Het kabinetsstandpunt terzake is in mei 2004 aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt. 7. Er loopt een onderzoek naar de kosten van invoering |
| 138. | Analyse/opstellen van eenduidig beeld veiligheidssituatie Lokale veiligheidswensen in regionale beleidsplannen politie Om zicht te krijgen op de lokale veiligheidssituatie maken de gemeenten zelf een veiligheidsanalyse. Deze analyse kan vervolgens worden gebruikt voor het opstellen van een lokaal veiligheidsplan. Het regionale beleidsplan politie hangt samen met de lokale veiligheidsplannen. Nulwaarde en streefwaarde: PM | Vanaf 2003 | 1. Het maken van afspraken met gemeenten (GSB en overige) dat iedere gemeente een lokale veiligheidsanalyse maakt (01-07- 2003) 2. Het gebruik maken van het regionaal college als orgaan om de lokale veiligheidsplannen af te stemmen op de regionale beleidsplannen (01-12-2003) | 1. ⧫2. ← | 1. ⧫/© 2. ← | 1. Met de 30 grote steden zijn in de aanvullende afspraken 2004 afspraken gemaakt over de veiligheidsanalyse. In de GSBIII periode moeten de steden eveneens een analyse maken van de lokale veiligheidssituatie. Overigens hebben de 30 grote steden eenmalig geld gekregen voor het jaar 2004 dat besteed kan worden aan procesmaatregelen die genomen moeten worden om de veiligheidssituatie te verbeteren. Hier valt ook het maken van veiligheidsanalyses onder. Met de overige gemeenten is geen afspraak gemaakt hierover (zie maatregel 128). Wel zijn de overige gemeenten bij brief van 6 mei 2003 geattendeerd op en gefaciliteerd bij het maken van een veiligheidsanalyse. Nav het verschenen Handboek Veiligheid biedt de VNG vanaf maart 2004 een cursus kernbeleid veiligheid aan, waarbij het handboek uitgangspunt is. 2. De afstemming van de lokale plannen op de regionale beleidsplannen is een continu proces. Voor wat betreft de 30 grote steden is dit een voorwaarde binnen GSBIII. |
| 140. | Wijkgerichte aanpak van veiligheid Betrokkenheid vergroten en borgen van bedrijven, instellingen en burgers in de verbetering van de veiligheidssituatie in de (hun) wijk. | 2003–2005 | 1. De wijkgerichte aanpak als procesdoelstelling meenemen in het GSB en het Beleidskader GSB 3 (01-10-2003) 2. Voortzetting «Onze Buurt aan Zet» (2003 evj) | 1. ←2. ← | 1. ⧫2. ← | 1. Wordt meegenomen bij de uitvoering van maatregel 128. De wijkgercihte aanpak is geen procesdoelstelling meer binnen het GSB. De resultaten worden wel gevolgd via de monitor. Uitzondering daarop is de afspraak over versnelling in de 56 VROM-wijken. 2. Onze Buurt aan zet is voor de uitvoering met een jaar verlengd tot en met 2004. In 2005–2009 krijgt de betrokkenheid van burgers en wijkaanpak vanuit de steden blijvende aandacht. |
| 141. | a. Huiselijk geweld b. Geweld tegen vrouwen a. Het ontwikkelen van een sluitende aanpak voor huiselijk geweld die eraan bijdraagt dat huiselijk geweld effectiever bestreden kan worden b. Ontwikkelen van pilots vrouwenveiligheidsindex | 2006 | Uitvoering kabinetsnota Prive geweld – Publieke Zaak (01-04-2002) 1. opstellen plan van aanpak huiselijk geweld in allochtone kring (01-09-2003) (nieuw) en vervolgens in uitvoering nemen 2. bepaling standpunt nav onderzoek voor uithuisplaatsing van plegers huiselijk geweld (01-01-2004) 3. Inrichting monitor aanpak van huiselijk geweld (01-12-2003 eerste inventarisatie) 4. Ontwikkeling van ondersteuningsaanbod gemeenten (01-09-2003) 5. Inventarisatie knelpunten regelgeving mbt privacy en beroepsgeheim (01-01-2004) 6. Voortgangsrapportage aan de TK (01-10-2003) 7. Realiseren van vier lokale pilots Vrouwen Veiligheidsindex (VVI) (01-01-2005) Kabinetsstandpunt motie 100 Hirsi Ali «huiselijk geweld/ geweld tegen vrouwen» (31-12-2003) 8. Ondersteuning regionale activiteiten | 1. ✓2. ←3. ←4. ←5. ←6. ←7. ⧫8. ← | 1. ✓/← 2. ⧫3. ⧫4. ←5. ←6. ←7. ←8. ← | 1. Het plan dat Transact, Forum en een aantal allochtonen-organisaties hebben opgesteld is thans in uitvoering. Met de betrokken organisaties vindt overleg plaats over vervolgactiviteiten en de wijze waarop zij daar gezamenlijk vorm aan geven. 2. In november 2003 is, aan de hand van een uitwerkingsnotitie waarin een mogelijke uitwerking van een uithuisplaatsingsmaatregel was beschreven, advies gevraagd aan een aantal raden en colleges. Alle adviezen zijn ontvangen. Mede op basis van deze adviezen zal een kabinetsstandpunt worden uitgewerkt. VWS en BZK zijn hier rechtstreeks bij betrokken. De verwachting is nu dat het kabinetsstandpunt in juni aan de Kamer wordt gezonden. 3. In de periode sept t/m november 2003 heeft het bureau ESE een inventarisatie gemaakt van de aanpak van huiselijk geweld door drie kernactoren: gemeenten, politie en OM. De inventarisatie is reeds aan de Tweede Kamer gezonden. In de begeleidende brief wordt aangekondigd dat in het verlengde hiervan een inventarisatie zal plaats vinden bij de hulpverlening en de aansluiting tussen hulpverlening en strafrechtketen. Een herhaling van deze inventarisatie is voorzien in 2006. 4. Het VNG-programma is in november 2003 gestart. Het programma omvat o.a. deskundigheidsbevordering (gemeentekringen) en een aantal specifieke activiteiten en producten (handreikingen voor gemeenten e.d.) die uiterlijk in 2005 verschijnen. Met de VNG wordt overlegd over een uitbreiding van het programma: de vorming van een pool van ervaren projectleiders en deskundigen die gemeenten terzijde kunnen staan met adviezen en hand- en spandiensten en de vorming van een helpdesk voor gemeenten. De bedoeling is dat een dergelijke pool en helpdesk in 2004 worden gevormd. Hiervoor zijn extra middelen beschikbaar |
| 5. Naast de inmiddels verschenen informatiebrochures wordt in 2004 nagegaan of het haalbaar is een privacyhelpdesk (i.s.m. de afdeling Jeugd) in te richten. 6. Het Voortgangsbericht over de aanpak van huiselijk geweld is in november 2003 naar de Tweede Kamer gestuurd en breed verspreid onder gemeenten en landelijke instellingen. 7. Voorstudie door Verwey-Jonker is in september 2003 opgeleverd. Gemeenten hebben voorstellen ingediend voor deelname in project Pilot VVI, gericht op monitoring van aard en omvang huiselijk en ander seksespecifiek geweld. Verwachte start van ca. vier lokale pilots per februari 2004 (bijgestelde planning). Looptijd tot 1 oktober 2004. Rapportage voor 1-1-2005. Het kabinetsstandpunt n.a.v. de motie Hirsi Ali is op 2 december 2003 aan de Tweede Kamer gezonden 8. In opdracht van het Ministerie van Justitie gaat de RVD na welke lokale/regionale publiekscampagnes mbt huiselijk geweld al worden gevoerd en welke behoeften er in het veld zijn aan ondersteuning bij het voeren van regionale publiekscampagnes. Op basis daarvan zal in 2004 eventueel een toolkit ter ondersteuning vanregionale campagnes worden ontwikkeld. | ||||||
| 142. | Uitbreiding leerlingbegeleiding en integraal taalbeleid Gewijzigde maatregelomschrijving: Preventiebeleid 2001-2004; leerlingbegeleiding en stimulering taalontwikkeling Voorkomen van marginalisering en criminaliteit onder allochtone jongeren door preventief lokaal beleid Nulwaarde: oververtegenwoordiging van allochtone jongeren in criminaliteit wordt tegengegaan Streefwaarde: 38 gemeenten zorgen in de periode 2001–2004 voor structurele inbedding van preventieactiviteiten in het algemeen jeugd- en veiligheidsbeleid | 2006 | Nader gespecificeerde opzet van activiteiten 1. Implementatie van een sluitende preventieve aanpak onder regie van gemeenten, en inbedding in het regulier lokaal beleid (31-12-2006) bestaande uit: a. Specifiek ontwikkeld beleid gericht op 38 gemeenten voor het voeren van lokaal preventiebeleid b. Algemeen ontwikkeld beleid met instrumenten, handreikingen, evaluatie-onderzoek en uitwisseling opgedane praktijkervaringen 2. Stimulering taalontwikkeling in voor- en vroegschoolse periode en in het voortgezet onderwijs (31-12-2005) bestaande uit:a. opstelling plan van aanpakb. uitvoering plan van aanpak richting gemeenten 3. Intensivering mentoring en internaatachtige voorzieningen (31-12-2005) | 1. ←2. ←3. ← | 1. ←2. ←3. ← | 2. Er zijn in november 2003 «vliegende» deskundigenteams opgericht die in samenwerking met OCW de gemeenten ondersteunen bij het prestatiegerichter uitvoeren van het VVE-beleid. 3. Het in uitvoering zijnde Landelijk Ondersteuningsprogramma Mentoring wordt geevalueerd. De uitkomsten hiervan worden in het voorjaar 2004 verwacht. Mentoring in het kader van aanpak Jeugdwerkloosheid is in uitvoering en omvat de volgende deelprojecten: Mentoring ROC's, Koppeling mentoring bedrijfsleven Mentoring voor risiscojongeren buiten het onderwijs Mentoringnetwerk |
| 143. | Een-loket-benadering 1. Het faciliteren van de uitvoerbaarheid van een (integraal) gemeentelijk veiligheidsbeleid door belemmeringen die de invoering van een integrale vergunningverlening door gemeenten (een-loket-gedachte) en een integrale handhaving in de weg staan, in kaart te brengen en waar nodig weg te nemen 2. Met het oog op integrale vergunningverlening en een integrale handhaving en toezicht, het toepassen van de een-loket-gedachte voor de afgifte van gemeentelijke vergunningen aan openbare inrichtingen | 2006 | 1. Opstellen van een verkennende notitie. 2. Ontsluiten via website slagen voor veiligheid van «best practices» van gemeenten die de een-loket-gedachte hebben ingevoerd. 3. Het zoeken naar stimuleringsmaatregelen voor het toepassen van de een-loket-gedachte voor zover de integrale vergunningverlening niet dwingend is voorgeschreven door de AWB 4. Het in kaart brengen van en vervolgens het wegnemen van belemmeringen die integrale handhaving in de weg staan. | 1. ✓2. ←3. ✓4. ✓ | 1. ✓2. ✓3. ✓4. ✓ | 1. Alle kennis, instrumenten en praktijkvoorbeelden zijn verzameld op www.elo.nl. |
| 143a. | Tweede Kamer informeren over ontwikkelingen in criminaliteitspreventieDe TK periodiek op de hoogte brengen over actuele ontwikkeling op het terrein van criminaliteitspreventie Nulwaarde en streefwaarde: PM | Vanaf 2003 | Opstellen Kabinetsnotitie (01-10-2003) | 1. ← | 2. ⧫ | Brief naar Tweede Kamer mei 2004. Betreft maatregel 147 (oud) dat vernummerd is naar 143a |
Paragraaf 4.5 Publiek-private samenwerking
| VP-nummer | Maatregel Doelstelling | Streefdatum realisatie doelstelling | Te verrichten activiteiten/te leveren prestaties en tijdsplanning | Stand per 1-7-2003 | Stand per 1-1-2004 | Toelichting op stand 1-1-2004 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 144. | Publiek private samenwerking in veiligheidsbevordering c.a. Een gezamenlijke structurele en systematische aanpak in terugdringing van criminaliteit en overlast Nulwaarden : pm Streefwaarden: pm | 2006/doorlopend | 1. Bepalen van ieders bijdrage per branche en de inzet per partner aan terugdringing en het vastleggen in concrete afspraken (01-12-2003) 2. Opzetten van een landelijk dekkend net van regionale platforms criminaliteitsbeheersing (RPC) (31-12-2006) 3. Oprichten Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) (01-12-2003) 4. Bundelen en ontsluiten van kennis en kunde op gebied van veiligheid via CCV (vanaf 2004) | 1. ✓/⧫ 2. ←3. ⧫4. ⧫ | 1. ✓2. ←3. ⧫4. ⧫ | 1. De afspraken zijn als project 4 vastgelegd in het op 20-1-04 gepubliceerde en aan de Tweede Kamer aangeboden Actieplan Veilig Ondernemen (AVO). De gemaakte afspraken sluiten aan bij de doelstellingen van het VP. NB: zie ook maatregel 145, onder stand van zaken 1 januari 2004, ad 1. 2. In uitvoering. Er zijn momenteel 14 RPC's daarnaast zijn een aantal in oprichting. In 2004 wordt de oprichting van ten minste twee RPC's voorzien. 3. Het projectteam CCV treft voorbereidingen voor de oprichting in overleg met de diverse partners en de opdrachtgevers. Naar verwachting zal het in juni 2004 van start gaan. De voorstellen zijn begin maart aan de ICV en RvdVR worden voorgelegd. De RvdVR heeft ingestemd met deze voorstellen 4. Het projectteam CCV maakt afspraken over ontsluiten van kennis en kunde met de verschillende organisaties en steunpunten waarvan de taken overgaan naar het CCV, zie ook ad 3. |
| 145. | In overleg met private sector in gang zetten van concrete veiligheidsbevorderende maatregelen Een gezamenlijke structurele en systematische aanpak in terugdringing van criminaliteit en overlast Nulwaarde en streefwaarde: pm | 2006 | 1. Maken van afspraken met bedrijfsleven over beveiliging diefstalgevoelige apparaten (31-12-2005) 2. Openbaar maken van gestolen goederenregister (31-12-2006) 3. Uitbreiding cameratoezicht (2004 evj) 4. Implementeren van Politiekeurmerk veilig wonen (PKVW) (31-12-2004) 5. Implementeren van kwaliteitsmeter veilig uitgaan (KVU) (31-12-2006) 6. Implementeren van keurmerk veilig ondernemen (31-12-2005) 7. Afspraken maken met Bond van verzekeraars over invoering premiedifferentiaties bij preventieve maatregelen (31-12-2006) | 1. ✓/← 2. ←3. ←4. ←5. ←6. ←7. ← | 1. ✓/← 2. ←3. ←4. ←5. ←6. ←7. ← | 1. De maatregel om te komen tot afspraken over diefstal gevoelige producten is als volgt opgenomen als project 10 van het Actieplan Veilig Ondernemen (AVO): een studie naar de (on)mogelijkheden van het beveiligen van producten. Een concept-projectplan is inmiddels gereed en een studie zal snel starten. Het is overigens de verwachting dat deze maatregel een internationale aanpak vergt. Algemeen over AVO: De vaststelling van de indicatoren van het AVO loopt gelijk op met de vaststelling van het MBI-2004. Dit is in vergaande voorbereiding. Voorlopig is het voorstel om gelijktijdig met de voortgangsrapportage VP de TK over het AVO in te lichten, maar wel separaat (dus niet als bijlage). 3. Zie maatregel 135 4. Op dit moment zijn ruim 300 000 woningen gecertificeerd. Met o.a. VROM zal verder worden bezien hoe de doelstelling uit het Veiligheidsprogramma kan worden gehaald. Het PKVW is in samenwerking met BZK, de Raad van Toezicht en het Bestuur bezig met de uitwerking van de voorbereiding van de overdracht van politie naar gemeenten. 5. Deze maatregel is opgenomen in het AVO als project 8 en een concept-projectplan is gereed. Inmiddels is een projectleider KVU aangesteld die de KVU en het gebruik ervan zal aanjagen en stimuleren. Het streven is om tien gemeenten met een inwonertal van meer dan 25 000 in 2004 met de KVU te laten werken. Zie ook onder stand van zaken activiteit 1. 6. Deze maatregel is opgenomen in het AVO als project 7 en een concept-projectplan is gereed. In dit verband zal KVO een actief vervolg krijgen. Zie ook onder stand van zaken activiteit 1 |
| 146. | Stimulering veiligheidsbevorderende initiatieven Investeringen in veiligheid door bedrijven | Vanaf 2004 en dan jaarlijks | In het kader van de Hein Roethofprijs een prijs uitreiken voor bedrijven die op een constructieve en innovatieve wijze investeren in veiligheid en tegengaan van criminaliteit (01-10-2004) | 1. ← | 1. ← | Inmiddels zijn intern voorstellen gereed voor inrichting en jurering van preventieprijs voor het bedrijfsleven, die tesamen met de Hein Roethofprijs eind oktober 2004 voor de eerste maal zal worden uitgereikt. |
Overzicht van maatregelen uit het VP die volledig zijn voltooid
| VP-nr. | Maatregel | Eventuele toelichting | |
|---|---|---|---|
| 1 | 6 | Formeren brede stuurgroep met vertegenwoordigers ketenorganisaties | De Stuurgroep Veiligheid is opgericht (Stc. 7 november 2003, nr. 216). |
| 2 | 59 | Uitvaardigen aanwijzing over politiële reactie bij vermoedelijke strafbare feiten | Op 1 maart 2003 is de OM-Aanwijzing voor de opsporing van kracht geworden. |
| 3 | 68 | Overhevelen administratieve taken m.b.t. vreemdelingen van politie naar IND | Overdracht van taken naar IND en gemeenten is per 1 april 2004 afgerond. |
| 4 | 69 | Vorming Nationale Recherche | Afgerond. |
| 5 | 70 | Vorming zes BRT/IFT combinaties | Afgerond. |
| 6 | 93 | Commissie Verbetervoorstellen | De Commissie heeft in februari 2004 haar eindrapportage uitgebracht. Verschillende voorstellen van de Commissie zijn omgezet in wetsvoorstellen; zie maatregelen 95, 97, 101 en 103. |
| 7 | 98 | Onderzoek naar verruiming bedrijfstijden van gerechten | Onderzoek voltooid; geen verdere actie noodzakelijk. |
| 8 | 99 | Onderzoek verruiming bevoegdheden politierechter (motie Teeven) | Onderzoek voltooid en is meegenomen in het wetgevingstraject. |
| 9 | 101 | Indienen wetsvoorstel voor verlenging termijn oproepen getuigen | Is tot wet verheven en in werking getreden op 1-7-2003. |
| 10 | 110 | Reserveren van plaatsen voor arrestanten | Er zijn 600 plaatsen gereserveerd. |
| 11 | 113 | Kale werkstraffen | 40% van de werkstraffen wordt kaal uitgevoerd. |
| 12 | 125 | Nieuwe besturingsvormen uitvoeringsorganisaties – inrichten tijdelijke Directie Bijzondere Voorzieningen | De directie is ingericht. |
| 13 | 143 | Eén loketbenadering | Alle kennis, instrumenten en praktijkvoorbeelden zijn verzameld op www.elo.nl. |
Overzicht van maatregelen uit het VP die tot ontwikkeling zijn gebracht en thans in uitvoering zijn genomen en worden gemonitored
| VP-nr. | Maatregel | Eventuele toelichting | |
|---|---|---|---|
| 14 | 3 | Afspraken per ketenpartner | Afspraken zijn gemaakt (politie, OM, ZM, DJI, G30, bedrijfsleven) en worden gemonitord. |
| 15 | 8 | Beleid aanpak veelplegers | Beleidskader is gereed en in uitvoering genomen. |
| 16 | 56a | Beleid urgente aanpak | Beleidskader is gereed en gemeenten zijn geïnformeerd. |
| 17 | 60 | Meldpunt M. (Meld Misdaad Anoniem) | Meldpunt M. is een landelijke voorziening geworden. |
| 18 | 72 | Bestrijding voetbalvandalisme | Beleidskader is geactualiseerd, auditteam is geformeerd, onderzoek naar de sanctiemogelijkheden en de inventarisatie van de leemtes in de aanpak zijn afgerond. |
| 19 | 76 | Terugdringen ziekteverzuim politie naar maximaal 8% | In 2003 was het ziekteverzuim 7,2%. Het ziekteverzuim wordt continu gemonitord. |
| 20 | 84 | Landelijk Kader Nederlandse Politie en regionale convenanten | Landelijk kader en regionale convenanten zijn tot stand gekomen en in uitvoering genomen. |
| Publiciteitscampagne «Nederland veilig» | Eind 2003 is de publiciteitscampagne van start gegaan. |
| Website www.veiligheidsprogramma.nl operationeel | De website wordt de komende periode verder uitgebouwd. |
SITUATIE OBJECTIEVE EN SUBJECTIEVE VEILIGHEID
| Cijfers met betrekking tot | Bron | Stand van zaken 2001 | Stand van zaken 2002 | Stand van zaken 2003 | Stand van zaken 2004 | Doelstelling | Toelichting |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| objectieve veiligheid | |||||||
| feitelijk ondervonden criminaliteit* slachtofferschap burgers t.w. het aantal ondervonden delicten bij burgers: – vermogen – geweld * slachtofferschap bedrijven en instellingen t.w. het aantal ondervonden delicten bij bedrijven/ instellingen: – vermogen1 – geweld2 | Slachtofferenquete/CBS-POLS Monitor Bedrijven en Instellingen (MBI) | 1 324 000 1 058 000 1 891 500 440 000 | 1 478 000 1 081 000 zie toelichting | 1 342 000 1 093 000 n.b.3 n.b. | beschikbaar: – oktober '04 – dec.04/jan.05 | * -/- 20 à 25% | – De objectieve onveiligheid omvat die vormen van overlast en criminaliteit in de publieke ruimte waar burgers en bedrijven/instellingen vaak mee worden geconfronteerd; – aparte meting diefstal detailhandel – MBI-meting 2004 overige sectoren |
| feitelijk ervaren overlast en verloedering* ernstige overlast (schaalscore) * (fysieke) verloedering (schaalscore) | Politie Monitor Bevolking (PMB) | 2,1 3,5 | 2,1 3,59 | 2,1 3,48 | eind mei beschikbaar | substantiële verbetering | |
| subjectieve veiligheid | |||||||
| * onveiligheidsgevoelens – vaak onveilig – zelden/soms/wel eens | Politie Monitor Bevolking (PMB) | 5,5% 28,5% | 5,4% 30,8% | 5,0% 27,7% | 4,4% 26,9% | substantiële verbetering | – er wordt geen concrete streefwaarde opgenomen voor de subjectieve veiligheid; |
1 Betreft diefstal sector detailhandel
2 Betreft alle onderscheiden sectoren
3 n.b.= niet beschikbaar
KERNCIJFERS POLITIE EN STRAFRECHTSKETEN1
| Cijfers met betrekking tot | Bron/leverancier | stand van zaken 2001 | stand van zaken 2002/nulwaarde | stand van zaken 20032 | doel-stelling/streef-waarde 2006 | Toelichting/opmerkingen |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Landelijk Kader Ned. Politie | ||||||
| • aantal door de politie aan het OM aangeleverde verdachten (incl.KLPD)3 • idem uitsluitend regiokorpsen • Het aantal uit staandehoudingen voortgekomen boetes en transacties • Beschikbaarheid politie (schaalscore) • Tevredenheid politieoptreden (% respondenten) • Ziekteverzuim percentage vanaf 2005 aangevuld met:• Het percentage aan de korpsen ter afhandeling uitgegeven rechtshulp-verzoeken • Intensivering van het operationele vreemdelingentoezicht • De daadwerkelijke bereikbaarheid van het LTP/1-1-2 | COMPAS/OM Centraal justitieel incassobureau (CJIB), COMPAS PMB PMB PolBIS Luris-24 pm5 – LTP en 1-1-2: Systemen politie – kwaliteitsmeting-bureau Telan. | 206 000 | 218 268 214 018 1 425 097 4,4 62,6 8,2 | 237 141 228 335 1 770 512 4,7 64,1 7,2 | + 40 000 + 180 000 Substantiële verbetering6 Substantiële verbetering6 max. 8 nog niet vastgesteld | – conform Landelijk kader Ned.Politie; betreft 25 regio's + KLPD (dus excl BOD's en Kmar); overleg over cijfer KLPD loopt nog – toename ruim 14 000 – in kader van verhoging zichtbaarheid, bereikbaarheid en publieksgerichtheid van de politie – tevreden of zeer tevreden over politieoptreden bij het laatste contact met de politie. In kader van tijdige en adequate behandeling internationale rechts-hulpverzoeken; % dat volgens de aan Luris-2 gekoppelde normen binnen de gestelde termijnen is afgehandeld door de Internationale rechtshulpcentra (IRC's). In kader van verhoging bereikbaarheid van de politie; het betreft de daadwerkelijke bereikbaarheid van het LTP/1-1-2 en de gemeten kwaliteit van de dienst-verlening in het kader van het LTP die volgt uit de regionale toe-passing van de «Kwaliteits-thermometer teleservice» |
1 In dit overzicht wordt op onderdelen informatie verstrekt over de relevante resultaatsafspraken, waarbij sprake is van nul- en streefwaarden. Daarnaast bevat dit overzicht op ook achtergrondinformatie met betrekking tot de jaarlijkse ontwikkeling over prestaties in de strafrechtsketen. Hierbij is geen sprake van specifiek geformuleerde nul- en streefwaarden.
2 Voor wat betreft het Landelijk Kader Nederlandse Politie geldt voor het jaar 2006 een beoogde stijging van het aantal door de politie aan het OM aangeleverde verdachten met 40 000 t.o.v het jaar 2002. Er zijn geen streefcijfers per jaar vastgesteld, vandaar dat in deze kolom de term «stand van zaken 2003» wordt gehanteerd.
3 In de praktijk is gebleken dat het verzamelen en analyseren van de gegevens over het KLPD aanzienlijk complexer is dan het verkrijgen van gegevens over de regiokorpsen. Voor een belangrijk deel heeft dat te maken met het feit dat er naar aard en taak zeer diverse diensten onder het KLPD ressorteren. Vandaar dat besloten is de ontwikkeling van de voorlopige KLPD-cijfers aan een nadere bestudering te onderwerpen alvorens deze vast te stellen. In dit kader heeft ten aanzien van de stand van zaken 2002/nulwaarde tov de oktoberrapportage 2003 een correctie plaatsgevonden. De stand van zaken van alle politieregio's + KLPD over 2003 (237 141) kan pas bij de vaststelling van het juiste KLPD cijfer definitief worden vastgesteld. Het vaststellen van het definitieve cijfer zal dan ook bij de volgende voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer plaatsvinden.
4 Deze indicator dient nog nader te worden geoperationaliseerd.
5 Zie noot 7.
6 Onder een substantiële verbetering wordt verstaan het bereiken van de hoogste waarde uit de periode 1993–2002, berekend per korps.
| Cijfers met betrekking tot | Bron/leverancier | stand van zaken 2001 | stand van zaken 2002/nulwaarde | stand van zaken 2003 | doel-stelling1/streefwaarde 2006 | Toelichting/opmerkingen |
|---|---|---|---|---|---|---|
| opsporing | ||||||
| • aantal HALT-verwijzingen • aantal opgemaakte pv's (naar delict) – vermogen – geweld – openbare orde en vernieling • opgehelderde misdrijven – vermogen – geweld – openbare orde en vernieling • aantal gehoorde verdachten – vermogen – geweld – openbare orde en vernieling • ophelderings% (totaal) – vermogen – geweld – openbare orde en vernieling • Dadergerichte informatie: – aantal nieuwkomers – aantal meerplegers – aantal veelplegers | HALT-Nederland CBS-Politiestatistiek CBS-Politiestatistiek CBS-Politiestatistiek CBS-Politiestatistiek Herkenningsdienst Systeem (HKS)KLPD/dNRI) | 20 186 1 357 600 919 300 101 100 192 900 215 400 81 300 45 100 26 100 276 600 109 400 56 700 38 000 15,9 8,8 44,6 13,5 78 894 68 250 21 607 | 21 316 1 422 900 946 400 109 200 207 300 253 900 93 700 52 700 32 900 321 700 125 800 64 600 49 300 17,8 9,9 48,3 15,9 84 068 72 050 22 464 | mei/juni 2004 sept. 2004 sept.2004 sept.2004 sept.2004 sept.2004 | – – – – – – | – tabellenboek HALT Nederland; jaarcijfers 2002; cijfers 2003 ws eind mei-begin juni 2004 beschikbaar Cijfers 2001 door CBS bijgesteld; Cijfers over 2003 najaar 2004 beschikbaar – cijfers 2001 door KLPD bijgesteld; 2002: voorlopige cijfers cf. LCK-2002; voorl.cijfers 2003 juni/juli; publicatie rapport sept.2004 |
1 Voor deze kerncijfers zijn geen aparte nul- en streefwaarden geformuleerd..
| Cijfers met betrekking tot | Bron/leverancier | stand van zaken 2001 | stand van zaken 2002/nulwaarde | stand van zaken 2003 | doelstelling/streef waarde 2006 | Toelichting/opmerkingen |
|---|---|---|---|---|---|---|
| vervolging en berechting1 | ||||||
| • INSTROOM in eerste aanleg Rechtbankzaken OM (incl BOD's en Kmar) – wv minderjarigen – wv geweld • UITSTROOM in eerste aanleg Rechtbankzaken OM waarvan afdoeningen OM – wv onvoorw.sepot – wv transactie en voorw. sepot – wv voegen waarvan afdoeningen door de rechter – wv meerv. kamer – wv politierechter – wv kinderrechter | COMPAS/JV/PaG COMPAS/JV/PaG | 234 700 27 700 36 900 232 700 109 200 28 100 67 300 13 500 123 500 | 250 400 27 700 41 000 248 300 118 200 28 000 75 600 14 400 130 000 15 400 104 300 10 300 | 269 400 30 300 45 200 277 300 129 200 26 400 88 500 14 100 148 100 15 700 121 400 11 000 | – – – – | – jaarcijfers 2001 cf. jaar-verslag 2002 OM; instroom OM hoger dan uitstroom politie vanwege meetellen productie KMAR en BOD2; – cijfers 2002 en 2003 uit jaarverslag OM 2003 – betreft voeging ter berechting of ad info |
| executie/tenuitvoerlegging | ||||||
| • uitgevoerde taakstraffen volw. capaciteit DJI • capaciteit sector GW totaal, waarvan: – sanctiecapaciteit – vreemdelingenbewaring • voorts: – SOV-plaatsen intramuraal extramuraal – specifieke plaatsen veelplegers – meerpersoonscelgebruik – politiecelgebruik – gemiddeld3 – ultimo – aantal IVO – aantallen SOB • capaciteit sector JJI totaal, waarvan: – opvanginrichtingen – behandelinrichtingen | DSRS/SRN DJI | 21 064 13 478 12 034 1 444 203 – 0 0 352 153 4 837 4 211 2 346 1 050 1 296 | 28 823 14 771 13 343 1 428 221 72 0 373 405 339 4 670 5 870 2 399 1 091 1 308 | bron: jaarverslag Justitie 2003 Standcijfers per 31-12-2002 en 31-12-2003 (ultimo) Zie bijlage I, maatregel 115 Zie bijlage I, maatregel 114 - gem. politiecelgebruik | ||
| • capaciteit sector TBS totaal, waarvan: – justitiële inrichtingen – niet-justitiële inrichtingen | 1264 1087177 | 1303 1129174 | ||||
| • bijzondere voorzieningen: – detentiecentra – uitzetcentra | 7830 | 12650 | – tbv drugskoeriers | |||
1 Met ingang van deze voortgangsrapportage is deze rubriek in lijn gebracht met de indeling conform de jaarverslagen van het OM.
2 De resultaatsverplichting van de politie inzake het aantal aan te leveren verdachten waarvan een pv aan het OM wordt aangeboden («rechtbankzaken») is opgenomen onder het kopje «Landelijk Kader Nederlandse Politie».
3 Gemiddeld politiecelgebruik wordt extra aangegeven omdat politiecelgebruik eind van het jaar traditioneel altijd laag is.
Bijlage IV Voortgang wetgevingsprogramma
Inmiddels in werking getreden:
• Wetsvoorstel voor termijn voor doen van opgave van getuigen
(maatregel 101; Stb. 2003, 143; datum van inwerkingtreding 1 juli 2003)
• Wijziging Penitentiaire maatregel i.v.m. versobering
(houdt verband met maatregel 105 ; Stb. 2003, 349; datum van inwerkingtreding: 15-09-2003)
• Wetsvoorstel verruiming toepassing penitentiair programma en elektronisch toezicht
(houdt verband met maatregel 123 uit het VP betreffende het verruimen van de toepassing van het penitentiair programma; Stb. 2003, 142; datum van inwerkingtreding 01-01-2004)
• Betere benutting zittingscapaciteit
Betreft maatregel 94 uit het VP
(algemene maatregel van bestuur)
Stand: ontwerp-amvb is in het kader van voorhangprocedure aanhangig bij de Tweede Kamer en Eerste Kamer
Beoogde inwerkingtreding: was 01-01-2004 en wordt 01-06-2004
• Stroomlijning van de procedure in hoger beroep
Betreft maatregel 104 uit het VP
Stand: rapport van de werkgroep «Hoger beroep en verzet» is aangeboden aan de Tweede Kamer met het standpunt dat het rapport uitgevoerd gaat worden. Het wetsvoorstel is in maart 2004 in consultatie gegeven.
Beoogde indiening bij de Tweede Kamer: 01-07-2004
Beoogde inwerkingtreding: 01-01-2006
• Wetsvoorstel elektronische aangifte
Het wetsvoorstel houdt verband met maatregel 58 uit het VP betreffende de verbetering en verruiming aangiftemogelijkheid burgers
Stand: bij Raad van State
Indiening bij de Tweede Kamer: 01-04-2004 (vertraagd)
Beoogde inwerkingtreding: 01-03-2005
Wetsvoorstellen voortvloeiende uit het interim-rapport van de Commissie verbetervoorstellen van de Raad voor de rechtspraak
Betreft maatregel 93 uit het VP
• Wetsvoorstel vereenvoudigde bewijsmotivering bekennende verdachten (29 255)
Stand: ingediend bij de Tweede Kamer op 25-10-2003
Beoogde inwerkingtreding: 01-04-2005
• Wetsvoorstel horen van getuigen en aanverwante onderwerpen (29 254)
Stand: ingediend bij de Tweede Kamer op 25-10-2003
Beoogde inwerkingtreding: 01-04-2005
• Wetsvoorstel aanpassingen voorlopige hechtenis (29 253)
Stand: ingediend bij de Tweede Kamer op 25-10-2003 Beoogde inwerkingtreding: 01-04-2005
• Wetsvoorstel doorzoeking buiten gerechtelijk vooronderzoek (29 252)
Stand: ingediend bij de Tweede Kamer op 25-10-2003
Beoogde inwerkingtreding: 01-04-2005
• Wetsvoorstel herziening betekeningsvoorschriften
Betreft maatregel 95 uit het VP Stand: in consultatie
Beoogde indiening bij de Tweede Kamer: was 01-01-2004; wordt 01-09-2004
Beoogde inwerkingtreding: 01-07-2005
• Wetsvoorstel invoering telehoren Betreft maatregel 97 uit het VP
Stand: in consultatie; in april 2004 naar de Raad van State
Beoogde indiening bij de Tweede Kamer: was 01-01-2004; wordt 01-07-2004
Beoogde inwerkingtreding: 01-07-2005
• OM-afdoening
Betreft maatregel 87 uit het VP
Er zijn twee wetsvoorstellen voorbereid:
• Wetsvoorstel uitbreiding transactiemogelijkheden
• Wetsvoorstel OM-afdoening
Stand: wetsvoorstel OM-afdoening in februari 2004 naar de Raad van State gegaan.
Beoogde indiening bij de Tweede Kamer: was 01-03-2004; wordt 01-07-2004
Beoogde inwerkingtreding: 01-03-2005
• Wetsvoorstel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (28 980)
Wetsvoorstel houdt verband met maatregel 114 uit het VP betreffende Speciale categorale voorzieningen (veelplegers)
Stand: aanvaard door de Tweede Kamer
Beoogde inwerkingtreding: 01-07-2004
• Wetsvoorstel meerpersoonscelgebruik (28 979)
Wetsvoorstel houdt verband met maatregel 106 uit het VP betreffende het meerpersoons celgebruik bij penitentiaire inrichtingen
Stand: aanvaard door de Tweede Kamer Beoogde inwerkingtreding: 01-01-2005 (vervroegen naar 01-07-2004)
• Wetsvoorstel doorplaatsen na veroordeling in eerste aanleg
Wetsvoorstel houdt verband met maatregel 108 uit het VP betreffende het doorplaatsen van in eerste aanleg veroordeelden
Stand: bij Raad van State
Indiening bij de Tweede Kamer: was 01-12-2003; wordt 01-04-2004)
Beoogde inwerkingtreding: 01-07-2005
• Wetsvoorstel elektronische detentie kortgestraften
Wetsvoorstel houdt verband met maatregel 107 uit het VP betreffende elektronische detentie in plaats van korte vrijheidstraffen
Stand: in voorbereiding
Beoogde indiening bij de Tweede Kamer: was 01-12-2003; wordt 01-03-2005
Beoogde inwerkingtreding: was 01-01-2005; wordt 01-07-2006
• Wetsvoorstel voorwaardelijke invrijheidstelling
Wetsvoorstel houdt verband met maatregel 122 uit het VP betreffende invoering van voorwaardelijke invrijheidstelling, waarin het penitentiair programma opgaat vanaf de helft van de straf
Stand: vertraagd door stellingname Tweede Kamer. Oorspronkelijk voorgestelde maatregel is in heroverweging genomen.
Beoogde indiening bij de Tweede Kamer: was 01-01-2004; wordt 01-03-2005
Beoogde inwerkingtreding: was 01-01-2005; wordt 01-07-2006
• Voorstel van wet tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede van de bevoegdheden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten.
Wetsvoorstel houdt verband met maatregel 73 uit het VP betreffende het uitbreiden van de beheersrol van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Stand: beoogd is het wetsvoorstel in te trekken. Elementen eruit zijn opgenomen in een nieuw wetsvoorstel Versterking bevoegdheden op rijksniveau t.a.v. de politie (zie hierna).
• Voorstel van Wet versterking bevoegheden op rijksniveau ten aanzien van de politie
Wetsvoorstel houdt verband met maatregel 73 uit het VP betreffende het uitbreiden van de beheersrol van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Stand: is in december 2003 voor consultatie naar de politieberaden gezonden en is in februari 2004 voor spoedadvies voorgelegd aan de Raad van State. Bij brief van 26 september 2003 (Kamerstukken II, 29 200 VII, nr. 4) hebben de ministers van BZK en van Justitie de Tweede Kamer hiervan in kennis gesteld.
Beoogde inwerkingtreding: 01-01-2005
• Voorstel van wet tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met ICT Politie en samenwerkingsvoorzieningen.
Wetsvoorstel houdt verband met maatregel 71 uit het VP betreffende realisatie van gemeenschappelijke informatiearchitectuur politie en realisatie geintegreerde Landelijk ICT-infrastructuur veiligheidspartners (LICTIV)
Stand: wetsvoorstel is in december 2003 voor consultatie naar de politieberaden gezonden en is in februari voor advies aan de Raad van State voorgelegd.
Beoogde inwerkingtreding: 01-01-2005
• Voorstel van wet tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met aanpassing van de regelingen voor bijstand
Stand: nog geen uitvoering aan gegeven, doordat capaciteit primair is ingezet op de voorbereiding van het wetsvoorstel tot versterking van de beheersbevoegdheden van de Minister van BZK.
Beoogde indiening bij de Tweede Kamer: PM
Inwerkingtreding: PM
• Voorstel van wet tot wijziging van de Gemeentewet in verband met de invoering van regels omtrent het gebruik van camera's ten behoeve van toezicht op openbare plaatsen (cameratoezicht op openbare plaatsen) (29 440)
Betreft maatregel 134 uit het VP
Stand: wetsvoorstel is op 23 februari 2003 ingediend bij de Tweede Kamer (TK 2003–2004, 29 440, nrs. 1-4)
Beoogde inwerkingtreding: was 01-07-2004; wordt 01-01-2005
• Voorstel van wet tot invoering van urgentiegebieden
Wetsvoorstel houdt verband met maatregel 56a uit het VP
Stand: (generieke) wetgeving is vooralsnog niet aan de orde. Zie de brief van 24 december 2003 van de Ministers van Justitie en van BZK (TK 2003–2004, 28 684, nr. 21)
• Voorstel van wet tot uitbreiding bestuurlijke handhaving (Voorstel van wet tot overdracht van parkeerboetes aan gemeenten)
Wetsvoorstel houdt verband met maatregel 133 uit het VP betreffende versterking van de bestuurlijke handhaving (inclusief bestuurlijke boete)
Stand: Consultatieronde van concept wetsvoorstel vergt meer tijd dan voorzien
Beoogde indiening bij de Tweede Kamer: z.sm.
Beoogde inwerkingtreding: was 01-03-2005; wordt medio 2005
• Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de wijziging van het stelsel van de rechterlijke toetsing van vrijheidsontnemende maatregelen (t.b.v. reductie werklast vreemdelingenketen a.g.v. toepassing vreemdelingenbewaring)
Betreft maatregel 102 uit het VP
Stand: aanhangig bij de Eerste Kamer
Beoogde inwerkingtreding: 01-05-2004
VERANTWOORDING OVER FINANCIËN EN PRESTATIES
Bij brief van 3 april 2003 (TK 2002–2003, 28 684, nr. 8) hebben wij de Kamer ingelicht over de wijze waarop wij het veiligheidsprogramma willen monitoren en verantwoorden. Dit is vervolgens geconcretiseerd in een tweetal eerdere voortgangsrapportages. Bij de tweede Voortgangsrapportage van oktober 2003 (TK 2003–2004, 28 684, nr. 17) is als bijlage VI a toegevoegd de auditrapportage van de auditdiensten van de ministeries van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Conclusie van de auditdiensten was dat voor de aan de Kamer toegezegde helderheid en herkenbaarheid van het Veiligheidsprogramma, de bestaande budgettaire systematiek onvoldoende inzicht bood in de bestedingen. Bij de voorbereidende werkzaamheden voor de huidige audit werd geconcludeerd dat nog onvoldoende waarborgen aanwezig zijn voor het maken van betrouwbare budgetoverzichten van het Veiligheidsprogramma. De auditdiensten hebben aanbevolen maatregelen te treffen om hierin verbeteringen aan te brengen.
In het navolgende willen wij – mede naar aanleiding van onze eerdere correspondentie en de besprekingen met uw Kamer – aangeven hoe we de prestaties volgen en hoe we de besteding van de toegekende middelen in het kader van Veiligheid monitoren en verantwoorden binnen de begrotingshoofdstukken van Justitie en Binnenlandse Zaken. Het gaat hier om de reeds toegekende middelen voor veiligheid bij het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord en de nog te verdelen middelen bij begrotingsvoorbereiding 2005. Met betrekking tot de verdeling van de laatstgenoemde middelen ontvangt u bij de indiening van de Justitiebegroting 2005 een concreet voorstel. Aan de opmerking van de auditdiensten wat betreft de waarborgen voor het maken van betrouwbare budgetoverzichten wordt, zoals in onderstaande wordt geëxpliciteerd, momenteel bezien hoe hieraan tegemoet kan worden gekomen.
II. Monitoring en verantwoording Veiligheidsprogramma
Zoals eerder aan uw Kamer is gemeld bij brief van 3 april 2003 wordt om verschillende redenen afgezien van de inrichting van een afzonderlijke handhavingsbegroting. Allereerst omdat een handhavingsbegroting ten aanzien van het Veiligheidsprogramma in de praktijk minder inzicht biedt dan theoretisch vaak wordt verondersteld. Bijvoorbeeld indien men zich realiseert dat in de uitvoeringspraktijk de toegevoegde sterkte aan de zijde van de politie en de door hen ingebrachte extra processen-verbaal niet als zodanig te herkennen zijn, en derhalve ook niet in het verdere traject bij bijvoorbeeld OM en ZM als zodanig traceerbaar zijn. Feitelijk kan dan gedurende een langere periode alleen geconstateerd worden dat de totale produktie is gestegen in vergelijking met de totale produktie van het jaar ervoor.
Een andere reden waarom niet is gekozen voor een aparte handhavingsbegroting maar voor de «reguliere budgettaire systematiek» is gelegen in het feit dat dit zou leiden tot een overmaat aan bureaucratie. Hiermee ook rekeninghoudend met de stemverklaring die uw Kamer op 18 februari 2003 bij het aanvaarden van de motie Cornielje (TK 2002–2003, 28 600 VI VII, nr. 91) heeft afgegeven, inhoudende dat een en ander niet moet leiden tot een overmaat aan bureaucratie bij de uitvoering van het programma. Ter illustratie: het Openbaar Ministerie en de rechtspraak zouden een aparte «handhavingsadministratie» moeten opzetten en alle uitgaven en prestaties in het kader van het veiligheidsprogramma moeten onderscheiden van de reguliere uitgaven en prestaties. Met andere woorden de toename aan zaken, samenhangend met het veiligheidsprogramma moet separaat worden gemonitored naast de reguliere zaken. Zo goed als bij de politie valt ook bij OM en ZM niet aan te geven wat de extra zaken ten gevolge van het Veiligheidsprogramma zijn; slechts de toename van het aantal zaken over een periode is meetbaar. Afzonderlijke monitoring is in onze ogen ook ondoelmatig en verlaagt de effectiviteit. Voorts wordt op deze manier een fictieve situatie gecreëerd die ver staat van de dagelijks praktijk van werken.
Hieronder zullen we de verdere afwegingen nader toelichten waarom wij niet kiezen voor het monitoren van alleen de additioneel toegekende middelen en de daarbij afgesproken aantallen zaken (de zogenaamde «delta»), die als gevolg van het veiligheidsplan zich voordoet bij de betrokken actoren.
monitoren en verantwoorden van de middelen
Voor wat betreft de middelen die zijn toegekend voor de uitvoering van het Veiligheidsprogramma bij het Strategisch- en het Hoofdlijnenakkoord geldt dat wij deze per sector in de politie- en justitieketen afzonderlijk zichtbaar hebben gemaakt in de Eerste respectievelijk de Tweede Voortgangsrapportage aan de Kamer. Ook de nog onverdeelde middelen Veiligheid zullen wij bij begroting 2005 per sector afzonderlijk zichtbaar maken en wij zullen u hierover in ieder geval bij de indiening van de begroting voor 2005 rapporteren. Ook zal vermeld worden wat van die organisaties in het kader van het Veiligheidsprogramma verwacht wordt. In de regulier budgettaire systematiek is daarmee helder en herkenbaar opgenomen welke middelen voor welke sector beschikbaar zijn gesteld voor de uitvoering van het Veiligheidsprogramma. Voor zover dit op dit moment nog niet helder is, wordt momenteel bezien op welke wijze de toegekende middelen in het kader van het Veiligheidsprogramma kunnen worden geoormerkt, binnen de bestaande financiele administraties dan wel middels een extracomptabele administratie. Op deze wijze komen wij tegemoet aan de aanbevelingen van de Auditdiensten hieromtrent zoals gedaan bij de voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de auditrapportage bij de voorliggende Voortgangsrapportage.
De veiligheidsmiddelen zijn op grond van de onderstaande hoofdlijnen en uit te voeren maatregelen in het kader van het Veiligheidsprogramma toegekend aan de betrokken organisaties. De hoofdlijnen van het Veiligheidsprogramma – en waarop onze informatievoorziening aan de Kamer zich concentreert – zien op:
• De hoofddoelstelling van het Veiligheidsprogramma als verwoord op p. 18 van het Veiligheidsprogramma: i.e. de reductie van criminaliteit en overlast in de publieke ruimte met 20% à 25% te bereiken in de periode 2008–2010;
• De aanpak van veelplegers en de risicojongeren;
• De beoogde intensiveringen in de strafrechtketen (met inbegrip van de hiervoor noodzakelijke modernisering van de sanctietoepassing);
• De beoogde intensiveringen in de bestuurlijke handhaving en het toezicht.
De verschillende sectoren en organisaties zullen geen separate verantwoording afleggen over de toegekende middelen van het Veiligheidsprogramma maar op de gebruikelijke wijze over het gehele budget, waarvan deze middelen onderdeel uitmaken. Het is achteraf bij de verantwoording over enig jaar, laat staan over een periode van jaren die de uitvoering van het veiligheidsprogramma beslaat, moeilijk, in enkele gevallen onmogelijk, om een koppeling te leggen tussen de geleverde prestaties in het kader van het Veiligheidsprogramma en de vooraf toegekende middelen. Lopende het jaar en gedurende aantal jaren zullen immers diverse mutaties op het budget van een organisatie plaatsvinden zoals loon- en prijsbijstellingen en eventuele ombuigingstaakstellingen. Het is dan niet meer mogelijk om te bepalen waar deze mutaties neerslaan op de onderliggende onderdelen van het totaalbudget. De mutaties vinden immers plaats op het gehele budget. Gegeven het feit dat het al ondoenlijk is om in budgettaire zin een onderscheid te maken geldt dat evenzeer voor de daaraan te koppelen prestaties. Vandaar dat zowel voor wat betreft het budget alsmede voor de te leveren prestaties wordt uitgegaan van het totaal.
monitoren en verantwoorden van het aantal zaken/prestaties
Bij de toekenning van de veiligheidsmiddelen aan de diverse organisaties zijn meerjarige afspraken gemaakt over de toegenomen prestaties die ten opzichte van de uitgangssituatie over 2002 geleverd zullen worden.
Zo wordt het Openbaar Ministerie geacht over 2006 een produktie van 40 000 rechtbankzaken meer af te doen ten opzichte van het niveau over 2002, en is afgesproken om te komen tot een verruiming van sanctiecapaciteit die overeenkomt met 6000 plaatsen in 2008 ten opzichte van het meerjarig perspectief in de begroting 2003.
De groei in zaken in de strafsector wordt daarmee voor de betrokken organisaties voor de periode tot en met 2006 volledig gekoppeld aan de uitvoering van het Veiligheidsprogramma. Jaarlijks zal bij de verantwoording worden bezien in hoeverre het totaal aantal afgedane zaken en detentieplaatsen overeenkomt met de stand over 2002 en de daarbovenop afgesproken aantal extra te leveren prestaties in het kader van het Veiligheidsprogramma.
In bijlage III (kerncijfers politie en strafrechtsketen) vindt U een landelijk beeld van de prestaties voor de sector politie op basis van het Landelijk Kader voor de Politie, en voor de strafrechtsketen een beeld over de wijze waarop op randtotalen wordt aangeven wat per sector de aantallen te leveren prestaties waren over 2002 en welke extra meerjarig te leveren prestaties ter uitvoering van het Veiligheidsprogramma daar bovenop komen. Aldus wordt de gehele keten – en de samenhang daartussen – op een plek in beeld gebracht. In de volgende voortgangsrapportages wordt dit beeld – waar nodig – verder aangevuld en ook bezien hoe de kwaliteit van de gegevens verder kan worden verbeterd.
Tot slot merken wij op dat de monitoring van middelen en prestaties betrekking heeft op de kwantitatieve maatregelen van het Veiligheidsprogramma. Daarnaast zijn er namelijk kwalitatieve maatregelen waarvoor niet expliciet extra middelen zijn toegekend maar wel in het verlengde daarvan een toename in het presterende vermogen van de betreffende organisaties wordt verwacht. De effecten van de kwalitatieve maatregelen moeten tezamen met de kwantitatieve maatregelen leiden tot het doel om in de jaren 2008 tot 2010 een reductie van 20% tot 25% van de objectieve onveiligheid te realiseren, dat wil zeggen van de criminaliteit en overlast in volle omvang die burgers, bedrijven en instellingen feitelijk ondervinden. Voor de goede orde zij hierbij vermeld dat we derhalve niet per maatregel afzonderlijk de bijdrage tot het gewenste effect in beeld zullen brengen: de plausibele veronderstelling is dat elke maatregel een bijdrage levert, maar het gaat om het totale effect van het totale pakket aan maatregelen. Over dit totale effect wordt gerapporteerd in bijlage II (objectieve en subjectieve veiligheid).
De auditdiensten van Justitie en Binnenlandse Zaken voeren een audit uit naar het Groot Project Veiligheidsprogramma. De totstandkoming van de niet-financiële gegevens in de voortgangsrapportages van het Veiligheidsprogramma is onderwerp van deze audit. Bij de budgetoverzichten van het Veiligheidsprogramma in de voortgangsrapportages zal de aansluiting tussen het overzicht en de reguliere financiele administratie worden gecontroleerd. De uitputting van de toegekende middelen in het kader van het Veiligheidsprogramma zal niet als apart deel van de totaalbudgetten betrokken kunnen worden bij deze audit of bij de reguliere accountantcontrole. Deze middelen gaan immers op in het totale budget van de desbetreffende organisaties en de uitputting is niet afzonderlijk herkenbaar in de reguliere financiële administraties.
In vorenstaande hebben wij op hoofdlijnen aangegeven hoe wij de inzet van de toegekende veiligheidsmiddelen en de te leveren prestaties in het kader van het Veiligheidsprogramma willen monitoren en verantwoorden. Dit zodanig dat enerzijds daarmee recht wordt gedaan aan de procedureregeling grote projecten en de informatievoorziening aan de Tweede Kamer en anderzijds dat wordt voorkomen dat een enorme administratieve lastenverzwaring optreedt bij de ministeries van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de daaronder ressorterende uitvoeringsinstanties.
Wij zijn van mening dat deze structuur voor uw Kamer voldoende waarborgen bevat om zicht te houden op de voortgang van het Veiligheidsprogramma en daarnaast ook op efficiënte wijze kan worden ingepast in de huidige reguliere budgettaire systematiek.
AUDIT
VEILIGHEIDSPROGRAMMA
Den Haag 22 april 2004
1. Inleiding 105
2. Samenvatting 105
3. Sturen 107
3.1. Inzicht in risico's 107
3.2. Inzichtelijkheid van maatregelen 108
4. Monitoren 109
4.1. Kwaliteit cijfers over objectieve en subjectieve veiligheid 109
4.2. Kerncijfers strafrechtsketen 110
4.3. Niet-financiële voortgangsinformatie 111
5. Verantwoorden 111
5.1. Budgetoverzichten 112
5.2. Bestedingen 113
5.3. Prestaties 113
5.4. Invulling van eerdere aanbevelingen 114
De auditdiensten van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verschaffen in deze auditrapportage inzicht in hoeverre de programmaorganisatie van het Veiligheidsprogramma een toereikend instrumentarium heeft ingericht en over de juiste gegevens beschikt om goed te kunnen sturen, monitoren en verantwoorden. Zoals eerder in het plan van aanpak van de audit is aangegeven (zie de tweede voortgangsrapportage van het Veiligheidsprogramma, oktober 2003, bijlage VI), wordt geen accountantsverklaring omtrent de beschikbaar gestelde middelen voor het Veiligheidsprogramma afgegeven.
De resultaten van de audit zijn onder meer gebaseerd op de volgende gegevensbronnen:
1. De rapportage «Naar een veiliger samenleving» [conceptversie 8 april 2004];
2. De volgende documenten:
– Instellingsbesluit programmaorganisatie Veiligheid
– Plan van Aanpak Implementatie Veiligheidsprogramma
– Risicoanalyseprotocol Veiligheidsprogramma [conceptversie 27 augustus 2003],
– Informatie- en controleprotocol implementatie Veiligheidsprogramma [conceptversie 21 augustus 2003],
– Financieel protocol [conceptversie augustus 2003],
– Tweede voortgangsrapportage «Naar een veiliger samenleving»
– Actieplan Veilig Ondernemen
– Brief criminaliteitspreventie
– Begroting Justitie en BZK 2004
– Jaarverslag 2003 Justitie en BZK
– Kwaliteitstoets formats [18 maart 2004]
– Interne nota's en memo's betreffende het Veiligheidsprogramma
3. Interviews/gesprekken met het Programmabureau Veiligheid, DFEZ, lijnorganisaties.
Door de auditdiensten is een referentiemodel opgezet om de aspecten sturen, monitoren en verantwoorden te beoordelen. Dit referentiemodel is opgenomen in de vorige auditrapportage en bevat de normen waaraan het Veiligheidsprogramma wordt getoetst. In deze rapportage start iedere paragraaf met de norm die wij daarvoor hebben gehanteerd.
De paragrafen volgen de hoofdindeling sturen, monitoren en verantwoorden. In paragraaf 2 is een samenvatting van de conclusies opgenomen.
Het Veiligheidsprogramma is nog in ontwikkeling. Het onderzoek van de auditdiensten heeft zich daarbij gericht op de sturing, monitoring en verantwoording van het programma. Er heeft geen accountantscontrole plaatsgevonden.
De algemene conclusie van het onderzoek is dat op het gebied van sturen, monitoren en verantwoorden vorderingen zijn gemaakt, maar dat verdere verbeteringen nodig zijn. Deze algemene conclusie is gebaseerd op de volgende overwegingen.
In de derde voortgangsrapportage wordt in algemene termen aandacht besteed aan risico's. De verstrekte informatie is weinig specifiek en er wordt niet duidelijk gemaakt hoe de risico's zullen worden ondervangen.
Uit het onderzoek is verder gebleken dat risicobepaling duidelijk aandacht heeft gehad, maar dat de wijze van analyseren van de risico's en de controleerbaarheid daarvan moet worden verbeterd.
Inzichtelijkheid van de maatregelen
In het auditrapport bij de vorige voortgangsrapportage van het Veiligheidsprogramma is aanbevolen de inzichtelijkheid van de voortgang van de maatregelen te vergroten. Inmiddels heeft de stuurgroep Veiligheid besloten om maatregelen te clusteren opdat betere sturing en verantwoording mogelijk is. De auditdiensten achten dit een goede stap. De resultaten ervan zijn nog niet tot uitdrukking gekomen in de huidige voortgangsrapportage.
Cijfers over objectieve en subjectieve veiligheid
Voor de gegevens op basis van de monitor «bedrijven en instellingen» (bijlage II in deze voortgangsrapportage) zal niet eerder dan over 2004 een bruikbare nulmeting beschikbaar kunnen zijn. Van gegevens in deze bijlage afkomstig van het CBS is de nauwkeurigheid nog niet bekend, zodat de bruikbaarheid momenteel niet kan worden vastgesteld. De gegevens van de Politie Monitor Bevolking zijn volgens de beschikbare informatie voldoende nauwkeurig.
In bijlage III van de voortgangsrapportage worden niet-financiële kengetallen gepresenteerd. Bij een meerderheid van de kengetallen is geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid. Een deel van de kengetallen kent risico's voor de betrouwbaarheid.
Niet-financiële voortgangsinformatie
In bijlage I van deze voortgangsrapportage wordt per maatregel informatie verstrekt. De kwaliteit van deze informatie is verbeterd ten opzichte van de vorige voortgangsrapportage. De formuleringen zijn nu meer specifiek, meetbaar en tijdgebonden. De programmaorganisatie heeft een kwaliteitstoets op deze informatie uitgevoerd. De procedure van deze toets kan op onderdelen worden verbeterd om de consistentie van de beoordeling beter te waarborgen.
De auditdiensten hebben onderzocht hoe het budgetoverzicht van het Veiligheidsprogramma in de vorige voortgangsrapportage (bijlage V) tot stand is gekomen. Uit het onderzoek is gebleken dat de budgetten voor de justitieorganisaties niet goed herkenbaar in de reguliere financiële administraties zijn opgenomen. Daardoor zijn bij Justitie onvoldoende waarborgen aanwezig voor het maken van betrouwbare budgetoverzichten van het Veiligheidsprogramma. In bijlage V van de huidige rapportage rapporteren de ministers dat zal worden bezien hoe de toegekende middelen van het Veiligheidsprogramma kunnen worden geoormerkt om dergelijke problemen in de toekomst te voorkomen.
Uit bijlage V van deze voortgangsrapportage blijkt dat de ministers in afwijking van de procedureregeling grote projecten geen aparte verantwoording zullen afleggen over de besteding van de middelen van het Veiligheidsprogramma, omdat dit zou leiden tot een overmaat aan bureaucratie. Uit onderzoek van de auditdiensten blijkt dat de besteding van middelen niet zonder additionele maatregelen te volgen is in de reguliere financiële administraties. Bovendien zijn de auditdiensten van mening dat het apart onderscheiden van de prestaties van het Veiligheidsprogramma in de reguliere administraties in veel gevallen niet mogelijk is. De conclusie is dat in de huidige administraties een apart verband tussen prestaties en bestedingen van het Veiligheidsprogramma inderdaad niet zichtbaar gemaakt kan worden zonder aanzienlijke investeringen.
Zorgvuldige verantwoording over prestaties van het Veiligheidsprogramma wordt bij ontbreken van een aparte verantwoording van bestedingen des te belangrijker. De auditdiensten zijn van mening dat een duidelijkere visie dient te worden ontwikkeld over de wijze waarop verantwoording over de prestaties van het Veiligheidsprogramma zal worden afgelegd. De auditdiensten zien dit gebrek aan visie weerspiegeld in onderdelen van de huidige rapportage, waarin onvoldoende duidelijk wordt hoe op grond van de gepresenteerde gegevens de prestaties over het jaar 2003 moeten worden beoordeeld.
Invulling van eerdere aanbevelingen
Als laatste paragraaf van dit rapport is een overzicht opgenomen van de wijze waarop de programmaorganisatie eerdere aanbevelingen van de auditdiensten heeft ingevuld. In de vorige auditrapportage werd onder andere aanbevolen om onderzoek te laten verrichten naar de causaliteit of plausibiliteit van de relatie tussen het beleid en eventuele effecten op de veiligheid. De huidige voortgangsrapportage geeft duidelijkheid over het standpunt van de ministers op dit punt. Uit bijlage V blijkt dat de plausibiliteit van deze relatie zal worden verondersteld en niet zal worden aangetoond.
Het Veiligheidsprogramma is omvangrijk en complex, zodat hoge eisen aan de sturing worden gesteld. Inzicht in risico's is dan van groot belang. Verder is het belangrijk om op hoofdlijnen te sturen. Door de inzichtelijkheid van de maatregelen te vergroten vergemakkelijkt de programmaorganisatie deze sturing.
De programmaorganisatie dient inzicht te hebben in de risico's voor het behalen van de programmadoelstellingen.
De rapportage dient inzicht te verschaffen in de onderkende risico's en de wijze waarop deze zijn afgedekt.
De programmaorganisatie dient onderkende risico's en de wijze waarop deze worden afgedekt te beargumenteren.
In de eerste voortgangsrapportage van het Veiligheidsprogramma (mei 2003) wordt het programma ambitieus genoemd, met krappe budgettaire kaders, waarbij het nodig zal zijn «scherp aan de koers te zeilen». Dit wijst er op dat belangrijke risico's bestaan voor het behalen van de doelstellingen van het Veiligheidsprogramma. Daarom is het nodig tijdig een goed zicht te hebben op deze risico's en zich te bezinnen op maatregelen die eventueel nodig zijn indien risico's werkelijkheid worden.
In de vorige rapportage van de auditdiensten is geconcludeerd dat de stuurgroep medio 2003 nog geen samenhangend totaaloverzicht had van de risico's voor de implementatie en uitvoering van het programma. Bovendien waren de voorbereidende maatregelen om tot een goed inzicht in de risico's te komen naar de mening van de auditdiensten onvoldoende.
In de huidige voortgangsrapportage handelt paragraaf 2.4 over risico's. In die paragraaf worden twee risico's genoemd: opgelopen vertragingen en obstakels op het lokale niveau. Hierbij valt op dat de formulering van de risico's weinig specifiek is. Bovendien wordt niet goed duidelijk gemaakt op welke wijze men deze risico's zal ondervangen.
De auditdiensten zijn nagegaan op welke wijze binnen het Veiligheidsprogramma aandacht is geschonken aan risico's. De programmaorganisatie heeft op drie niveau's risico's geïnventariseerd: per maatregel, per cluster van maatregelen (zie ook paragraaf 3.2) en voor het Veiligheidsprogramma als geheel. Hoewel risico's dus duidelijk aandacht hebben gehad, zijn de auditdiensten van mening dat de wijze van analyseren van de risico's moet worden verbeterd. Bij een systematische risicoanalyse dient een aantal stappen te worden doorlopen om tot een zo betrouwbaar en volledig mogelijk resultaat te komen. Bij Justitie zijn bijvoorbeeld zes stappen voorgeschreven in de bedrijfsvoeringsrichtlijn van 19 juli 2002, in navolging van het referentiekader mededelingen over de bedrijfsvoering van het ministerie van Financiën.
Binnen het Veiligheidsprogramma zijn echter geen eisen gesteld aan de risicoanalyses die per maatregel zijn uitgevoerd. Voor de analyses per cluster van maatregelen zijn wel heldere eisen geformuleerd ten aanzien van de methodologie, maar deze zijn slechts ten dele daadwerkelijk gevolgd. De wijze waarop de risicoanalyse over het programma als geheel is verlopen, kunnen de auditdiensten niet beoordelen omdat deze niet is gedocumenteerd. Ten slotte is het onduidelijk hoe uit de beschikbare informatie de belangrijkste risico's zijn geselecteerd voor rapportage aan de Kamer.
Naar de mening van de auditdiensten zal een meer systematische benadering volgens de daarvoor geldende voorschriften ook leiden tot een meer informatieve rapportage over risico's.
3.2. Inzichtelijkheid van maatregelen
De rapportage van de programmaorganisatie dient inzichtelijk te zijn.
De (verzamelde) niet-financiële informatie dient relevant te zijn voor het programma.
In de vorige auditrapportage Veiligheidsprogramma (oktober 2003) is het aspect «inzichtelijkheid van maatregelen» genoemd. Daarin is aangegeven dat bij een groot project het gevaar bestaat dat de informatievoorziening uitdijt tot onbeheersbare proporties. Dit betekent dat het belangrijk is om op hoofdlijnen te rapporteren, waarbij wel alle belangrijke onderwerpen aan bod komen. De auditdiensten hebben in de vorige auditrapportage dan ook geadviseerd om de inzichtelijkheid van de maatregelen te vergroten door een prioriteit aan de maatregelen toe te voegen.
De stuurgroep Veiligheid heeft inmiddels besloten tot een groepering van cruciale maatregelen uit het Veiligheidsprogramma tot zes clusters. Op de maatregelen binnen deze clusters zal de monitoring intensiever plaatsvinden. Doel van deze intensivering is:
– een betere sturing en verantwoording mogelijk te maken en
– de samenhang tussen deze maatregelen meer inzichtelijk te maken.
De weg die de programmaorganisatie heeft ingezet met het verder inzichtelijk maken van de maatregelen waarderen de auditdiensten positief. Het ligt in de verwachting dat de geclusterde maatregelen beter gemonitord kunnen worden op basis van de eisen van de «Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek Rijksoverheid» (RPE). Dit zal de kwaliteit van de (voortgangs)informatie en de sturing daarop ten goede komen.
Daarbij plaatsen de auditdiensten de kanttekening dat ook voor de informatievoorziening over niet-geclusterde maatregelen de eisen van de RPE gelden.
De clustering van maatregelen komt nog niet tot uiting in de presentatie van deze voortgangsrapportage. De programmaorganisatie heeft laten weten nog te zullen bezien hoe de clusters in de komende voortgangsrapportages verwerkt kunnen worden.
Het Veiligheidsprogramma omvat vele maatregelen. Om deze te monitoren is het van belang dat de programmaorganisatie over de juiste gegevens beschikt. Achtereenvolgens komen aan de orde: kwaliteit cijfers over objectieve en subjectieve veiligheid, kerncijfers strafrechtsketen en niet-financiële voortgangsinformatie.
4.1. Kwaliteit cijfers over objectieve en subjectieve veiligheid
De verzamelde niet-financiële informatie dient valide te zijn.
De verzamelde niet-financiële informatie dient betrouwbaar te zijn.
De verzamelde informatie dient nauwkeurig te zijn.
Bijlage II van deze voortgangsrapportage bevat gegevens over de objectieve en subjectieve veiligheid in Nederland. Deze gegevens dienen om het verloop van de criminaliteit in Nederland op hoofdlijnen te kunnen volgen in de periode dat het Veiligheidsprogramma wordt uitgevoerd. Blijkens de vorige voortgangsrapportage worden de gegevens voor het jaar 2002 beschouwd als de nulmeting voor het Veiligheidsprogramma.
Het is belangrijk dat de in de tabel gepresenteerde gegevens van voldoende kwaliteit zijn om conclusies op te kunnen baseren. De getallen moeten bijvoorbeeld voldoende nauwkeurig zijn, dat wil zeggen een niet te grote toevalsmarge hebben. Daarmee hangt samen dat de onderliggende steekproeven van voldoende omvang moeten zijn.
In de vorige voortgangsrapportage werden twijfels geuit over de kwaliteit van de gegevens op basis van de monitor «bedrijven en instellingen». Het programmabureau heeft deze gegevens inmiddels laten controleren en de kwaliteit is inderdaad onvoldoende gebleken, de toevalsmarge van de beide kengetallen naar boven en beneden bedraagt tientallen procenten. Het gevolg hiervan is dat geen bruikbare nulmeting voor de indicatoren «vermogen»en «geweld» bij bedrijven en instellingen beschikbaar is. Het programmabureau heeft laten weten dat in de toekomst de wijze van steekproeftrekking zal worden gewijzigd, waardoor over volgende jaren nauwkeuriger uitkomsten voor deze beide indicatoren beschikbaar zullen komen.
Het programmabureau Veiligheid heeft ook de nauwkeurigheid van de gegevens van de Politie Monitor Bevolking opgevraagd. De cijfers zijn volgens de beschikbare informatie (bron: Intomart) dermate nauwkeurig dat verschillen tussen jaren in de tabel bij de desbetreffende kengetallen in het algemeen statistisch significant zijn.
De kwaliteit van de overige indicatoren in de tabel (afkomstig van CBS) is nog niet duidelijk. Het programmabureau Veiligheid heeft informatie bij het CBS opgevraagd, maar ten tijde van deze rapportage (april 2004) had het CBS de desbetreffende gegevens nog niet beschikbaar. Voor deze kengetallen in de tabel geldt dat zolang de toevalsmarges niet bekend zijn, onduidelijk blijft in hoeverre de verschillen tussen jaren in de bijlage II toevalsfluctuaties zijn.
Voor de gegevens op basis van de monitor «bedrijven en instellingen» zal niet eerder dan over 2004 een bruikbare nulmeting beschikbaar kunnen zijn. Van gegevens afkomstig van het CBS is de nauwkeurigheid nog niet bekend, zodat de bruikbaarheid momenteel niet kan worden vastgesteld. De gegevens van de Politie Monitor bevolking zijn volgens de beschikbare informatie voldoende nauwkeurig.
4.2. Kerncijfers strafrechtsketen
De verzamelde niet-financiële informatie dient betrouwbaar te zijn.
In bijlage III (kerncijfers strafrechtsketen) van de voortgangsrapportage worden niet-financiële kengetallen gepresenteerd. Deze geven een beeld van het verloop van de productie van verschillende onderdelen van de strafrechtsketen gedurende de jaren dat het Veiligheidsprogramma wordt uitgevoerd. Daarbij is belangrijk dat bij de totstandkoming voldoende voorwaarden aanwezig zijn voor een goede kwaliteit van deze getallen.
De cijfers uit de bijlage zijn grotendeels afkomstig uit drie verschillende bronnen: het Openbaar Ministerie (OM), de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en het CBS. Een drietal kengetallen is afkomstig uit andere bronnen (HALT, SRN, KLPD).
Binnen de audit naar het Veiligheidsprogramma is informatie verzameld over het totstandkomingsproces van een deel van deze productiegetallen. Deze informatie is ontleend aan resultaten van andere DAD-onderzoeken.
De conclusies uit deze onderzoeken zijn als volgt.
– Kengetallen van het Openbaar Ministerie worden gegenereerd door een aantal systemen, waarvan het systeem COMPAS de basis vormt. Bij de totstandkoming van deze COMPAS-kengetallen in bijlage III zijn onvoldoende beheersingsmaatregelen in en rondom de systemen en onvoldoende procedurebeschrijvingen aanwezig. Dit leidt ertoe dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn om inzicht te krijgen of te geven in de mate van betrouwbaarheid van de gegevens uit COMPAS. De departementale auditdienst van Justitie heeft het Openbaar Ministerie aanbevolen om de geconstateerde gebreken te verhelpen. In de komende jaren zal COMPAS stapsgewijs worden vervangen door een nieuw systeem.
– De totstandkoming van de capaciteitsgegevens van de sectoren JJI en TBS van de DJI is gewaarborgd door ingebouwde en geprogrammeerde controles. Een zwak punt bij de overige DJI-gegevens vormen handmatige tussenstappen bij de totstandkoming, waardoor fouten niet uitgesloten zijn. Teneinde dit risico te ondervangen is binnen de DJI een project geïnitieerd met als doel de capaciteitsgegevens vanaf 2005 rechtstreeks uit het systeem te genereren.
– Bij de totstandkoming van de beide cijfers over HALT-verwijzingen en uitgevoerde taakstraffen volwassenen (SRN) zijn voldoende voorwaarden voor betrouwbaarheid aanwezig. De departementale auditdienst van Justitie heeft enkele aanbevelingen gedaan voor verdere verbetering van de inrichting van de administratieve organisatie en de controleprotocollen.
Een deel van de informatie is afkomstig van een externe bron (het CBS), waarbij voor de auditdiensten op dit moment geen aanleiding bestaat om nader onderzoek naar de betrouwbaarheid te doen.
De algemene conclusie is dat bij een meerderheid van de kengetallen in bijlage III geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid. Een deel van de kengetallen kent risico's voor de betrouwbaarheid.
4.3. Niet-financiële voortgangsinformatie
De (verzamelde) niet-financiële informatie dient bruikbaar te zijn. De verzamelde eenheden dienen consistent gedefinieerd te zijn.
Voor goede monitoring geldt dat de verzamelde niet-financiële informatie valide, betrouwbaar, nauwkeurig en bruikbaar moet zijn. Het programmabureau heeft vanuit zijn coördinerende rol een kwaliteitstoets uitgevoerd op de aangeleverde niet-financiële informatie door de lijnorganisaties die is verwerkt in bijlage I van de voortgangsrapportage. Dit is een vervolg op de kwaliteitstoets bij de voortgangsrapportage van oktober 2003.
Het programmabureau beoordeelt in de toets per maatregel of deze specifiek, meetbaar en tijdgebonden is. Tevens wordt aangegeven of de maatregel vertraging heeft opgelopen, wat de ernst hiervan is en wat de reden van de vertraging is. Daarnaast beoordeelt het programmabureau of de risico's voor het bereiken van de maatregel in kaart zijn gebracht en inventariseert het welke acties worden ondernomen.
Met bovenstaande beoordelingen kan het programmabureau de kwaliteit en de voortgang van de maatregelen monitoren en kan aan de Tweede Kamer meer inzicht hierin worden verschaft.
De uitkomsten van de beoordelingen door het programmabureau geven aan dat een kwaliteitsverbetering is behaald. De doelstellingen van de maatregelen zijn vaker specifiek, meetbaar en tijdgebonden geformuleerd ten opzichte van de vorige rapportage. Het aantal vertragingen is evenwel opgelopen. Het programmabureau vindt dit een zorgelijk beeld en zal hieraan de nodige aandacht schenken.
Uit de door de auditdiensten uitgevoerde review is gebleken dat de procedure van de kwaliteitstoets op de niet-financiële informatie kan worden verbeterd. De uitvoeringsrichtlijnen en de gehanteerde normatiek kunnen aangescherpt en vastgelegd worden om te waarborgen dat de toets op de verantwoordingsinformatie consistent wordt uitgevoerd.
De auditdiensten zijn van mening dat de inspanningen van het programmabureau met de kwaliteitstoets tot een verbetering hebben geleid ten aanzien van de mate waarin de maatregelen specifiek, meetbaar en tijdgebonden zijn. Dit draagt bij aan een meer inzichtelijke en onderbouwde informatievoorziening aan de Tweede Kamer.
De eerste en tweede voortgangsrapportage van het Veiligheidsprogramma bevatten bijlagen met totaaloverzichten van de toegekende budgetten. In de eerste voortgangsrapportage (mei 2003) was nog geen financiële verantwoording van het programma opgenomen omdat in het voorafgaande jaar nog geen middelen ter beschikking waren gesteld. Volgens de eerste voortgangsrapportage zou in de huidige rapportage (mei 2004) de financiële verantwoording van het programma over 2003 opgenomen worden.
De huidige voortgangsrapportage bevat echter, in tegenstelling tot de eerder gedane toezegging, geen financiële verantwoordingsinformatie. In bijlage V van de rapportage wordt nader ingegaan op de systematiek van de verantwoordingsinformatie over het Veiligheidsprogramma. In deze bijlage komen onder andere de volgende drie punten aan de orde:
• In de eerste en tweede voortgangsrapportage zijn de toegekende budgetten zichtbaar gemaakt. De nog onverdeelde middelen zullen in de begroting 2005 afzonderlijk zichtbaar worden gemaakt.
• De betrokken organisaties zullen geen separate verantwoording afleggen over de toegekende middelen van het Veiligheidsprogramma, maar op de gebruikelijke wijze over het gehele budget.
• Bij de toekenning van de veiligheidsmiddelen aan de diverse organisaties zijn meerjarige afspraken gemaakt over de toegenomen prestaties die ten opzichte van de uitgangssituatie over 2002 geleverd zullen worden.
In de volgende paragrafen zullen deze drie punten achtereenvolgens worden behandeld. Ten slotte wordt in de paragraaf 5.4 een overzicht gegeven van de wijze waarop invulling is gegeven aan eerder door de auditdiensten gedane aanbevelingen.
De rapportage dient te rapporteren over alle daadwerkelijk ingezette middelen.
De programmaorganisatie dient de financiële informatie op juiste wijze aan de reguliere begrotings- en verantwoordingscyclus te ontlenen.
De auditdiensten zijn binnen de beide ministeries nagegaan hoe de budgetinformatie in de reguliere financiële administraties zichtbaar is gemaakt. Dit heeft het volgende resultaat opgeleverd.
De budgetten van het Veiligheidsprogramma zijn niet duidelijk herkenbaar gemaakt in de reguliere budgetadministratie van Justitie, hoewel dit wel mogelijk is. In de tweede voortgangsrapportage is in bijlage V een financieel overzicht opgenomen (Tabel IVa pag. 78-79). De auditdiensten hebben geconstateerd dat dit overzicht handmatig en op ondoorzichtige wijze is samengesteld. Het overzicht komt wel op hoofdlijnen maar niet in alle details overeen met de reguliere budgetadministratie.
Uit bijlage V blijkt dat momenteel wordt bezien hoe de toegekende middelen van het Veiligheidsprogramma kunnen worden geoormerkt, opdat dergelijke problemen in de toekomst niet meer voor kunnen komen.
Vastgesteld is dat de budgetten voor het Veiligheidsprogramma bij BZK goed zijn verwerkt in de begroting van het directoraat-generaal Openbare Orde en Veiligheid (DGOOV) en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD).
In beginsel is op basis van de reguliere financiële administratie de verdeling van budgetten van het Veiligheidsprogramma over de verschillende organisaties te achterhalen. In de reguliere financiële administratie van Justitie zijn deze budgetten echter niet goed herkenbaar. Daarom zijn nog te weinig waarborgen bij Justitie aanwezig voor het maken van betrouwbare budgetoverzichten van het Veiligheidsprogramma. De auditdiensten hebben de stuurgroep aanbevolen maatregelen te treffen om hierin verbetering aan te brengen. In bijlage V rapporteren de ministers dat zal worden bezien hoe de toegekende middelen van het Veiligheidsprogramma kunnen worden geoormerkt om dergelijke problemen in de toekomst te voorkomen.
De programmaorganisatie dient te rapporteren over alle aan de Tweede Kamer toegezegde informatie.
De rapportage dient inzicht te verschaffen in de mate waarin geraamde financiële en niet-financiële middelen zijn benut.
De procedureregeling grote projecten vereist in de voortgangsrapportages informatie over financiële verplichtingen en uitgaven vergeleken met de projectbegroting. Uit bijlage V van deze voortgangsrapportage blijkt dat de ministers in afwijking van de procedureregeling geen aparte verantwoording zullen afleggen over de besteding van de middelen van het Veiligheidsprogramma. Dit zou leiden tot een overmaat aan bureaucratie, omdat alle uitgaven en prestaties in het kader van het Veiligheidsprogramma zouden moeten worden onderscheiden van de reguliere uitgaven en prestaties.
De auditdiensten hebben geconstateerd dat de besteding van middelen niet zonder additionele maatregelen te volgen is in de reguliere financiële administraties. Bovendien zijn de auditdiensten van mening, zonder hier gedetailleerd onderzoek naar te hebben gedaan, dat het apart onderscheiden van de prestaties van het Veiligheidsprogramma in de reguliere administraties in veel gevallen niet mogelijk is. De conclusie is dat in de huidige administraties een apart verband tussen prestaties en bestedingen van het Veiligheidsprogramma inderdaad niet zichtbaar gemaakt kan worden zonder aanzienlijke investeringen.
Wel krijgt de verantwoording van prestaties bij het ontbreken van een aparte verantwoording van bestedingen een hogere prioriteit. Hierover handelt de volgende paragraaf.
De rapportage van de programmaorganisatie dient inzichtelijk te zijn.
De rapportage dient inzicht te verschaffen in de mate waarin beoogde doelstellingen zijn bereikt en beoogde activiteiten zijn verricht.
De programmaorganisatie dient verschillen tussen geplande en gerealiseerde prestaties te beargumenteren.
In bijlage V van de voortgangsrapportage wordt kort ingegaan op het verantwoorden van de prestaties van het Veiligheidsprogramma. Daarbij wordt verwezen naar bijlage III. In de bijlage III zijn in de huidige voortgangsrapportage nieuwe gegevens opgenomen over de politie. In bijlage V wordt aangekondigd dat het beeld waar nodig nog zal worden aangevuld en dat zal worden bezien hoe de kwaliteit van de gegevens verder kan worden verbeterd. Verder worden in bijlage V «kwalitatieve maatregelen» genoemd, waarbij voor de verantwoording van het effect verwezen wordt naar het totale effect van alle maatregelen op de criminaliteit.
De auditdiensten zijn van mening dat in bijlage V nog onvoldoende tot uitdrukking komt volgens welke visie de verantwoording van de prestaties van het Veiligheidsprogramma zal plaatsvinden. Er wordt bijvoorbeeld niet aangegeven welke de «kwalitatieve» maatregelen zijn en of verantwoording over deze kwalitatieve prestaties (i.t.t. de effecten) zal worden afgelegd. De auditdiensten zien dit gebrek aan visie weerspiegeld in onderdelen van de informatie in de voortgangsrapportage. Zo wordt bijlage III in de voortgangsrapportage gepresenteerd als een belangrijk onderdeel van de verantwoording over de strafrechtsketen, maar bij de tabel ontbreekt een toelichting en het blijft onduidelijk in hoeverre de gepresenteerde cijfers goed nieuws of slecht nieuws vertegenwoordigen. Ook is niet helder in hoeverre bijlage III handelt over verantwoordingsinformatie op basis van gemaakte afspraken en in hoeverre het monitoring betreft van belangrijke onderdelen van de keten.
Zorgvuldige verantwoording over prestaties van het Veiligheidsprogramma wordt bij ontbreken van een aparte verantwoording van bestedingen des te belangrijker. De auditdiensten zijn van mening dat een duidelijkere visie dient te worden ontwikkeld over de wijze waarop verantwoording over de prestaties van het Veiligheidsprogramma zal worden afgelegd. De auditdiensten zien dit gebrek aan visie weerspiegeld in onderdelen van de huidige rapportage, waarin onvoldoende duidelijk wordt hoe op grond van de gepresenteerde gegevens de prestaties moeten worden beoordeeld.
5.4. Invulling van eerdere aanbevelingen
In de vorige auditrapportage is melding gemaakt van een aantal aanbevelingen, dat de beide auditdiensten aan de stuurgroep hebben gedaan. Een aantal van de desbetreffende onderwerpen is hiervoor al behandeld (inzicht in risico's, inzichtelijkheid van maatregelen, niet-financiële voortgangsinformatie, financiële verantwoording). In deze paragraaf wordt kort ingegaan op de stand van zaken bij de nog niet genoemde onderwerpen waarover de auditdiensten eerder aanbevelingen hebben gedaan (causaliteitsvraagstuk, protocollen, netwerksturing, aansturing).
De Commissie voor de Rijksuitgaven zegt in haar advies d.d. 17 juni 2003 aan de vaste commissie voor Justitie het volgende: «.... een uiterste poging wordt ondernomen aan te geven of de maatschappelijke problemen worden opgelost en of dat dankzij het beleid is gebeurd. Als de causaliteit niet eenduidig kan worden aangetoond, behoren de ministers in ieder geval de benodigde informatie te verschaffen aan de Kamer om haar in staat te stellen een oordeel te geven over de plausibiliteit van het effect».
De auditdiensten hebben in de vorige rapportage de stuurgroep geadviseerd nader onderzoek te verrichten naar de relatie tussen enerzijds de maatregelen van het Veiligheidsprogramma en anderzijds het verloop van de veiligheid. De auditdiensten hebben vervolgens in januari 2004 de stuurgroep geadviseerd de Tweede Kamer schriftelijk op de hoogte te stellen van de voornemens bij het aantonen van causaliteit of, indien dit niet mogelijk is, plausibiliteit van de voornoemde relatie.
In de huidige rapportage wordt hierover in bijlage V aangekondigd dat niet per maatregel afzonderlijk de bijdrage tot het gewenste effect in beeld zal worden gebracht, maar dat uitgegaan zal worden van de plausibele veronderstelling dat elke maatregel een bijdrage levert aan het effect. Daarmee is de door de auditdiensten gevraagde helderheid gegeven: de plausibiliteit tussen maatregelen en effecten zal worden verondersteld en niet worden aangetoond. De door de Commissie van Rijksuitgaven bepleite «uiterste poging» om aan te tonen in hoeverre de maatschappelijke problemen zijn opgelost dank zij het beleid, zal niet worden ondernomen.
Protocollen zijn een belangrijk hulpmiddel om coördinatie te vereenvoudigen. Het aanleveren van informatie kan ermee worden gestructureerd. Eerder constateerden de auditdiensten dat beschikbare concepten van protocollen voor het Veiligheidsprogramma nog niet duidelijk en volledig waren. De auditdiensten hebben er op gewezen dat haast geboden is bij de uitwerking van de protocollen, gezien de planning voor de uitvoering van het programma.
Inmiddels is voor het maken van risicoanalyses voor de clusters van cruciale maatregelen (zie paragraaf 3.2) een goed voorschrift opgesteld. Bij het opstellen van financiële en niet-financiële protocollen hebben de auditdiensten tot de onderhavige rapportage nog geen verdere voortgang kunnen vaststellen. De programmaorganisatie heeft laten weten deze protocollen, wellicht in een gecombineerde vorm, medio 2004 gereed te zullen hebben.
In het eerder genoemde concept plan van aanpak van de programmaorganisatie is sprake van een communicatieplan en van «regionale netwerkvorming, borgen van interacties tussen actoren, uitwisseling van informatie, doelen en middelen tussen partners, en uiteindelijk de totstandkoming van een gezamenlijke probleemoplossing binnen het regionale netwerk.» De auditdiensten hebben in de vorige rapportage de stuurgroep geadviseerd het voorgestelde communicatieplan met voortvarendheid uit te werken en te implementeren. Bovendien werd de stuurgroep geadviseerd het concept netwerksturing nader uit te werken, zodat het monitoren hiervan kan worden gerealiseerd.
Inmiddels zijn op dit punt vorderingen gemaakt. De programmaorganisatie heeft in een interne notitie een communicatiestrategie geformuleerd, waarin lijnen worden uitgezet en actiepunten voor de komende jaren worden geformuleerd om het Veiligheidsprogramma bij verschillende doelgroepen onder de aandacht te brengen. Communicatieplannen zijn in voorbereiding en de programmaorganisatie verwacht deze medio 2004 gereed te hebben. Op het gebied van netwerksturing is een nota over preventie van criminaliteit opgesteld, waarin Rijksbreed preventieactiviteiten zijn geïnventariseerd.
Verder is bijvoorbeeld binnen het Platform Criminaliteitsbeheersing een actieplan Veilig Ondernemen opgesteld, met het uiteindelijke doel de criminaliteit tegen het bedrijfsleven terug te brengen. Het begrip netwerksturing is echter binnen het Veiligheidsprogramma zo omvangrijk en complex, dat de auditdiensten op dit moment niet in staat zijn te beoordelen of de sturing op dit punt voldoende is.
In de vorige rapportage constateerden de auditdiensten dat een tekstuele discrepantie bestond tussen een concept «instellingsbesluit programmaorganisatie Veiligheid» en een concept «plan van aanpak» van het programmabureau Veiligheid.
Inmiddels is een gewijzigde versie van het instellingsbesluit van kracht geworden. Met de wijziging is de voornoemde discrepantie opgeheven. De auditdiensten hebben nog geen definitieve versie van het plan van aanpak ontvangen. Volgens het programmabureau zal een aangepaste versie in de loop van 2004 beschikbaar komen.
M.J. Winters RA(Directeur Auditdienst Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) ing. C.A. van der Spek RA (Wnd. Directeur Auditdienst Ministerie van Justitie)
De tweede rapportage van de departementale auditdiensten (hierna: DAD'en) naar aanleiding van het uitbrengen van de Derde voortgangsrapportage over het Veiligheidsprogramma hebben wij met waardering ontvangen.
Het doet ons genoegen dat de DAD'en belangrijke vorderingen signaleren in de voortgang van het Veiligheidsprogramma en de kwaliteit van de huidige voortgangsrapportage: bijvoorbeeld ten aanzien van de kwaliteit van de niet-financiële voortgangsinformatie. De algemene conclusie dat er de nodige vorderingen zijn gemaakt maar dat ook verdere verbeteringen nodig zijn, onderschrijven wij.
Tevens doet het ons genoegen dat de DAD'en – blijkens hun conclusie – het standpunt innemen, dat «een apart verband tussen prestaties en bestedingen van het Veiligheidsprogramma inderdaad niet zichtbaar gemaakt kan worden zonder aanzienlijke investeringen». Wij vinden hierin steun voor onze opvatting zoals wij die in bijlage V hebben verwoord, dat aparte verantwoording inzake de besteding van de middelen van het Veiligheidsprogramma slechts tot een overmaat aan bureaucratie zou leiden. In bijlage V hebben wij vervolgens expliciet gemaakt hoe wij – uitgaande van deze fundamentele constatering en binnen de beperkingen die dat dan stelt – dan wel adequaat zullen monitoren en verantwoorden.
De DAD'en plaatsen daarnaast enkele kritische kanttekeningen. Bij verschillende knelpunten wordt momenteel reeds bezien hoe hieraan tegemoet kan worden gekomen, bijvoorbeeld met betrekking tot de budgetoverzichten voor de justitieorganisaties. In de volgende voortgangsrapportages zal hierop nader worden teruggekomen. Met betrekking tot de overige kritische kanttekeningen kan daarnaast het volgende worden vermeld.
Gezien het belang van goede cijfers zijn wij blij met de positieve constateringen die de DAD'en ter zake doen. De kritische kanttekeningen met betrekking tot delen van het het voorhanden cijfermateriaal (objectieve en subjectieve veiligheid, kerncijfers strafrechtsketen) kunnen wij op hoofdlijnen ook onderschrijven: aan de monitor «Bedrijven en instellingen» wordt inmiddels gewerkt (zie ook paragraaf 2); evenals aan de risico's voor de betrouwbaarheid van een deel van de kengetallen strafrechtsketen. Vooralsnog zal met laatstgenoemde cijfers overigens nog wel moeten worden gewerkt bij gebrek aan goede alternatieven. Het CBS is voor ons een bron waarvan de betrouwbaarheid niet ter discussie staat, tenzij anders mocht blijken.
De bepaling van de risico's heeft – zoals ook de DAD'en aangeven – duidelijk aandacht gehad. Dit is gedaan door middel van een generieke inventarisatie van de risico's per maatregel; door een geconcentreerde risicobepaling voor de maatregelen die van groter belang zijn; en in een ronde van meetings met veldvertegenwoordigers om ook het externe perspectief voor het voetlicht te krijgen. Deze laatste ronde is door ons in personam verricht.
Wij zijn daarmee van mening dat wij in deze periode voldoende inspanningen hebben verricht om een fundamentele bezinning op de risico's mogelijk te maken en de Kamer daarover adequaat kunnen rapporteren. Dat de rapportage slechts op hoofdlijnen gebeurt, wordt mede ingegeven door de wens tot transparantie en om de rapportage van de 132 maatregelen binnen de perken te houden. De omvang en complexiteit van het Veiligheidsprogramma leiden er tevens toe dat de methodiek voor de bedrijfsvoering die de DAD'en als voorgeschreven veronderstellen, in het kader van het Veiligheidsprogramma niet altijd kan worden gevolgd. Dit zou wederom slechts tot bureaucratie leiden en wellicht ook het zicht wegnemen op de echte risico's. Voorzover de vraagtekens die de DAD'en plaatsen bij de wijze van analyseren en de controleerbaarheid derhalve berusten op deze methode, kunnen wij ons in deze opmerkingen niet herkennen. Voorzover de opmerkingen slaan op de permanente noodzaak tot aandacht voor de wijze van analyse van de gegevens, en de controleerbaarheid daarvan, kunnen wij ons hierin vinden. Dit heeft onze aandacht. Momenteel wordt daarnaast ook nagedacht over de wijze waarop wij met de in deze voortgangsrapportage aangeven belangrijkste knelpunten – vertragingen en aanwezige lokale obstakels bij de totstandbrenging van meer veiligheid (zie paragraaf 2.4) – concreet om zullen gaan. Aan de vertragingen wordt inmiddels hard gewerkt. In de eerstvolgende voortgangsrapportage zullen wij U hierover nader berichten.
De verantwoording inzake de prestaties verdient een «duidelijkere visie», aldus de DAD'en. Met de voorliggende rapportage – en vooral de combinatie van de overzichtsbijlagen I (uitvoeringsproces maatregelen), II (stand van zaken veiligheid), III (kerncijfers politie en strafrechtsketen) en IV (wetgevingsoverzicht) – zijn wij van mening dat wij op hoofdlijnen helder rapporteren. Het veiligheidsprogramma zal de komende jaren verder evoluëren waarbij de nadruk steeds meer op de vergelijking van verwachte en gerealiseerde prestaties zal komen te liggen. Op onderdelen zullen wij derhalve steeds bezien of en in hoeverre dit tot aanpassingen en aanvullingen in de presentatie hiervan moet leiden.
TK 2002–2003, 28 684, nrs. 1 en 2. In het vervolg aangeduid als Veiligheidsprogramma. Bij verwijzing naar bepaalde pagina's wordt gedoeld op het kamerstuk.
Het betreft een schaalscore die hoger wordt naarmate meer burgers zich positief uitlaten over een aantal stellingen over de beschikbaarheid van de politie. Deze score dient niet geïnterpreteerd te worden als een rapportcijfer.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28684-29.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.