Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200928684 nr. 225

28 684
Naar een veiliger samenleving

nr. 225
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 19 mei 2009

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 1 april 2009 overleg gevoerd met minister Hirsch Ballin van Justitie over:

– de brief van de minister van Justitie d.d. 18 februari 2009 houdende de reactie van de regering op de motie-Heerts/Teeven over de aanpak van lading- en winkeldiefstal (29 911, nr. 21);

– de brief van de minister van Justitie d.d. 31 maart 2009 over De aanpak van overvalcriminaliteit (28 684, nr. 210).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: De Wit Adjunct-griffier: Van Doorn

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De voorzitter: Ik heet iedereen van harte welkom. Wij hebben voor dit algemeen overleg over winkelcriminaliteit met de minister van Justitie drie uur uitgetrokken. Ik hanteer voor de eerste termijn een spreektijd van zeven minuten.

De heer Heerts (PvdA): Voorzitter. Gisteren ontvingen wij een brief van de minister van Justitie over de aanpak van winkelcriminaliteit. Deze brief laat zien dat er sprake is van een zorgwekkende toename van het aantal winkelovervallen en dat een intensievere aanpak nodig is. Dat was mijn fractie ook niet ontgaan, omdat de ellende die deze vorm van criminaliteit veroorzaakt, niet mis te verstaan is. Zo zijn winkeliers soms zelfs meermaals het slachtoffer van het geweld en de bedreigingen die hiermee gepaard gaan. De brief is pas kort voor het algemeen overleg binnengekomen, maar ik betrek hem toch bij mijn bijdrage, evenals overigens de brief over de uitvoering van de motie-Heerts/Teeven.

Ik maak onderscheid tussen enerzijds winkelcriminaliteit en overvallen en anderzijds georganiseerde criminaliteit bij winkel- en ladingdiefstal, vaak transportcriminaliteit genoemd. In de brief van 31 maart maakt de minister nog een ander onderscheid dat mij aanspreekt. Hij spreekt namelijk over amateurs, gevorderden en professionals. Dit extra onderscheid illustreert dat wij met verschillende vormen van daders en dadergroepen te maken hebben, die allemaal een eigen aanpak en bestraffing vergen. Het was daarom ook niet voor niets dat ik vorig jaar bij de begrotingsbehandeling van Justitie samen met collega Teeven een motie heb ingediend, een motie die onderdeel uitmaakt van de agenda van dit algemeen overleg.

De minister maakt onderscheid tussen vormen van criminaliteit en daders en dadergroepen. Dit onderscheid werkt door in zijn voorstellen voor preventieve maatregelen. Inmiddels zijn wij toe aan het derde Actieplan Veilig Ondernemen. Ik stel vast dat er ondanks dit actieplan, opgesteld met het ministerie van Economische Zaken, in de eerste twee maanden sprake is van een enorme stijging van het aantal overvallen. De minister schrijft dat er geen sprake is van een waterbedeffect, maar uit signalen uit het bedrijfsleven maak ik op dat er zeker in Oost-Nederland sprake is van een toename. Werken de Actieplannen Veilig Ondernemen eigenlijk nog wel? Wordt er voldoende gebruikgemaakt van de beschikbare middelen, zoals de veiligheidsadviezen van het ministerie van Economische Zaken en winkelstraatmanagement? In de brief van 31 maart staat dat uiterlijk het eerste kwartaal van 2012 een handboek zal worden verspreid. Dat is een knap lange tijd! Kan dat niet sneller? Ik vraag dat, omdat ondernemers en winkeliers behoefte hebben aan duidelijke adviezen, zowel van gemeenten als van politie en justitie.

Wordt er voldoende gebruikgemaakt van en wordt er voldoende ruchtbaarheid gegeven aan het succesvolle project in Almere? Dit project heeft tot doel om de kans op buit kleiner te maken door veel meer gebruik te maken van digitaal betalingsverkeer. Een ander belangrijk aspect voor de preventie is cameratoezicht. Hoe staat het met de bewaartermijn van de opnames en wat is er inmiddels geregeld voor de actieradius van camera’s in winkels en winkelstraten? De minister schrijft over die actieradius: dat wordt in ogenschouw genomen. Wat betekent dit precies? Overweegt de minister wellicht een verlenging van de bewaartermijn, zoals bepleit door het Platform Detailhandel? Het Platform stelt nadrukkelijk dat 24 uur te kort is en dat een langere termijn nodig is. Moet er verder niet meer aandacht komen voor de actieradius van camera’s in winkelstraten? Welke rol spelen de gemeenten hier overigens bij? In de brief staat dat er wordt gewerkt aan het verbinden van camerasystemen met politiesystemen. Mijn fractie staat daar positief tegenover, mits de privacyregelgeving in acht wordt genomen. Ik kan mij bijvoorbeeld voorstellen dat snel de actieradius en de bewaartermijn worden aangepast als men in een bepaald gebied een sterke stijging van de criminaliteit constateert. Als dat mogelijk is, kan dat dan sneller worden geregeld dan met dat handboek?

De minister wil de aanpak intensiveren. Mijn fractie spreekt dat zeer aan. Hij schrijft dat de hernieuwde toename thans een eigenstandige benadering rechtvaardigt. Toen ik dat las, dacht ik dat de minister mijn motie toch heel snel gaat uitvoeren. Afgezien daarvan ben ik het met de minister eens dat de sterke toename in het eerste kwartaal van dit jaar een eigenstandige benadering vergt. Het is goed dat de minister dit onderkent en erop anticipeert.

De minister schrijft in de brief over een nieuwe taskforce die onder het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing moet gaan vallen. Zal die taskforce zich richten op preventieve maatregelen die door bedrijfsleven en overheid gezamenlijk kunnen worden genomen? In het verlengde hiervan schrijft de minister ook over analyse en onderzoek. Uit wat hij daarover schrijft, maak ik op dat heel veel zaken op landelijk niveau sneller en efficiënter moeten worden aangepakt. De minister stelt ook zelf dat er verbanden moeten worden gelegd tussen delicten en dadergroepen. Dat is terecht, want met name de professionals vergen een adequate aanpak.

Tot slot wil ik iets zeggen over de repressieve kant van het beleid. Ik betrek daarbij de brief over de niet-uitvoering van mijn motie. Als ik de stukken en de enorme toename van georganiseerde winkelcriminaliteit op mij laat inwerken, vraag ik mij toch af of wij de landelijke kennis niet moeten bewaren, bewaken en uitbreiden. Als de minister dat met mij eens is, moet hij het ook met mij eens zijn dat een landelijke prioritering van politie en Justitie op dit moment het beste middel is om deze vorm van agressieve criminaliteit aan te pakken. Wat mij betreft hoeven wij de evaluatie van dit najaar niet af te wachten: de minister moet mijn motie gewoon uitvoeren.

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. De stijging van de Partij voor de Vrijheid in de peilingen is rechtevenredig met de stijging van het aantal roofovervallen in Nederland. Dat aantal stijgt fors en is bijzonder bedreigend. Overigens geldt dat natuurlijk niet voor de stijging van de PVV in de peilingen.

De cijfers die de Raad van hoofdcommissarissen en de Landelijk Overvalcoördinator in de nieuwsbrief van 24 maart 2009 hebben opgenomen, laten zien dat het aantal overvallen in de eerste maanden van 2009 met 21% is gestegen. Die stijging doet zich vooral voor in de horeca (plus 31%), de detailhandel (plus 28%) en privéwoningen (plus 39%). Het is dan ook vreemd dat de Veiligheidsmonitor, zie de voorpagina van NRC Handelsblad van gisteren, zou laten zien dat mensen zich veiliger voelen. «Zich veiliger voelen» en «veiliger zijn» hoeven natuurlijk niet noodzakelijkerwijs iets met elkaar te maken hebben. Dat lijkt, gezien de schokkende cijfers, in dit geval zeker zo te zijn.

De minister heeft de Kamer de afgelopen tijd willen doen geloven dat de criminaliteit afneemt en dat het beleid van de regering vruchten afwerpt. De grafieken in de nieuwsbrief van 24 maart laten zien dat Nederland op dit moment juist onveiliger wordt en dat de georganiseerde en de incidentele geweldscriminaliteit een buitengewoon zwart beeld laten zien. Dat vraagt om de maatregelen, waarvoor collega Heerts zojuist al terecht aandacht vroeg. In het belang van de preventie bij winkelcriminaliteit moeten de bewaartermijnen inderdaad langer worden en moet de beeldruimte van de camera’s op straat worden verruimd. Is het verder echt niet nodig om een landelijke regeling op te stellen voor rooftassen? Sommige gemeenten gaan hier heel goed mee om in de APV, maar andere gemeenten, bijvoorbeeld Den Haag, stellen dat het niet mogelijk is. Dit wisselende beeld stemt mijn fractie niet tevreden.

Ik vraag de minister ook om nog eens na te denken over ongeüniformeerde bewakers. Op 21 januari jongstleden hebben wij hierover een algemeen overleg gehouden. De minister zei toen dat hij hier nog eens zijn gedachten over zou laten gaan. Is het toch niet verstandig om winkeliers, de detailhandel en de horeca veel meer ruimte te geven en de inzet van ongeüniformeerde bewakers gemakkelijker te maken? Meer ruimte en minder knellende voorschriften: de onrustbarende stijging van de winkelcriminaliteit laat ons geen andere keus.

Ik las ergens dat tijdens de Afghanistantop in Den Haag snelrecht is toegepast. Wij kunnen snelrecht dus inzetten rond oud en nieuw en de Afghanistantop. Kan snelrecht dan ook niet veel meer worden ingezet tegen geweldscriminaliteit? Waarom zegt de minister niet tegen het Openbaar Ministerie dat het afgelopen moet zijn en dat er bij geweldscriminaliteit standaard om voorlopige hechtenis moet worden gevraagd? Het moet nu echt eens afgelopen zijn met dat gezeur over de persoonlijke omstandigheden van de dader! Bij geweldscriminaliteit, geweld tegen gezagsdragers en geweld tegen winkeliers staat ons slechts één ding te doen: snel berechten, vasthouden en een passende straf opleggen. Over dat laatste gaan de minister en de Kamer niet, maar het Openbaar Ministerie kan het lik-op-stukbeleid bij dit soort zaken wel handen en voeten geven. Het Openbaar Ministerie mag niet langer dralen, want het loopt echt uit de hand.

De Kamer heeft er al vaker naar gevraagd. Het is dan ook teleurstellend, zoals de heer Heerts terecht zei, wat de minister over de uitvoering van de motie schrijft. Ik zal niet zeggen dat de minister lankmoedig is, maar dat laat onverlet dat hij de uitvoering op de lange baan schuift. Hij is niet bereid om zaken te versnellen, terwijl het de hoogste tijd is om een landelijk team in het leven te roepen voor georganiseerde overvalcriminaliteit en georganiseerde misdaad.

Ik geef de minister toe dat het aantal overvallen op geldinstellingen en geldtransporten in 2009 is afgenomen. De geldtransportbranche en financiële instellingen maken zich desalniettemin grote zorgen over de agressie waarmee overvallen op bijvoorbeeld supermarkten gepaard gaan. Je kunt die overvallen rubriceren onder overvallen op geldtransporten en overvallen op supermarkten. Daarmee mag echter niet uit beeld verdwijnen dat supermarkten heel kwetsbaar zijn op het moment dat er geldoverdracht plaatsvindt. Is het mogelijk om bovenregionaal door te rechercheren op dit soort overvallen? Ik vraag dat, omdat ik niet denk dat die overvallen worden gepleegd door amateurs die toevallig op het goede moment langs de supermarkt lopen. Er is volgens mij wel degelijk sprake van voorverkenning. Bij sommige overvallen is uit de modus operandi duidelijk geworden dat ze voorbereid waren. Je gedachten gaan dan toch uit naar de georganiseerde misdaad. Is het met oog hierop niet nuttig om net als in het begin van de jaren negentig een landelijk overvallenteam op te zetten voor de landelijke coördinatie?

Ten slotte enkele woorden over de transportcriminaliteit. Het is vreemd dat de minister schrijft dat er minder aangiften binnenkomen bij het Loket Transportcriminaliteit. Het is mijn ervaring, en ook die van andere woordvoerders, dat transportondernemers allemaal vinden dat het hun af en toe over de schoenen loopt. Waarom doen ze dan geen aangifte bij dat loket? Dat doen ze niet, omdat het loket er op geen enkele manier voor kan zorgen dat een aangifte daadwerkelijk wordt opgepakt door een regiokorps. Het loket ontbreekt het daarvoor aan mogelijkheden. Het is dan ook niet meer dan een registratiebank. Transportcriminaliteit wordt onder punt 14 van het Nationaal Dreigingsbeeld genoemd als een prioriteit voor de komende vier jaar. Dat betekent dat uit de verzamelde informatie is gebleken dat dit onderwerp landelijke aandacht behoeft. Met dat in het achterhoofd vind ik toch echt dat de minister wat laks heeft gereageerd op de motie-Teeven/Heerts. De minister komt immers niet veel verder dan de reactie: wij kunnen het misschien wel dekken met het Bovenregionale Rechercheteam Zuid-Nederland, ook al weet ik niet of het volgend jaar blijft bestaan.

De minister zal de sector, de ondernemingen en de politie duidelijk moeten maken dat het hem ernst is als coördinerend minister en dat het landelijke team heel snel ingevuld zal worden. Ik zou eigenlijk willen zeggen: minister voert u nu eindelijk eens die motie uit! Het gaat met de overvallen fout en als wij niet oppassen gaat het met de ladingdiefstallen nog meer fout.

De heer Van Haersma Buma (CDA): Voorzitter. Wij bespreken vandaag twee soorten criminaliteit. Een overeenkomst tussen beide is dat de slachtoffers vaak enorme trauma’s overhouden aan de gebeurtenissen omdat het met grof geweld gepaard gaat. Een andere overeenkomst is dat beide vormen van criminaliteit een stijgende lijn laten zien, terwijl de criminaliteit overall daalt. Daarom is het van groot belang dat wij ons focussen op deze vorm van criminaliteit.

De lading- en transportcriminaliteit. Ook door de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat wordt gesproken over mogelijkheden om vrachtwagens te beveiligen. Kan de minister aangeven hoe het staat met de beveiligde parkeerplaatsen? De minister van Verkeer en Waterstaat heeft een beveiligde parkeerplaats geopend, maar er zouden er meer volgen. Andere woordvoerders wezen er verder al op dat het ontnemen van de gelegenheid tot het plegen van overvallen de basis van een effectieve aanpak is. De minister schrijft niet voor niets dat preventie het eerste doel moet zijn. Na de preventie moeten wij ons uiteraard richten op de bestraffing. Ik zal daar later nog iets over zeggen.

De vorige sprekers hebben al vragen gesteld over de verhouding tussen de regionale en de bovenregionale aanpak enerzijds en de nationale aanpak van ladingcriminaliteit anderzijds. Ik sluit mij bij deze vragen aan. Ook ik twijfel aan de haalbaarheid van een regionale aanpak. Er is in ieder geval een bovenregionale aanpak nodig, omdat deze criminaliteit wordt gepleegd door mensen die het land doortrekken. Sterker nog: het gaat vaak om criminelen die de grens overtrekken. Hoe staat het met de samenwerking – ik verwijs naar het Verdrag van Prüm – met de autoriteiten in Duitsland en België? Is er inmiddels meer zicht op de groep criminelen die zich schuldig maakt aan ladingcriminaliteit?

Morgen spreken wij over de grensbewaking. Ik hoor echter graag nu al of er camera’s bij grensovergangen worden geplaatst. Zo ja, dan kan er daardoor en door het cameratoezicht langs de snelwegen meer zicht worden verkregen op de herkomst van deze criminelen. Ik vraag mij met mijn collega’s af of wij dit wel kunnen regelen via een regionale aanpak. Kan het niet beter nationaal worden geregeld? Sterker nog: ik krijg nog wel eens de indruk dat sommige regio’s het niet zo’n interessante vorm van criminaliteit vinden, omdat het aantal misdrijven relatief laag is. Dat moge zo zijn, de impact is er niet minder groot om!

Inmiddels is een aantal zaken in gang gezet. Wat betekent dat voor het oplossingspercentage bij de ladingcriminaliteit? Heeft de minister zicht op de straffen die de rechter oplegt? Dat is voor mij nog steeds een soort black box. Het is aan de rechter, maar de beschikbare informatie zou ik graag van de minister ontvangen. TLN heeft ons erop gewezen dat het aantal aangiftes achterblijft. De heer Teeven wees er dan ook terecht op dat het doen van aangifte moet leiden tot het opnemen van een bruikbare aangifte. Daar schijnt het aan te schorten en dat is zorgelijk. Hoe zorgen wij ervoor dat diegenen die de aangiftes opnemen, in staat zijn om de aangiftes zo in te vullen dat ze tot een succesvolle strafzaak leiden?

Winkelcriminaliteit en overvallen. Een aantal jaren geleden steeg het aantal ramkraken sterk. Dat aantal daalt nu en daaruit blijkt dat een harde aanpak door alle betrokken partijen – gemeenten, sector en het Rijk -werkt. Die aanpak werkt, maar leidt ook tot een verschuiving van de criminaliteit naar andere kwetsbare slachtoffers als buurtwinkels en supermarkten. Dergelijke winkels hebben nog steeds contant geld in huis en daar is voor criminelen dus iets te halen. De impact op de winkelbediende of de winkeleigenaar is echter net zo groot als bij een groter bedrijf. De impact is namelijk niet afhankelijk van de omvang van de buit: de buit wordt kleiner, maar het geweld niet.

De heer Teeven (VVD): U zegt dat het aantal ramkraken afneemt. De eerst twee maanden van 2009 laten echter een stijging van 7% zien ten opzichte van de eerste twee maanden van 2008. Er is dus geen sprake van een daling, maar juist van een stijging! Dat zou ons zorgen moeten baren, want het probleem is ondanks alle getroffen maatregelen dus nog lang niet weg. Bent u het met mij eens dat wij winkeliers op gemeentelijk niveau meer bescherming moeten bieden dan een ramkraakpaaltje voor de winkel?

De heer Van Haersma Buma (CDA): Ik sprak inderdaad over een daling en dat is terecht als je de laatste cijfers vergelijkt met die van enkele jaren geleden. Heel recent is er inderdaad weer sprake van een stijging. Ik kan u dan ook alleen maar gelijk geven. Het heeft ons beiden altijd verbaasd dat gemeenten zeggen alles te doen aan het voorkomen van winkelcriminaliteit en ramkraken, maar wel een paaltje verwijderen vanwege schoonheidsargumenten. U noemde verder terecht de rooftassen, want ook daar hebben de gemeenten invloed op, maar zij weigeren mee te werken. Dat is heel zorgelijk. Het lastige is dat het een gemeentelijke bevoegdheid is en blijft. Ik neem aan dat u er in uw contacten met lokale bestuurders op wijst dat ze moeten meewerken als ze willen dat de cijfers naar beneden gaan.

Voorzitter. De minister schrijft dat er op 1 februari 2009 voor het jaar 2008 906 verdachten waren aangehouden. Dat is op zichzelf een behoorlijk aantal. Is de minister bereid om de Kamer later te rapporteren over wat er met deze verdachten is gebeurd? Hoeveel worden er uiteindelijk veroordeeld en wat is de strafmaat? Aan de hand van die rapportage kan de Kamer bepalen of de bestraffing succesvol is en gepast gezien de aard van het misdrijf.

Wanneer moet een zaak volgens de minister regionaal worden behandeld en wanneer is een bovenregionale aanpak aangewezen? Wanneer kan verder het beste besloten worden tot een landelijke aanpak met eventueel een landelijke officier?

Wij hebben al vaker gesproken over het idee om foto’s van mogelijke daders en veelplegers achter de toonbank neer te leggen. In de regio IJsselland loopt een proef waarbij winkeliers foto’s van veelplegers achter de toonbank hebben. Is de minister op de hoogte van deze proef en, zo ja, zal deze proef dan ook elders worden gehouden?

Een paar jaar geleden is in Amsterdam geëxperimenteerd met het opleggen van boetes met direct daaraan gekoppeld een schadevergoeding. Deze proef gold alleen voor winkelcriminaliteit en niet voor overvallen. Bijna heel de Kamer vond het een interessante aanpak. De minister is hierop echter nooit meer teruggekomen. Ik heb voor zover ik weet in ieder geval nooit een evaluatie van deze proef onder ogen gehad. Hoe is het uiteindelijk afgelopen?

Ik sluit mij aan bij de vragen van de heer Teeven over de uniformplicht. De minister zegt de regels hiervoor te gaan verruimen. Zal daarvan inderdaad gebruik worden gemaakt en, zo ja, voldoet de huidige regelgeving dan?

Over cameratoezicht zijn vragen gesteld. In de brief staat dat dit voorjaar de mogelijkheid wordt onderzocht om camera’s die in het private domein zijn opgehangen, op de straat te richten. Ik vraag de minister om hier spoed achter te zetten.

De heer Brinkman (PVV): Voorzitter. Wat er te zeggen is over transportcriminaliteit, is eigenlijk al door mijn voorgangers gezegd. Ik zal er daarom niet meer op ingaan. Ik sluit mij in het bijzonder aan bij hetgeen de heer Teeven hierover heeft gezegd.

Ik richt mij in mijn bijdrage vooral op winkelovervallen. In mijn vorige professie heb ik namelijk met eigen ogen gezien hoeveel menselijk leed deze overvallen tot gevolg hebben. Winkeliers en hun medewerkers worden geconfronteerd met criminelen die het gebruik van geweld absoluut niet schuwen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bij meer dan 10% van de overvallen zwaar geweld wordt gebruikt. De minister maakt een onderscheid tussen beginners, gevorderden en professionals. Het is mijn constatering dat juist die beginners erg gewelddadig zijn. De categorie beginners bestaat grotendeels uit jongeren en juist zij gebruiken meer geweld dan professionals. Dat is iets wat wij ons goed voor ogen moeten houden.

Winkeliers steken enorm veel geld in preventie. Ze stimuleren de pinpas, gebruiken speciale kluizen met tijdvertraging, hangen camera’s op et cetera. Desondanks zijn nieuwe maatregelen nodig. Het is hoog tijd dat de overheid hard gaat ingrijpen en het niet laat bij softe maatregelen als het registreren van het aantal overvallen en ramkraken. Die maatregelen zijn een stap in de goede richting, maar er is meer nodig.

De maatregelen die worden genoemd in de brief van de minister en in het convenant Aanpak winkelcriminaliteit 3, zijn niet genoeg om harde criminelen af te schrikken. Er zullen dan ook harde maatregelen moeten worden genomen, maatregelen die de ouderwetse winkeldief, Nederlandse en Oost-Europese bendes en minderjarige overvallers keihard treffen.

Er is sprake van hoge recidive bij jonge daders. Ongeveer 75% van de overvallers recidiveert. Er duiken dan ook steeds meer minderjarige overvallers op. Begon men vroeger een criminele carrière met een winkeldiefstal, nu lijkt het erop dat jongeren beginnen met een gewapende overval. In de praktijk blijken politie en justitie deze zaken bovendien ook nog eens vaak op straat te schikken. Daardoor zit er een groot gat in de registratie. Op straat wordt er, ook door de politie, onderhands geschikt bij simpele winkeldiefstallen. Waarom doet de politie dat? Men doet dat, omdat men het te druk heeft.

Als men registreert, de dader aanhoudt en de gegevens opslaat in de computer, dan wordt de zaak in negen van de tien gevallen te licht bevonden en geseponeerd. Ik wijs nadrukkelijk op jonge criminelen, want jongeren recidiveren en veroorzaken de grootste problemen. Dat betekent dat wij de meeste aandacht zullen moeten richten op 13- en 14-jarige jongeren die zich schuldig maken aan eenvoudige winkeldiefstallen. Deze zaken zouden onmiddellijk doorgestuurd moeten worden naar Justitie. Verder moeten alle andere instanties worden ingeschakeld om zo’n jongere aan te pakken. Een dergelijke aanpak zou zeker preventief werken.

Behalve de verhardende mentaliteit en de lagere leeftijd van criminelen is het zorgwekkend dat het aantal opgehelderde zaken en het aantal zaken dat überhaupt de rechtszaal haalt, steeds verder daalt ten opzichte van een aantal jaar geleden. Dat is te danken aan de betreurenswaardig lage aangiftebereidheid van de slachtoffers. Die lage aangiftebereidheid is op zichzelf helemaal niet zo vreemd, aangezien slechts 17% van alle aangiftes van winkelcriminaliteit wordt opgevolgd met een geld- of taakstraf of een gang naar de rechter. De overgrote meerderheid blijft op de plank liggen en dat stimuleert mensen natuurlijk niet om aangifte te doen. Daarom pleit mijn fractie voor prioritering van het politieonderzoek. Er moet gewoon altijd onderzoek worden gedaan en niet alleen naar overvallen, maar ook naar transportcriminaliteit en winkelcriminaliteit. De aandacht moet daarbij in het bijzonder uitgaan naar jonge daders. Zij moeten gewoon boeten voor hun daden.

Ten behoeve van het onderzoek en het vergroten van de pakkans moet de bewaartermijn van camerabeelden worden verlengd. Die bewaartermijn moet uitkomen op ten minste een halfjaar. Ik refereer nog maar even – de heer Teeven verwees er ook al naar – aan het feit dat overvallers soms een aantal weken voor de overval de boel verkennen. Ook jonge overvallers van 15 en 16 verkennen de boel soms al wel vier weken van tevoren. Dat gebeurt echt! Ik wil winkeliers natuurlijk niet op kosten jagen, maar ik vraag mij toch af of het technisch en financieel mogelijk is om via internet beelden over te dragen aan een centrale politiedienst, bijvoorbeeld de KLPD. Kunnen wij regels opstellen die het mogelijk maken om daar beelden een halfjaar te bewaren? Overvallers weten heel goed hoe de wet in elkaar zit en plannen hun verkenningstochten dan ook ruim van tevoren. Niemand gaat een of twee dagen voor de overval een verkenningstocht houden, want men weet dat de beelden dan vaak nog niet vernietigd zijn.

De PVV-fractie is van mening dat tips die leiden tot de aanhouding van daders van winkelovervallen, beloond moeten worden. Ik heb verder uiteraard de wens meer politiemensen op straat te zien, maar met dit kabinet zal dat wel bij een wens blijven.

Omdat overvallen niet alleen materiële maar ook immateriële schade met zich brengen, is het een buitengewoon ernstige vorm van criminaliteit. Wij moeten die dan ook hard aanpakken. Wij zullen in een snelrechtprocedure straffen moeten gaan eisen van minimaal vier jaar gevangenis. Ik pleit dus nogmaals voor de invoering van minimumstraffen in die orde van grootte. Ik deel ook de wens van de heer Teeven om mensen altijd in voorlopige hechtenis te nemen. Het kan al helemaal niet zo zijn dat overvallers worden vrijgelaten na het betalen van een dwangsom. Ook moeten de foto, de naam en de woonplaats van een veroordeelde door Justitie op het internet gepubliceerd worden.

De heer Van Haersma Buma (CDA): U pleit voor een minimumstraf van vier jaar. Dat bevreemdt mij een beetje, want uw collega Graus pleit voor een hogere straf voor mensen die hun huisdier niet goed behandelen. U bent het toch wel met mij eens dat de slachtoffers van winkelovervallen vaak enorm onder het gebeurde lijden?

De heer Brinkman (PVV): Hij pleit volgens mij niet voor een minimumstraf van vier jaar, maar voor een minimumstraf van een jaar.

De heer Van Haersma Buma (CDA): Een jaar is de minimumstraf als je wordt gepakt voor het slecht behandelen van een dier. De minimumstraf voor het mishandelen van een dier is echt veel hoger dan vier jaar.

De heer Brinkman (PVV): Hier moet een vergissing in het spel zijn. Ik heb er met hem over gesproken en volgens mij wil hij een minimumstraf van een jaar. Ik ga het na en dan kom ik hierop terug.

De heer Teeven (VVD): Kunt u mij uitleggen waarvan u de door u gewenste extra politieagenten gaat betalen? Uw fractievoorzitter heeft namelijk net ieder gezin in Nederland € 400 beloofd en om die belofte waar te maken heeft hij 5,2 mld. nodig. Van dat bedrag kun je heel veel agenten aanstellen. Dit laat maar eens zien waarom het goed zou zijn als de PVV ook met een tegenbegroting kwam.

De heer Brinkman (PVV): Wij hebben een tegenbegroting. Dat weet u ook. In tegenstelling tot de mooie VVD-verhalen over de politie, bieden onze plannen wel soelaas. Wij zijn heel helder geweest. In onze tegenbegroting is geen extra geld gereserveerd voor de politie, omdat wij willen dat de politie op een andere manier gaat werken. Uit cijfers van de korpsen blijkt dat politieagenten te veel tijd achter hun computer doorbrengen. Zij moeten weer de straat op. Wij moeten verder werk gaan maken van de deregulering. Wij moeten het aantal beleidsmedewerkers nu eens echt verminderen. Ik heb meer dan twintig jaar bij de politie gewerkt en ik weet nog goed hoe een dienstenlijst voor één dag eruitziet. Als er op zo’n lijst 25 mensen staan, zijn er soms meer dan 20 ingedeeld voor allerlei bureaudiensten. Dat kan zo niet langer doorgaan. Mensen moeten weer de straat op! Daar valt enorm veel winst te behalen. Dit praktische inzicht van de PVV mag wel eens in de Kamer gehoord worden.

De heer Teeven (VVD): U bent te lang buurtrechercheur geweest en te lang weg bij de recherche om zich daarover nog een oordeel te kunnen vormen. Als u beter op de hoogte was geweest, had u geweten dat de rechercheafdelingen flink onderbezet zijn. Om deze vacatures te kunnen vervullen is geld nodig en geld is nu juist het probleem. U moet gewoon ophouden met steeds weer dezelfde plaat af te draaien. U staat zich voor op uw kennis van de politieorganisatie, maar die kennis is eigenlijk heel gebrekkig.

Voorzitter. Dit was een mededeling en geen vraag.

De voorzitter: Mijnheer Brinkman, u wilt hier toch op reageren?

De heer Brinkman (PVV): Uiteraard! Mijnheer Teeven heeft weer eens ongelijk. Ik heb namelijk meerdere jaren bij de Amsterdamse recherche gewerkt. Daar heb ik moordzaken en overvallen gedraaid. Ik zal u uitleggen waar de kneep zit, maar misschien is dit ook wel interessant voor de minister. Het probleem is de slappe houding van politie en justitie en de korpsbeheerders bij het aanpakken van criminaliteit. Hoe doen wij dat in Nederland? Wij proberen te de-escaleren en low profile te werken. Als er dan toch iets escaleert en daarover ontstaat ophef in de publieke opinie, dan probeert men die zaak buiten heterdaad op te lossen. Daardoor komt de recherche onder grote druk te staan. Mijn fractie vindt dat je niet de-escalerend moet optreden. Integendeel: je moet juist keihard op heterdaad mensen aanpakken. Als je dat doet, maak je het voor de recherche een stuk gemakkelijker om tijd vrij te maken voor andere zaken. Ik begrijp dat u aan deze zienswijze moet wennen, maar het kan best nog in orde komen.

De heer Heerts (PvdA): Deze problematiek is te ernstig om te gebruiken voor partijpolitieke spelletjes. Er wordt nu wel heel erg tegen elkaar opgeboden: hard, harder, hardst.

De heer Brinkman zei dat de politie onderhands schikt. Wat bedoelt hij daarmee? Hij zei verder dat er meer politiemensen de straat op moeten. Tegelijkertijd wil hij ook meer mensen met de technische expertise om computers met elkaar te verbinden en beeldmateriaal te matchen, datamining. Hij moet het toch met mij eens zijn dat je mensen met die expertise achter een bureau moet neerzetten en niet de straat op moet sturen?

De heer Brinkman (PVV): Op dit moment gaat een rechercheur na een overval na waar de camera’s in de straat staan. Vervolgens gaat hij met de beelden van die camera’s naar zijn technische dienst om ze uit te laten lezen en op een diskette te laten zetten. Dat is ontzettend veel werk. Het zou veel handiger zijn om die beelden in een centraal systeem te verzamelen, want dan heb je maar één medewerker achter de knoppen nodig om de beelden van die overval op te zoeken. Dat zou uren werk schelen.

Het onderhands schikken. Als een surveillanceauto vier opdrachten in zijn buffer heeft staan, waarvan een winkeldiefstal en drie ernstigere zaken, dan zullen de desbetreffende agenten de neiging hebben om die winkeldiefstal zo snel mogelijk te regelen. Wat doet men dan? De agenten zullen de crimineel aanbieden om het bedrag te betalen of bekijken of een schikking met de winkelier mogelijk is. Als de winkelier daarmee instemt, dan doet die politieman dat, ook al weet hij best dat dit eigenlijk niet hoort. Die politieman moet zijn buffer leeg krijgen en al zijn opdrachten uitvoeren. Ik weet dat het veel gebeurt, ook al kan ik geen percentages noemen. Verder zit een wachtcommandant met een vol cellenblok ook niet op een nieuwe arrestant te wachten, zeker niet als hij weet dat zijn eigen wijkteamrecherche tot over zijn nek in het werk zit. Hij gaat in ieder geval liever niet met een nieuw verbaal naar zijn recherche met de mededeling: gaan jullie daar ook maar weer eens vier uur mee aan het werk en bel de ouders van de verdachte ook nog even, want hij is minderjarig. Op dat alles zit die wachtcommandant niet te wachten en hij gaat dan ook zoeken naar een praktische oplossing. En vaak betekent dat dat hij probeert te schikken. Er zitten dus heel veel illegale schikkingsmomenten bij dat soort misdrijven. Dat is de praktijk, mensen!

Voorzitter. Ik had nog iets willen zeggen over de schadevergoeding aan slachtoffers, maar daarvoor ontbreekt mij de tijd. Laat ik er nog wel over zeggen dat ik vind dat er een minimum van € 5000 moet komen voor immateriële schade. Graag een reactie van de minister.

De heer Heemelaar (GroenLinks): Voorzitter. Ik zal kort zijn, want met name de woordvoerder van de PvdA-fractie heeft veel onderwerpen aangesneden die ook op mijn lijstje stonden. Ik zal eerst iets zeggen over transportcriminaliteit en dan over winkelcriminaliteit. Beide soorten criminaliteit zijn zeer ernstig en ik wil dan ook dat er veel prioriteit wordt gegeven aan het voorkomen ervan.

Transportcriminaliteit. Het komt mij voor dat de inzet van de politie redelijk creatief is, bijvoorbeeld door burgers te betrekken bij het oplossen van problemen bij de opsporing en bij het bedenken van een nieuwe aanpak. De minister is daarover positief. Ik vraag mij echter af of de sector even positief is. Daarover lees ik namelijk iets minder in de stukken. Afgelopen maandag bezocht ik een bijeenkomst van FNV Bondgenoten over de sociale veiligheid in het openbaar vervoer. En ook daar kwam naar voren dat veel chauffeurs last hebben van de grote onveiligheid op parkeerplaatsen. Wat doet de minister concreet aan het verbeteren van de situatie op parkeerplaatsen? Hoe kunnen die zodanig worden verbeterd dat ze minder gelegenheid bieden voor overvallen op vrachtwagenchauffeurs?

Winkelcriminaliteit. Ik ben het met mijn buurman van harte eens dat wij ons vooral moeten richten op jongeren en dat wij bovenal moeten investeren in preventie. Twee weken geleden bezocht ik met helaas maar één ander Kamerlid de gevangenis in Alphen aan den Rijn. Het was een indrukwekkend bezoek. Ik las in de Kamerbode een artikel waarin gesteld werd dat alle Nederlanders op excursie moeten naar de Tweede Kamer om met eigen ogen te zien hoe de democratie werkt. Ik zou graag zien dat jongeren ook een keer op bezoek gaan in een gevangenis om daar aan den lijve te voelen hoe vervelend het is om in een gevangenis te zitten. Het sprookjesbeeld bestaat namelijk nog steeds dat gedetineerden een tv op hun kamer hebben, dat er veel gezelligheid is en dat ze veel kunnen recreëren.

Als je daar rondloopt, merk je hoe naar een gevangenis is. Van een bezoek aan een gevangenis zou dus best een afschrikwekkende werking kunnen uitgaan. Wellicht is het niet mogelijk om alle jongeren op korte termijn een bezoek te laten brengen aan een gevangenis, maar dan hoop ik dat zo’n bezoek een extra straf kan worden voor jongeren die een taakstraf opgelegd hebben gekregen. Volgens mij zou dit heel preventief werken.

Ik ben met mijn fractie niet gecharmeerd van alle voorbeelden van een mogelijke hardere aanpak. Ik noem de uitbreiding van het cameratoezicht, foto’s van daders achter de toonbank, het opsluiten van iedereen die voor een overval of winkeldiefstal wordt aangehouden en het bewaren van videomateriaal. Ik denk dat wij het veel meer moeten zoeken in echte preventie en in instrumenten waarvan niet-criminele burgers zo min mogelijk last hebben. Ik geef een voorbeeld. In Amsterdam vliegen bijna elke koopavond helikopters boven de stad om te voorkomen dat er rond sluitingstijd overvallen worden gepleegd. Heel veel burgers hebben daar last van. Kan dat niet op een andere manier? Zijn er geen instrumenten te bedenken die wel effectief zijn tegen overvallen maar die verder geen overlast veroorzaken?

De heer Teeven (VVD): Een heel verfrissende bijdrage van de GroenLinks-woordvoerder, want hij pleit voor het afschaffen van taakstraffen voor geweldsmisdrijven. Blijkbaar vindt hij nu ook dat opsluiten helpt. Begrijp ik u goed en zegt u eigenlijk: van een gevangenisstraf worden ze niet beter, maar ze zijn wel een tijdje van de straat? Ik hoop dat ik u goed begrijp, want u huldigt echt een heel ander standpunt dan uw voorganger, een standpunt waarin ik mij goed kan vinden.

De heer Heemelaar (GroenLinks): Ik zat op een dergelijke interruptie te wachten. Eigenlijk had ik al verwacht dat u het in een eerdere commissievergadering zou proberen.

U vergist zich, want ik zit op dezelfde lijn als mijn voorganger. Ik ben dan ook helemaal geen voorstander van het afschaffen van taakstraffen. Dat hebt u mij ook niet horen zeggen. Ik wil wel de taakstraf voor lichte vergrijpen uitbreiden met een verplichte excursie naar een gevangenis. Bij geweldsdelicten hoort natuurlijk een gewone gevangenisstraf. Ik zie u opkijken. Blijkbaar denkt u nu iets anders te horen dan van Naïma Azough; ik zal volgende week eens met haar bellen om van haar te horen wat zij hierover heeft gezegd.

De heer Teeven (VVD): Ik constateer toch maar dat de GroenLinks-fractie vandaag een stuk is opgeschoven.

De heer Heerts (PvdA): Mijnheer Heemelaar, wij zijn er al aan gewend dat de heer Teeven zo zijn eigen conclusies trekt. Maar daarmee is ook weer niet zo veel mis.

De helikopters in Amsterdam. U zegt dat u het cameratoezicht niet wilt uitbreiden en optimaliseren. Een deel van de activiteiten in de lucht is nu juist bedoeld om zicht te krijgen op de daders en om snel in te grijpen. Hoe verhoudt zich dat nu met uw bezwaar tegen die helikopters? Ik begrijp uw bezwaar op zichzelf wel, maar dan zou u toch zeker een voorstander moeten zijn van een extra geluidsarme camera in de straat?

De heer Heemelaar (GroenLinks): De minister moet mij maar corrigeren als ik het mis heb, maar de belangrijkste functie van die helikopters is volgens mij afschrikking. Helikopters worden niet hoofdzakelijk gebruikt voor de jacht op de criminelen, ook al kunnen zij bij een achtervolging worden ingezet. Ze cirkelen op koopavond altijd rond negen uur ’s avonds boven de stad. Ik vermoed dat men dat doet om overvallers af te schrikken.

De heer Brinkman (PVV): Een afschrikwekkende functie? Het gaat om hotspots, om plekken waarvan de politie weet dat ze op een bepaald uur van de dag geteisterd worden door overvallen en andere zware geweldsdelicten. Als je dat weet, is het toch zeker heel normaal dat de politie alles op alles zet om de daders te achterhalen? Dat is het enige doel. Ik gooi er natuurlijk liever een fluisterstille Apache tegenaan, maar zolang dat niet kan, is het toch zeker alleen maar positief dat de politie een helikopter met schijnwerpers kan gebruiken bij de achtervolging van een overvaller? Zo’n jongen komt nooit meer weg en dan heb je wel een dader te pakken. Daar gaat het toch zeker om?

De heer Heemelaar (GroenLinks): Ik vind dat wij moeten zoeken naar instrumenten waarvan burgers die niet crimineel zijn, zo min mogelijk last hebben. Dat is de invalshoek van waaruit ik dit voorbeeld naar voren bracht. Ik denk verder inderdaad dat er betere middelen zijn dan het inzetten van helikopters. Ik ben bijvoorbeeld gecharmeerd van de pilot in Almere met een cashvrije stad. Waarom zetten wij daar niet veel meer op in? Door ervoor te zorgen dat er geen buit meer te halen is, pak je het probleem bij de bron aan. Ik zou er eigenlijk wel voor willen pleiten om het in heel Nederland te gaan doen, want als wij dat niet doen, hebben juist de kleine winkeliers straks moeite om aan te haken bij deze nieuwe ontwikkeling. Ik geef de richting aan waarin ik denk: meer preventie en minder repressie. Ik beweer zeker niet dat ik daarmee de waarheid in pacht heb.

Voorzitter. Ik denk dat ik al mijn punten naar voren heb gebracht.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Winkelovervallen, diefstal van lading, inbraak in winkels; het zorgt voor heftige emoties en verontwaardiging bij iedereen die ermee te maken heeft. Terecht wordt door een aantal woordvoerders en ook in de brief van de minister beklemtoond dat wij het hierbij niet alleen hebben over de materiële schade, maar ook over de enorme psychische gevolgen die dat vaak niet alleen voor de betrokken ondernemers, maar ook voor hun gezinnen heeft. Dat geldt nog eens een graadje sterker – ook die zijn helaas niet zeldzaam – voor die ondernemers die met herhaalde overvallen of inbraken te maken hebben gehad. Dat kan zelfs tot gevolg hebben dat mensen besluiten hun bedrijf op te geven. Wij vinden het zeer terecht dat hier grote aandacht voor is en wat ons betreft nog meer aandacht voor komt.

Wij moeten wel weten over welke cijfers wij het hebben. Het viel mij al op in een eerdere brief van de minister dat er, ook als het gaat om diefstallen en inbraken in detailhandel, een groot verschil is tussen het melden van een inbraak bij de politie en het daadwerkelijk aangifte doen: 89% melding en 25% daadwerkelijk aangifte. Is bekend wat de achtergrond daarvan is? Belangrijker nog, wordt er ook werk van gemaakt om die aangiftebereidheid te vergroten – vanuit Binnenlandse Zaken ligt er natuurlijk ook een belangrijke verantwoordelijkheid – en om de mogelijkheden tot aangifte doen te versoepelen? Ik hoorde over een beroofde kapper uit Vlaardingen die eerst had gebeld met de politie over een inbraak in zijn winkel. Vervolgens kwam er iemand langs om zijn verhaal te horen en toen was de conclusie: u kunt goed aangifte doen. Hij zei toen: ik heb al twee keer mijn hele verhaal verteld, hoezo aangifte doen? Dat is ook het perspectief voor mensen die al druk bezig zijn met hun winkel: zij moeten twee keer hun verhaal vertellen en dan ook nog eens aangifte doen. Wat ons betreft, mag daar in de praktijk ook meer aandacht voor zijn.

Wij zien een zorgwekkende toename van de overvalcriminaliteit, met name bij detailhandel, woningen en horeca. Het is opvallend dat het vaak gaat om impulsovervallen. Wij vinden dat de minister terecht zegt dat het goed is om naast de algemene aandacht voor criminaliteit in het bedrijfsleven ook eigenstandig aandacht te hebben voor specifiek deze ernstige vormen van criminaliteit, ook in het licht van die toename. Het gaat zowel om preventie als repressie. Ik wijs op de 24 mln. die is vrijgekomen voor preventie als gevolg van de motie-Van der Vlies en het amendement-Ten Hoopen. Het is van belang dat niet alleen op de preventie volop wordt ingezet, maar ook op de repressie.

De landelijke voorziening in het convenant aanpak winkelcriminaliteit zal uiterlijk op 1 oktober aanstaande in werking worden gesteld. Dat loopt al een hele tijd. Kan dit in het licht van de zorgwekkende cijfers niet worden versneld?

Ik sluit mij aan bij de collega’s, met name de heer Brinkman, die hebben gezegd dat je pas strafrechtelijk kunt optreden als er sprake is van criminaliteit of concrete voorbereidingshandelingen, maar dat je heel vaak van ondernemers hoort dat zij al een «niet pluis»-gevoel hebben omdat bepaalde types zich al meerdere keren in de buurt van de winkel of het bedrijf verdacht hebben opgehouden. Kan er in de praktijk niet een hele slag worden gemaakt door ook die «niet pluis»-meldingen serieus te nemen? Er kunnen ook patronen worden herkend. Ik wil daar in de praktijk ook meer aandacht voor.

Ladingdiefstal is een heel andere kant van de criminaliteit. Ik heb hierbij hetzelfde punt: wij horen dat er niet echt sprake is van een stijging, maar tegelijkertijd krijg je van diverse kanten berichten dat het aantal incidenten toeneemt en dat de aangiftebereidheid vaak ontbreekt. Ook dat vraagt aandacht. Het gaat om wat kleinere incidenten die weer kunnen passen in een ernstiger patroon van ladingroof die hier en daar plaatsvindt. Ook dat moeten wij goed in beeld krijgen. Ladingdiefstal vindt vooral daar plaats waar veel internationaal wegtransport is. Die internationale component vinden wij in de brieven niet duidelijk terug. In hoeverre vindt er daadwerkelijk afstemming plaats met politie en justitie in buurlanden, ook om inzicht te krijgen in de werkmethoden van de bendes?

De uitvoering van de motie-Heerts/Teeven is wat ons betreft mager en onbevredigend. Er is heel concreet gevraagd om er een landelijke prioriteit van te maken. De minister zegt dat de huidige infrastructuur wel toereikend lijkt, maar dat er in het kader van onderzoeken nog eens naar wordt gekeken. Waar staan wij nu eigenlijk precies? Wat gaat de minister doen met de concrete vraag om een landelijke voorziening? Ik heb eens teruggekeken in het verleden. In 1999 is het projectteam overvalcriminaliteit opgeheven, een publiek-privaat samenwerkingsverband, allemaal mooie verhalen over liaisons en coördinatoren. Het is terugkijkend wat ongelukkig om te zien dat er heel veel energie in wordt gestoken, ook landelijk geconcentreerd, maar dat het even later wegens het succes wordt opgeheven en dat het onvoldoende indaalt in de organisatie. Hoe kan nu worden voorkomen dat, als het straks gelukkig weer iets beter gaat, het vervolgens wegzakt? Er is kennelijk behoefte aan landelijke en permanente aandacht hiervoor.

Belangrijk voor de vraag om een landelijke voorziening is ook of er al dan niet sprake is van een waterbedeffect. Volgens de minister in de brief valt dat wel mee, maar wij horen ook vanuit de vervoersbranche dat men wijst op een toename in andere gebieden. Het speelt dus breder in het land dan alleen de eerder aangeduide regio’s; ik noem Apeldoorn en Rotterdam, waar sprake is van een toename. Is die informatie wel voldoende verwerkt?

Van TLN en andere organisaties kregen wij de klacht dat de meeste officieren van justitie onvoldoende kennis in huis zouden hebben over transportcriminaliteit. Herkent de minister die klacht? Meer gerichte en geconcentreerde aandacht zou bevorderlijk zijn om bepaalde patronen te herkennen. Komt er nu ook een vaste officier van justitie?

Voorzitter: Heerts

De heer De Wit (SP): Voorzitter. De winkelcriminaliteit is een ernstig probleem. Alle voorgaande sprekers hebben dit al benadrukt. Wij praten over een voor betrokkenen buitengewoon ingrijpend gebeuren. Een overval vergeet je niet zomaar. Er is sprake van veel persoonlijk leed en traumatische ervaringen en de schade is onbeschrijfelijk groot. Volgens schattingen komt het neer op 600 mln. per jaar. Dat is voldoende reden om hier zwaar op in te zetten en dit probleem fors aan te pakken. Wat mij betreft, dient het natuurlijk te gaan om het voorkomen van winkelovervallen en ladingdiefstal. De pakkans dient vergroot te worden, de daders dienen uiteindelijk gepakt en bestraft te worden en de schade dient betaald en hersteld te worden.

Uit het politiejaaroverzicht van 2008 bleek al dat het aantal overvallen en ramkraken fors was gestegen in dat jaar. Afgelopen vrijdag 27 maart meldde De Telegraaf uit nog niet gepubliceerde bronnen dat uit de cijfers van de politiekorpsen blijkt dat het aantal overvallen al in het eerste deel van dit jaar weer fors is gestegen. De overvalgolf is nog niet voorbij, zo zegt de raad van hoofdcommissarissen. Dat is een understatement. Gelet op datgene wat hij in de brief van gisteren heeft gezegd, neem ik aan dat de minister zal bevestigen dat er sprake is van een toename van het aantal overvallen. Ik ben benieuwd of hij er op dit moment al zicht op heeft wie dit nu doet. De collega’s hebben er al op geduid dat de daders steeds jonger worden zoals ook uit de cijfers zou blijken en dat er steeds gewelddadiger wordt opgetreden. Gaat het om recidivisten en, zo ja, wat voor recidivisten? Zijn het verslaafde veelplegers, zijn het andersoortige recidivisten? Ik ben heel benieuwd of de minister er al iets over kan zeggen. Over wie spreken wij nu? Uiteindelijk is het van belang om dat te weten, want de maatregelen die wij moeten toepassen, zullen gepast en ook geëigend moeten zijn om de verschillende daders tot inkeer te brengen en op de juiste manier aan te pakken.

De ambitie van het kabinet is nog steeds, in vergelijking met 2004, een verlaging in 2010 met 30%. Als ik de brieven van de minister goed lees, betekent dit dat tot 2010 de winkelcriminaliteit nog 20% dient te dalen. Dat is een fors percentage. De minister zegt: die ambitie hebben wij nog steeds. Ik vraag mij af in hoeverre dat realistisch is, gelet op het grote percentage dat nog overbrugd moet worden.

Bij de begroting van Justitie vorig jaar heb ik een aantal voorstellen gedaan over het aanpakken van de winkelcriminaliteit. Ik heb toen ook een motie ingediend over het verbieden van de rooftassen en de roofjas. Ik heb die motie toen aangehouden, met name omdat de minister van Binnenlandse Zaken toen heeft toegezegd dat zij dit punt toch gaat bekijken. Op 21 januari van dit jaar heb ik dat nog een keer aan de minister gevraagd. Zij zei toen dat zij de zaak met de VNG wilde bespreken en ook met het Strategisch Beraad Veiligheid. Zij zou de Kamer daarover begin maart berichten. Dat bericht heb ik nog niet gekregen. Ik ben benieuwd naar de uitkomsten van dat overleg om de rooftassen en roofjassen te verbieden, omdat dat heel geschikte middelen zijn om roofovervallen te plegen en winkeldiefstal mogelijk te maken. Graag verneem ik een reactie van de minister.

Ook mijn fractie is van mening dat het oplossingspercentage omhoog moet. Hoe gaan wij dat nu doen? Er zijn heel veel klachten over de aangiften. Er wordt weinig aangifte gedaan, maar er zijn ook heel slechte ervaringen met het doen van aangifte. Hoe kunnen wij de kwaliteit verbeteren van de politiefunctionarissen die de aangiften moeten opnemen? Bijvoorbeeld bij ladingdiefstal is het niet zo eenvoudig om zo’n aangifte op te nemen, omdat het heel gespecialiseerd werk is. Hoe zorgen wij ervoor dat het aantal aangiftes toeneemt en dat het ook inhoudelijk beter gaat dan tot nu toe?

Ook ik heb een opmerking over de camera’s en de camerabeelden. Ik heb bij de begroting bepleit dat die beelden langer bewaard worden. De minister zegt er nu iets over toe. Het moet inderdaad langer bewaard worden, maar hoe lang en hoe veel? Het gaat ook om de actieradius van de camera’s zodat zij beelden in de straat kunnen opnemen, omdat dat van belang is voor het opsporen en het oplossen van de misdaden. Graag krijg ik een wat concretere reactie van de minister. Hoe lang worden de beelden bewaard en hoe groot is de actieradius?

In verschillende brieven van de minister heb ik gelezen over de overlastdonatie. Na het betoog van de heer Brinkman kreeg ik een idee; misschien bedoelt hij dat met de schikking op straat. De overlastdonatie wordt kennelijk in Utrecht toegepast en is € 151, dus niet € 152. Wat is dat nu? Een overvaller gaat volgens mij niet naar de winkel met € 500 in zijn zak om vervolgens de kas leeg te plunderen. Over het algemeen zal het geld dat bij heterdaad wordt aangetroffen uit de kassa zijn gekomen. Dan is het de vraag of die donatie wel een donatie is, want het is gewoon het geld van de winkelier. Ik ben heel benieuwd hoe de overlastdonatie in elkaar zit. Denken wij nu niet iets te hebben terwijl het gewoon het geld van de winkelier is?

De heer Brinkman (PVV): Het lijkt mij dat, als de boef geld heeft gestolen van de winkelier, de politie dat in beslag neemt en dat de winkelier dat terugkrijgt. Dat geld is hij dus kwijt. Hij zal dat geld dan op een andere manier moeten betalen. Misschien moet hij pinnen.

De heer De Wit (SP): Pinnen in de winkel! Ik ben dat met u eens. Het geld moet natuurlijk terug naar de winkelier, maar dan is het geen overlastdonatie. Wat is die overlastdonatie? Als het een schadevergoeding is, moet dat worden geregeld. Uit de stukken die ik daarover heb gelezen, begrijp ik dat je een formulier moet invullen en dat het een onderdeel is van de schadevergoeding. Maar dan is het voor mij de vraag of de overlastdonatie bij heterdaad ook preventief zal werken. Ik zie dat niet. Daar wil ik graag opheldering over, want het verhalen van de schade is nog steeds het grote probleem. Als de dader bekend is, zeggen verzekeraars vaak: ga het maar bij de dader halen. Daar ontstaat het probleem dat de dader niks te bieden heeft. Dat blijkt ook nog eens uit het artikel in de Metro van 30 januari van dit jaar. Als de dader niet bekend is, is het natuurlijk een nog groter probleem, omdat je dan tegenover de verzekeraar precies moet aantonen wat de schade is. Ook in dat opzicht valt er nog heel veel te verbeteren, ook in de richting van de verzekeraars, die de winkelier tegemoet moeten komen en niet al te moeilijk dienen te doen door het opwerpen van barrières.

Ik heb ook gezien dat er een nieuwe aanpak in de goud-, zilver- en bronsmethode. Ik kan mij er alles bij voorstellen. Het is wat cynisch, omdat je dan toch denkt aan medailles die men krijgt. Het gaat over de mate waarin degene die te maken heeft gehad met een overval of inbraak wordt gewezen op de aanpak en op het voorkomen daarvan in de toekomst. Ik vraag mij bij al die onderscheiden methoden af wie de maatregelen gaat betalen die moeten worden genomen. Is dat de eigenaar van de woning, is dat de bewoner of zijn er nog mogelijkheden voor subsidie?

Voorzitter: De Wit

Antwoord van de minister

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Hartelijk dank voor de stimulerende opmerkingen over het bestrijden van een aantal specifieke onderdelen van de criminaliteit: overvallen, winkel, transport. Wij hebben er eerder over gesproken en het is ook door verschillende leden van uw commissie in herinnering geroepen. Dat heeft gevolgen en ook een vervolg gekregen. Een aantal vragen betrof de stand van zaken: wat is er gebeurd in vervolg op de toezeggingen en de moties die zijn aangenomen dan wel zijn aangehouden? Ik zal ook iets zeggen over een enkele verworpen motie. Uiteraard zal ik ook ingaan op datgene wat verder wordt gedaan en wat vandaag in de inderdaad met duizelingwekkende snelheid geagendeerde brief aan de orde is gesteld.

Wij streven ernaar om in het kader van het project Veiligheid begint bij voorkomen, dat ik als projectminister mag coördineren, de samenleving zich zo veel mogelijk door meer veiligheid, stabiliteit en wederzijds respect te doen kenmerken. Dat zijn in abstracte termen geformuleerd onze doelstellingen. Wij realiseren ons daarbij terdege – vandaar de concrete gekwantificeerde doelstellingen – dat dergelijke hoge doelstellingen, die uiteraard in ons beleidsprogramma zijn verwoord, handen en voeten moeten krijgen in de concrete activiteiten van politiemensen en van officieren van justitie en in datgene wat in de veiligheidshuizen in onderlinge afstemming met andere diensten gebeurt. Daarom hebben wij het gekwantificeerd.

Aan de hand van de integrale veiligheidsmonitor die nu is gepubliceerd, kunnen wij constateren dat het aantal vermogensdelicten is gedaald met 20% en dat het aantal geweldsdelicten is gedaald met 14,5% ten opzichte van het ijkjaar 2006. Aan de ene kant zijn er doelstellingen gerealiseerd, voor een deel zelfs eerder dan wij in het beleidsprogramma hadden voorzien. Aan de andere kant zijn er ook elementen, met name de overvallen, waarvoor extra inspanningen nodig zijn. Daar is terecht door u en gisteren ook door mij over gesproken naar aanleiding van de CBS-cijfers. Wij zijn bereid die inspanningen te leveren. Wij zijn ons er uiteraard van bewust dat wij daarbij nog steeds te kampen hebben met tekorten in de vervulling van vacatures bij de recherche. Mijn collega van BZK werkt daar in samenspel met de andere korpsbeheerders hard aan. Wij hebben ook te maken met de problematiek van de financieel-economische situatie als geheel. Maar u kunt ervan verzekerd zijn dat mijn mede betrokken collega’s, de staatssecretaris van Justitie en de minister van BZK, en ik hier niet in berusten en proberen ook onder gewijzigde omstandigheden de best mogelijke resultaten te behalen.

Bij een veilige samenleving hoort ook een veilig ondernemersklimaat. Overvallen laten niet alleen het slachtoffer zitten met financiële schade, maar soms ook met emotionele schade en soms met fysiek letsel. Om die reden besteden wij ook op dit punt speciale aandacht aan de meest kwetsbare doelwitten: winkels, benzinestations, supermarkten, horeca en de transportsector. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de regionale verschillen. Uit de overvalcijfers die mede aanleiding zijn voor mijn brief en dit overleg blijkt dat in Brabant, in een deel van Limburg en in Holland de overvallen toenemen, in sommige delen van het land zelfs in die mate dat wij extra inzet hebben moeten organiseren. Ik noem mijn directe woonomgeving, de politieregio Midden- en West-Brabant, Tilburg en omliggende gemeenten. Daar is uit de politie een speciaal team geformeerd dat zich met deze vormen van criminaliteit bezighoudt. Wij zien dat dit effect sorteert en dat het aantal overvallen recentelijk aanzienlijk is teruggelopen. Wij weten dat die gerichte inzet van bijvoorbeeld politie en justitie in de regio Midden- en West-Brabant van belang is en werkt. De hoofdofficier van justitie van de regio heeft dat ook publiekelijk toegelicht. U kunt er dan ook van verzekerd zijn dat dit mijn bijzondere aandacht heeft en houdt.

Uiteraard hebben wij daarbij ook de samenwerking nodig met onze partners. Het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing heeft sinds 1992, toen wij er vanuit Justitie het initiatief toe namen, een bewezen plaats ingenomen in de afstemming tussen overheid en bedrijfsleven. Ik moet daarbij vermelden – dat zal niemand verbazen – dat begin vorige week de vergadering van het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing geen doorgang kon vinden, toen de covoorzitter, de heer Wientjes, even met andere dingen bezig was. Ik merkte ook in mijn omgeving dat hij met andere dingen bezig was, dus ik had daar alle begrip voor. Ik zie hem deze week nog. Dan zullen wij met elkaar bespreken hoe wij alsnog, ook na het niet doorgaan van het overleg op dat moment, de betrokkenheid van het bedrijfsleven en de synergie zo veel mogelijk kunnen versterken. Dat is essentieel. Uiteraard wil ik niets doen dat ook maar enigszins lijkt op «blaming the victim». Daar houden wij ons verre van. Ook het overvallen van een slecht beveiligde winkel is uiteraard een misdrijf en verdient bestraffing. Dat neemt niet weg dat wij allemaal weten en sinds lang hebben erkend dat een goede beveiliging in de vorm van goed hang- en sluitwerk en soms in geavanceerde vorm zoals camera’s behoort tot datgene wat wij samen kunnen doen aan preventie, naast de bestraffing van dit soort overvalcriminaliteit. Helaas is gebleken dat wel door veel, maar nog lang niet door alle bedrijven de als standaard aanbevolen maatregelen worden toegepast. Ook daarover moeten wij spreken. Ook dat wordt gestimuleerd door de overheid en via het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing door de covoorzitter en de andere vertegenwoordigers van het georganiseerde bedrijfsleven. Door samen te werken kunnen wij een veilig ondernemersklimaat bevorderen.

De heer Heerts (PvdA): Ik begrijp dit verhaal van de minister. De activiteiten van de heer Wientjes zijn mij niet ontgaan. De criminele carrière van de doorsnee overvaller begint vaak op jonge leeftijd. De elementen die de minister noemt, de financieel-economische situatie en de fysieke bescherming in winkels waarvoor ondernemers zelf moeten zorgen, begrijp ik. Maar ik leg een relatie met een ander deel van het kabinet, Sociale Zaken. Er is veel geld voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid vrijgemaakt. De dadergroepen die dit soort streken uithalen, zijn voor een deel jonge criminelen aan het begin van hun carrière. Ik heb een open vraag. Kunnen wij niet via de systematiek van veiligheidshuizen ervoor zorgen dat deze knapen van de straat blijven en dat zij in het kader van de aanpak van de jeugdwerkloosheid aan het werk worden gezet? Voor mijn part gaan zij schoffelen op de Veluwe. Het doet mij er verder niet toe, als zij maar een ding niet doen: criminele activiteiten ontplooien. Hoe kijkt de minister aan tegen die verbinding? Dan zou de heer Wientjes misschien ook nog wat werkgelegenheid kunnen bieden.

Minister Hirsch Ballin: Het antwoord op de vraag van de heer Heerts is ja, even afgezien van de vraag of wij de natuur op de Veluwe niet moeten beschermen tegen dit soort ideeën. Daarbij zou ik niet de indruk willen wekken dat er een lijn loopt van werkloos naar crimineel. Voor probleemgevallen die in de veiligheidshuizen worden besproken en die te maken hebben met gebrek aan integratie en gebrek aan positieve sociale betrokkenheid van jonge overlastplegers en criminelen, maakt scholing deel uit van de lokale aanpak die op verschillende plaatsen wordt gerealiseerd. Ik denk aan heel waardevolle initiatieven op dit punt in Rotterdam, de Eindhovense sociaal-maatschappelijke school en de projecten in Tilburg en andere steden die ook gericht zijn op arbeidstoeleiding, onder andere via specifieke vormen van beroepsonderwijs. De verbinding met de jeugdwerkloosheid is inderdaad aan de orde geweest in contacten tussen mij en mijn collega’s van Sociale Zaken. Dat er een oploop is, zoals staatssecretaris Dijksma vanochtend zei in Goedemorgen Nederland, in het aantal Wajong’ers na een school waar gedragsproblemen zijn geïdentificeerd, is ook een punt van zorg. Wij hebben er vanuit Justitie alweer een tijdje geleden over gesproken met zowel de voorzitter van de SER als de toenmalige staatssecretaris van SZW. Zij hebben toegezegd dat zij aan dit punt aandacht zullen besteden bij de scholing van kandidaat-Wajong’ers en de toeleiding naar de arbeidsmarkt.

De heer Heerts (PvdA): Ik wil even een spade dieper; dat hoeft dan niet op de Veluwe. De minister spreekt in zijn brief over 15 tot 19 jaar en zegt dat er geen directe relatie is met de werkloosheid. Ik denk dat er wel een relatie is tussen schoolverlaten, het niet op school zijn van die leeftijdsgroep en dit soort activiteiten. Zouden wij dan toch niet meer mogelijk moeten maken? Onderwijs is ermee bezig, EZ is ermee bezig, SZW is ermee bezig. Dat begrijp ik allemaal wel. Maar waarschijnlijk luisteren zij toch het allerbeste naar een officier van justitie of naar de politie: nu is het afgelopen, wij gaan voor u een maatwerktraject doen. Vindt die verdiepingsslag echt plaats naar die persoonlijke aanpak, zoals de minister in de brief van 29 augustus vorig jaar ook zelf heeft bepleit?

Minister Hirsch Ballin: Ja, dat maakt deel uit van de formule van de veiligheidshuizen. Daarop hebben wij ook de medewerking verkregen van de toenmalige – ongetwijfeld geldt dat ook voor de huidige -staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij het constateren van schooluitval, wat een van de negatieve signaalelementen is in het overleg in de veiligheidshuizen, hoort ook de verbinding naar de CWI’s. Dat is besproken met de CWI’s. Ik weet in ieder geval dat het in Rotterdam concreet gestalte krijgt. Wij monitoren uiteraard ook het functioneren van de veiligheidshuizen. De heer Heerts heeft gelijk dat dit van belang is en het behoort inderdaad tot de aanpak die wij met de staatssecretaris van SZW hebben afgesproken.

Wij willen de opgelopen overvalcriminaliteit weer terugbrengen naar het laagste niveau van overvallen dat wij in 2006 hadden bereikt. Van daaruit willen wij graag verder werken. Daarop zijn de maatregelen gericht waarover ik u de brief heb gestuurd.

Ik maakte al even melding van het overleg met het bedrijfsleven. Er komt een taskforce overvallen. Dat is het onderwerp dat op de agenda stond en voor de alsnog te beleggen vergadering zal staan van het NPC. Deze taskforce zal zorgen voor de landelijke monitoring waarnaar de heer Van der Staaij heeft gevraagd. Daarmee kunnen wij het bedrijfsleven betrekken bij het preventief optreden tegen deze vorm van maatschappelijk zeer schadelijke criminaliteit.

Naast overvallen zijn er nog de andere vormen van criminaliteit tegen het bedrijfsleven die een gelijksoortige aanpak behoeven. In het kader van het derde convenant aanpak winkelcriminaliteit, dat in november is getekend, zal naar verwachting een bijdrage van belang hieraan worden geleverd. Het bedrijfsleven zal bijvoorbeeld fraude en diefstal door eigen medewerkers aanpakken. Dat is de aanpak via de stichting Fraude Aanpak Detailhandel, die een pre-employment screening heeft ontwikkeld waarvan steeds meer winkeliers gebruikmaken. Ik ondersteun de verdere uitrol daarvan en de toepassing door het midden- en kleinbedrijf. Dat was het onderwerp van het convenant dat ik heb ondertekend met het midden- en kleinbedrijf op een passende locatie bij het Kruidvat op de Lange Poten. Daarmee hebben wij een kader gecreëerd voor een uitwisseling van gegevens. Zoals u bekend is, was dat altijd het gevoelige punt: mogen wij wel weten wat wij weten? Daarvoor zijn natuurlijk goede kaders vereist in verband met de bescherming van de privacy. Als die kaders er zijn, ben ik zeer voor een betere gegevensuitwisseling.

De beperkte bewaartermijn van 24 uur is ook zo’n punt waarbij wij de balans zoeken met het CBP. Wij zijn hierover uiteraard in gesprek met het CBP, ook over een ruimer blikveld voor particuliere camera’s en over een langere bewaartermijn dan 24 uur.

De heer Van Haersma Buma (CDA): De minister zegt dat hij in overleg is met het CBP. Uiteindelijk is het de wetgever die de wet kan veranderen. Hoe vindt dat overleg plaats en wanneer krijgen wij als wetgever een keuze voorgelegd inzake verlenging van de bewaartermijn en wijziging van de manier waarop je die camera’s kunt ophangen?

Minister Hirsch Ballin: Wij hebben inmiddels de reactie van het college op mijn voornemens gekregen en die wordt nu bekeken. Ik ben van plan u daarover op korte termijn te informeren. Daarin zal ik de reactie van het CBP verwerken.

De heer Teeven (VVD): Bij het horen van de reactie van de minister bekruipt mij toch het gevoel dat er een groot beroep wordt gedaan op het bedrijfsleven. Het monitoren, het overleg met het bedrijfsleven en de landelijk overvalcoördinator bij de politie; het is allemaal prima. Maar als ik met het bedrijfsleven en met ondernemers spreek – dat zal de minister waarschijnlijk ook van de heer Wientjes horen – hoor ik toch vaak: wij verstrekken wel allerlei informatie, maar het is nu eens de beurt van de overheid om concreet dingen te doen. Dan hebben zij het niet over het verbeteren van de aangifte of het monitoren, maar om de vraag of de politie nu concreet met een aantal zaken aan het werk gaat. De minister noemt een aantal zaken die nuttig kunnen zijn voor de politie: de bewaartermijn en de blikverruiming. Hij zegt «op korte termijn», maar wij praten er al heel lang over. Ik heb eens teruggekeken hoe lang wij het probleem hebben van de beelden van camera’s die alleen maar in de winkel mogen zijn en een beetje daarbuiten, maar niet ruim de straat op. Dat onderwerp komt hier al sinds 2006 regelmatig aan de orde. Wat is voor de minister «op korte termijn»?

Minister Hirsch Ballin: De korte termijn sloeg op de brief waarnaar de heer Van Haersma Buma vroeg. Ik ben het helemaal met de heer Teeven eens. Hij zegt «sinds 2006». Dat is ook precies de reden waarom wij dit in de voorbereiding van het programma van het huidige kabinet tot een centraal punt hebben gemaakt. Het is de reden waarom politie en justitie er zeer gericht, als er aanleiding voor is, activiteiten op ontwikkelen en met succes. Ik noemde de politieregio Midden- en West-Brabant, maar er zijn een heleboel andere voorbeelden te geven. Ik ben het helemaal met de heer Teeven eens. Ik zou niet graag de indruk laten ontstaan dat het nog gezegd moet worden, want onze activiteiten sporen er precies mee. Vaak gebeurt er ook heel veel meer, met resultaat, dan bij de onmiddellijke waarneming «er is een overval» opvalt. Niemand heeft hier beloofd dat vanaf 2007 of 2008 geen overvallen in Nederland meer zouden plaatsvinden. Dat het aantal overvallen in een aantal regio’s is opgelopen, is precies de reden waarom wij er extra en zeer gericht beleid op toepassen. Maar kijkt u eens wat er wordt gedaan en wat effect sorteert, ook op het gebied van opsporen en vervolgen. Wij kijken nu veel beter dan ooit ook naar achtergronden van daderrecidive en dergelijke. Het antwoord aan de heer Teeven is: zeker, het gebeurt ook. Als wij te maken hebben met een impulsoverval zonder dat er een daderindicatie aan ten grondslag ligt, begint uiteraard pas op dat moment de activiteit. Het is altijd de combinatie van preventieve maatregelen, op de dader gerichte maatregelen en justitieel optreden en bestraffing.

De heer Teeven (VVD): Wat zeggen wij tegen de politiemensen als wij bij de recherche op bezoek gaan in het land, als zij aan ons vragen: wanneer wordt het geregeld met die camera’s en de bewaartermijnen? Zeggen wij dan als Kamerlid: binnen een halfjaar is het geregeld? Of zeggen wij: op korte termijn komt er een brief van de minister en dan gaat er wat gebeuren? Wat zeggen wij tegen die mensen?

Minister Hirsch Ballin: Ik geef u graag wat extra kopieën van de brief, zodat u die bij het eerstvolgende werkbezoek kunt meenemen. Er is aan gewerkt. Dat het overleg met het CBP vrijwel is afgerond omdat wij een reactie hebben gekregen, is te danken aan het initiatief dat wij op dat punt hebben genomen. U weet ook dat er nog niet zo lang geleden een soort taboe was op het werken met camera’s. Die tijd is voorbij.

De voorzitter: De concrete vraag is dan even of de Kamer de brief in april of mei tegemoet te zien.

Minister Hirsch Ballin: Ja, dat wordt april wat mij betreft.

De heer Heerts (PvdA): De minister had het over een verhoogde pakkans in het vierde kwartaal, maar dat wordt nu voor een onderdeel al in april. Wellicht heeft in Tilburg de gemeenteraad ingestemd met tijdelijk specifieker cameratoezicht of langere bewaartermijnen. Kunnen wij dat landelijk meenemen in andere regio’s? Wij hebben een wisselwerking tussen de nationale aanpak en nationale wet- en regelgeving en de lokale aanpak en wellicht zelfs lokale tijdelijke maatregelen om duidelijk te maken aan het publiek dat wij hier in deze straat iedereen opnemen omdat het aantal overvallen is gestegen. Ik denk dat de gemiddelde burger die niks te verbergen heeft daar helemaal geen problemen mee heeft.

Minister Hirsch Ballin: Dat raakt aan de vraag van de heer Heerts over de werking van de actieplannen. Tot de taak van de taskforce zal behoren het benutten van best practices. De heer Heerts wijst daar terecht op: wanneer een aanpak effectief is gebleken, zal die als best practice worden ingebracht in de taskforce, die deze landelijk zal toepassen.

De heer Heemelaar (GroenLinks): De minister heeft toegezegd dat wij in april/mei informatie krijgen, de camerabrief. Kunnen wij daarbij ook het integrale advies van het CBP krijgen?

Minister Hirsch Ballin: Jazeker.

De heer Teeven heeft gevraagd naar de rooftassen en roofjassen. Wij hebben te maken met de gemeentelijke autonomie. Dat is goed en mooi. De gemeenten beslissen zelf of zij een verbod op rooftassen in hun APV opnemen. In de praktijk heeft een groot aantal gemeenten, volgens mijn gegevens meer dan 80, dat al gedaan of heeft men voornemens daartoe. Wij hebben de medewerking van de VNG nodig om gemeenten te stimuleren om dat verbod op te nemen. Dat kan door het op te nemen in de model-APV. Daarover zijn BZK en wij met de VNG en de branche in gesprek gegaan. De betrokken ministeries hebben met de VNG en de politie afgesproken dat via een gezamenlijke inventarisatie de omvang van het probleem in kaart wordt gebracht. Ook dat loopt. De combinatie van model-APV en inventarisatie zal het mogelijk maken dat u voor de zomer hierover wordt geïnformeerd.

De kwestie van de camera’s is door verschillende sprekers aan de orde gesteld. Op dit punt verwijs ik naar de brief. Daarin komt ook de kwestie van het blikveld aan de orde: kan er ook iets worden waargenomen door de camera’s van het bedrijf van wat zich in de onmiddellijke omgeving van de winkel afspeelt?

De heer Teeven heeft gevraagd naar de verruiming van de inzet van niet-geüniformeerde beveiligers. Ik ben mij ervan bewust dat wij er eerder over hebben gesproken. Ik denk aan de motie van de heer Van Haersma Buma en mevrouw Kuiken, naar aanleiding waarvan wij het ontheffingenbeleid hebben toegelicht. Er is eind januari over gesproken. Ik heb toen gereageerd op de motie van de heer De Roon en de heer Teeven, die niet is aangenomen. Volgens de wet moet de politie beoordelen of de inzet van ongeüniformeerde beveiligers verantwoord is. Voorwaarde daarvoor is de aanwezigheid op de achtergrond van een geüniformeerde beveiliger.

De heer Van Haersma Buma (CDA): De minister heeft naar aanleiding van de motie-Van Haersma Buma/Kuiken het beleid verruimd. Wordt er in de praktijk al gebruik van gemaakt en wat zijn de gevolgen? Als de minister dat nu niet paraat heeft, kan het ook later. Maar ik vind het wel belangrijk om er zicht op te krijgen in hoeverre het in de praktijk werkt.

Minister Hirsch Ballin: Wij zullen dat nagaan en ik zal u erover berichten.

De heer Van Haersma Buma en de heer De Wit hebben gevraagd naar de overlastdonatie voor indirecte schade die de winkelier als schadevergoeding krijgt bij het doen van aangifte. In het convenant aanpak winkelcriminaliteit is opgenomen dat wij dat verder gaan uitbreiden. Wij beginnen met Utrecht, waar een evaluatieonderzoek loopt tot medio 2010. Dat laat uiteraard onverlet dat de directe schade kan worden verhaald.

Het handboek waarnaar de heer Heerts heeft gevraagd, is het sluitstuk van het project. Intussen loopt een groot aantal projecten die worden geëvalueerd en waaruit ervaring wordt opgedaan.

De heer Heemelaar vraagt of het klopt dat wij positief staan tegenover het betrekken van burgers bij het oplossen van winkelcriminaliteit. Het antwoord is ja...

De heer Heerts (PvdA): De minister ratelt nu heel snel door over het handboek heen. Ik heb gevraagd waarom het zo lang duurt, waarom het pas in 2012 klaar is. Ik begrijp dat gewoon niet. Misschien is het een heel ingewikkeld handboek.

Minister Hirsch Ballin: 2012 is inderdaad een heel lange termijn. Ik zal erover spreken. Ik teken hierbij aan dat wij intussen niet stilstaan.

Wij staan positief tegenover het betrekken van burgers bij het oplossen van winkelcriminaliteit, net als de heer Heemelaar als ik hem goed begrijp.

De heer Heemelaar (GroenLinks): Ik heb in dat verband gevraagd wat de beleving is van de transportwereld. Daar ging het om. De minister is positief over alles wat er gebeurt, maar ik vroeg naar de reactie van de transportwereld op alle initiatieven. Ik gaf het voorbeeld van de veilige parkeerplaatsen.

Minister Hirsch Ballin: Voor de vraag naar gevoelens en beleving moet ik even afgaan op eigen waarneming. Ik heb zo’n onveilige parkeerplaats in de buurt van Venlo bezocht. Ik kon mij alle gevoelens van ongemak en onveiligheid heel goed voorstellen van de chauffeurs die in die situatie moesten bivakkeren. Wij hebben dat toen besproken en mijn collega van Verkeer en Waterstaat deelde die gevoelens. Ik heb toen besproken wat wij willen doen om die gevoelens weg te nemen; daar waren vertegenwoordigers van de transportsector bij. Het beeld daarvan was heel duidelijk. Het betekent meer verlichting, een ander soort horeca, andere verblijfsruimtes en het goed kunnen gebruiken van de mogelijkheden om alarm te slaan. Het laatste is eigenlijk het minste van alle problemen met de huidige mogelijkheden van de telecommunicatie. Mijn collega van Verkeer en Waterstaat, de heer Eurlings, heeft geld uitgetrokken voor het realiseren van die veilige parkeerplaatsen. Zeer onlangs heeft hij er een in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de transportsector in gebruik gesteld. Dat wordt ook gedaan bij andere parkeerplaatsen waar de situatie niet veilig was. Wij zien positieve reacties van de transportsector. De sector heeft in de contacten die collega Eurlings en ik met hen hebben gehad vertrouwen uitgesproken in deze aanpak.

Ik kom bij de vraag van de heer Heerts over de inzet van mijn collega’s van Economische Zaken. Zij hebben inderdaad middelen beschikbaar gesteld voor de verbetering van de veiligheid van kleine bedrijven. Met veiligheidsscans wordt bekeken welke van de beschikbare methoden het meest effectief zijn, die dan ook landelijk worden toegepast. Dat is dezelfde «best practice»aanpak, waarvoor 24 mln. is uitgetrokken.

De heer Van der Staaij heeft gevraagd of bekend is waardoor er een verschil is tussen het aantal gepleegde delicten en aangiftes van winkelcriminaliteit. Deze vraag kunnen wij ook meer algemeen stellen over discrepanties tussen aangifte en slachtofferschap. Het is een van de redenen waarom wij de monitor richten op slachtofferschap en onveiligheidsgevoelens naast de registratie van de aangifte. Het is waar dat burgers en bedrijven lang niet altijd aangifte doen van de delicten waarvan zij slachtoffer worden. Dat blijkt ook uit de verschillen in cijfers tussen de politiecijfers en de slachtofferenquêtes. Er zijn veel verklaringen voor te geven. Soms ervaart men zelf het feit als te gering. Aangifte kost te veel tijd. Er is de stimulans van de vergoeding door de verzekeraar. Als je aangifte moet doen om een vergoeding van de verzekeraar te krijgen, stimuleert dat. Maar het omgekeerde is dus ook waar. In sommige gevallen is men ook bezorgd over represailles, over onaangename reacties uit de omgeving. In sommige gevallen vindt men het ook gênant om aangifte te doen. Dergelijke factoren proberen wij eruit te halen. Daarom hebben wij onlangs gesproken over de mogelijkheden om anoniem of beschermd aangifte te doen. Daarom doen wij ook een beroep op het bedrijfsleven om niet de houding aan te nemen: ik vind het gênant als er in mijn bedrijf veel criminaliteit is, dus daarom doe ik maar geen aangifte. Dat is een van de thema’s die wij met hen bespreken.

De heer Van Haersma Buma (CDA): Nog even verder over de aangifte. De minister geeft aan dat mensen het soms gênant vinden, maar volgens mij is de hoofdreden het gevoelen dat een aangifte niet of nauwelijks zin heeft en veel administratieve rompslomp betekent, ook voor de winkelier, die een middag zijn winkel uit moet. Is op dit gebied nog winst te behalen?

Minister Hirsch Ballin: Zeker, ik noemde dit niet voor niets als laatste van een rijtje factoren. Het vergemakkelijken van de aangifte hoort hier ook bij, de internetaangifte kan een zeer zinvolle rol spelen.

De heer Van Haersma Buma vroeg naar mogelijkheden van lokale bescherming, door gemeenten, tegen criminaliteit en ramkraken. Er zijn gemeenten die deze mogelijkheden hebben geboden en hebben voorzien in bescherming tegen ramkraken. Verder vroeg hij naar het jaaroverzicht 2008 van de politie. Ik heb een aantal mogelijkheden genoemd. Soms komen we het bezwaar tegen dat antiramkraakpalen het straatbeeld zouden ontsieren, maar ook hierin zijn best practices: in Schoonhoven heeft men zelfs inzinkbare ramkraakpalen die ’s avonds omhooggaan. Persoonlijk vind ik dat wat ver gaan, maar in Schoonhoven wil men op die manier rekening houden met het stedenschoon. Het onderstreept wel de aandacht voor preventie.

De heer Brinkman vroeg naar mijn mening over de minimale schadevergoeding voor slachtoffers van € 5000. Ik wijs erop dat er diverse mogelijkheden zijn tot verbetering van de schadevergoeding voor slachtoffer, ook via recente wetgeving. Slachtoffers kunnen zich voegen in het strafproces en er is een mogelijkheid van een beroep op het Schadefonds Geweldsmisdrijven. De hoogte van het bedrag moet natuurlijk adequaat zijn, wil het stelsel blijven functioneren en om te voorkomen dat de enige reactie kan zijn dat dit een soort extra straf is, wat bij een minimumbedrag van € 5000 niet zou kunnen worden ontkend. Het opleggen van een minimumvermogenssanctie, die mogelijk ver uitgaat boven het te vergoeden bedrag, is niet de route die wij kunnen en moeten volgen, maar een verbetering van de mogelijkheden tot schadevergoeding voor het slachtoffer is zeker ons beleid.

De heer Brinkman (PVV): Ter aanvulling: het gaat meer om een minimale schadevergoeding voor immateriële schade.

Minister Hirsch Ballin: De mogelijkheden voor schadevergoeding voor immateriële schade zijn verruimd. Uiteraard is gekozen voor de benadering dat de hoogte van de schadevergoeding in verhouding moet staan tot wat immaterieel is geleden. Met een minimum kom je proportioneel niet uit. De heer Brinkman vroeg ook naar de gedachte van minimumstraffen. Daarover hebben wij eerder van gedachten gewisseld. Voor al die zaken geldt dat ik groot voorstander ben van een stevige aanpak wanneer de proporties dat vereisen, maar dit kan zowel naar boven als naar beneden werken; vandaar deze benadering.

De motie van de leden Teeven en Heerts vergt nog een reactie. Met de bovenregionale recherche is voorzien in een landelijk dekkende structuur, die onderzoek doet in heel Nederland naar bovenregionale criminaliteit. Bij de selectie en prioritering van onderzoeken maakt het bovenregionale rechercheoverleg gebruik van een landelijke analyse van criminaliteitsverschijnselen. Die analyse wordt periodiek herhaald en uitgevoerd door het Korps Landelijke Politie Diensten. Als uit het landelijk overzicht blijkt dat bepaalde criminaliteitsvormen toenemen, zal bij de prioritering van onderzoeken daarmee rekening worden gehouden. Die structuur, in combinatie met de taskforce waarover ik eerder sprak, is naar mijn oordeel goed, passend en afdoende. Ik wil hierbij met name de aandacht vestigen op het feit dat het bovenregionale rechercheoverleg het mogelijk maakt om bij alles wat het tegenkomt, inzet en maatregelen te differentiëren naar regio. Nederland is niet overdreven groot, maar ook niet erg klein, wat het nodig maakt om bij regionale verschillen, bijvoorbeeld in aantallen overvallen, het beleid te differentiëren. Dat komt alleen maar ten goede van de effectiviteit van het optreden.

De heer Heerts (PvdA): Ik dank de minister voor zijn opmerking over de motie, maar het probleem is nu net dat het landelijke projectteam destijds goed functioneerde, maar aan het eigen succes ten onder is gegaan; de heer Van der Staaij zei dit ook treffend. Ik begrijp die centenkwestie tussen de regio’s en de bovenregionale rechercheteams best, maar het is toch ook een duidelijk pleidooi voor de opvatting dat er voor dit soort zaken op nationaal niveau recherchecapaciteit moet zijn die ook regionaal kan worden ingezet. Wil de minister het gevecht met BZK gewoon niet aan, heeft hij daarvoor druk van de Kamer nodig? De Kamer heeft al duidelijk gemaakt dat zij wil dat dit nationaal wordt geregeld. Waarin zit nou het probleem om die motie niet uit te voeren?

Minister Hirsch Ballin: Ik heb al eerder melding gemaakt van de capaciteitstekorten bij de recherche bij de politiekorpsen in Nederland. Het is helaas onjuist dat capaciteit vanuit de nationale recherche zou kunnen worden overgeheveld naar de regio’s, of zou kunnen worden ingezet ten behoeve van taken die naar hun aard bij de regio’s thuishoren, hoe graag ik dat ook anders zou zien. Wat dat betreft zou inzet van de nationale recherche contraproductief zijn voor onze doelstellingen. Overvallen zijn een soort criminaliteit die de regiokorpsen moeten afhandelen; daar zijn landelijke coördinatiestructuren op gezet en dat is een goede zaak. Maar als we zouden willen dat soorten criminaliteit die in de normale taakverdeling tussen Nationale Recherche en regionale recherche regionaal behandeld worden, door de Nationale Recherche zouden moeten worden gedaan, kunnen we beter meteen overgaan naar een nationale politie.

De bovenregionale structuur voldoet aan het verzorgen van de benodigde uitwisseling van informatie en toepassing van best practices. Ik denk dat wij daarmee hebben voldaan aan de wens om voorstellen te doen die leiden tot een landelijke aanpak van de lading- en winkeldiefstal. In reactie op de vraag van de heer Heerts wil ik zeker staande houden dat dit wellicht niet precies in de gevraagde vorm gaat, maar wel is gericht op de doelstelling.

De heer Heerts (PvdA): Dat begrijp ik, evenals dat van de vacatures, maar behalve in de praktische uitwerking doet dat er niet zo heel veel toe. Maar ladingdiefstal komt in het nationaal dreigingsbeeld niet voor niets voor; dan is het toch niet zo gek dat in ieder geval het nationale element in het nieuwe dagelijks bestuur van de politie hier in zijn prioritering scherper op stuurt en dat men bovenregionaal of regionaal niet zegt dat men daar geen tijd voor heeft. Tilburg had, bijvoorbeeld, ook tijd toen het hemd nader dan de rok werd en het een zeer groot probleem werd; toch moet men daar soms ook begrijpen dat er in Limburg moet worden geholpen om te voorkomen dat het in Tilburg terugkomt. De minister kent de opvatting van mijn fractie over de nationale politie. Ten aanzien van dit soort zaken, die in het nationaal dreigingsbeeld staan, zou ik wel degelijk een wat strakkere nationale prioritering wensen.

Minister Hirsch Ballin: Ik wil echt staande houden dat er een nationale beoordeling plaatsvindt, via de bovenregionale structuur en uiteraard ook via het Openbaar Ministerie, dat regionaal is gestructureerd, maar wel één openbaar ministerie is. Vandaar dat regionale verschillen onderwerp van gesprek vormen tussen mijzelf en de leiding van het college van procureurs-generaal. Over de politie het volgende. Mijn collega van BZK en ikzelf delen de opvatting dat een versterking van de landelijke sturing nodig is; een en ander is verwoord in de brief over het toekomstige politiebestel. Er wordt ook voorzien in versterkte mogelijkheden tot nationale sturing door middel van kwaliteits-AMvB’s en dergelijke, ook bij de rechtshandhaving. U vindt ons hier dus echt aan uw zijde, en wij u gelukkig ook. Maar intussen moeten wij niet de indruk laten ontstaan dat wij alleen maar in afwachting daarvan zijn. Integendeel, alle dingen die ik heb genoemd en heb beschreven in mijn brief, gebeuren echt en zijn onderdeel van de dagelijkse praktijk geworden. Daartoe behoort ook het leren van goede ervaringen en van best practices.

De heer Teeven (VVD): De Nationale Recherche en de oplopende personele problemen, namelijk dat vacatures niet kunnen worden vervuld, waren anderhalf jaar geleden voor de minister geen argument om niet met de landelijke structuur akkoord te gaan. Over de aanpak van ladingdiefstal en dat andere onderwerp praten we al veel langer. De minister heeft zich daar eerst buitengewoon tegen verzet. De Kamer wil gewoon een landelijk team om de problematiek aan te pakken. Als dat tijdelijk moet komen uit de sterkte van de bovenregionale rechercheteams, zal de Kamer daar echt geen bezwaar tegen hebben. Wij vragen de minister immers niet om meteen de Nationale Recherche op dit onderwerp te zetten; daar vinden wij elkaar dus wel. Maar collega Heerts bracht goed de sterkte onder de aandacht van de bovenregionale rechercheteams, die allemaal drie of vijf fte’s afdragen om zo’n team gevuld te krijgen; daarbij moet de sturing wel nationaal zijn. Als er prioriteiten zijn, moeten de deelnemende zes regio’s niet hun mensen om de haverklap kunnen terugtrekken als er iets in hun regio gebeurt; je zal dan echt moeten doorgaan met de intensivering van dat onderdeel. Kan de minister de Kamer vandaag toezeggen dat hij toewerkt naar een landelijk team op dit onderwerp, zoals de motie vraagt? De Kamer kan zich heel goed voorstellen dat dit team wordt samengesteld uit bovenregionale rechercheteams, waarover de regio’s dan even niets te zeggen hebben gedurende de periode dat de prioriteit geldt.

Minister Hirsch Ballin: In mijn brief van januari 2009 heb ik al het een en ander gezegd over de landelijke aanpak op een aantal terreinen. Daarnet heb ik daaraan nog wat elementen toegevoegd. Het wordt vervolgd door een met het bedrijfsleven af te stemmen aanpak op verschillende terreinen. Nu hebben we het misschien een beetje te veel over zaken door elkaar: én de overvallen én de winkel- en de transportcriminaliteit. Voor de transportcriminaliteit is de gevraagde landelijke structuur gerealiseerd, ik heb duidelijk gemaakt wat er landelijk en regionaal gebeurt ten aanzien van de overval- en winkelcriminaliteit. Bij dit alles gaat het uiteraard om de balans tussen regionaal, nationaal en lokaal. Preventie speelt daarin ook een rol. Het lijkt misschien dat Kamer en kabinet meer tegenover elkaar staan dan in werkelijkheid het geval is. We moeten een balans vinden; de leden Teeven en Heerts hebben dit in ieder geval zo verduidelijkt en bevestigd. Maar het is dus niet hun bedoeling om de Nationale Recherche leeg te trekken om daarmee de regionale recherche te versterken. Daartegen zou ik me ook ernstig verzetten. Het gaat dus om een landelijke aansturing van de capaciteit die in de regio’s aanwezig is. Ik neem aan dat u begrijpt dat ik moet zoeken naar een goede balans tussen wat in landelijk beleid kan worden aangegeven en datgene waarvan de hoofdofficier van justitie van de regio Midden- en West-Brabant echt beter weet wat er aan de hand is dan een procureur-generaal in Den Haag; die eerste voert immers het dagelijkse overleg met de burgemeesters en anderen. Wij moeten het regionale gezag en de regionale waarneming van de problemen dus niet ontkrachten door de hoofdofficier in de positie te brengen dat hij voor de aanpak van de overvallen de instructies uit Den Haag moet afwachten. Van landelijke stimulering en aansturing is dus ook sprake; de bovenregionale recherchestructuur is precies bedoeld om de goede balans te vinden tussen landelijk en regionaal. De bovenregionale recherchestructuur wordt ook geëvalueerd. In mijn ogen is de afstemming essentieel tussen de landelijke aanpak – bovenregionaal of op andere manieren – en wat regionaal gebeurt en wat het bedrijfsleven moet doen. Ik zal een en ander aan de hand van de evaluatie beschrijven en specifiek ingaan op de vraag wat in mijn opvatting, lerend van de ervaringen met de bovenregionale recherchestructuur, landelijk kan en moet worden gedaan, wat regionaal kan en moet worden gedaan en wat lokaal moet.

De heer Teeven (VVD): Ik dank de minister voor deze toezegging, maar uit het staatje van de landelijke overvalcoördinator blijkt bij de overvallen een soort waterbedeffect: als je in Amsterdam drukt, leidt dat daar tot een afname van 24%, maar gaat het in Flevoland en andere regio’s omhoog; de minister heeft dit zelf ook beschreven. Ik kan mij voorstellen dat de hoofdofficier van de regio Amsterdam in dat geval over het bovenregionale rechercheteam zegt dat hij er geen behoefte aan heeft dat zijn mensen even voor Flevoland gaan werken. Toch kan dit wel een gevolg zijn van dit waterbedeffect. Ik mag hopen dat de minister dit meeneemt in zijn totale afweging. De hoofdofficieren moeten dit gewoon eens goed tussen de oren krijgen, evenals de korpschefs en burgemeesters.

Minister Hirsch Ballin: Evenals de korpsbeheerders en dus ook de beheerstructuur en de verbinding daarvan met de landelijke prioriteiten. Dit is een doelstelling in de brief over het nieuwe bestel. Ik zal de Kamer hierover dit voorjaar, in de periode tot 21 juni, informeren door middel van de desbetreffende brief, mede op basis van de evaluatie van de bovenregionale recherche. Hiermee heb ik ook de vraag van de heer De Wit beantwoord over wat we verder doen.

De heer De Wit vroeg naar de betaling in de goud-zilver-bronsaanpak. Ik moest ook even wennen aan deze terminologie, maar deze is aan het Engels ontleend en zal dus wel goed zijn. Het is een manier van signaleren. Misschien hadden wijzelf gekozen voor geel en rood, maar omdat groen hier natuurlijk niet in past en je dan weer een derde kleur mist, is het dit geworden. In ieder geval is het bedoeld om te focussen op herhaald slachtofferschap in winkels en overig bedrijfsleven. Wij zullen het uitproberen en toepassen en beoordelen in het kader van de benadering om van best practices te leren, ook als deze van over de grens komen.

De heer De Wit (SP): Ik vroeg: wie draait er op voor de kosten?

Minister Hirsch Ballin: Dat moeten we nog uitwerken, maar daarvoor moet in ieder geval een redelijke oplossing worden gevonden, in het verlengde van de manier waarop we tot nu toe dit soort taken verdelen. Hetzelfde geldt voor de vraag van de heer Teeven over geldtransporten: het is een van de deelonderwerpen in de goede verhouding tussen lokaal, regionaal en landelijk en ik zal dit meenemen in de brief die ik zojuist heb toegezegd. Bij de voortgangsrapportage Veiligheid begint bij Voorkomen zal ik ook de aantallen verdachten betrekken; de heer Van Haersma Buma vroeg hierom.

Ik kom bij de vraag van de heer Teeven over de snelrechtaanpak. Er komt nog een systematische evaluatie van de jaarwisseling. Snelrecht is goed en wordt gewaardeerd bij zaken die snel rond kunnen zijn; als dat niet het geval is, lenen zaken zich ook niet voor de politierechter in de snelle of zeer snelle procedure. Deze mogelijkheid is bij overvallen niet vanzelfsprekend. Zeker bij seriële overvallers moet worden doorgerechercheerd, moeten verbindingen worden gelegd en moeten verdachten worden vastgesteld. Om genoemde redenen scoort overvalcriminaliteit dus niet hoog als geschikt voor de toepassing van snelrecht.

De heer Teeven (VVD): U heeft gelijk dat de politierechter voor dit soort zaken niet de meest aangewezen instantie is. Maar laat ik verwijzen naar mijn eigen ervaringen in het verleden, in de Amsterdamse praktijk van de jaren negentig. De minister is dit waarschijnlijk bekend, want in zijn eerste ambtsperiode heeft hij zelf meegemaakt dat in Amsterdam destijds een soort snelrechtprocedure bestond voor de meervoudige kamer, waarbij zaken binnen 90 dagen – binnen 110 dagen inclusief voorarrest – inhoudelijk ter zitting werden gebracht. Dat gebeurde vaak bij dit soort criminaliteit. Ik begrijp dat het enig overleg zal vergen, maar kan de minister eens bekijken of dit oude systeem van snelrecht voor de meervoudige kamer voor gevallen van overvalcriminaliteit en geweldscriminaliteit met slachtoffers, kan worden heringevoerd in een aantal plaatsen of regio’s waar dit dringend noodzakelijk is, en waarbij we ernaar streven om zonder pro-formazitting de zaak binnen 110 dagen inhoudelijk te behandelen?

Minister Hirsch Ballin: De heer Teeven herinnert terecht aan tussenvormen van hetgeen we nu omschrijven als snelrecht en de gewone procedure. In dezelfde periode die hij in herinnering riep, werd ook de aanpak aanhouden-uitreiken geïntroduceerd, ook een manier van een versnelde procedure naast snelrecht. Intussen is op het gebied van doorlooptijden een en ander gebeurd, wat de best practices van begin jaren negentig in een andere verhouding plaatste. De doorlooptijden zijn over het algemeen beter onder controle, dus de behoefte aan deze tussenvormen is minder geworden. Dit alles neemt niet weg dat de verhouding inzake gewone aanpak en doorlooptijden aandacht krijgt in de evaluatie van de snelrechtaanpak met Openbaar Ministerie en de Raad voor de Rechtspraak, inclusief de merites van de differentiatie tussen typen zaken. Ik begrijp dus het punt van de heer Teeven, maar wijs erop dat met betrekking tot doorlooptijden beleid is gevoerd dat gelukkig ook tot resultaten heeft geleid. De tussenvormen, gedifferentieerd naar type zaak, geef ik graag aandacht.

De heer Brinkman vroeg of jonge geweldplegers, verdachten en recidivisten extra aandacht krijgen bij de aanpak van winkelovervallen. Ik heb het genoegen nu eens een vraag van hem bevestigend te kunnen beantwoorden. Het is precies de reden waarom dit soort criminaliteit wordt betrokken in de werkwijze van de veiligheidshuizen. Er zijn ook nieuwe wettelijke mogelijkheden geopend: de gedragsbeïnvloedende maatregel ten aanzien van jeugdigen, het werken met voorwaarden die het gedrag betreffen en strekken tot vermindering van het recidiverisico, de mogelijkheid van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, de PIJ-maatregel, die kan voortduren in geval van gebruik van geweld, en de betere aansluiting tussen toepassing van PIJ, tbs en andere vormen van aanpak van jonge volwassenen. Daarop is het wetgevingsbeleid van collega Albayrak en mij gericht, maar ook de werkwijze in de 29 veiligheidshuizen; binnenkort zijn er 30 in het kader van de creatie van een landelijk dekkend netwerk. In alle veiligheidshuizen is de gerichte aanpak van jeugdige recidivisten een cruciaal onderdeel.

De heer Brinkman (PVV): Ik weet dat u daar druk mee bezig bent en dat is uiteraard allemaal erg goed, maar uiteindelijk gaat het erom dat plaatsing in een inrichting het uiterste middel voor zo’n jongere is: Glen Mills, Den Engh en Doggersbank zijn behoorlijk ingrijpend. Maar de achtergrond van dergelijke jongens is opvallend: soms zijn ze minimaal vijftien à twintig maal bij de politie geweest en hebben ze in de laatste drie jaar al een aantal veroordelingen gehad. Ik kan u verzekeren: het zijn gewoon doorgewinterde criminelen, ook al zijn ze maar vijftien of zestien jaar oud. Dergelijke doorgewinterde criminelen krijg je met twee jaar Den Engh niet meer in het gareel. Het recidivecijfer na Den Engh is nog behoorlijk hoog. Dat is jammer, want mijn partij gelooft in dit soort heropvoedingsinrichtingen, maar dan moet je dat soort jongeren eerder daarnaartoe sturen. En dat is wat er mis is.

Minister Hirsch Ballin: De opmerkingen van de heer Brinkman zijn zeldzaam supportive voor dit type aanpak en dat wil ik op dit moment niet onvermeld laten. Maar dit is exact de reden voor de verandering van het beleid op dit terrein. De ervaringen van collega Albayrak en mijzelf met veiligheidshuizen reiken verder dan louter feestelijke momenten als de opening ervan. Wij hebben vele veiligheidshuizen bezocht en werkbesprekingen van veiligheidshuizen bijgewoond. Als zaken ter kennis komen van de opsporende en vervolgende instanties, blijkt vaak een criminele geschiedenis van jewelste. Niet willen berusten in recidive bij jeugdigen is ook precies de reden voor de beleidsverandering op dit terrein. Om mijn antwoord niet te lang te maken, verwijs ik naar twee brieven over dit beleid: die van 27 augustus 2008 van collega Albayrak en mijzelf over de aanpak van de recidive bij jeugdigen, en de brief van ongeveer tien dagen later, van rond 6 september 2008, van collega Rouvoet en mijzelf over de aanpak van de twaalfminners, bij wie de voorstadia van dit soort criminaliteit zijn te zien.

De heer Brinkman (PVV): Niet over de twaalfminners, maar even heel concreet: wanneer iemand drie behoorlijke delicten heeft gepleegd, drie keer met de politie in aanraking is geweest, bent u dan bereid om zo’n persoon gelijk naar Glen Mills te sturen?

Minister Hirsch Ballin: Daar kan aanleiding voor zijn, maar ik kan niet in algemene termen zeggen dat altijd na drie keer een specifieke reactie moet volgen; je moet dit bezien in het licht van de aard van de problematiek. Maar laat ik ook op dit punt zo constructief mogelijk reageren en een suggestie doen. Ik geloof dat we het geheel eens zijn over het type aanpak. Ik wil u graag laten delen in onze ervaringen, uit onze bezoeken aan de veiligheidshuizen: deze aanpak werkt en wordt al overal toegepast waar de veiligheidshuizen daartoe zijn ingericht. De veiligheidshuizen zullen we landelijk realiseren vanuit de doelstelling van een landelijk dekkend netwerk in 2009. Ik heb net naar de Kamervoorzitter een brief gestuurd over een vereenvoudigde procedure bij werkbezoeken; de Kamer brengt die werkbezoeken steeds vaker aan de instellingen die onder onze verantwoordelijkheid of medeverantwoordelijkheid werken. Wij zijn daar zeer blij mee, want wij willen de Kamer laten delen in de praktijkervaringen in het heel brede beleidsterrein van Justitie: strafrechtstoepassing, geschilbeslechting, geschillenpreventie, vreemdelingenbeleid. Mag ik hieraan een open uitnodiging verbinden? Misschien kunnen we een rechtstreekse kennismaking regelen, in de vorm van een bezoek van deze commissie aan een veiligheidshuis, zodat zij kan kennismaken met deze werkwijze, eventueel samen met de lokale driehoek.

Als antwoord op de vraag van de heer Heemelaar over een bezoek aan penitentiaire inrichtingen het volgende. Op 16 mei is de open dag van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Ik hoop dat vele ouderen en jongeren de gelegenheid krijgen om de gevangenis van binnen te zien voordat zich daartoe een directe noodzaak voordoet.

Voor de vraag van de heer Van Haersma Buma over foto’s van veelplegers en preventie verwijs ik naar het project in de politieregio IJsselland, dat ook in de Veiligheidskrant is beschreven. De foto’s zijn niet zichtbaar voor een breder publiek, maar zoiets wordt dus wel toegepast. De heer Brinkman verwijs ik naar de website www.veiligheidbegintbijvoorkomen.nl, ook toegankelijk via onze website.

De cijfers van ladingdiefstal noem ik graag, maar het is misschien handig als die in een memo aan de Kamer beschikbaar worden gesteld. De heer Van der Staaij vroeg naar de samenwerking met andere Europese landen bij transportcriminaliteit. Er is een structurele samenwerking in de grensregio in Zuid-Nederland met het AULA-team van de federale politie van België en in operationele zin ook met de politie van het land Noordrijn-Westfalen. In het nieuwe transportconvenant zal aandacht zijn voor de internationale samenwerking.

Ik denk dat ik alle overige vragen bij interruptie heb beantwoord.

De voorzitter: Ik geef de gelegenheid tot een tweede termijn, met spreektijden van twee minuten per lid.

Nadere gedachtewisseling

De heer Heerts (PvdA): Voorzitter. Ik heb het idee dat een groot deel van de motie uiteindelijk in bewerking gaat; laat ik het maar houden op wat misverstanden. Ik wil mij richten op de veiligheidshuizen. Een aantal heb ik al bezocht. In Dordrecht is er laatst een geopend; ik hoop dat de minister niet daarom straks in Dordrecht iets anders in de strafrechtsketen gaat sluiten, maar dat is weer een andere discussie. Maar volgens mij zou de Kamer nog vóór deze zomer een evaluatie krijgen van de stand van zaken rond de veiligheidshuizen. Kunnen wij die vóór het zomerreces krijgen, inclusief een zienswijze van de minister met betrekking tot de vraag of in de bevoegdheden- of maatregelensfeer praktische tips mogelijk zijn? En vindt de minister dat rechters voldoende op de hoogte zijn van wat in veiligheidshuizen gebeurt en dat zij de maatregelen daarachter voldoende kennen? Uit een recent rapport bleek namelijk dat rechters niet altijd precies weten wat de effecten zijn van de maatregelen die zij opleggen.

Verder dank ik de minister voor zijn antwoorden. Later bedacht ik dat dit overleg, vanwege de specifieke onderwerpen ladingdiefstal en transportcriminaliteit, een zodanig karakter heeft gekregen dat EZ en BZK hierbij niet hadden misstaan, naast het ministerie van Justitie als coördinerend projectministerie. Ik ga er wel van uit dat zij goed meeluisteren. Op het volgende wil ik ook nog een reactie van de minister: worden ondernemingen, en met name kleine winkeliers die het loodje kunnen leggen, krachtig door Economische Zaken bijgestaan in de financiële gevolgen, los van alle emotionele ellende die zij meemaken?

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Ik constateer dat er nog een hoop werk onder handen is, maar ik dank de minister voor zijn antwoorden. Ik constateer dat de Kamer deze maand nog een brief krijgt over de camera’s. Over de ongeüniformeerde beveiligers is het denkproces kennelijk nog niet afgerond, dus ook hiervoor wacht ik op de minister. Ik dank de minister voor zijn toezegging om de meervoudigekamerbehandeling binnen een termijn van 110 dagen nogmaals onder de aandacht te brengen van de leiding van het Openbaar Ministerie. Net zoals collega Heerts denk ik dat de minister met zijn collega van BZK nog een aantal goede gesprekken moet voeren over de bovenregionale rechercheteams, die ongetwijfeld zullen leiden tot de oplossing die hij vandaag aan de Kamer heeft toegezegd. Zo niet, dan treffen wij elkaar weer.

De heer Van Haersma Buma (CDA): Voorzitter. De vorige sprekers hebben de punten gemaakt die ook voor mij de kern vormen van wat uit de eerste termijn is overgebleven. Nog één opmerking over de motie-Teeven/Heerts en de bovenregionale aanpak: kan de minister in zijn brief hierover ook eventuele organisatorische knelpunten aangeven die een ideale vorm onmogelijk maken, zodat die in een later traject kunnen worden meegenomen?

De heer Brinkman (PVV): Voorzitter. Ook ik dank de minister voor zijn antwoorden. Ik zou graag nog iets meer van de minister horen over onze wens met betrekking tot de prioritering van politieonderzoeken bij winkeldelicten waarbij jeugdigen zijn betrokken. Hij gaat ons een brief sturen over de camera’s, maar ik hoor graag de belofte van de minister dat hij daarin iets gaat zeggen over de technische en financiële mogelijkheden van een centrale registratie van de beelden; ik zie daar namelijk veel winst in. En we hebben het gehad over een minimumbedrag van € 5000 voor immateriële schade. Ik begrijp de minister goed dat het voor ieder individu anders is en dat het in zijn beleving niet altijd € 5000 zou moeten zijn. Natuurlijk is dit altijd subjectief, maar om welk bedrag het ook gaat, elk individu voelt zijn schade anders: iemand kan een pistool tegen zijn kop hebben gehad en daar totaal niet van wakker liggen, een ander heeft in de verte een mesje gezien of hoorde iets naars en slaapt daar drie maanden niet van. Ik hoor graag dat de minister zich hierover uitspreekt en onderzoek doet naar de mogelijkheid van een standaardeis voor een minimumbedrag ten behoeve van de immateriële schade van slachtoffers.

De heer Heerts (PvdA): Zeker de langdurige psychologische gevallen lijken me meer gebaat met goede nazorg dan met direct geld. U ziet dit toch wel samen? Niet alles laat zich namelijk in geld uitdrukken.

De heer Brinkman (PVV): Ik pleit hier voor een minimumbedrag voor immateriële schade. Ik pleit niet voor een maximumbedrag en ga al helemaal niet zeggen dat er bij minimumbedragen geen nazorg meer hoeft te komen. Ik wil dus ook absoluut niet de indruk wekken dat ik dat voor ogen heb.

De heer Heemelaar (GroenLinks): Voorzitter. Ik heb een vijftal kleine puntjes. Uit het antwoord van de minister over de veilige parkeerplaatsen begrijp ik dat de transportondernemers daarvan op de hoogte en tevreden zijn. Ik wil er wel op wijzen dat de chauffeurs hier nog onvoldoende van afweten; mensen uit de ondernemingsraden, die dus dicht op die bedrijven en het beleid zitten, zeggen dat. Zij moeten dus meer worden geïnformeerd over deze plannen. Verder heb ik nog geen antwoord op mijn verzoek om versneld te gaan werken met digitalebetalingsteden, dus de pilot te versnellen en dit breder uit te rollen; dit is namelijk een aanzet tot het voorkomen van de problematiek. Ook ben ik nog steeds benieuwd naar de inschatting van de minister van de motieven van de politie om rond de sluitingsuren van de avondverkoop met helikopters te werken, in ieder geval in Amsterdam. Ik was zeer verbaasd dat sneller straffen drie maanden moet kosten: de psychologie leert dat je binnen 24 uur moet straffen, omdat anders het effect al weg is. Ik hoop toch echt dat dit sneller kan; dat werkt gewoon beter.

De heer Teeven (VVD): Ter opheldering: in zo’n zaak duurt het drie maanden omdat voor overvallers een redelijk ingewikkelde bewijsvoering geldt en we mensen in het algemeen voor een gewapende overval of dreiging met een vuurwapen wel iets meer dan zes maanden willen geven; dat lijkt me tenminste een gezonde instelling. Maar ik ben het met u eens dat het allemaal wat sneller kan.

De heer Heemelaar (GroenLinks): Ik ga graag bij u naar college voor de ins en outs.

Heel leuk van die open dag, en ik zal veel mensen erop wijzen, maar ik denk dat het verstandig is als de minister zijn collega van Onderwijs erop wijst dat het onderwijs dit ook moet oppakken.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Er zijn vele toezeggingen gekomen, onder andere met betrekking tot brieven over de camera’s en uitvoering van de motie-Heerts/Teeven. Wij zullen die met passend ongeduld afwachten. Voor de regionale aanpak hoeven we natuurlijk niet een besteldiscussie te voeren, maar onze concrete zorg blijft dat in de regio’s vaak te weinig kennis is van of prioriteit voor transportcriminaliteit en ladingdiefstal. De nieuwe structuur zou dit juist moeten ondervangen.

Tot slot het vergemakkelijken van aangiften. Ook in het licht van de criminaliteitsoort waarover we vandaag spreken, blijven voor ons het serieus nemen van een vroege melding van verdachte situaties en de vergemakkelijking van aangifte een belangrijk aandachtspunt; er zou een wereld mee te winnen kunnen zijn.

Voorzitter: Heerts

De heer De Wit (SP): Ik heb nog drie punten. De minister houdt kennelijk vast aan de ambitie van het kabinet met betrekking tot de vermindering tot 30%, wat betekent dat er nog het nodige dient te gebeuren. De minister heeft een aantal toezeggingen gedaan en daarop zullen we nog terugkomen.

Ook ik denk dat het probleem bij de aangiften is dat er te weinig aangiften worden gedaan en dat er niet altijd adequaat wordt opgetreden bij aangiften. Gezien de ingewikkeldheid van het doen van aangifte van een ladingdiefstal, lijkt de internetaangifte mij niet het geschiktste middel: juist daarvoor blijkt specialistische kennis nodig. Graag hoor ik van de minister hoe we de aangiftebereidheid gaan vergroten en de aangiftemogelijkheden gaan verbeteren. Verder heb ik het antwoord van de minister op de vraag over overlastdonatie niet goed gehoord.

Voorzitter: De Wit

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ik dank de commissie voor haar instemming op bepaalde punten. Dat geldt ook voor het punt van de heer Heerts over Justitie in de Buurt: de evaluatie is bijna gereed voor verzending. De heer Heerts vroeg verder naar de vergoeding voor kleine winkeliers. De collega’s van EZ hebben 24 mln. uitgetrokken voor veiligheidsscans. De schade- of overlastdonatie is een financiële tegemoetkoming vanwege de overlast die het doen van aangifte veroorzaakt: € 151, door de dader te betalen. Het doel hiervan is dus de vergoeding van de indirecte schade, speciaal voor de tijd die de winkelier nodig had voor het doen van aangifte. Dit raakt de vraag van de heer Brinkman over de bedragen bij immateriële schade. Bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven is, zoals bekend, wel sprake van een vast bedrag. Inmiddels zijn in de jurisprudentie algemene richtsnoeren ontwikkeld voor de hoogte van de bepaling van immateriële schade. Ik meen dat ik daarover in het civielrechtelijke traject al informatie heb gegeven.

Ik bevestig wat de heer Teeven zei: sinds de start in 2007 met de uitvoering van het programma Veiligheid begint bij Voorkomen is er veel gebeurd. Ik houd de Kamer graag op de hoogte van alle stappen en tussenstappen die zullen worden gezet, ook bij de realisatie van de kwantitatieve ambities. In antwoord op de vraag van de heer De Wit het volgende: natuurlijk hangt de realisatie ervan ook af van factoren die wij niet kunnen beïnvloeden, maar zij blijven onze richtsnoer. Van hetgeen hierover verder te melden valt, ook vanwege de veranderingen in de samenleving op dit gebied, zal ik de Kamer op de hoogte blijven houden.

Ik kan bevestigend antwoorden op de vraag van de heer Van Haersma Buma over organisatorische knelpunten die nog veel aandacht vereisen: jazeker, daar houden wij rekening mee en ik zal de desbetreffende brief naar de Kamer sturen tegen de achtergrond van hetgeen wij hebben gemeld over de onzes inziens noodzakelijke veranderingen in het politiebestel en in de organisatie van het Openbaar Ministerie.

De heer Brinkman vroeg naar de prioriteit van criminaliteit door jeugdigen. Ik denk dat hij een overtuigend antwoord zal vinden in de werkwijze van de veiligheidshuizen, inclusief de verschillende typen maatregelen, de benodigde reacties en ook het tijdig beginnen, zodat niet pas bij de zoveelste recidive wordt gekeken naar persoonskenmerken, maar reeds bij de eerste feiten.

Het punt van de heer Heemelaar over de ondernemingsraden zal ik graag bij het bedrijfsleven in ons overleg in het platform onder de aandacht brengen. De pilot met cashless of digitaal betalen in Almere vind ik erg interessant. Het initiatief daartoe is genomen door gemeente en bedrijfsleven; ik zal hierover graag contact onderhouden met de burgemeester van Almere. Inderdaad zijn er overvallen die een reactie vergen met politieobservatie uit de lucht. Het is een nogal duur opsporingsmiddel, maar er zijn goede ervaringen mee. Verder vroeg de heer Heemelaar naar de communicatie met chauffeurs over de veilige parkeerplaatsen. Ook het antwoord op die vraag is bevestigend: ja, mijn collega van V&W heeft dit op zich genomen.

Ik deel de opvatting van de heer Van der Staaij over het belang van vroege melding. De vraag van de heer Heemelaar naar wat snel straffen is, moet inderdaad worden gerelateerd aan de aard van de zaak. In een beperkt aantal zaken is snelrecht echt aanbevelenswaardig; daar zijn wij dan ook zeer vóór. Maar een van de verklaringen voor het feit dat snelrecht niet overal kan worden toegepast is dat, als je dit te snel doet in verhouding tot de aard van de tenlastelegging of het onderzoek, de raadsman van de verdachte zich tegen de toepassing van snelrecht zal verzetten. In zijn fractie is veel expertise aanwezig over het belang van de rol van de advocatuur – dat wij ook absoluut niet ontkennen – maar ook hierbij geldt dat altijd sprake moet zijn van een evenwicht: niet te veel, maar ook niet te weinig inzet van de advocatuur. Bij toepassing van snelrecht in situaties waarin de verdediging met recht en rede een nadere beoordeling verlangt, loop je aan tegen, op het eerste gezicht, lange termijnen.

De heer Brinkman (PVV): De minister zou nog ingaan op mijn verzoek met betrekking tot de brief over de camera’s: is het technisch en financieel mogelijk om de beelden centraal, bijvoorbeeld bij het KLPD, te bewaren?

Minister Hirsch Ballin: Dat zal ik in de brief meenemen. Volgens mij heb ik hiermee alle vragen beantwoord.

De voorzitter: Ik vroeg u nog om een toelichting op de vraag over de overlastdonatie.

Minister Hirsch Ballin: Die vraag heb ik een beetje haastig beantwoord, maar die heb ik wel beantwoord.

De voorzitter: In tweede termijn vroeg ik of ik u mocht lastigvallen met een verzoek om dit nog een keer te doen; ik heb het antwoord in eerste termijn niet meegekregen.

Minister Hirsch Ballin: Die overlastdonatie betreft een bedrag van € 151, in verband met de kosten en moeite voor kleine zelfstandigen of winkeliers die gepaard gaan met het doen van aangifte. Zo willen wij hun een steun in de rug geven. Wij zullen dit uiteraard op effectiviteit beoordelen, dus een afname van het uitblijven van aangifte.

De voorzitter: Is dat een vorm van contant afrekenen? Ik heb de formulieren gezien en zou denken dat het te maken heeft met een schadevergoeding later. Of is het bedoeld als een snelle manier, die ook preventief zou werken, om een bedrag te innen?

Minister Hirsch Ballin: Ik begrijp uw vraag en zal nagaan of dit praktischer kan worden georganiseerd; cashless pay is in dit verband misschien niet de best mogelijke oplossing.

De voorzitter: Hiermee zijn we gekomen aan het eind van dit algemeen overleg. Ik zal de vijf toezeggingen van de minister nog even oplezen.

Toezeggingen

– De Kamer ontvangt in april een brief van de minister van Justitie over het cameratoezicht en de opslag- en bewaartermijn van de camerabeelden, inclusief de integrale reactie van het College Bescherming Persoonsgegevens en de mogelijkheid van opslag en verwerking van die beelden op een centraal punt.

– De minister van Justitie stuurt de Kamer een brief over de ongeüniformeerde beveiligers, naar aanleiding van de motie-Van Haersma Buma/Kuiken en de toepassing daarvan in de huidige praktijk en de knelpunten die zich daarbij mogelijk voordoen.

– De minister van Justitie stuurt de Kamer een brief over de evaluatie van het team ladingdiefstal, waarin wordt ingegaan op de verhouding lokaal-regionaal-nationaal en de afstemming en aanpak daarvan, het voorkomen van waterbedeffecten en de organisatorische knelpunten daarbij.

– De minister van Justitie zal de Kamer op korte termijn informeren over de cijfers met betrekking tot de transportcriminaliteit.

– De minister van Justitie zal vóór de zomer de Kamer een brief sturen over de rooftas en roofjas, naar aanleiding van het overleg met de VNG en de branche hierover.

De heer Heerts (PvdA): En over de veiligheidshuizen?

Minister Hirsch Ballin: Daarover heb ik niets specifieks toegezegd, maar ik heb wel een uitnodiging gedaan.

De voorzitter: Zoiets heb ik ook niet genoteerd. Dit betreft een oude toezegging.

Ik merk dat bij de collega’s geen behoefte bestaat om het verslag van dit overleg op de plenaire agenda te plaatsen. Ik dank de minister en alle deelnemers aan het debat.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Roemer (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA), Anker (ChristenUnie) en Heemelaar (GroenLinks).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Van Raak (SP), Jan de Vries (CDA), Weekers (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Karabulut (SP), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA), Slob (ChristenUnie) en Halsema (GroenLinks).