Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202028676 nr. 326

28 676 NAVO

Nr. 326 BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 november 2019

Hierbij ontvangt uw Kamer de actualisering van de voorziene defensie-uitgaven in de periode tot 2024 met betrekking tot het nationaal plan1, zoals parallel wordt aangeboden aan de NAVO. Met deze brief wordt de toezegging uit het algemeen overleg op 16 oktober jl. over de aanstaande defensieministeriele bijeenkomst van de NAVO gestand gedaan. Naar aanleiding van dit debat gaat deze brief eveneens nader in op de manier waarop de uitgaven aan Defensie worden berekend.

Actualisatie nationaal plan defensie-uitgaven

Op 3 en 4 december as. komen de staatshoofden en regeringsleiders van de NAVO in Londen bijeen. In aanloop naar deze zogenoemde Leaders» Meeting brengt secretaris-generaal Stoltenberg de voortgang in kaart van de implementatie van de op de Top in Wales (2014) (Kamerstuk 28 676, nr. 210) gemaakte afspraken over lastenverdeling binnen het bondgenootschap. Destijds was de veranderende veiligheidsomgeving aanleiding om af te spreken de defensie-uitgaven te verhogen. Sindsdien is de veiligheidssituatie verder verslechterd en de urgentie voor naleving van de Wales-afspraken toegenomen. Tijdens de NAVO-Top in Brussel (2018) (Kamerstuk 28 676, nr. 302) is dan ook afgesproken dat bondgenoten jaarlijks inzichtelijk maken hoe ze de komende jaren tot 2024 de defensie-uitgaven in de richting van de NAVO-norm van 2% van het bruto binnenlands product (bbp) gaan bewegen.

De afgelopen jaren is de eerste hoofdtaak, de bescherming van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied, steeds belangrijker geworden. Het belang van de andere twee hoofdtaken is eveneens toegenomen. In het nationaal plan dat eind 2018 aan de NAVO is gestuurd, bevestigde het kabinet dan ook de politieke intentie om structureel te investeren in een aantal prioritaire capaciteiten, die aansluiten bij de capaciteitendoelstellingen van de NAVO. Als NAVO moeten we sneller, langer en krachtiger kunnen optreden. Door de stappen die zijn gezet om invulling te geven aan de capaciteitendoelstellingen van de NAVO dragen we daaraan bij. Onze bondgenoten verwachten dit ook van ons en van elkaar.

Met het regeerakkoord en de Voorjaarsnota zijn de afgelopen tijd belangrijke stappen gezet. Omdat het extra geld onvoldoende was om alles te kunnen doen, zijn er keuzes gemaakt. Zo is besloten de beschikbare middelen te investeren in extra F-35»s, ondersteuning van de special forces, uitbreiding van het cyber- en informatiedomein en personeel. Maar we zijn er nog niet. Onderstaande figuur illustreert de verwachte ontwikkeling van de Nederlandse defensie-uitgaven als percentage van het bbp.

Berekening defensie-uitgaven

De NAVO hanteert een definitie en criteria om te bepalen wat landen mee mogen rekenen als defensie-uitgaven. Bondgenoten zijn daaraan gehouden en kunnen niet zonder meer uitgaven meerekenen.

Nederland rekent uiteraard zo veel mogelijk mee. Zo neemt Nederland in de berekening al langer ook de uitgaven mee die gerelateerd zijn aan de Koninklijke Marechaussee. Ook zijn uitgaven voor pensioenen en uitkeringen opgenomen.

Na een zoekslag zijn dit jaar een aantal defensie-gerelateerde uitgaven geïdentificeerd op de begroting van Buitenlandse Zaken die binnen de criteria van de NAVO passen. Deze worden vanaf nu ook meegerekend. Het effect hiervan is +0,01% op het Nederlandse bbp-percentage volgens de NAVO-berekening.

Nederland hanteert naast de NAVO-berekening op basis van OESO-cijfers ook een eigen, Nederlandse, berekening, op basis van de groeicijfers van het CPB. Sinds afgelopen zomer wordt een (voor Nederland) nieuwe berekeningswijze van de defensie-uitgaven gehanteerd, die beter aansluit op de berekeningswijze van de NAVO. Dit houdt in dat vanaf heden bij de Nederlandse berekening ook wordt gerekend met de bruto defensie-uitgaven (de totale uitgaven, zonder dat de ontvangsten daarop in mindering worden gebracht) en de defensie-gerelateerde uitgaven op de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De nieuwe Nederlandse berekeningswijze heeft gemiddeld +0,04% effect op het bbp-percentage volgens de Nederlandse berekening.

De groeicijfers van de OESO en het CPB komen nooit overeen, dus die discrepantie tussen de twee berekeningen blijft bestaan.

De Minister van Defensie, A.Th.B. Bijleveld-Schouten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl