28 638 Mensenhandel

Nr. 89 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 juni 2012

Tijdens het debat met uw Kamer op 12 juni jl. over de aanpak van mensenhandel (Handelingen II 2011/12, nr. 94, behandeling debat over het bericht dat mensenhandel fors is toegenomen) heb ik toegezegd om u voor 1 juli a.s. te informeren over de uitkomsten van mijn gesprek met de Nationale Rapporteur Mensenhandel (NRM) over de aanpassing van zowel de bedenktijd als het verblijfsrecht gedurende de beklagprocedure.

Dit mede naar aanleiding van de moties Schouten (CU)1 c.s. inzake het verblijfsrecht gedurende de beklagprocedure en Arib (PvdA)2 c.s. inzake aanpassing van de bedenktijd. U ontvangt deze brief mede namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Uitkomsten gesprek NRM

Op 18 juni jl. heb ik gesproken met de NRM. Wij hebben de bevindingen van de NRM uit het rapport «Opsporing van mensenhandel en de B9-regeling» van 11 juni 2012 besproken. Daarnaast zijn we ingegaan op het verblijfsrecht gedurende de beklagprocedure en de reactie van de NRM zoals aangegeven in haar brief van 29 mei jl. over de herinrichting van de bedenktijd.

Het rapport van de NRM geeft onder andere inzicht in het geslacht, de landen van herkomst, de duur van de verschillende procedures en de vreemdelingrechtelijke achtergrond van de mogelijke slachtoffers. Hoewel het rapport een verkennend onderzoek betreft en indicatief is (dit werd ook door de NRM bevestigd), geeft het rapport een goed inzicht dat, deels, nog niet bekend was. Vanwege de afbakening van het onderzoek tot geseponeerde zaken en het kleine aantal dossiers dat is onderzocht (49) kunnen uit het onderzoek geen algemene conclusies worden getrokken over de hele groep (ex-) B9-vergunninghouders of de hele groep (ex-) B9 vergunninghouders met een geseponeerde zaak.

Het rapport geeft voorts aan dat de duur van de verschillende strafrechtelijke en vreemdelingrechtelijke procedures in het kader van de B9-regeling lang is. De NRM heeft voorgesteld om de vreemdelingrechtelijke en strafrechtelijke procedures in dit kader efficiënter in te richten. Deze aanbeveling ondersteun ik. In mijn brief van 15 november 2011 heb ik een aantal maatregelen voorgesteld om de betreffende procedures te stroomlijnen en sneller te laten verlopen door onder andere de doorlooptijden te reduceren. In september 2012 start een pilot bij de IND, OM en politie. Deze pilot moet uitwijzen op welke wijze een versnelde uitvoering van de procedures (inclusief de communicatie tussen IND, politie en OM) op zorgvuldige wijze kan plaatsvinden.

Beklagprocedure

In de brief van 15 november 2011 heb ik aangegeven, dat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken, zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd. Het verblijfsrecht tijdens de beklagprocedure gericht tegen het seponeren van de zaak door het OM wordt hiermee afgeschaft.

Uit de gegevens uit het dossieronderzoek van de NRM blijkt dat bijna iedere persoon in beklag gaat tegen een sepot van het OM (80%) en geen enkel beklag gegrond wordt verklaard. Deze bevinding ondersteunt mijn voorgestelde maatregel om het verblijfsrecht tijdens het beklag af te schaffen (waardoor de B9-vergunning niet meer doorloopt). De beklagprocedures duren weliswaar mogelijk gemiddeld korter dan eerder werd aangenomen, echter, deze maatregel blijft wel noodzakelijk want ook bij een gemiddelde beklagprocedure van vijf à zes maanden betekent dit vijf à zes maanden recht op verblijf en voorzieningen. Voor de aanpassing van de beklagprocedure is wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 noodzakelijk en voorzien.

Herinrichting bedenktijd

De NRM en ik hebben uitvoerig stilgestaan bij mijn voornemen de bedenktijd niet meer aan te bieden aan buitenlandse slachtoffers die langer dan drie maanden uit de mensenhandelsituatie zijn. Ook hebben wij besproken of deze maatregel wel past binnen de kaders van het Internationaal recht. De NRM vindt dat deze maatregel op gespannen voet staat met artikel 13 van het Verdrag van de Raad van Europa ter bestrijding van mensenhandel. Het standpunt van de NRM deel ik vooralsnog niet.

Voornoemd artikel van het Verdrag van de Raad van Europa ziet op buitenlandse slachtoffers die zich illegaal op het grondgebied van een Verdragsstaat bevinden, die zich in een slachtofferpositie bevinden. Het Verdrag ziet naar mijn mening niet op personen die zich in het verleden hierin wellicht bevonden.

Ik deel het standpunt van de NRM dat de functie van de bedenktijd tweeledig is. De functie van de bedenktijd is niet alleen dat een mogelijk slachtoffer zich kan herstellen en zich aan de invloed van mensenhandelaars kan onttrekken, maar ook dat het mogelijke slachtoffer zich op geïnformeerde wijze kan bezinnen op de vraag om al dan niet te willen meewerken aan het opsporingsonderzoek. Echter, in de toelichting op het verdrag is aangegeven, dat voor het nemen van een afgewogen beslissing, het slachtoffer zich in een redelijke en kalme geestestoestand moet bevinden en dat een dergelijke beslissing vereist dat het slachtoffer zich moet hebben onttrokken aan de invloed van de mensenhandelaren. Dat is dus niet van toepassing op personen die al enige tijd uit de mensenhandelsituatie zijn. Doordat deze personen zich al geruime tijd niet meer in de mensenhandelsituatie bevinden hebben ze ook de tijd gehad om zich af te vragen of zij willen meewerken aan een opsporingsonderzoek. Aldus bezien is de aanpassing van de bedenktijd naar mijn mening niet in strijd met het Verdrag. Ik zet overigens de gedachtewisseling met de NRM hierover voort.

In het laatste rapport heeft de NRM aangegeven, dat ruim eenderde van de groep mogelijke slachtoffers, met de herinrichting van de bedenktijd, niet meer in aanmerking zou kunnen komen voor de bedenktijd. Hoewel het onderzoek indicatief is, is dit een relevant gegeven dat een aanvulling is op de bevindingen van de door mij ingestelde werkgroep, waarover uw Kamer met de brief van 11 mei jl. is geïnformeerd.

De voorgestelde maatregel is bedoeld om onnodig gebruik van de bedenktijd en daarmee de opvang tegen te gaan. De werkgroep heeft naar mijn mening op zorgvuldige wijze gezocht naar een balans tussen het waarborgen van de belangen van de mogelijke slachtoffers en het oneigenlijk gebruik van de bedenktijd.

Mede gelet op de discussie in uw Kamer en de bevindingen van de NRM met betrekking tot de aanpassing van de bedenktijd, zie ik echter aanleiding voor nadere bestudering van deze maatregel. Ik acht het van belang dat degenen die recht hebben op de bedenktijd daar ook gebruik van kunnen maken.

Conclusie

De bevindingen die de NRM in haar laatste rapport doet, dienen nader te worden onderzocht, waar het gaat om de bedenktijd en het oneigenlijk gebruik van deze regeling. Ik wil een verdiepingsslag maken naar een representatief onderzoek, waarin ook dwarsverbanden tussen de verschillende bevindingen van de NRM kunnen worden gelegd. Dit onderzoek zal door een externe organisatie worden uitgevoerd. De uitvoerende organisaties zoals de politie, OM en de IND worden bij de uitwerking van dit onderzoek nauw betrokken. Met de NRM zal ik contact hebben over het onderzoek.

De aanpassing van de bedenktijd, zoals aangekondigd in mijn brief van 11 mei jl., zal in ieder geval tot het moment dat het onderzoek is afgerond niet worden uitgevoerd. Ik zal uw Kamer over de wijze waarop dit onderzoek zal worden uitgevoerd alsmede over de uitkomst van dit onderzoek informeren.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, G. B. M. Leers


X Noot
1

Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 28 638, nr. 84.

X Noot
2

Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 28 638, nr. 82.

Naar boven