28 625 Herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

G VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 4 maart 2026

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de Commissiemededeling: Strategie voor generatievernieuwing in de landbouw. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 3 februari 2026.

  • De antwoordbrief van 3 maart 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Wolf

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Den Haag, 3 februari 2026

De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 16 december 2025, waarin u reageert op de vragen over de Europese Mededeling Strategie voor generatievernieuwing in de landbouw van de Europese Commissie.2 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de BBB en de PVV hebben naar aanleiding hiervan een aantal nadere vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

Nederland voldoet momenteel niet aan de door de Europese Commissie voorgestelde toekomstige norm om 6% van het landbouwbudget te besteden aan generatievernieuwing. Waarom kiest Nederland er niet voor om hier nu al naartoe te groeien, vooruitlopend op het GLB 2028–2034? Welke beleidsmatige, financiële of politieke belemmeringen ziet de regering hiervoor?

Deelt u de opvatting dat generatievernieuwing een randvoorwaarde is voor het oplossen van de natuur-, klimaat- en stikstofcrisis? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het huidige lage percentage (3%) van het landbouwbudget dat hiervoor wordt ingezet? Bent u bereid het ambitieniveau te verhogen, ook zonder formele EU-verplichting?

Aangezien de nationale strategie voor generatievernieuwing mogelijk pas volgt in het kader van het GLB 2028–2034: hoe wordt voorkomen dat de komende jaren verloren gaan terwijl de vergrijzing in de sector versnelt? Bent u bereid om vooruitlopend op het GLB een nationale, integrale strategie te formuleren waarin ook migratie, toegang tot grond en budgettaire keuzes expliciet worden meegenomen?

In het antwoord op vraag 53 wordt niet expliciet ingegaan op het recente rapport van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de baten van migratie. Kunt u alsnog inhoudelijk reflecteren op de aanbevelingen uit dit rapport, specifiek waar het gaat om het benutten van migratie als structurele oplossing voor vergrijzing en personeelstekorten in de agrarische sector? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse strategie voor agrarische generatievernieuwing?

De beantwoording richt zich vooral op migranten als arbeidskrachten, maar nauwelijks als potentiële ondernemers of bedrijfsovernemers. Hoe kijkt u aan tegen migranten met agrarische ervaring, als potentiële nieuwe boeren of mede-bedrijfshoofden?

De Actieagenda Integratie wordt genoemd, maar zonder sectorspecifieke uitwerking. Hoe wordt integratiebeleid concreet verbonden met landbouw- en plattelandsbeleid, zodat deelname van migranten aan de agrarische sector ook bijdraagt aan leefbare en vitale plattelandsgemeenschappen? Bent u bereid dit expliciet op te nemen in de nationale strategie voor generatievernieuwing?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De leden van de BBB-fractie onderschrijven het belang van generatievernieuwing in de landbouw en erkennen dat jonge boeren essentieel zijn voor de continuïteit van gezinsbedrijven en de voedselzekerheid in Nederland. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de beantwoording op meerdere punten onvoldoende duidelijkheid geeft over de samenhang tussen Europese ambities en het huidige nationale beleid, in het bijzonder waar het gaat om opkoopregelingen, grondbeschikbaarheid en daadwerkelijke ondersteuning van jonge boeren.

Deze leden maken zich zorgen dat zonder duidelijke regie op grond, financiering en bedrijfsopvolging de Europese strategie voor generatievernieuwing in de praktijk onvoldoende effect sorteert en zelfs kan worden ondermijnd door bestaand beleid. Zij hebben daarom behoefte aan nadere, concrete toelichting van de regering en stellen in dat kader de volgende vervolgvragen.

Opkoop vs. opvolging

Hoe voorkomt u concreet dat vrijwillige opkoopregelingen zoals LBV en LBV+ leiden tot structurele afname van het aantal landbouwbedrijven en daarmee haaks komen te staan op de EU-doelstelling van generatievernieuwing?

Toets op hergebruik grond

Waarom is bij beëindigingsregelingen geen enkele verplichting of voorkeursroute opgenomen om vrijkomende landbouwgrond beschikbaar te houden voor jonge boeren of bedrijfsoverdracht?

Actief grondbeleid

De EU beveelt actieve inzet van grondbanken aan. Waarom kiest Nederland bewust voor een passieve rol en laat het de bestemming van vrijkomende grond volledig aan de markt over?

Effectiviteit 6%-ambitie

U onderschrijft de 6%-doelstelling voor generatievernieuwing, maar reserveert deze middelen nog niet. Hoe voorkomt u dat deze ambitie niet verder komt dan een intentie zonder financiële werking?

Starterspakket ontoereikend

Acht u de huidige vestigingssteun van € 80.000 realistisch in een land waar bedrijfsovernames vaak miljoenen euro’s kosten, en zo ja, waarop baseert u dat?

Financiering jonge boeren

Bent u bereid aanvullende instrumenten te onderzoeken, zoals staatsgaranties of structurele rentekortingen, specifiek gericht op jonge boeren die een gezinsbedrijf willen overnemen?

Pensioenprikkel verkeerd gezet

Waarom wordt fiscaal geen onderscheid gemaakt tussen bedrijfsbeëindiging en bedrijfsopvolging, terwijl dit juist een krachtig instrument kan zijn om overdracht aan jonge boeren te stimuleren?

Voorkomen grond- en kapitaalconcentratie

Hoe voorkomt u dat vrijkomende landbouwgrond en bedrijven door uitkoop en hoge toetredingsdrempels in handen komen van niet-producerende of speculatieve partijen?

Voedselzekerheid expliciet borgen

Op welke wijze wordt voedselzekerheid expliciet meegewogen bij de nationale uitwerking van de EU-strategie voor generatievernieuwing?

Rol van de Kamer

Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan de nationale implementatie van deze EU-strategie expliciet te laten oordelen over de Nederlandse keuzes rond grond, opvolging en budgettering?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De regering erkent aan de ene kant dat jonge landbouwers essentieel zijn voor de continuïteit en toekomstbestendigheid van de Nederlandse landbouw. Ook de Europese Commissie richt zich op het aanpakken van de vergrijzing in de landbouw en het stimuleren van generatievernieuwing. Maar aan de andere kant vormen strenge duurzaamheidseisen en complexe- en strenge regelgeving en vergunningen met betrekking tot biodiversiteit, milieu, stikstof en mest, een aanzienlijke belemmering voor jonge agrariërs om het bedrijf van de ouders op te volgen. Kunt u aangeven wat daarin zowel Europees als nationaal zou moeten veranderen opdat jonge agrariërs weer motivatie zien om het ouderlijk bedrijf over te nemen?

De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 3 maart 2026.

Voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.J. Oplaat

BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 maart 2026

Met de brief van 16 december 2025 (ons kenmerk: DGA-EIA/102924219) werden de vragen (uw kenmerk: 178867) van de leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) beantwoord over de Mededeling Strategie voor generatievernieuwing in de landbouw van de Europese Commissie (COM (2025)872), gepubliceerd op 21 oktober 2025.

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vervolgvragen (gedateerd 3 februari 2026, uw kenmerk: 179722) van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de BBB en de PVV naar aanleiding van genoemde brief.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen

Beantwoording van de vragen van de Eerste Kamerleden

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

Vraag 1

Nederland voldoet momenteel niet aan de door de Europese Commissie voorgestelde toekomstige norm om 6% van het landbouwbudget te besteden aan generatievernieuwing. Waarom kiest Nederland er niet voor om hier nu al naartoe te groeien, vooruitlopend op het GLB 2028–2034? Welke beleidsmatige, financiële of politieke belemmeringen ziet de regering hiervoor?

Ik onderschrijf het grote belang van generatievernieuwing in de agrarische sector en steun daarom van harte de doelstelling om meer te investeren in jonge landbouwers. Ik vind het tegelijkertijd heel belangrijk dat boeren en andere begunstigden van het GLB weten waar zij aan toe zijn door hen stabiel beleid en financiële zekerheid te bieden. Financieel zou een voortijdige herschikking van middelen ten behoeve van generatievernieuwing ten koste kunnen gaan van lopende verplichtingen binnen het huidige GLB, zoals plattelandsontwikkeling en verduurzaming van de landbouw. Daarom wil ik de groei naar 6% inzetten vanaf de nieuwe programmaperiode van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), die in 2028 ingaat.

De inzet op generatievernieuwing is de afgelopen jaren vergroot vanuit nationale middelen zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 2 oktober 2025 over maatregelen bedrijfsopvolgingen jonge boeren en vissers zoals de lancering van het Kenniscentrum Bedrijfsovername en de opzet van de website Bedrijfsovernamewijzer.nl, dat onderdeel is van het programma «Voor de volgende generatie». Daarnaast wordt praktijkonderzoek gefinancierd middels het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek (SIA). Verder zal in mei 2026 EIP-module «samenwerking voor generatievernieuwing» opnieuw worden opengesteld, waarmee innovatieve samenwerkingsprojecten in de landbouw worden gestimuleerd.

Vraag 2

Deelt u de opvatting dat generatievernieuwing een randvoorwaarde is voor het oplossen van de natuur-, klimaat- en stikstofcrisis? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het huidige lage percentage (3%) van het landbouwbudget dat hiervoor wordt ingezet? Bent u bereid het ambitieniveau te verhogen, ook zonder formele EU-verplichting?

Antwoord 2

Ja, ik deel deze opvatting. Generatievernieuwing is een belangrijke randvoorwaarde voor een toekomstbestendige landbouw en draagt daarmee ook bij aan het aanpakken van de natuur-, klimaat- en stikstofopgaven. Een generatiewissel is vaak het moment om bedrijfsplannen te herzien en nieuwe investeringsbeslissingen te nemen. Jonge en nieuwe ondernemers hebben vaak innovatieve ideeën met betrekking tot innovatie en verduurzaming van hun bedrijf. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 benoemde wordt er met nationale middelen al meer inzet gepleegd om generatievernieuwing te stimuleren en vanaf 2028 zal dit nog verder worden versterkt via het GLB.

Het genoemde percentage van 3% van het landbouwbudget moet in samenhang worden bezien met andere interventies binnen het GLB en nationale programma’s die indirect eveneens bijdragen aan instroom, bedrijfsopvolging en innovatie. Nederland laat in EU-verband actief inzet zien voor meer aandacht voor generatievernieuwing (BNC-fiche Beoordeling Mededeling Strategie voor generatievernieuwing in de agrarische sector, gedateerd 28 november 2025).

Vraag 3

Aangezien de nationale strategie voor generatievernieuwing mogelijk pas volgt in het kader van het GLB 2028–2034: hoe wordt voorkomen dat de komende jaren verloren gaan terwijl de vergrijzing in de sector versnelt? Bent u bereid om vooruitlopend op het GLB een nationale, integrale strategie te formuleren waarin ook migratie, toegang tot grond en budgettaire keuzes expliciet worden meegenomen?

Antwoord 3

Generatievernieuwing is een thema dat de volle aandacht krijgt. In de Kamerbrief rondom de herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, (Kamerstuk 30 252, nr. 166) en in de recente Kamerbrief «Maatregelen bedrijfsopvolgingen jonge boeren en vissers» (Kamerstuk 30 252, nr. 210) is aangegeven met welke maatregelen generatievernieuwing en bedrijfsopvolgers ondersteund worden. Daarnaast zijn ook in het Coalitieakkoord voorstellen opgenomen om jonge en nieuwe boeren en tuinders te ondersteunen, bijvoorbeeld met het behoud van de huidige vestigingssteun tot 2035 en via de Regeling groenprojecten en het Investeringsfonds Duurzame Landbouw. Deze maatregelen vormen het uitgangspunt voor de nationale strategie voor generatievernieuwing.

Vraag 4

In het antwoord op vraag 52 wordt niet expliciet ingegaan op het recente rapport van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de baten van migratie. Kunt u alsnog inhoudelijk reflecteren op de aanbevelingen uit dit rapport, specifiek waar het gaat om het benutten van migratie als structurele oplossing voor vergrijzing en personeelstekorten in de agrarische sector? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse strategie voor agrarische generatievernieuwing?

De beantwoording richt zich vooral op migranten als arbeidskrachten, maar nauwelijks als potentiële ondernemers of bedrijfsovernemers. Hoe kijkt u aan tegen migranten met agrarische ervaring, als potentiële nieuwe boeren of mede-bedrijfshoofden?

Antwoord 4

Het rapport van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa gaat vooral over de mogelijkheden voor de zorg en stelt dat migratie, onder de juiste voorwaarden, kan helpen om tekorten in een vergrijzende samenleving op te vangen. Voor de agrarische sector kan migratie ook een rol spelen bij arbeidskrapte, naast onder meer de inzet op innovatie en arbeidsbesparende maatregelen. Daarnaast kan in Nederland in principe iedereen, ongeacht achtergrond, ondernemer of bedrijfshoofd worden.

Vraag 5

De Actieagenda Integratie wordt genoemd, maar zonder sectorspecifieke uitwerking. Hoe wordt integratiebeleid concreet verbonden met landbouw- en plattelandsbeleid, zodat deelname van migranten aan de agrarische sector ook bijdraagt aan leefbare en vitale plattelandsgemeenschappen? Bent u bereid dit expliciet op te nemen in de nationale strategie voor generatievernieuwing?

Antwoord 5

Migranten die in de agrarische sector aan het werk zijn kunnen bijdragen aan de leefbaarheid van het platteland, doordat zij onderdeel zijn van zowel de lokale economie als van de gemeenschap. Hierbij is het van belang dat migranten snel kunnen meekomen in Nederland. De Actieagenda Integratie en de Open en Vrije samenleving, hoewel niet sectorspecifiek, richt zich er onder andere op dat nieuwkomers zo snel mogelijk kunnen meedoen in Nederland door middel van werk en het leren van de taal, alsook het bevorderen van sociale cohesie. Daarnaast laat onderzoek van mijn collega’s van SZW en OCW zien dat de kans op werk toeneemt wanneer iemand beschikt over een Nederlands diploma. Om meer nieuwkomers een Nederlandse vakopleiding te laten afronden, wordt door de ministeries van OCW en SZW, in samenwerking met vertegenwoordigers van verschillende sectoren, gewerkt aan de ontwikkeling en toepassing van sectorale ontwikkelpaden. De uitvoering van sectorpaden ligt voornamelijk bij werkgevers en bij lokale organisaties. Zij hebben immers een goed beeld van de lokale omstandigheden en kansen, ook wat betreft de leefbaarheid en vitaliteit van het landelijk gebied. Ook voor de agrarische sector is een sectoraal ontwikkelpad opgesteld dat nieuwkomers kansen biedt om in te stromen. Waar nodig wil ik dit verder stimuleren. In mijn nationale strategie voor generatievernieuwing verken ik daarvoor de mogelijkheden, zodat migranten ook hun bijdrage kunnen leveren aan de toekomstgerichte landbouw.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De leden van de BBB-fractie onderschrijven het belang van generatievernieuwing in de landbouw en erkennen dat jonge boeren essentieel zijn voor de continuïteit van gezinsbedrijven en de voedselzekerheid in Nederland. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de beantwoording op meerdere punten onvoldoende duidelijkheid geeft over de samenhang tussen Europese ambities en het huidige nationale beleid, in het bijzonder waar het gaat om opkoopregelingen, grondbeschikbaarheid en daadwerkelijke ondersteuning van jonge boeren.

Deze leden maken zich zorgen dat zonder duidelijke regie op grond, financiering en bedrijfsopvolging de Europese strategie voor generatievernieuwing in de praktijk onvoldoende effect sorteert en zelfs kan worden ondermijnd door bestaand beleid. Zij hebben daarom behoefte aan nadere, concrete toelichting van de regering en stellen in dat kader de volgende vervolgvragen.

Vraag 6

Opkoop vs. opvolging

Hoe voorkomt u concreet dat vrijwillige opkoopregelingen zoals LBV en LBV+ leiden tot structurele afname van het aantal landbouwbedrijven en daarmee haaks komen te staan op de EU-doelstelling van generatievernieuwing?

Antwoord 6

De Europese strategie voor generatievernieuwing richt zich op het bevorderen van een toekomstbestendige landbouwsector, onder meer door bedrijfsoverdracht te ondersteunen en jonge landbouwers perspectief te bieden. Een toekomstbestendige landbouwsector is een landbouwsector die ook in balans met de omgeving produceert. De landelijke regelingen voor vrijwillige beëindiging van veehouderijlocaties Lbv, Lbv-plus en Lbv kleinere sectoren richten zich op de bedrijven van veehouders die een grote bijdrage leveren aan de stikstofdepositie op overbelaste Natura2000-gebieden. De regering streeft naar een afname van die stikstofemissie vanuit de veehouderij. Deze afname draagt bij aan natuurherstel en op termijn aan stikstofruimte, onder andere voor (jonge) ondernemers die hun bedrijf willen ontwikkelen. Deelname aan de beëindigingsregelingen geschiedt op basis van vrijwilligheid en is bedoeld voor veehouders die zelf de keuze maken om te stoppen, waarbij het ontbreken van een bedrijfsopvolger één van de overwegingen kan zijn om deze stap te zetten. Voor veehouders van wie een veehouderijlocatie een hoge stikstofdepositie op overbelaste natuur veroorzaakt en die door willen met hun bedrijf is er de optie van verplaatsing met steun van de Landelijke verplaatsingsregeling voor veehouderijbedrijven met piekbelasting (Lvvp). Verder zet de regering onder andere via de vestigingssteun voor jonge landbouwers, het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), en aanvullende programma’s in op het tegengaan van de vergrijzing van de agrarische sector de versterking van de landbouwstructuur en op het (financieel) ondersteunen van jonge boeren die een bedrijf willen overnemen of starten. Deze regelingen zijn bedoeld om levensvatbare bedrijven perspectief te geven, hun verdienvermogen te versterken en de instroom van nieuwe ondernemers te bevorderen.

Vraag 7

Toets op hergebruik grond

Waarom is bij beëindigingsregelingen geen enkele verplichting of voorkeursroute opgenomen om vrijkomende landbouwgrond beschikbaar te houden voor jonge boeren of bedrijfsoverdracht?

Antwoord 7

De subsidieregelingen voor beëindiging van veehouderijlocaties Lbv, Lbv-plus en Lbv kleinere sectoren hebben geen betrekking op de bij de veehouderijlocatie horende landbouwgrond. Opname van landbouwgrond in subsidieregelingen voor beëindiging, betekent dat de grond conform de toepasselijke Europese staatssteunkaders, tegen een vergoeding ter hoogte van de actuele marktwaarde, uit productie wordt genomen en binnen twee jaar moet worden bebost of in natuurgebied moet worden omgezet. Als alternatief mag de cultuurgrond minimaal 20 jaar na de sluiting van de veehouderijlocatie opnieuw in productie worden genomen. Het opnemen van landbouwgrond in een beëindigingsregeling garandeert daarmee geenszins dat deze grond beschikbaar komt voor jonge boeren of bedrijfsoverdracht. Bovendien zou het opnemen van landbouwgrond in een beëindigingsregeling als consequentie hebben dat met het beschikbare budget veel minder stikstofwinst bereikt zou kunnen worden vanwege de hoge kosten voor het uit productie nemen en omzetten van deze grond. Om deze redenen bevatten de subsidieregelingen voor beëindiging geen voorziening voor landbouwgrond. Het is aan veehouders die gebruikmaken van een beëindigingsregeling zelf om te bepalen wat hij of zij met deze landbouwgrond doet. Op basis van de vereisten van de beëindigingsregelingen wordt het na de sluiting van de veehouderijlocatie in de toekomst permanent onmogelijk om op de locatie landbouwhuisdieren te houden. Daarentegen kunnen de locatie en de cultuurgronden de agrarische functie behouden en blijven deze dus beschikbaar voor de landbouw. De keuze van de agrariër of hij de landbouwgrond zelf blijft gebruiken of deze verpacht of verkoopt (en aan wie), wordt bij de agrariër gelaten.

Vraag 8

Actief grondbeleid

De EU beveelt actieve inzet van grondbanken aan. Waarom kiest Nederland bewust voor een passieve rol en laat het de bestemming van vrijkomende grond volledig aan de markt over?

Antwoord 8

Nederland kiest niet voor een passieve rol. In Nederland hebben zowel de provincies als het Ministerie van LVVN grondbanken opgericht om juist actiever te kunnen opereren op de grondmarkt om daarmee bij te dragen aan het bereiken van publieke doelen. De grondbank van het Ministerie van LVVN, de Nationale Grondbank, richt zich ook op deelnemers aan de in de vorige vragen genoemde beëindigingsregelingen: de Nationale Grondbank zal altijd een marktconform bod doen op de landbouwgrond van deze agrariërs als zij deze aan de Nationale Grondbank aanbieden. Het is aan de agrariër om te beslissen of hij op dat bod ingaat. De zo door de overheid aangekochte grond zal worden ingezet in de gebiedsprocessen van de provincies, en kan dan bijvoorbeeld worden gebruikt om andere landbouwbedrijven te helpen om te verplaatsen, te extensiveren of om te schakelen. Deze grond kan ook worden gebruikt voor kavelruil. Afhankelijk van de snelheid van het verloop van gebiedsprocessen kan het mogelijk zijn dat de Nationale Grondbank de aangekochte grond tijdelijk verpacht voor gebruik door de oorspronkelijke eigenaar of een andere landbouwer.

Daarnaast wil ik wijzen op het onderzoek van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli, februari 2026 «Grond voor verbetering»4, waarin onder andere aandacht wordt besteed aan de rol van grond bij de verduurzaming van het landelijke gebied en de rol die de overheid daarbij speelt). Het rapport bevat interessante aspecten die verder onderzoek waard zijn. Het kabinet zal binnenkort nog met een inhoudelijke reactie op dit advies komen.

Vraag 9

Effectiviteit 6%-ambitie

U onderschrijft de 6%-doelstelling voor generatievernieuwing, maar reserveert deze middelen nog niet. Hoe voorkomt u dat deze ambitie niet verder komt dan een intentie zonder financiële werking?

Antwoord 9

De Europese Commissie beveelt lidstaten aan om 6% van het voor landbouw geoormerkte budget binnen het NRPP te besteden aan generatievernieuwing in de agrarische sector. Dit betreft dus 6% van het NRPP-budget en niet van het nationale budget. In het BNC-fiche over de voorstellen voor het nieuwe GLB (Kamerstuknummer: 22112–4147) heeft het kabinet aangegeven voorstander te zijn van het oormerken van 6% binnen het beschikbare GLB-budget voor generatievernieuwing. Ik onderschrijf dan ook de inzet van de Europese Commissie.

Aangezien de onderhandelingen over het toekomstige NRPP en GLB nog gaande zijn, is het vooralsnog onduidelijk hoe de financiële uitwerking van deze doelstelling precies vorm zal krijgen.

Vraag 10

Starterspakket ontoereikend

Acht u de huidige vestigingssteun van € 80.000 realistisch in een land waar bedrijfsovernames vaak miljoenen euro’s kosten, en zo ja, waarop baseert u dat?

Antwoord 10

Binnen de huidige Europese kaders van de huidige programmaperiode van het GLB 2023–2027 kunnen Europese lidstaten maximaal € 100.000 aan vestigingssteun verlenen aan jonge boeren in hun land. Uit onderzoek van de Wageningen University & Research (WUR) is gebleken dat tussen 2010 en 2021 een gemiddelde overnamesom ongeveer € 775.000 bedraagt. Hierbij is sprake van een grote spreiding tussen bedrijfstypen in de land- en tuinbouw variërend van gemiddeld € 660.000 euro bij melkvee, € 925.000 bij andere veehouderij tot bijna € 1,1 mln. voor opengrondstuinbouwbedrijven. De hoogte van het steunbedrag heeft mijn voorganger laten onderbouwen door de WUR. Hieruit blijkt dat bij een steunbedrag van 80.000 een prikkel binnen het overnameproces wordt gecreëerd.

In de voorstellen van de Europese Commissie rondom het toekomstige GLB kunnen lidstaten een groter steunbedrag (maximaal € 300.000) verlenen aan jonge boeren die een bedrijf starten of overnemen. Hogere steunbedragen leiden niet noodzakelijkerwijs tot een sterkere prikkel tot overname. Een hoger steunbedrag kan immers ook kostenstijgingen in de hand werken. Ik zal bij de vormgeving van het nieuwe GLB expliciet aandacht besteden aan de vraag welk steunbedrag tot de beste prikkel tot bedrijfsovernames leidt.

Vraag 11

Financiering jonge boeren

Bent u bereid aanvullende instrumenten te onderzoeken, zoals staatsgaranties of structurele rentekortingen, specifiek gericht op jonge boeren die een gezinsbedrijf willen overnemen?

Antwoord 11

Op dit moment zal ik geen aanvullende instrumenten onderzoeken, gezien het reeds bestaande aanvullende instrumentarium gericht op bedrijfsovername, waarbij ook gunstiger voorwaarden voor jonge boeren gelden (zie tevens antwoord op vraag 3). Gelet op het belang van generatievernieuwing is in het GLB-NSP bij de interventie «Productieve investeringen» een «top-up» voor jonge landbouwers beschikbaar, waarbij voor jonge boeren het subsidiepercentage verhoogd is met 15% (van 40% voor reguliere aanvragen naar 55%). De openstellingen voor deze interventie worden (grotendeels) gedaan door provincies. Daarnaast kunnen jonge boeren onder de voorwaarden van het Investeringsfonds Duurzame Landbouw (IDL) maximaal 70% (in plaats van 60%) van hun omschakellening onder de gunstige IDL-voorwaarden krijgen (Kamerstuk 30 252, nr. 170). Tevens kunnen (jonge) boeren via de Borgstelling Landbouwkrediet worden ondersteund via een staatsgarantie bij het doen van investeringen.

Vraag 12

Pensioenprikkel verkeerd gezet

Waarom wordt fiscaal geen onderscheid gemaakt tussen bedrijfsbeëindiging en bedrijfsopvolging, terwijl dit juist een krachtig instrument kan zijn om overdracht aan jonge boeren te stimuleren?

Antwoord 12

De fiscale afhandeling bij bedrijfsbeëindiging kan verschillen van die bij bedrijfsopvolging. Bij bedrijfsopvolging kan, onder voorwaarden, gebruik worden gemaakt van een doorschuifregeling. Hiermee worden de stille reserves (fiscale claims) – onder voorwaarden – doorgeschoven naar de opvolger. Bij bedrijfsbeëindiging wordt over de stakingswinst in beginsel direct belasting geheven. Onder voorwaarden is het wel mogelijk om een stakingslijfrente af te sluiten over (een deel van) de stakingswinst, waardoor belastinguitstel wordt verkregen. In de aanpak fiscale aandachtspunten bij beëindigingsregelingen in de agrarische sector uit 2023 (Kamerstukken II 2022/23, 28 973, nr. 169) worden in de bijlage de fiscale faciliteiten die van belang kunnen zijn bij de bedrijfsbeëindiging van landbouwbedrijven uiteengezet.

Vraag 13

Voorkomen grond- en kapitaalconcentratie

Hoe voorkomt u dat vrijkomende landbouwgrond en bedrijven door uitkoop en hoge toetredingsdrempels in handen komen van niet-producerende of speculatieve partijen?

Antwoord 13

Het is rationeel voor elke eigenaar van landbouwgrond in Nederland om die grond, gelet op de schaarste aan landbouwgrond, ook daadwerkelijk te gebruiken voor landbouwdoeleinden. Of dat gebeurt door de eigenaar van de grond of een andere gebruiker op basis van pacht van die grond, is aan de eigenaar van de grond. Elke eigenaar van landbouwgrond heeft het belang dat die landbouwgrond in goede staat blijft voor toekomstig landbouwkundig gebruik en daarmee zijn waarde behoudt. Voor partijen die zich begeven op de markt voor landbouwgrond met speculatieve bedoelingen, zullen vooral situaties interessant zijn waarin de functie van de landbouwgrond mogelijk gaat veranderen naar een functie met een hoger opbrengend vermogen, zoals bijvoorbeeld woningbouw, waarmee ook de waarde van die landbouwgrond (fors) zou stijgen. Overheden kunnen op grond van de Omgevingswet een voorkeursrecht vestigen om te voorkomen dat speculanten het voortouw krijgen bij landbouwgrond die mogelijk herbestemd gaat worden tot een niet-agrarische functie.

Vraag 14

Voedselzekerheid expliciet borgen

Op welke wijze wordt voedselzekerheid expliciet meegewogen bij de nationale uitwerking van de EU-strategie voor generatievernieuwing?

Antwoord 14

De Europese Commissie geeft aan in de «Strategie voor generatievernieuwing in de landbouw» dat vergrijzing in de landbouw een bedreiging is voor de voedselzekerheid op lange termijn. De inzet op generatievernieuwing is zowel op Europees als nationaal niveau gericht op het tegengaan van de vergrijzing. Daarmee is ook de nationale inzet op het ondersteunen van jonge boeren en generatievernieuwing op zichzelf ook in het belang van voedselzekerheid op lange termijn.

Vraag 15

Rol van de Kamer

Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan de nationale implementatie van deze EU-strategie expliciet te laten oordelen over de Nederlandse keuzes rond grond, opvolging en budgettering?

Antwoord 15

De Europese strategie voor generatievernieuwing in de agrarische sector is een mededeling van de Europese Commissie met aanbevelingen aan EU lidstaten hoe strategisch om te gaan met het beschikbare EU wetgevingskader waarbij de focus ligt op de mogelijkheden binnen zowel het bestaande als het toekomstige GLB. Het kabinet onderschrijft de doelstelling van de strategie en zal bij de uitwerking van zowel nationaal als Europees beleid met deze mededeling rekening houden. Ik zal daarbij nauw samenwerken met landbouworganisaties, jonge boeren, provincies en andere relevante partijen in de sector. Een voorbeeld hiervan is de nationale uitwerking van het toekomstige GLB waarin zaken als opvolging en budgettering aan de orde zullen komen. De Kamer zal hierbij op de gebruikelijke wijze betrokken worden. M.b.t. grondbeleid heeft het kabinet de Tweede Kamer op 3 juli 2025 (Kamerstuk 27 924, nr. 101) geïnformeerd over de aankomende wetswijziging voor pachtregelgeving.

Vraag 16

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De regering erkent aan de ene kant dat jonge landbouwers essentieel zijn voor de continuïteit en toekomstbestendigheid van de Nederlandse landbouw. Ook de Europese Commissie richt zich op het aanpakken van de vergrijzing in de landbouw en het stimuleren van generatievernieuwing. Maar aan de andere kant vormen strenge duurzaamheidseisen en complexe- en strenge regelgeving en vergunningen met betrekking tot biodiversiteit, milieu, stikstof en mest, een aanzienlijke belemmering voor jonge agrariërs om het bedrijf van de ouders op te volgen. Kunt u aangeven wat daarin zowel Europees als nationaal zou moeten veranderen opdat jonge agrariërs weer motivatie zien om het ouderlijk bedrijf over te nemen?

Antwoord 16

Motivaties van jonge boeren om een bedrijf over te nemen zijn vaak divers van aard, zoals passie voor het vak, het voortzetten van een familiebedrijf, vrijheid en zelfstandigheid, en de liefde voor dieren en de natuur. Waar het vroeger logisch leek dat een zoon of dochter het landbouwbedrijf overnam, is bedrijfsovername vandaag de dag geen vanzelfsprekend proces meer. Het is een intensief traject dat vaak jaren duurt en waarin regelgeving, financiën, emotie en familieverhoudingen samenkomen. Jonge boeren als bedrijfsopvolgers moeten zich aan dezelfde regelgeving en vergunningen houden als de overdragers. Daar zullen jonge boeren in hun ondernemingsplan ook rekening mee moeten houden. Met diverse instrumenten wordt ingezet op de ondersteuning van generatievernieuwing (zie tevens antwoord op vraag 3), om bij jonge boeren de motivatie te stimuleren voor bedrijfsovername.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Knapen (BBB), Van der Linden (VVD), Van Meenen (D66), Nicolaï (PvdD), Oplaat (BBB) (voorzitter), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Rietkerk (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Straus (VVD), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 28 625, F.

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 28 625, F, p. 9.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Knapen (BBB), Van der Linden (VVD), Van Meenen (D66), Nicolaï (PvdD), Oplaat (BBB) (voorzitter), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Rietkerk (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Straus (VVD), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 28 625, F.

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 28 625, F, p. 9.

Naar boven