28 625 Herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

F VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 18 december 2025

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over Europese Mededeling Strategie voor generatievernieuwing in de landbouw van de Europese Commissie. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 25 november 2025.

  • De antwoordbrief van 16 december 2025.

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, De Boer

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Den Haag, 25 november 2025

De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) hebben met belangstelling kennisgenomen van de Mededeling Strategie voor generatievernieuwing in de landbouw van de Europese Commissie.2 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, met aansluiting van de leden van de fractie van de SP, en de BBB hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

Deze leden danken de Europese Commissie voor het opstellen van de strategie voor generatievernieuwing in de landbouw. De geschetste problematiek voor jonge boeren is urgent en het is belangrijk om voor de landbouwers in Europa een strategie te hebben waarmee de sector voldoende aantrekkelijk wordt gemaakt voor jonge mensen om toe te treden.

Het is te verwachten dat de grondprijs in Nederland hoog zal blijven of zelfs nog verder zal stijgen. Welke instrumenten heeft u voor ogen om specifiek jonge boeren van betaalbare grond te voorzien?

Een van de uitdagingen die de Europese Commissie constateert is dat er noodzaak is voor billijke en betrouwbare pensioenvoorzieningen. Welke belemmeringen en problemen spelen er in Nederland voor (een vervoegde) pensionering bij boeren? Veel Nederlandse boeren hebben hun pensioen in het bedrijf zitten, dan wel geïnvesteerd in coöperatieve organisaties. Zouden alternatieve pensioneringscontructies een rol kunnen spelen in het versneld oplossen van de stikstofcrisis en de grondprijs-crisis in de landbouw? Bijvoorbeeld door uitkoopregelingen te verbreden met pensioneringsregelingen waarmee jonge toetredende boeren sneller ruimte krijgen?

De Europese Commissie besteedt ruim aandacht3 aan de rol van een vitaal platteland voor het aantrekken van jonge mensen in de agrarische sector. Kunt u schetsen welke stappen afgelopen jaren zijn gezet om het voorzieningenniveau aldaar te verbeteren? Kunt u ingaan op de toegankelijkheid en bereikbaarheid, met name van scholen en zorg? Kunt u aangeven hoe u daarbij invulling geeft aan de minimale normen voor invulling van de sociale rechten op het platteland?

Vanwege de natuurcrisis, zitten veel boeren in onzekerheid, wat ook gevolgen heeft voor jonge boeren en de mogelijkheid om bedrijven over te nemen. Dit geldt in vergrote mate voor nieuwe toetreders. Recent heeft de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa een rapport gepubliceerd over de baten van migratie.4 Kunt u reflecteren op de inhoud van dit rapport in het licht van de Nederlandse opgaven voor generatievernieuwing? Welke rol kunnen in het bijzonder asielzoekers en statushouders (die regelmatig nog agrarische roots hebben) hierin vervullen?

Kunt u aangeven hoe wenselijke migratie in goede banen kan worden geleid? Welke maatregelen helpen om lokale gemeenschappen minder bevreesd te maken voor migranten? Welke maatregelen worden genomen om migranten en asielzoekers en statushouders versneld actief te krijgen in de agrarische sectoren?

Wanneer is de Nationale strategie agrarische generatievernieuwing te verwachten? Voorziet de begroting 2026 en het meerjarig financieel kader van LVVN in de doelstelling van 6% van het totale landbouwbudget voor generatievernieuwing? Op welke wijze geeft Nederland vorm aan het vereiste in de strategie dat jonge boeren vertegenwoordigd zijn in monitoringscomités? Op welke andere wijze is institutioneel geregeld dat jonge boeren meepraten over de toekomst van het landbouwbeleid?

Hoe wilt u inhoud geven aan de behoefte van jonge boeren aan betrouwbaar en stabiel lange termijn beleid? Hoe kijkt u in dat licht aan tegen het gestarte onderzoek van de Nationale ombudsman naar de impact van (uitblijvend) stabiel beleid ten aanzien van boeren?

Wat zijn de geclaimde bedragen die Nederlandse boeren in 2021–2025 bij de EU, dan wel de staat hebben neergelegd in het kader van klimaat- en weer gerelateerde schades? Is er een langjarige trend te geven voor afgelopen 20 jaar?

Hoe ligt de procentuele man- vrouwverhouding in de categorie «jonge boeren»? Welk beleid is ingezet om de genderbalance in de sector te verbeteren? Is dat beleid voldoende om tot gelijkwaardige afspiegeling te komen? Deze leden vragen dit omdat het vergroten van het aantal vrouwen in de landbouw ook een deel van de oplossing voor de vergrijzing kan zijn.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

Deze strategie beoogt de toekomst van de Europese landbouw te waarborgen door jonge boeren beter te ondersteunen en bedrijfsoverdracht te bevorderen. Voor Nederland roept dit belangrijke vragen op over de samenhang tussen Europese ambities en het nationale beleid, met name de opkoopregelingen die juist leiden tot beëindiging van agrarische activiteiten. Deze leden zien graag toegelicht welke kansen dit EU-voorstel biedt voor jonge boeren, innovatie en plattelandsontwikkeling, maar ook welke risico’s ontstaan voor de continuïteit van gezinsbedrijven en voedselzekerheid. Daarbij vragen deze leden aandacht voor de inzet van nationale middelen, de omgang met vrijgekomen landbouwgrond en de positie van Nederlandse boeren in het licht van dit nieuwe Europese beleid.

Algemeen

Deze leden hebben kennisgenomen van het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 27-28 oktober 2025 en gezien dat de Kamer begin december 2025 met een BNC-fiche zal worden geïnformeerd over het kabinetsstandpunt over de mededeling van de Europese Commissie inzake de Strategie voor generatievernieuwing in de landbouw van 21 oktober 2025.Vooruitlopend daarop vragen zij hoe u in algemene zin de doelstelling van de Europese Commissie beoordeelt om vergrijzing in de landbouw tegen te gaan en jonge boeren structureel te ondersteunen. Deze leden ontvangen op dit punt graag een reflectie. Welke gevolgen heeft deze strategie naar verwachting voor de Nederlandse landbouwpraktijk, gezien de lopende transitie naar kringloop- en natuurinclusieve landbouw?

Kansen voor Nederland

De Europese Commissie stelt voor om minimaal 6% van het nationale landbouwbudget te reserveren voor jonge boeren. Bent u bereid om deze ambitie te onderschrijven en in de Nederlandse strategie uit te werken? Welke nationale cofinanciering is voorzien om dit mogelijk te maken?

De mededeling bevat een zogenoemd starterspakket voor jonge boeren, inclusief toegang tot financiering, grond en fiscale stimulansen. Hoe denkt u dit te vertalen naar Nederlandse omstandigheden, waarin grond schaars en duur is? Ziet u mogelijkheden om het Nationaal Groeifonds of bestaande GLB-middelen hiervoor te benutten? Of zijn er nog andere fondsen om dit mogelijk te maken?

De mededeling noemt innovatieve landbouwmodellen zoals agrotoerisme, bio-economie en koolstoflandbouw als nieuwe inkomensbronnen. Hoe beoordeelt u de kansen hiervan voor Nederlandse boeren, met name in regio’s met hoge milieudruk? Graag ontvangen deze leden een reflectie hierop. Bent u bereid om deze activiteiten mee te nemen in de nationale invulling van het GLB-beleid na 2027?

Bedreigingen en samenloop met nationale regelingen

De Europese strategie zet in op bedrijfsoverdracht, terwijl Nederlandse opkoopregelingen (zoals LBV en LBV+) leiden tot beëindiging van agrarische activiteiten. Hoe verhouden deze regelingen zich tot de Europese ambitie om landbouwbedrijven juist in stand te houden via generatievernieuwing? Graag ontvangen deze leden een reactie. Bestaat het risico dat Nederland EU-doelen voor generatievernieuwing ondermijnt door massale uitkoop zonder opvolging of herbestemming van grond? Ook hierop ontvangen deze leden graag een reactie.

De EU benadrukt dat vrijkomende landbouwgrond via grondbanken beschikbaar moet komen voor jonge boeren. Bent u bereid dit principe toe te passen op de gronden die via de opkoopregelingen vrijkomen en deze niet gebruiken voor aanleg van nieuwe natuur? Zo ja, hoe wordt dit juridisch en beleidsmatig vormgegeven?

De EU-strategie vraagt om een integrale benadering waarin ook sociale voorzieningen, infrastructuur en opleiding op het platteland worden versterkt. Hoe sluit dit aan bij de Nederlandse plattelandsagenda? Wordt hierbij samenwerking gezocht met provincies en gemeenten? Hoe kan dit worden vormgegeven?

De strategie noemt pensioenregelingen en waardige uitstapmogelijkheden voor oudere boeren als voorwaarde voor vernieuwing. Hoe wordt dit in Nederland momenteel ingevuld? Kan het Nederlandse beleid hier beter op aansluiten om bedrijfsopvolging te stimuleren in plaats van beëindiging? Graag ontvangen deze leden een uitgebreide reactie.

Hoe zal de regering zich in Brussel opstellen bij de verdere behandeling van dit voorstel? Wil de regering dit eerst voorleggen aan de Kamer? Is de regering bereid om, vóór de nationale implementatie van de EU-strategie, een brede consultatie te houden met landbouworganisaties, jonge boeren en provincies?

De leden van de vaste commissie voor LNV zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 23 december 2025.

Voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.J. Oplaat

BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 december 2025

Ik heb de vragen van de leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) ontvangen over de Mededeling Strategie voor generatievernieuwing in de landbouw van de Europese Commissie (COM (2025)872), gepubliceerd op 21 oktober 2025.

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, met aansluiting van de leden van de fractie van de SP, en de BBB.

Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

Deze leden danken de Europese Commissie voor het opstellen van de strategie voor generatievernieuwing in de landbouw. De geschetste problematiek voor jonge boeren is urgent en het is belangrijk om voor de landbouwers in Europa een strategie te hebben waarmee de sector voldoende aantrekkelijk wordt gemaakt voor jonge mensen om toe te treden.

Vraag 1

Het is te verwachten dat de grondprijs in Nederland hoog zal blijven of zelfs nog verder zal stijgen. Welke instrumenten heeft u voor ogen om specifiek jonge boeren van betaalbare grond te voorzien?

Antwoord 1

De prijzen van landbouwgrond in Nederland zijn inderdaad hoog tot zeer hoog, ook vergeleken met de prijs in de meeste andere regio’s in de EU. Dat is een forse hindernis voor nieuwkomers in de landbouw, zeker als deze als zij-instromer een landbouwbedrijf willen beginnen. Het is ook een probleem voor jonge boeren die het bedrijf van hun ouders willen overnemen. In die situatie moet ook recht worden gedaan aan de belangen van de ouders en eventuele andere broers en zussen in relatie tot het landbouwbedrijf en het vermogen binnen het bedrijf (dat mede bepaald wordt door de waarde van de grond). Om jonge boeren te ondersteunen bij het opzetten of starten van het bedrijf is de subsidieregeling voor de vestiging van jonge landbouwers ingevoerd. Deze regeling heeft dit jaar opengestaan en ik heb ook voorzien dat deze in 2026 weer zal worden opengesteld. Voor de toegang tot gronden die in pacht worden uitgegeven verwijs ik naar het antwoord 17. Naast de ondersteuning die de overheid biedt, kunnen agrariërs die de overdracht van het landbouwbedrijf op een jongere generatie binnen het gezin voorzien, ook bezien of en hoe de (juridische) vorm waarin het eigendom van het bedrijf en de bedrijfsvoering georganiseerd is, kan bijdragen aan een bedrijfsoverdracht en bedrijfsvoering daarna die recht doet aan de belangen van alle gezinsleden.

Vraag 2

Een van de uitdagingen die de Europese Commissie constateert is dat er noodzaak is voor billijke en betrouwbare pensioenvoorzieningen. Welke belemmeringen en problemen spelen er in Nederland voor (een vervoegde) pensionering bij boeren?

Antwoord 2

Er zijn geen belemmeringen en problemen bekend vanwege wet- en regelgeving die specifiek spelen bij (een vervroegde) pensionering van boeren in Nederland.

Vraag 3

Veel Nederlandse boeren hebben hun pensioen in het bedrijf zitten, dan wel geïnvesteerd in coöperatieve organisaties. Zouden alternatieve pensioneringsconstructies een rol kunnen spelen in het versneld oplossen van de stikstofcrisis en de grondprijs-crisis in de landbouw? Bijvoorbeeld door uitkoopregelingen te verbreden met pensioneringsregelingen waarmee jonge toetredende boeren sneller ruimte krijgen?

Antwoord 3

Afhankelijk van de rechtsvorm van de onderneming kunnen boeren die hun onderneming beëindigen of de onderneming overdragen (een deel van) de stakingswinst omzetten in een lijfrente. Een lijfrente is een fiscaal gefaciliteerde oudedagsvoorziening. De stakingswinst wordt als premie voor de lijfrente gebruikt en is daarom onbelast. De uitkeringen van de lijfrente zijn belast. Hoe dichter de boer bij de pensioengerechtigde leeftijd zit hoe een hogere stakingswinst hij kan omzetten in een lijfrente.

Vraag 4

De Europese Commissie besteedt ruim aandacht5 aan de rol van een vitaal platteland voor het aantrekken van jonge mensen in de agrarische sector. Kunt u schetsen welke stappen afgelopen jaren zijn gezet om het voorzieningenniveau aldaar te verbeteren? Kunt u ingaan op de toegankelijkheid en bereikbaarheid, met name van scholen en zorg? Kunt u aangeven hoe u daarbij invulling geeft aan de minimale normen voor invulling van de sociale rechten op het platteland?

Antwoord 4

Het kabinet vindt het belangrijk dat het landelijk gebied leefbaar en sociaaleconomisch vitaal is. Er lopen dan ook diverse trajecten vanuit de verschillende ministeries om de leefbaarheid en het voorzieningenniveau van het landelijk gebied te versterken

Via het Nationaal Programma Vitale Regio’s (NPVR) zet het kabinet in op structurele samenwerking om de kracht van de regio te stimuleren. In deze elf regio’s is een stapeling aan opgaven zichtbaar die de draagkracht van lokale overheden overstijgt. In deze regio’s liggen echter ook volop kansen, die benut kunnen worden als Rijk en regio samen optrekken. Mede op basis van signalen uit deze elf regio’s kijkt het Rijk kritisch naar de eigen beleids- en investeringslogica. Op verschillende terreinen worden hierop concrete stappen gezet. Deze komen niet alleen ten goede van deze elf, maar alle regio’s in Nederland. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties informeert uw Kamer begin 2026 over de ontwikkelingen rondom het NPVR en de beleids- en investeringslogica.

Sociaaleconomische vitaliteit is ook een belangrijk onderdeel van het LVVN-beleid ten aanzien van het landelijk gebied. Zo heeft het kabinet bijvoorbeeld maatregelen aangekondigd ten behoeve van uitvoerbaarheid, sociaaleconomische vitaliteit en perspectief voor de agrarische ondernemer als onderdeel van het vervolgpakket dat is opgesteld door de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel.6

Om een beter beeld te verkrijgen van de staat van het landelijk gebied, inclusief het voorzieningenniveau, hebben het Ministerie van LVVN en de Europese Commissie het initiatief genomen voor een «Rural Policy Review», die wordt uitgevoerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Dit onderzoek is afgelopen september gestart en zal begin 2027 worden opgeleverd. Naast het beeld van de huidige staat zal het traject ook aanbevelingen opleveren voor beleid ter versterking van de sociaaleconomisch vitaliteit van het landelijk gebied. Een onderdeel van de review is het maken van een vertaalslag naar de Nederlandse situatie vertalen van het concept «rural proofing»: ofwel het borgen dat beleid aansluit bij de context en opgaven van het landelijke gebied. De review geeft zo mede invulling aan de motie van der Plas7, waarin het kabinet wordt verzocht de kansen voor een plattelandstoets te onderzoeken.

In de Hoofdlijnennotitie Mobiliteitsvisie (2023) en Bereikbaarheid op Peil (2025) hebben achtereenvolgende kabinetten uitgesproken dat iedereen in Nederland er recht op heeft dat belangrijke voorzieningen als ziekenhuizen, scholen en winkels goed te bereiken zijn. Op veel plaatsen in Nederland en voor veel voorzieningen is de bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen goed. Maar niet voor iedereen, niet voor alle belangrijke voorzieningen, niet overal en niet met alle vervoermiddelen. Daar komt bij dat de bereikbaarheid onder druk staat door schaarste van ruimte. Dit geldt voor de vergunningsruimte, financiële middelen en de beschikbaarheid van vakmensen bij uitvoeringsorganisaties en de markt.

Het kabinetsstandpunt Bereikbaarheid op peil introduceert het bereikbaarheidspeil waarmee de staat van de bereikbaarheid van voorzieningen in beeld wordt gebracht. Het bereikbaarheidspeil is gekoppeld aan een handelingsperspectief, waarbij er een rol is weggelegd voor mobiliteit, voorzieningen en ruimtelijke ordering. Daarnaast staat de samenwerking tussen het Rijk en de regionale en lokale medeoverheden centraal.

Vraag 5

Vanwege de natuurcrisis, zitten veel boeren in onzekerheid, wat ook gevolgen heeft voor jonge boeren en de mogelijkheid om bedrijven over te nemen. Dit geldt in versterkte mate voor nieuwe toetreders. Recent heeft de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa een rapport gepubliceerd over de baten van migratie.8 Kunt u reflecteren op de inhoud van dit rapport in het licht van de Nederlandse opgaven voor generatievernieuwing? Welke rol kunnen in het bijzonder asielzoekers en statushouders (die regelmatig nog agrarische roots hebben) hierin vervullen?

Antwoord 5

Europa vergrijst en de beroepsbevolking neemt af. Dit brengt grote uitdagingen met zich mee, ook voor de agrarische sector. Ook in het recent verschenen rapport met de mondiale demografie mee van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) wordt er ingegaan op krimpende Europese beroepsbevolking en de uitdagingen voor de agrarische sector met betrekking tot arbeid en handel. In het rapport wordt benoemd dat Nederland met overheidsbeleid moet gaan sturen op het versterken van handelsbetrekkingen en ontwikkelings- en arbeidsmigratiebanden met landen die (in de toekomst) demografisch dividend (een groter percentage beroepsbevolking) hebben.

In het licht van demografische ontwikkelingen is het belangrijk dat we jonge boeren helpen innoveren en in hun bedrijf investeren. Hierop aansluitend investeert het kabinet ook in het programma «Robots naar de boerenpraktijk». Het hoofddoel van dit innovatieprogramma is het versneld, verantwoord, inclusief en economisch rendabel implementeren van robotisering in de Nederlandse land- en tuinbouw om afhankelijkheid van arbeid te verminderen, de arbeidskwaliteit te verbeteren, duurzaamheid te verhogen en productiviteit en concurrentiekracht te versterken.

Met de Actieagenda Integratie en de Open en Vrije samenleving zet het kabinet zich ook in voor het benutten van onbenut arbeidspotentieel. De tweede pijler van deze agenda is nieuwkomers aan het werk en met verschillende maatregelen wordt er ingezet op de integratie van nieuwkomers en hun deelname aan de arbeidsmarkt.

Vraag 6

Kunt u aangeven hoe wenselijke migratie in goede banen kan worden geleid? Welke maatregelen helpen om lokale gemeenschappen minder bevreesd te maken voor migranten? Welke maatregelen worden genomen om migranten en asielzoekers en statushouders versneld actief te krijgen in de agrarische sectoren?

Antwoord 6

De Vreemdelingenwet 2000 vormt het kader voor een beheerste en gereglementeerde toelating van vreemdelingen tot Nederland. De Wet arbeid vreemdelingen regelt de toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt voor vreemdelingen van buiten de Europese Unie. Het kabinet werkt aan een selectiever en gerichter arbeidsmigratiebeleid, in lijn met het regeerprogramma en het door de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 geadviseerde scenario van gematigde groei.

Met de Actieagenda Integratie en de Open en Vrije samenleving zet het kabinet diverse maatregelen in om nieuwkomers actief onderdeel te laten worden van de arbeidsmarkt, inclusief de agrarische sector. Een voorbeeld is dat er extra budget vrijgemaakt is om, binnen de bestaande regelgeving, te experimenteren met meer mogelijkheden om betaald werk en inburgering te combineren. Een ander voorbeeld is het verlengen van de werkgeverssubsidieregeling (SOWIS). Werkgevers worden met deze regeling ondersteund bij het bieden van extra begeleiding op de werkvloer om taal- en cultuurverschillen te overbruggen.

Vraag 7

Wanneer is de Nationale strategie agrarische generatievernieuwing te verwachten?

Antwoord 7

De Nationale strategie voor generatievernieuwing in de agrarische sector wordt mogelijk geschreven in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2028–2034. Dit volgt uit de voorstellen van de Europese Commissie, maar deze worden momenteel nog in Brussel onderhandeld en staan dus nog niet vast. Indien de verplichting om een dergelijke strategie op te stellen in het uiteindelijke GLB wordt opgenomen, zal deze naar verwachting in het begin van het toekomstige GLB gereed zijn.

Vraag 8

Voorziet de begroting 2026 en het meerjarig financieel kader van LVVN in de doelstelling van 6% van het totale landbouwbudget voor generatievernieuwing?

Antwoord 8

Nee. In het kader van de huidige programmaperiode (2021–2027) van het GLB is 3% van het GLB-geoormerkte budget bedoeld voor generatievernieuwing. De voorstellen van de Europese Commissie gaan over het oormerken van NRPP budget in aankomende programmaperiode (2028–2034).

Vraag 9

Op welke wijze geeft Nederland vorm aan het vereiste in de strategie dat jonge boeren vertegenwoordigd zijn in monitoringscomités? Op welke andere wijze is institutioneel geregeld dat jonge boeren meepraten over de toekomst van het landbouwbeleid?

Antwoord 9

De belangenbehartiger van de jonge boeren en tuinders in Nederland (het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt – NAJK) heeft zitting in het monitoringscomité van het Nationaal Strategisch Plan (NSP).

In de huidige programmaperiode is de positie van NAJK in het Monitoringscomité gewaarborgd via de Regeling uitvoering NSP GLB 2023–2027. In het toekomstige NRPP staat in de Commissievoorstellen dat elke lidstaat een uitgebreid partnerschap moet samenstellen met een evenwichtige vertegenwoordiging met onder andere jongerenorganisaties.

Vraag 10

Hoe wilt u inhoud geven aan de behoefte van jonge boeren aan betrouwbaar en stabiel lange termijn beleid?

Antwoord 10

Generatievernieuwing en daarmee samenhangend ook de bedrijfsopvolgingen hebben mijn grote aandacht. Ik heb afgelopen jaar de Kamer geïnformeerd over een samenhangend maatregelenpakket (Kamerstuknummer: 30 252, nr. 210) om het aantal bedrijfsovernames te verhogen. Afzonderlijke maatregelen zijn al langer in werking, denk hierbij aan de GLB instrumenten Vestigingssteun voor Jonge Landbouwers, en de «top up» voor productieve investeringen. Daarnaast heb ik gewerkt aan de GLB interventie Samenwerkingsregeling voor generatievernieuwing, die dit jaar voor het eerst is opengesteld. In de brief over Jonge Landbouwers in het GLB-NSP ben ik hier ook op ingegaan (Kamerstuknummer: 30 252, nr. 166).

Vraag 11

Hoe kijkt u in dat licht aan tegen het gestarte onderzoek van de Nationale ombudsman naar de impact van (uitblijvend) stabiel beleid ten aanzien van boeren?

Antwoord 11

Boeren hebben behoefte aan een betrouwbare en koersvaste overheid. Tegelijkertijd is het ook belangrijk dat de overheid meebeweegt met en inspeelt op veranderende inzichten in samenleving en politiek. Mijn inzet is erop gericht om een duidelijke koers uit te zetten die houdbaar is en houvast geeft voor boeren. Daarbinnen past ook mijn streven om van doelsturing een centraal sturingsinstrument te maken. Het individuele doel voor de kortere en langere termijn wordt in zo’n stelsel dan leidend voor de boer, hoe hij het doel bereikt, is aan hem en zijn ondernemerschap. Ik wacht de conclusies en aanbevelingen van de Ombudsman af. Ik hoop en verwacht dat deze conclusies en aanbevelingen politieke beslissers kunnen helpen om een stabiel beleid te voeren dat boeren helderheid voor de lange termijn biedt.

Vraag 12

Wat zijn de geclaimde bedragen die Nederlandse boeren in 2021–2025 bij de EU, dan wel de staat hebben neergelegd in het kader van klimaat- en weer gerelateerde schades? Is er een langjarige trend te geven voor afgelopen 20 jaar?

Antwoord 12

In Nederland is weerschade voor open teelten in principe verzekerbaar via de gesubsidieerde Brede Weersverzekering. Daardoor heeft de overheid tussen 2021 en 2025 zelf geen weerschadeclaims ontvangen of uitbetaald. In diezelfde periode is wél schade vergoed voor de overstromingen in Limburg en langs de Maas in juli 2021, wat eveneens als klimaat gerelateerde schade kan worden gezien. Het exacte deel daarvan dat de agrarische sector betreft, is nu niet direct beschikbaar. Omdat het om slechts één als ramp aangemerkte gebeurtenis gaat, kan er op basis hiervan geen langjarige trend voor Nederland worden vastgesteld.

Vraag 13

Hoe ligt de procentuele man- vrouwverhouding in de categorie «jonge boeren»? Welk beleid is ingezet om de genderbalans in de sector te verbeteren? Is dat beleid voldoende om tot gelijkwaardige afspiegeling te komen? Deze leden vragen dit omdat het vergroten van het aantal vrouwen in de landbouw ook een deel van de oplossing voor de vergrijzing kan zijn.

Antwoord 13

Het is niet bekend hoe de man-vrouw verhouding is in de categorie jonge boeren. Recent onderzoek naar het aandeel vrouwelijk bedrijfshoofden in de landbouw geeft ook geen eenduidig beeld. De Landbouwtelling geeft aan dat in 2023 het aandeel vrouwelijke bedrijfshoofden in de land- en tuinbouwsector 6,2% was. Volgens het Bedrijveninformatienet (BIN) was dit in 2023 25%. Dit verschil is te verklaren door de verschillende manier waarop de data uitgevraagd worden en het verschil in definities van ondernemer en bedrijfshoofd. Omdat er in Nederland (relatief) veel bedrijven zijn die meerdere bedrijfshoofden hebben – bijvoorbeeld in maatschappen of vof’s – komt het vaak voor dat een bedrijf zowel vrouwelijke als mannelijke bedrijfshoofden heeft. Volgens het Informatienet betrof dit in 2023 38% van de agrarische bedrijven.

Ik werk aan het vergroten van inzicht in de hoeveelheid vrouwen die werkzaam zijn in de landbouw, al dan niet als bedrijfshoofd, om te bezien of en hoe deze deelname kan worden verbeterd. Daarnaast werk ik aan het vergroten van kennis hoe mogelijk onbenut potentieel van vrouwen in de landbouw kan worden vergroot. Zo participeert Nederland in twee Europese Horizon onderzoeksprojecten op dit thema, te weten Female Led Innovation in Rural Areas (Fliara) door de Technische Universiteit Delft, en Grass Ceiling door Wageningen Universiteit. Deze projecten vergroten tevens de kennis over de situatie en beleidsmaatregelen in andere landen. Verder laat ik momenteel een evaluatie uitvoeren naar enkele instrumenten, om te onderzoeken of het beleid gelijke kansen creëert voor vrouwen en mannen. Daarnaast kijk ik met belangstelling uit naar de Policy Toolkit for Equal Opportunities in Food Systems die wordt ontwikkeld door de OESO op dit thema.

De stappen die ik heb ingezet zijn gericht op het vergroten van kennis en inzicht, om te kunnen bepalen of beleid aansluit op zowel mannen als vrouwen in de landbouw. Het beleid is niet gericht op het bereiken van een gelijkwaardige afspiegeling of een evenredige verdeling tussen mannen en vrouwen die (als bedrijfshoofd) werkzaam zijn in de landbouw.

De aandacht voor de participatie van vrouwen in de landbouw kan ook in het licht worden gezien van generatievernieuwing.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

Deze strategie beoogt de toekomst van de Europese landbouw te waarborgen door jonge boeren beter te ondersteunen en bedrijfsoverdracht te bevorderen. Voor Nederland roept dit belangrijke vragen op over de samenhang tussen Europese ambities en het nationale beleid, met name de opkoopregelingen die juist leiden tot beëindiging van agrarische activiteiten. Deze leden zien graag toegelicht welke kansen dit EU-voorstel biedt voor jonge boeren, innovatie en plattelandsontwikkeling, maar ook welke risico’s ontstaan voor de continuïteit van gezinsbedrijven en voedselzekerheid. Daarbij vragen deze leden aandacht voor de inzet van nationale middelen, de omgang met vrijgekomen landbouwgrond en de positie van Nederlandse boeren in het licht van dit nieuwe Europese beleid.

Algemeen

Vraag 14

Deze leden hebben kennisgenomen van het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 27-28 oktober 2025 en gezien dat de Kamer begin december 2025 met een BNC-fiche zal worden geïnformeerd over het kabinetsstandpunt over de mededeling van de Europese Commissie inzake de Strategie voor generatievernieuwing in de landbouw van 21 oktober 2025. Vooruitlopend daarop vragen zij hoe u in algemene zin de doelstelling van de Europese Commissie beoordeelt om vergrijzing in de landbouw tegen te gaan en jonge boeren structureel te ondersteunen. Deze leden ontvangen op dit punt graag een reflectie.

Antwoord 14

Jonge landbouwers zijn essentieel voor een veerkrachtige en duurzame landbouw: zij zorgen voor de continuïteit en toekomstbestendigheid van de Nederlandse landbouw. Ik ondersteun daarom de inzet en doelstelling van de Europese Commissie om vergrijzing in de landbouwsector tegen te gaan.

Vraag 15

Welke gevolgen heeft deze strategie naar verwachting voor de Nederlandse landbouwpraktijk, gezien de lopende transitie naar kringloop- en natuurinclusieve landbouw?

Antwoord 15

Het toekomstig GLB biedt voldoende ruimte voor keuzes die kringloop- en natuurinclusieve landbouw kunnen ondersteunen. Met name het concept-artikel over agromilieu en klimaatmaatregelen biedt perspectief, omdat vanuit dit artikel, naast steun voor de ecoregeling en het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer, ook steun kan worden verleend voor biologische landbouw, omschakeling en extensivering. Tevens kan de degressieve gebiedsgerichte inkomensondersteuning juist bedrijven ondersteuning waar een ecologisch nadeel aanwezig is, bijvoorbeeld in de veenweiden vanwege een hoog waterpeil. Ook bevat het toekomstig GLB-voorstel nog steeds mogelijkheden voor investeringen, kennis en samenwerking ook voor natuur en milieu. Over het toekomstige Europese GLB regels vanaf 2028 wordt op dit moment onderhandeld op Europees niveau. De uitwerking van de GLB-regelingen na 2027 wordt te zijner tijd uiteraard aan uw Kamer voorgelegd.

Kansen voor Nederland

Vraag 16

De Europese Commissie stelt voor om minimaal 6% van het nationale landbouwbudget te reserveren voor jonge boeren. Bent u bereid om deze ambitie te onderschrijven en in de Nederlandse strategie uit te werken? Welke nationale cofinanciering is voorzien om dit mogelijk te maken?

Antwoord 16

De Europese Commissie beveelt lidstaten aan om 6% van het voor landbouw geoormerkte budget binnen het NRPP te besteden aan generatievernieuwing in de agrarische sector. Dit betreft dus 6% van het NRPP-budget en niet van het nationale budget. In het BNC-fiche over de voorstellen voor het nieuwe GLB (Kamerstuknummer: 22 112, nr. 4147) heeft het kabinet aangegeven voorstander te zijn van het oormerken van 6% binnen het beschikbare GLB-budget voor generatievernieuwing. Ik onderschrijf dan ook de inzet van de Europese Commissie.

Aangezien de onderhandelingen over het toekomstige NRPP en GLB nog gaande zijn, is het vooralsnog onduidelijk hoe de financiële uitwerking van deze doelstelling precies vorm zal krijgen.

Vraag 17

De mededeling bevat een zogenoemd starterspakket voor jonge boeren, inclusief toegang tot financiering, grond en fiscale stimulansen. Hoe denkt u dit te vertalen naar Nederlandse omstandigheden, waarin grond schaars en duur is?

Antwoord 17

Binnen het huidige GLB bestaat de vestigingssteun al waarmee jonge landbouwers € 80.000 aan steun kunnen ontvangen bij een bedrijfsovername. Het Investeringsfonds Duurzame Landbouw biedt extra gunstige financiële condities voor jonge boeren die willen omschakelen. Dit betekent dat jonge landbouwers in aanmerking komen voor een hoger steunpercentage van maximaal 70% voor omschakelleningen. De herziening van de pachtregelgeving die momenteel wordt voorbereid dient te toegang tot grond te verbeteren door middel van het stimuleren van langjarige pacht en het ontmoedigen van kortlopende pacht. Door langjarige pacht te stimuleren krijgen jonge boeren meer zekerheid dat zij voor een groot aantal jaren over de grond kunnen beschikken en de gelegenheid om hun bedrijf op te bouwen. Onderdeel van deze herziening is de aanscherping van de agrarische bedrijfsmatigheidstoets bij het bereiken van de AOW-leeftijd van de pachter. Gebleken is dat pachtgronden niet altijd meer bedrijfsmatig worden gebruikt, onder meer voor jonge landbouwers. Een startende ondernemer kan onder voorwaarden gebruik maken van de startersaftrek, welke een deel van de winst onbelast laat, en van de willekeurige afschrijving startende ondernemers, die ervoor zorgt dat sneller of langzamer kan worden afgeschreven op investeringen. Dit heeft invloed op de fiscale winst.

Vraag 18

Ziet u mogelijkheden om het Nationaal Groeifonds of bestaande GLB-middelen hiervoor te benutten? Of zijn er nog andere fondsen om dit mogelijk te maken?

Antwoord 18

De subsidiemiddelen vanuit het Nationaal Groeifonds zijn toegewezen aan specifieke maatregelen in 50 projecten en daarmee vastgelegd. Binnen ieder fonds zijn middelen gealloceerd ten behoeve van de doelen waarvoor het fonds is opgericht. Er zijn daarom geen vrije middelen beschikbaar binnen andere fondsen.

Vraag 19

De mededeling noemt innovatieve landbouwmodellen zoals agrotoerisme, bio-economie en koolstoflandbouw als nieuwe inkomensbronnen. Hoe beoordeelt u de kansen hiervan voor Nederlandse boeren, met name in regio’s met hoge milieudruk? Graag ontvangen deze leden een reflectie hierop. Bent u bereid om deze activiteiten mee te nemen in de nationale invulling van het GLB-beleid na 2027?

Antwoord 19

Ik hecht groot belang aan «sociale» innovatie in verdienmodellen, zoals in de multifunctionele landbouw. Deze maatschappelijke ondernemingen zijn verbrede bedrijven die naast voedsel ook andere maatschappelijke waarden en diensten produceren, zoals zorg, recreatie of educatie. Ook ontstaan hierdoor vaak nieuwe verbindingen tussen voedselproductie enerzijds en consumenten en burgers anderzijds. Via verbreding en verdieping worden meer neventakken op het boerenerf uitgevoerd. Zo kunnen boeren meerwaarde creëren op het eigen bedrijf, waardoor zij een extra verdienmodel toevoegen. Een meervoudig verdienmodel reduceert de afhankelijkheid van één inkomensbron en daarmee de kwetsbaarheid van de onderneming. Ook kan het de milieudruk compenseren. Via de GLB-interventie LEADER wordt bijgedragen aan de leefbaarheid van platteland door het versterken van (toeristische) bedrijvigheid, zorg aan natuur en landschap en verdere versterking van de agrarische sector. Zo biedt LEADER de mogelijkheid om bedrijfsdiversificatie te stimuleren. Daarnaast kunnen ondernemers via de SABE-regeling adviesvouchers (GLB kennisvouchers) verkrijgen. Hier kunnen ondernemers 1 op 1 advies aanvragen bij een erkende adviseur over bijvoorbeeld multifunctionele landbouw. Ik onderzoek of ik in het GLB-beleid na 2027 mogelijkheden kan bieden om deze vormen van landbouw via het GLB te ondersteunen.

Bedreigingen en samenloop met nationale regelingen

Vraag 20

De Europese strategie zet in op bedrijfsoverdracht, terwijl Nederlandse opkoopregelingen (zoals LBV en LBV+) leiden tot beëindiging van agrarische activiteiten. Hoe verhouden deze regelingen zich tot de Europese ambitie om landbouwbedrijven juist in stand te houden via generatievernieuwing? Graag ontvangen deze leden een reactie.

Antwoord 20

De Europese strategie voor generatievernieuwing richt zich op het bevorderen van een toekomstbestendige landbouwsector, onder meer door bedrijfsoverdracht te ondersteunen en jonge landbouwers perspectief te bieden. De Nederlandse regelingen voor vrijwillige beëindiging van veehouderijlocaties, zoals de LBV en LBV+, hebben namelijk een ander doel. Deelname aan de LBV en LBV+ geschiedt op basis van vrijwilligheid en is bedoeld voor veehouders die zelf willen stoppen en daarmee maatschappelijk bijdragen aan bijvoorbeeld voor natuur-, klimaat- en emissiedoelen. Ze bieden ondernemers die om wat voor reden dan ook, geen toekomstperspectief meer zien de mogelijkheid om met financiële ondersteuning van de overheid hun veehouderij te beëindigen. Tegelijkertijd zet Nederland via onder andere de vestigingssteun voor jonge landbouwers, het GLB, en aanvullende programma’s in op het tegengaan van de vergrijzing van de agrarische sector, versterking van de landbouwstructuur en op het (financieel) ondersteunen van jonge boeren die een bedrijf willen overnemen of starten. Deze regelingen zijn bedoeld om levensvatbare bedrijven perspectief te geven, hun verdienvermogen te versterken en de instroom van nieuwe ondernemers te bevorderen.

Vraag 21

Bestaat het risico dat Nederland EU-doelen voor generatievernieuwing ondermijnt door massale uitkoop zonder opvolging of herbestemming van grond? Ook hierop ontvangen deze leden graag een reactie.

Antwoord 21

Ik verwijs naar het antwoord op vraag 22.

Vraag 22

De EU benadrukt dat vrijkomende landbouwgrond via grondbanken beschikbaar moet komen voor jonge boeren. Bent u bereid dit principe toe te passen op de gronden die via de opkoopregelingen vrijkomen en deze niet gebruiken voor aanleg van nieuwe natuur? Zo ja, hoe wordt dit juridisch en beleidsmatig vormgegeven?

Antwoord 22

In de nu in uitvoering zijnde beëindigingsregelingen LBV, LBV+ en LBV-kleinere sectoren is niet voorzien in de opkoop van de bij de betreffende veehouderijen horende landbouwgrond. De functie van de bij de beëindigende veehouderijbedrijven horende landbouwgrond verandert ook niet door deelname aan een van deze beëindigingsregelingen. Het is daarom aan de deelnemer aan de beëindigingsregeling om te bepalen wat hij na beëindiging van de veehouderij met zijn of haar landbouwgrond doet. De betreffende veehouder kan zijn grond aanbieden aan een grondbank, maar dat hoeft niet. Hij kan er ook voor kiezen om die grond zelf te blijven gebruiken als landbouwgrond of te verpachten of te verkopen aan andere partijen. LVVN heeft wel een faciliteit (Nationale Grondbank via grondmodule bij RVO) die deelnemers aan beëindigingsregelingen kan faciliteren om vrijwillig hun grond ten verkoop aan de overheid aan te bieden. LVVN gaat in dergelijke gevallen in overleg met de betreffende provincie om te bezien of de grond bij kan dragen aan doelen landelijk gebied, inclusief toekomst landbouw.

Vraag 23

De EU-strategie vraagt om een integrale benadering waarin ook sociale voorzieningen, infrastructuur en opleiding op het platteland worden versterkt. Hoe sluit dit aan bij de Nederlandse plattelandsagenda? Wordt hierbij samenwerking gezocht met provincies en gemeenten? Hoe kan dit worden vormgegeven?

Antwoord 23

Het kabinet vindt het belangrijk dat er in het landelijk gebied voldoende kwalitatieve en bereikbare (sociale) voorzieningen, infrastructuur en onderwijs beschikbaar zijn. Het kabinet probeert de verschillende opgaven zoveel mogelijk te verbinden in het beleid en samen op te trekken met provincies en gemeenten, bijvoorbeeld door integrale Regio Deals. Er is in Nederland nog geen nationale plattelandsagenda, zoals in sommige andere landen.

Wel heb ik zoals aangegeven in het antwoord op de vragen over het voorzieningenniveau (4.a t/m 4.c) het initiatief genomen voor een Rural Policy review. Met dit traject wil ik én leren van andere landen én kijken naar de specifieke opgaven, het huidige beleid en hoe Rijk, medeoverheden en de plattelandsgemeenschap hier verder aan samen kunnen werken. Door middel van fysieke missies gaat de OESO in gesprek met belangrijke stakeholders, zoals inwoners, maatschappelijke organisaties en wetenschappers. In een eerste fase van de review wordt het onderzoek uitgevoerd en een rapportage opgesteld. In een tweede fase wordt het rapport naar de praktijk vertaald via het opstellen van een agenda en het organiseren van workshops over een aantal kernthema’s voor een vitaal platteland. Daarbij is specifiek aandacht voor de thema’s rural proofing, brede welvaart en het versterken van de stem van het platteland. De Rural Policy Review zal begin 2027 worden afgerond.

Vraag 24

De strategie noemt pensioenregelingen en waardige uitstapmogelijkheden voor oudere boeren als voorwaarde voor vernieuwing. Hoe wordt dit in Nederland momenteel ingevuld? Kan het Nederlandse beleid hier beter op aansluiten om bedrijfsopvolging te stimuleren in plaats van beëindiging? Graag ontvangen deze leden een uitgebreide reactie.

Antwoord 24

De lijfrente onder antwoord b is een manier voor boeren om na het beëindigen van de onderneming verzekerd te zijn van een periodieke uitkering. Voor een lijfrente wordt geen onderscheid gemaakt tussen bedrijfsbeëindiging en bedrijfsopvolging. In beide gevallen kan een lijfrente worden aangegaan.

Vraag 25

Hoe zal de regering zich in Brussel opstellen bij de verdere behandeling van dit voorstel? Wil de regering dit eerst voorleggen aan de Kamer? Is de regering bereid om, vóór de nationale implementatie van de EU-strategie, een brede consultatie te houden met landbouworganisaties, jonge boeren en provincies?

Antwoord 25

De Europese strategie voor generatievernieuwing in de agrarische sector is een mededeling van de Europese Commissie met aanbevelingen aan EU lidstaten hoe strategisch om te gaan met het beschikbare EU wetgevingskader waarbij de focus ligt op de mogelijkheden binnen zowel het bestaande als het toekomstige GLB. Het kabinet onderschrijft de doelstelling van de strategie en zal bij de uitwerking van zowel nationaal als Europees beleid met deze strategie voor generatievernieuwing rekening houden. Ik zal daarbij nauw samenwerken met landbouworganisaties, jonge boeren, provincies en andere relevante partijen in de sector. Een voorbeelden hiervan is de nationale uitwerking van het toekomstige GLB. De Kamer zal hierbij op de gebruikelijke wijze betrokken worden.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Knapen (BBB), Van der Linden (VVD), Van Meenen (D66), Nicolaï (PvdD), Oplaat (BBB) (voorzitter), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Rietkerk (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Straus (VVD), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

COM(2025)872.

X Noot
3

Zie onder andere pagina 5 van de mededeling.

X Noot
5

Zie onder andere pagina 5 van de mededeling.

X Noot
7

Kamerstukken II 2024/25, 36 410, nr. 121.

Naar boven