Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200328600-XIV nr. 12

28 600 XIV
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (XIV) voor het jaar 2003

nr. 12
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 18 oktober 2002

De vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij1 heeft op 3 oktober 2002 overleg gevoerd met minister Veerman van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over:

– de brief van de staatssecretaris van LNV van 2 juli 2002 inzake problematiek jacht en vergunningverlening Flora- en faunawet (LNV-02-499);

– de brief van de staatssecretaris van LNV van 3 juli 2002 inzake motie-Poppe schoontijd voor de vos (28 000-XIV, nr. 90);

– de brief van de staatssecretaris van LNV van 9 juli 2002 inzake reactie op brief gemeente Wierden inzake de overlast van roeken (LNV-02-520);

– de brief van de minister van LNV van 25 september 2002 over de stand van zaken uitvoering Flora- en faunawet (LNV-02-682).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Schreijer-Pierik (CDA) hebben verontrustende signalen bereikt over de uitvoering van de Flora- en faunawet. Al is in deze wet veel decentraal geregeld, toch heeft de minister mogelijkheden om bij te sturen; wat dat betreft kan een wat actievere opstelling van de minister bespeurd worden in zijn brief van 25 september jl. (LNV-02-682). Goede elementen daarin zijn de opstelling van een plan van aanpak en de principiële bereidheid tot het zoeken naar oplossingen in de uitvoering en zo nodig ook in de regelgeving. Van belang is voorts een vermindering van de administratievelastendruk en het is een goede zaak dat de wet op dit punt tegen het licht zal worden gehouden. Uit de brief komt niet helder naar voren wat de huidige stand van zaken is met betrekking tot de faunabeheereenheden (FBE's) en de faunabeheerplannen, noch wat de inzet van de minister daarbij is. Wil hij zich ervoor inzetten dat de provincies over voldoende middelen kunnen beschikken voor het feitelijk oprichten en in stand houden van de FBE's en het maken van faunabeheerplannen?

Hoewel de wet inhoudt dat een ontheffing pas verstrekt wordt als een generieke vrijstelling niet mogelijk is, lijken veel provincies, met uitzondering van Friesland, deze lijn niet consequent te volgen. Is de minister bereid de provincies op dit punt te instrueren? Het niet correct toepassen van de wet én het ontbreken van FBE's en faunabeheerplannen leiden tot grote aantallen individuele ontheffingsaanvragen, met alle bestuurlijke en administratieve lasten van dien. Adequaat wildbeheer wordt daardoor bemoeilijkt, wat veel schade oplevert. Bovendien verloopt de afhandeling van ontheffingsaanvragen traag, waardoor een ontheffing vaak pas verleend wordt als de schade al heeft plaatsgevonden. Wil de minister zich inzetten voor het oplossen van deze bottleneck in de uitvoering van de wet? Ook de afhandeling van schadetaxatie moet in veel gevallen sneller en dient niet af te hangen van het inleveren van een dik rapport door de ontheffinghouder. Na ontheffingverlening zou direct getaxeerd moeten worden.

Onder de Jachtwet waren vos, zwarte kraai, kauw en ekster vanwege de schade die zij aanrichten aan andere diersoorten en aan landbouwgewassen het gehele jaar bejaagbaar. Beheer met betrekking tot deze soorten was daardoor goed mogelijk. Thans worden zij door de wet beschermd en zijn hun aantallen in de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen en daarmee ook de schade die zij aanrichten. Schadegegevens zijn inmiddels ruim voorhanden, maar provinciale vrijstellingen worden slechts mondjesmaat en met beperkingen afgegeven. De door provincies toegepaste ingewikkelde ontheffingssystematiek geeft aanleiding tot lange procedures en veel praktische problemen. Het resultaat is dat schade veroorzaakt door deze diersoorten in de praktijk onvoldoende voorkomen en bestreden kan worden. Is de minister bereid om «schade aan de fauna» op te nemen in artikel 65 als grond voor plaatsing op de landelijke vrijstellingslijst, zodat er de mogelijkheid is ook de vos daarop te plaatsen? Op grond van de aanzienlijke schade die zwarte kraai, kauw en ekster aanrichten verdient het aanbeveling ook deze soorten op de landelijke vrijstellingslijst te plaatsen.

Het beheer van grauwe ganzen, kolganzen en smienten schijnt moeizaam te verlopen. Het gaat ook hier om soorten die in grote aantallen aanwezig zijn en steeds meer schade aanrichten aan landbouwgewassen. Het jachtverbod voor deze soorten, die in andere Europese landen wel bejaagbaar zijn, wordt niet begrepen door jagers en terreinbeheerders; ook de Vogelrichtlijn staat de bejaging ervan toe. Populatiebeheer is als grond voor ontheffing geschrapt uit de wet. De logica hiervan is niet goed in te zien. Voor een wet die zich primair zou moeten richten op instandhouding van de soort, lijkt het verdedigbaar populatiebeheer op te nemen als grond voor het reguleren van grofwildsoorten.

Artikel 46, lid 3, van de Flora- en faunawet verbiedt de jacht in beschermde natuurmonumenten, wetlands en Vogelrichtlijngebieden. Dit artikel is destijds in de wet gekomen als bevestiging van een bestaande situatie waarin natuurterreinbeherende instanties de jacht hadden verboden in hun natuurgebieden. Nadien is nog ongeveer 700 000 ha als Vogelrichtlijngebied aangewezen en hierdoor zijn zeer grote gebieden, waaronder gebieden met beperkte natuurwaarden en particuliere terreinen, onder de werking van artikel 46, lid 3, gebracht. De jacht en de schadebestrijding is daardoor moeilijk, zo niet onmogelijk. De Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de Wetlandsovereenkomst verplichten niet tot een jachtverbod. Hier is dan ook sprake van een enigszins overbodig en ondoelmatig artikel dat onnodig zware beperkingen oplegt. Aan te bevelen is deze gebieden, waaronder agrarische gebieden, onder het normale regime te doen vallen.

Op het punt van de nadrukkelijke bescherming van individuele planten en dieren lijkt de Flora- en faunawet haar doel voorbij te schieten. De veelvuldige fricties tussen economische en ecologische belangen kunnen in veel gevallen voorkomen worden en procedures kunnen sneller. Wat is de stand van zaken bij het mogen inzetten van bijvoorbeeld lieveheersbeestjes ter bestrijding van luizenplagen? Is er voldoende aandacht vanuit het ministerie voor de mogelijkheden van het zoeken van kievietseieren? Kan er aandacht komen voor het weer toestaan van jacht vanuit een zeer langzaam varende boot? Aandacht verdient het probleem van het niet kunnen bijschrijven van de grofwildbuks op de jachtakte voor gebruik in het buitenland en het oefenen van de schietvaardigheid. Desgevraagd ontkent mevrouw Schreijer-Pierik dat zij erop uit zou zijn de Flora- en faunawet om zeep te helpen. De genoemde punten van kritiek zijn punten die de CDA-fractie eerder bij de behandeling van de Flora- en faunawet heeft ingebracht.

De heer Blaauw (VVD) memoreert dat de VVD-fractie de Flora- en faunawet pas per 1 januari 2003 ingevoerd had willen zien, omdat de huidige wet op een aantal punten een betere invulling verdient. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er veel kritiek is op deze wet en dat er alle reden is om tot wijziging ervan over te gaan. Wat dat betreft kan hij zich vinden in veel van hetgeen door mevrouw Schreijer-Pierik naar voren is gebracht. In zijn huidige vorm werpt de Flora- en faunawet onnodige belemmeringen op voor de agrarische sector en laat zij zich moeilijk uitvoeren.

Er zijn signalen die duiden op problemen bij het verlenen van ontheffingen. Men dient een ontheffing aan te vragen om schadevergoeding te krijgen, maar de aanvraagprocedure is bureaucratisch en langdurig. Dit geeft problemen bij de bestrijding van vossen en kraaiachtigen, wat op termijn weer gevolgen kan hebben voor beschermde diersoorten. Artikel 46, lid 3, draagt hier ook aan bij: in natuurgebieden kan slechts onder omstandigheden worden gejaagd, na omslachtige en langdurige ontheffingsprocedures. Dit alles dient op een betere wijze geregeld te worden. De heer Blaauw steunt de minister in diens voornemen om te komen met een plan van aanpak.

Signalen zijn er ook dat de rol van de provincie problemen geeft en dat provincies de wet op verschillende wijzen interpreteren. De provincies volgen geen vaste systematiek en doen moeilijk als het gaat om het toekennen van middelen. Wanneer bijvoorbeeld in Limburg de terreinbeheerders zeggen dat zij een bepaald bedrag nodig hebben, zegt de provincie dat slechts een gedeelte daarvan beschikbaar is. Het resultaat zal zijn dat betrokkenen uit de te vormen FBE's dreigen te stappen. Het lijkt de heer Blaauw een gevolg van onduidelijke communicatie en sturing; hij vindt dat de minister de provincies hierop moet aanspreken. Wat vindt de minister van de gedachte om ten aanzien van het populatiebeheer aan te sluiten bij de gang van zaken in het verleden en dit onderdeel weer in te bouwen in de wet zodat het populatiebeheer op een juiste wijze kan worden uitgevoerd?

Bij de inzet van biologische bestrijdingsmiddelen denkt de heer Blaauw in het bijzonder aan uitheemse inbreng zoals het gebruik van Amerikaanse lieveheersbeestjes. Wat dat betreft blijken er veel problemen te zijn, onder andere in samenhang met artikel 13 van de wet, waarbij het gaat om de bedreiging van de Nederlandse fauna en flora door zogenaamde gevaarlijke uitheemse dier- en plantensoorten. Het zijn zaken die de toepassing van deze methode van bescherming en bestrijding tegenwerken. Dit belemmert tevens de omschakeling van chemische bestrijding naar biologische bestrijding in bijvoorbeeld de glastuinbouw. In hoeverre kan artikel 13 in dit opzicht worden aangepast?

Het verheugt mevrouw Van Velzen (SP) dat de Flora- en faunawet nu in werking is getreden. Het is daarbij een goede zaak dat in het geval van ernstige schade ontheffing kan worden verleend om toch te kunnen jagen, op voorwaarde dat degene die de schade ondervindt alles gedaan heeft om deze te voorkomen en er tevens goede faunabeheerplannen zijn. In veel gevallen blijkt er echter bij ontheffingverlening geen wezenlijke schade te zijn aangetoond en is er evenmin sprake van beheerplannen. In Overijssel is een ontheffing verleend, omdat er wat schade aan het plastic om hooibalen was en Noord-Holland verleent vergunning omdat er in de afgelopen vijf jaar een keer schade is toegebracht door zwanen. In Friesland geeft de provincie zelfs telefonisch ontheffing. Hoe kan na twee jaar de Flora- en faunawet geëvalueerd worden, als thans al, in de afwezigheid van faunabeheerplannen, de hand gelicht wordt met de wet? Wat vindt de minister van de opvatting van de provincie Gelderland dat voor deze provincie een liberaler beleid zou moeten gelden dan voortvloeit uit de Flora- en faunawet?

Er bereiken mevrouw Van Velzen berichten dat bepaalde artikelen van de wet op een oneigenlijke manier worden gebruikt. De provincie Noord-Brabant past artikel 68 niet toe, omdat er geen FBE's zijn; er wordt daar gewerkt met een soort permanente gedoogstatus hetgeen zich niet verdraagt met het kabinetsvoornemen tot wetshandhaving. Wat gaat de minister doen om ervoor te zorgen dat provincies wél handhaven en komen tot de oprichting van FBE's? De provincies hebben daartoe een belangrijk middel in handen: het stoppen met gedogen. Als de «mannen in het groen» niet meer met hun speeltjes de natuur in mogen, zal blijken hoe snel de FBE's een feit kunnen zijn. Op het moment dat de FBE's en de faunabeheerplannen operatief zijn, zullen ook de administratieve lasten beduidend minder kunnen zijn. Voor zover wordt gepleit voor snelle procedures bij ontheffingverlening, zou diezelfde snelheid ook moeten gelden voor de beroep- en bezwaarprocedures.

In Gelderland worden op dit moment nog steeds wilde zwijnen en herten gedood op basis van artikel 67. Is het de provincie daarbij te doen om het niet openbaar hoeven te maken van de ontheffingen? Artikel 67 is bedoeld om een nulstand te bewerkstelligen, hetgeen in Gelderland niet van toepassing lijkt. Als er bijvoorbeeld te veel herten zouden zijn, kan op basis van artikel 68 ontheffing worden aangevraagd. Dit artikel vergt echter publicatie, alsmede een FBE en een faunabeheerplan, zaken die Gelderland nog niet heeft. Is de minister het ermee eens dat bedoelde ontheffingen oneigenlijk zijn en dat zij met onmiddellijke ingang ingetrokken zouden moeten worden? Kan de minister aangeven hoe vaak er tot nu toe al ontheffing is verleend, hoe vaak er ontheffingen zijn aangevraagd en hoe vaak inmiddels de gang naar de rechter is gemaakt door burgers? Het komt mevrouw Van Velzen voor dat op dit moment nog geen enkele provincie een FBE heeft en daarmee evenmin een faunabeheerplan, op basis waarvan de ontheffingen worden verleend. Kan de minister een overzicht geven van de stand van zaken per provincie? Hoe denkt hij de huidige problematiek op te lossen en op welke termijn? Welke sanctie wil hij toepassen bij kennelijke onwil tot spoedige uitvoering van de verplichting om te komen tot FBE's en faunabeheerplannen? Aan welke termijn wil hij de provincies daarbij houden? Het is haar indruk dat er nu op basis van onvoldoende informatie ontheffingen worden verleend, hetgeen zich niet verdraagt met het beheren van de fauna als doelstelling. Worden ontheffingsaanvragen op dit moment voorgelegd aan andere deskundigen dan de ambtenaren van de provincie? Zij vindt overigens dat ontheffingsaanvragen niet louter op basis van vertrouwen kunnen worden gehonoreerd waarbij de provincie alleen zou afgaan op de door de aanvrager beschreven situatie, ook al is op deze wijze een snelle afhandeling mogelijk. Het is aan de minister om te bevorderen dat de procedures in dezen gestroomlijnd en versneld worden, zodat de ontheffingsverlening vlot verloopt. Is het de minister mogelijk een jaarlijkse rapportage aan de Kamer te zenden?

Waarom is er geen gevolg gegeven aan de motie-Poppe (28 000-XIV, nr. 74), waarin een kamermeerderheid uitspreekt dat het geen pas geeft om zwangere of zogende vossen te bejagen? Wanneer kan de wetswijziging tegemoet worden gezien die nodig zou zijn om deze motie uit te voeren? De casus dat een zogende vos ook door een natuurlijke vijand gedood zou kunnen worden, acht zij in dit verband irrelevant. Zij maakt er geen bezwaar tegen dat dieren in de natuur elkaar bejagen; wel maakt zij er bezwaar tegen dat er door de mens gejaagd wordt op vossen als dat niet strikt noodzakelijk is, zeker als het gebeurt in een drachten zoogperiode. Hierbij komt dat het veelal schort aan voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat vossen schade op boerderijen kunnen aanrichten. Uit de brief van 3 juli jl. (28 000-XIV, nr. 90) blijkt haar dat er geen plannen zijn om uitvoering te geven aan de motie-Poppe en dat verwezen wordt naar de verantwoordelijkheid van de colleges van gedeputeerde staten voor het ontheffingenbeleid. De Flora- en faunawet is er echter niet voor niets en zij vraagt de minister dan ook om in het kader van deze wet uitvoering te geven aan de motie. Haars inziens misbruiken jagers het schadeargument om hun hobby veilig te stellen. Zolang zij evenwel hun FBE's niet op orde hebben en nog minder hun faunabeheerplannen, moet de Kamer niet te veel op dit argument afgaan.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) spreekt mede namens de heer Tichelaar van de PvdA-fractie. Zij acht het opmerkelijk dat vijf maanden na invoering van de Flora- en faunawet er al algemeen overleg plaatsvindt over de uitvoering van deze wet. Hoewel nagegaan dient te worden of zich voordoende knelpunten kunnen worden opgelost, blijft het belangrijk om hetgeen in de wet is overeengekomen op een juiste manier uit te voeren.

Er zijn signalen dat de uitvoering van de wet nog niet soepel loopt. Een terugkerend punt van zorg is de voortgang in de oprichting van de FBE's. Door stagnatie daarin is de administratieve rompslomp voor met name boeren die schade willen bestrijden en declareren, op dit moment groter dan nodig. De zwartepiet in dezen wordt min of meer bij de provincies gelegd, ook omdat de meeste provincies onvoldoende financieel willen bijdragen aan de FBE's. Vindt de minister dat de overheid hier meer aan zou moeten bijdragen en, zo ja, moet deze bijdrage dan van de provincies of het Rijk komen? Is er wat dat betreft bij de decentralisatie van taken gezorgd voor armslag voor de provincies?

Het is van groot belang dat partijen in gesprek met elkaar blijven en dat zaken niet voor de rechter behoeven te worden uitgevochten, bijvoorbeeld op het vlak van de ontheffingverlening. Is de indruk juist dat een groot aantal bezwaar- en beroepsprocedures door faunabeschermende organisaties wordt aangespannen? In dat geval zou het vooralsnog te vroeg zijn om te oordelen over de uitvoering van de Flora- en faunawet.

Voor iedere situatie is nu nog een aparte ontheffing nodig; dit is een gevolg van het nog niet functioneren van de FBE's. De oplossing die mevrouw Van Gent in dezen voorstaat, is de FBE's krachtiger te bevorderen en niet het systeem te veranderen. Wat zijn volgens de minister de knelpunten in de vorming van de FBE's? Ziet hij mogelijkheden om dit proces te bespoedigen? Zou een gesprek tussen minister, KNJV, IPO, terreinbeheerders en faunabescherming de voortgang kunnen bevorderen? Gedacht kan worden aan een intentieverklaring, waarbij alle partijen uitspreken zich te zullen inzetten voor een spoedige oprichting van de FBE's. Daarbij zou het commitment van partijen kunnen blijken uit het aanhouden van bezwaaren beroepsprocedures en het zoveel mogelijk bundelen van ontheffingsaanvragen van grondeigenaren.

De vos, de kraai, de kauw en de ekster zijn bij de totstandkoming van de Flora- en faunawet om een aantal redenen niet op de landelijke vrijstellingslijst geplaatst. Het is bijvoorbeeld niet aangetoond dat er schade op landelijk niveau wordt veroorzaakt door deze soorten of dat de schade overal en alleen door middel van afschot bestreden moet worden. Voorts wordt de relatie tussen weidevogelstand en vossenpredatie op dit moment onderzocht en is het nu te vroeg om daar al conclusies aan te verbinden. Of er afschot nodig is, kunnen de provincies zelf prima beoordelen, maar dan niet per telefoon want dat is geen goede zaak. Dit kabinet wil verantwoordelijkheden bij de provincies leggen, zodat het de vraag is of het Rijk hier moet ingrijpen. Opvallend is dat de provincies blijkens een recente brief van het IPO (LNV-02-678) het plaatsen van méér dieren op de landelijke vrijstellingslijst afkeuren.

Graag ziet mevrouw Van Gent een differentiatie aangebracht in het enorme gebied dat nu valt onder het jachtverbod conform artikel 46, lid 3. In strikt juridische zin zou opheffing van het jachtverbod voor dit gebied niet in strijd zijn met de Vogelrichtlijn en andere EU-richtlijnen, maar het jagen in de daaronder vallende natuurgebieden levert een enorme verstoring van kwetsbare soorten op. Bovendien worden deze gebieden juist gezien als overloopgebieden waar ganzen, smienten en dergelijke met rust gelaten worden om zo de overlast in de landbouwgebieden te beperken of te voorkomen. Het is zaak om niet nu al op basis van uitvoeringsproblemen inhoudelijk in te grijpen in de wet. De keuze een dier al of niet op de vrijstellingslijst te plaatsen, is een inhoudelijke afweging en moet niet ingegeven zijn door ad-hocoverwegingen.

De ontsporingen en knelpunten die nu zijn aangevoerd, acht mevrouw Van Gent onvoldoende steekhoudend om op basis daarvan na vijf maanden al over te gaan tot wijziging van de Flora- en faunawet; de wet dient eerst te worden uitgevoerd zoals deze oorspronkelijk was bedoeld. Als daar meer faciliteiten voor nodig zijn, dan dienen die gecreëerd te worden. Er is juist een evaluatiemoment ingebouwd om dergelijke zaken te kunnen bezien, maar daartoe moet er wel gedurende langere tijd een consistent beleid worden gevoerd. Pas dan kan bepaald worden hoe effectief de wet is in de bescherming van dieren en het voorkomen van schade. Het gaat thans om het optimaliseren van de uitvoering. Voor de provincies is er wat dat betreft de mogelijkheid om flexibel op lokale ontwikkelingen in te spelen door een aanpassing in hun beleid van ontheffingen en vrijstellingen.

De heer Van der Ham (D66) stelt voorop dat zijn fractie verheugd was over de totstandkoming van de Flora- en faunawet en zich vooral kon vinden in de geest van de wet: niet op alles jagen, goede regels maken en voorzichtig zijn in de omgang met flora en fauna. Hij vindt het op zich uitstekend om tot aanpassing van de wet te komen daar waar deze op een aantal punten niet goed functioneert, zeker wanneer het daarbij gaat om het verminderen van bureaucratie en het vereenvoudigen van procedures. Hierbij mag echter geen afbreuk worden gedaan aan de geest van de wet. Hij gaat er overigens van uit dat velen zich inzetten voor een gewetensvolle beheerjacht. De aan te brengen verbeteringen dienen niet zozeer de geest van de wet te betreffen als wel de vorm.

In hoeverre heeft naar het oordeel van de minister de kritiek die vanuit de sector op de wet komt, te maken met krokodillentranen, ook van de CDA-fractie, in die zin dat betrokkenen destijds niet hun zin hebben gekregen bij het aannemen van deze wet? Waar zitten volgens de minister de werkelijke problemen? Zelf zijn de heer Van der Ham van de zijde van allerlei instanties zaken ter ore gekomen die wijzen op echte problemen. Dáár dient dan ook wat aan gedaan te worden; het betreft hier vooral het dilemma ontheffing versus vrijstelling.

Er is gewezen op problemen bij de ontheffingsprocedure die vooral samenhangen met de daarmee gemoeide tijd, hetgeen te maken kan hebben met een tekort aan personeel. Wat is in dit verband het oordeel van de minister over de hoeveelheid ambtelijke capaciteit die ingezet moet worden om spoedig antwoord te kunnen geven op ontheffingsaanvragen en ter plaatse de situatie in ogenschouw te nemen? Het kan niet zo zijn dat een overmaat aan ambtelijke capaciteit nodig zou zijn om uitvoering van de wet te garanderen. Geboden is eenvoudige wetgeving die makkelijk te handhaven is. Bij ontheffingsaanvragen dient er echter steeds iemand langs te komen – dit hoeft niet per se een ambtenaar te zijn – om de situatie in ogenschouw te nemen en dat heeft consequenties voor de benodigde mankracht. Zijn er, qua invulling van de functies van de mensen die bij de uitvoering zijn betrokken, aanpassingen nodig? Zijn zij bijvoorbeeld te zeer met papierwerk belast om het platteland op te gaan en controle uit te oefenen?

In punt drie van het geschetste plan van aanpak van de minister (LNV-02-682) wordt gesteld dat een voorstel zal worden gedaan voor een algemene maatregel van bestuur waarmee voor normale maatschappelijke activiteiten zoals woningbouw vrijstelling wordt gegeven ten aanzien van een aantal algemene soorten. Is de minister bereid, alvorens deze algemene maatregel van bestuur op te stellen, de desbetreffende vrijstellingslijst aan de Kamer voor te leggen? In het licht van de eerder omschreven geest van de wet dient voorkomen te worden dat buiten de Kamer om een dergelijke lijst in ruime zin wordt opgezet.

De heer Van den Brink (LPF) zag zijn oorspronkelijke indruk dat de Flora- en faunawet was aangenomen op basis van emotie, bewaarheid toen hij als kamerlid het dossier van deze wet onder ogen kreeg. Al vóór zijn intrede in de Tweede Kamer had hij geconstateerd dat ook bij deze wet de in de politiek langzamerhand gebruikelijke schaamlap van het evalueren werd gehanteerd: met zo'n evaluatie kan dan later alles recht worden gezet wat eventueel verkeerd is gedaan bij de vaststelling van de wet. Zonder het evalueren als zodanig te willen afschaffen, acht hij dit een oneigenlijk gebruik ervan; een nieuwe wet behoort zoveel mogelijk in één keer goed opgesteld te worden.

De brief van de minister over de stand van zaken bij de uitvoering van de Flora- en faunawet (LNV-02-682) vindt de heer Van den Brink vaag. De minister benoemt zaken en zal hier en daar wat overleg plegen, maar wat hij daadwerkelijk gaat doen, blijft onduidelijk. Ten aanzien van de huidige Flora- en faunawet acht de heer Van den Brink maar één stellingname de juiste: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Voor zover met de huidige Flora- en faunawet wordt doorgegaan, is het zaak met beide benen op de grond te staan.

Zelf behoort hij niet tot degenen die op ieder dier zouden willen jagen, want daarvoor heeft hij de natuur te lief. Ergerlijk vindt hij het echter om mee te maken dat van 128 uitgebroede kievietsnesten slechts vier kievieten grootgebracht blijken te zijn, omdat de overige door de vossen zijn opgevreten. Wie dat laat gebeuren, oefent geen goed faunabeheer uit. Hij heeft in het genoemde voorbeeld zelf stappen ondernomen om de vossen af te schieten, maar toen het eindelijk zover was dat het mocht, waren de kievietsjongen al dood. Hier is sprake van een ontsporing, want als je de vossenpopulatie die geen natuurlijke vijand heeft, maar laat groeien, moeten er in wezen steeds meer vossen afgeschoten worden. Het is dan beter om de zaak goed in de hand te houden en dat was wat de jagers deden, ook ten aanzien van de wilde zwijnen.

Desgevraagd vindt de heer Van den Brink dat deze Flora- en faunawet eigenlijk de prullenbak in zou kunnen. Zijn realiteitszin en democratische instelling gebieden hem echter om daar niet voor te kiezen en ernaar te streven de wet zoveel mogelijk aan te passen. Het is te gek voor woorden dat het nu kan voorkomen dat een boer met een graanperceel waar de kraaien in vliegen, pas een ontheffing verkrijgt als het graan al geoogst is en deze oogst slechts een kwart heeft bedragen van wat het had kunnen zijn.

In grote lijnen kan de heer Van den Brink zich vinden in hetgeen van CDA- en VVD-zijde is opgemerkt. Het gaat erom het wild te beheren en jagers hebben daar een belangrijke rol in. Voor zover de overheid hierin wil optreden, dient zij dit ook snel te kunnen doen: als er vandaag een ontheffingsaanvraag is, moet daar morgen antwoord op gegeven worden. Als wetgeving daaraan in de weg staat, schiet je als overheid tekort. Hij ondersteunt de voorgestelde toevoegingen aan de landelijke vrijstellingslijst en zou daar de ganzen nog bij willen plaatsen. Aan deze aanpak, met controle achteraf, geeft hij de voorkeur boven het alleen maar zoeken naar een versnelling van procedures, omdat hij de overtuiging heeft dat de overheid dit alles niet zal kunnen regelen en de huidige wetgeving niet adequaat is.

Van de kant van LTO-Nederland wordt een aanpassing bepleit waar het betreft de wijze waarop de schade zou moeten worden gerubriceerd en bepaald. De heer Van den Brink kan zich hierin vinden. Vanuit het veld wordt immers vernomen dat als er schade is, het moeilijk is om deze in geld uitgedrukt en vervolgens uitbetaald te krijgen, nog afgezien van de lange termijn die ermee gemoeid is.

Het antwoord van de minister

De minister wijst erop dat natuur een collectief goed is waarvan de hele samenleving profiteert, maar dat deze natuur niet vanzelf tot stand komt, in elk geval niet via het vrije spel van de maatschappelijke krachten. Nationaal en internationaal zijn er te dien aanzien verantwoordelijkheden, niet alleen van overheden maar van iedereen. Ook in Europees verband zijn er wat dat betreft afspraken gemaakt die mede het kader vormen waarbinnen gewerkt moet worden, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De lidstaten vertalen deze richtlijnen in hun eigen beleid en daarbij gaat het om twee sporen: enerzijds de bescherming van specifieke gebieden en de habitat; anderzijds de landsdekkende bescherming van soorten. In dit algemeen overleg gaat het over het tweede spoor; de Flora- en faunawet is er de wettelijke vertaling van. Alle oude wetgeving op het gebied van de soorten is in de Flora- en faunawet verwerkt en daarbij staat het behoud van biodiversiteit voorop. Het gaat gepaard met een erkenning van het bestaansrecht van de in het wild levende dieren en planten.

Tegelijk met het bundelen van bestaande wetgeving in de Flora- en faunawet zijn er enkele fundamentele wijzigingen doorgevoerd die consequenties hebben voor de uitvoeringspraktijk. Een belangrijke verandering is dat de in de wet genoemde flora en fauna nu beschermd is tenzij anders is bepaald. Het gaat hierbij om circa 1000 soorten van de in totaal 42 000 soorten die in Nederland van nature voorkomen. Voorts is de uitvoering ten dele gedecentraliseerd. De provincies zijn verantwoordelijk voor een ordentelijk beheer van flora en fauna, alsmede voor de bestrijding van schade, met name van schade aan landbouwgewassen zoals die veroorzaakt wordt door in het wild levende dieren. Zelf is de minister van LNV verantwoordelijk voor het oordeel welke menselijke activiteiten schadelijk zouden kunnen zijn voor beschermde soorten. Hij beoordeelt of een bepaalde inbreuk op flora en fauna kan plaatsvinden, bijvoorbeeld of er ontheffing kan worden verleend voor bouwactiviteiten. Een andere belangrijke verandering is dat het aantal vrij bejaagbare soorten is beperkt. Verder is de verantwoordelijkheid voor beheer en schadebestrijding verschoven van de jager naar de grondgebruiker. Deze Flora- en faunawet is op 1 april van kracht geworden.

In zijn brief van 25 september jl. (LNV-02-682) heeft de minister de Kamer erover bericht hoe de uitvoering op dit moment loopt en hoe hij daar in de komende tijd mee om wil gaan. Voor de komende tijd ziet hij als belangrijke opgave in de eerste plaats de decentralisatie bij de uitvoering van de wet. De aanpak van de klachten over vos en kraaiachtigen is daarvoor exemplarisch. De decentralisatie op het gebied van beheer en schadebestrijding betekent een forse uitbreiding van de verantwoordelijkheden van de provincies op het gebied van het natuurbeheer. De provincies maken die verantwoordelijkheid nog niet volledig waar. De minister beschouwt dit evenwel als een opstartprobleem en ziet op dit moment geen aanleiding voor nieuwe maatregelen op landelijke schaal. Samen met de provincies wil hij bezien wat er moet gebeuren. Dát er wat moet gebeuren, is voor iedereen duidelijk. De onrust en onduidelijkheid moeten worden weggenomen; het gaat hier om een algemeen maatschappelijk belang en wanneer de provincies hun verantwoordelijkheid in dezen niet nemen, moet dat beschouwd worden als een belangrijke vingerwijzing. De minister zou het echter uitermate jammer vinden wanneer hij de afzonderlijke provincies de mogelijkheid moet ontnemen om hun verantwoordelijkheid waar te maken. Hij is van plan deze lijn schriftelijk en met nadruk aan de provincies kenbaar te maken.

In het verlengde van de vraag of iets centraal of decentraal moet geschieden in het kader van de Flora- en faunawet, staat de minister stil bij de problemen met zwarte kraaien en kauwen, waarbij hij de ekster buiten beschouwing laat omdat deze vrijwel geen landbouwschade veroorzaakt. Hij heeft geen verschil van mening met de Kamer over de gewenste mogelijkheid tot bestrijding en beheer van zwarte kraai en kauw, noch over de noodzaak van het terugdringen van administratieve lasten. De standpunten lopen echter uiteen over de wijze waarop dit beheer en deze schadebestrijding vorm moeten krijgen. Verzocht is nu om de zwarte kraai en de kauw op de landelijke vrijstellingslijst te plaatsen. De minister benadrukt evenwel de provinciale verantwoordelijkheid zoals die in de decentrale opzet van de Flora- en faunawet is vastgelegd. Een landelijke vrijstelling is hiermee niet in lijn en ontneemt de provincies een deel van hun beleidsvrijheid. De provinciale vrijstelling biedt de mogelijkheid maatwerk te leveren voor delen van de provincie, voor bepaalde gewassen of voor een bepaalde periode. Dit in tegenstelling tot een landelijke vrijstelling. Op deze wijze kan ook invulling worden gegeven aan de verplichting in EU-verband om rekening te houden met de zogenoemde schoontijd en het broedseizoen. De Flora- en faunawet biedt hiervoor de instrumenten en de minister gaat ervan uit dat de provincies die instrumenten optimaal zullen inzetten. Al is er voor hem aldus geen directe aanleiding een landelijke maatregel te treffen, hij vindt het wel een grote zorg worden als het niet snel tot een goede aanpak op provinciaal niveau komt, gezien de vele reacties uit de samenleving. Hij wil het nog tot het einde van dit jaar aanzien en dan zal hij, afhankelijk van de situatie, zich beraden op mogelijke stappen.

De decentralisatie komt ook naar voren in de provinciale faunabeheerplannen. FBE's kunnen deze plannen verder in regionaal en lokaal verband vormgeven. Bestaande particuliere organisaties van jagers en grondeigenaars zijn bij uitstek degenen die een FBE kunnen oprichten. Het is betreurenswaardig dat deze FBE's er nog niet zijn. Het is in ieders belang, niet in de laatste plaats van de grondgebruikers, dat de FBE's voortvarend worden opgericht, zodat het afgelopen is met grote aantallen ontheffingsaanvragen in verband met beheer en schadebestrijding. Wanneer aan het einde van het jaar blijkt dat de provincies in onvoldoende mate hun verantwoordelijkheid in dezen hebben genomen, overweegt de minister die verantwoordelijkheid naar het landelijke niveau te tillen.

Mede naar aanleiding van signalen van organisaties als VNO-NCW wil de minister grondig aandacht besteden aan de relatie tussen de Flora- en faunawet en de mogelijkheden voor woningbouw en andere normale maatschappelijke en economische activiteiten. Hij is van mening dat er binnen het kader van de wet, en met een goede aanpak en planning, veel mogelijk is. Samen met die organisaties wil hij de mogelijkheden verkennen. Binnenkort komt hij met een voorstel voor een algemene maatregel van bestuur met het oog op het verlenen van vrijstellingen in dezen, op grond van artikel 75 van de wet. Daarmee wordt de administratieve last verminderd; de wet voorziet erin dat de AMvB aan de Kamer wordt voorgelegd. Op deze wijze zal het beeld dat op elke plaats in Nederland wel een diersoort te vinden is die woningbouw kan verhinderen, kunnen worden weggenomen, al blijft voor bedreigde soorten een afzonderlijke afweging noodzakelijk. Samen met de sectoren wil de minister nagaan hoe deze aanpak in de praktijk uitwerkt; hij is bereid eventuele aanpassingen in het soortenbeleid onder ogen te zien wanneer die verkenning daar aanleiding toe geeft. Met deze intentie wil hij de betrokken organisaties uitnodigen aan de verkenning mee te werken.

De vraag naar zijn bereidheid de provincies omtrent de juiste uitvoering van de Flora- en faunawet te instrueren, beantwoordt de minister bevestigend. Op de vraag of hij zich wil inzetten voor een aanpak van de bottleneck in de verlening van ontheffingen, is zijn antwoord dat de provincies gehouden zullen worden aan de afspraak die is gemaakt dat waar de afdoening nu zes tot acht weken duurt, dit binnen twee weken het geval kan zijn. De voortgang in de schadetaxatie dient niet van een zwaarwegend rapport af te hangen; dat er in de praktijk enige tijd overheen gaat, komt meer doordat er feitelijk geschouwd moet worden om de situatie op te nemen en de schade vast te stellen. De minister wil de gevraagde opheffing van het jachtverbod op grauwe ganzen, kolganzen en smienten in beraad nemen. Met betrekking tot het verzoek om over te gaan tot schrapping van artikel 46, lid 3, het jachtverbod in natuurgebieden, wijst hij erop dat er een interdepartementaal beleidsonderzoek naar de Vogel- en Habitatrichtlijnen op stapel staat en dat hij deze problematiek graag in dat kader wil meenemen. Beheerjacht in beschermde natuurgebieden is nu reeds mogelijk via ontheffing.

Het inzetten van bijvoorbeeld lieveheersbeestjes voor luizenplagen, respectievelijk het in deze zin uitzetten van beesten en planten in de vrije natuur en in niet-gesloten kassen, vergt strikt genomen een ontheffing (artikel 14). Op dit ogenblik wordt gewerkt aan een vrijstellingsregeling die het mogelijk maakt dat toepassing van biologische bestrijdingsmiddelen voortgang kan vinden. Vóór het einde van het jaar zal deze vrijstellingsregeling van kracht kunnen zijn.

Er is voldoende aandacht vanuit het ministerie voor de mogelijkheden van het zoeken van kievietseieren, met name in Friesland. In relatie tot nestbescherming bestaat er een regeling die tot stand is gekomen in overeenstemming met deze provincie. De jacht vanuit een zeer langzaam varende boot was verboden, omdat moeilijk vast te stellen is wat zeer langzaam varend is; het laat zich ook moeilijk controleren. De minister zal evenwel onderzoeken in hoeverre het toestaan ervan mogelijk is. Het al of niet kunnen bijschrijven van de uitsluitend in het buitenland gebruikte grofwildbuks op de jachtakte is, uit hoofde van de Wet wapens en munitie, de primaire verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie. Justitie is van mening dat vuurwapens op de jachtakte mogen worden bijgeschreven als er sprake is van een redelijk belang, maar dat dit niet het geval is bij het gebruik in het buitenland. Er lopen enige bezwaarprocedures te dien aanzien en de minister wacht met belangstelling de beslissing van Justitie daarop af.

Met het oog op de financiering van FBE's en faunabeheerplannen heeft de minister financiële middelen ter beschikking gesteld aan de provincies. Het betreft een bedrag van € 540 000 voor zes fulltimereenheden ten behoeve van secretariaatvoering van FBE's; ruim € 900 000, voor twee jaar, voor de uitvoering van de Flora- en faunawet en ruim € 100 000 voor het vervaardigen van faunabeheerplannen. De provincies zijn in onderhandeling met jagers en grondgebruikers over de oprichting van FBE's; zij hebben niet aangegeven dat de toegekende bedragen tekortschieten. In hoeverre deze bedragen reëel zijn, zal later geëvalueerd worden. De minister zet vraagtekens bij het trage verloop van een en ander en zal ook hier de provincies aansporen tot snelheid. Het kan niet zo zijn dat, daar waar de middelen zijn toegewezen, gebrek aan onderling overleg en overeenstemming niet op korte termijn leidt tot het tot stand komen van zowel de FBE's als de faunabeheerplannen.

Naar aanleiding van een vraag over het instrueren van provincies inzake de vrijstellingsmogelijkheid wijst de minister erop dat de beleidsverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Flora- en faunawet op het gebied van beheer en schadebestrijding bij de provincies ligt en dat dit voorshands zo dient te blijven. De provincies maken evenwel nog niet optimaal gebruik van de mogelijkheden die de wet biedt en hij zal hun, mede gelet op de geuite kritiek, een brief sturen waarin een en ander nader wordt toegelicht. Populatiebeheer kan plaatsvinden op grond van artikel 68 en de provincies hebben hierbij een beslissende stem: populatiebeheer geschiedt op basis van een provinciale ontheffing, bij voorkeur gekoppeld aan faunabeheerplannen. Aan dit laatste schort het echter nog.

Voor zover er kritiek zou zijn op de opstelling van onder andere de provincies Gelderland en Noord-Brabant betreffende het niet strikt nemen van de regels van de Flora- en faunawet, wijst de minister erop dat provincies hun eigen beleid bepalen binnen de marges van de wet; faunabeheerplannen worden voor advies aan het Faunafonds voorgelegd. Hij heeft tot nu toe geen signaal gekregen dat provincies het niet nauw nemen met de toepassing van de Flora- en faunawet, maar zegt toe de ontheffingsverlening door de provincies te zullen nagaan. Eveneens zal worden nagegaan of de provincie Friesland inderdaad telefonisch ontheffing verleent; op zich is deze mogelijkheid niet voorzien. Wellicht is het in een bijzonder geval voorgevallen, maar dan moet het direct schriftelijk worden vastgelegd in de vorm van een besluit, met het oog op de mogelijkheid van toetsing door de rechter.

In antwoord op de vraag inzake de verankering van de Flora- en faunawet in provinciale verordeningen wijst de minister op een zojuist door hem ontvangen brief van het IPO. Hieruit blijkt dat in zeven van de twaalf provincies op dit moment al een verordening van kracht is voor ontheffingsverlening. In drie provincies is een noodverordening van kracht en wordt de verordening vastgesteld vóór het einde van het jaar. In Zuid-Holland zijn generieke afspraken gemaakt met de WLTO en de verordening wordt daar in januari vastgesteld. In Flevoland wordt gewerkt met individuele ontheffingen totdat de voorgenomen verordening in werking zal zijn getreden, naar verwachting eveneens in januari. Ten aanzien van kraaiachtigen geven de meeste provincies ontheffingen om schade te voorkomen. Een uitzondering betreft de roek ten aanzien waarvan het beeld verschilt al naar gelang de mate van overlast; hetzelfde kan worden gesteld voor de vos. De aanvragen voor ontheffing worden voorgelegd aan de deskundigen van het Faunafonds.

De strekking van de begin dit jaar aangenomen motie-Poppe (28 000-XIV, nr. 74) is onder de aandacht van de colleges van gedeputeerde staten gebracht. Hoe hiermee om te gaan, is de verantwoordelijkheid van gedeputeerde staten. Omdat de kraam- en zoogtijd van vossen deels samenvalt met het broedseizoen van weidevogels, zal strikte toepassing van een schoontijd hier niet mogelijk zijn. Een en ander behoort tot de beleidsvrijheid van de provincies; de minister wil hier voorrang geven aan de decentralisatie. Er zal eerst via rapportages dienen te worden nagegaan of er adequaat wordt opgetreden voordat tot wetswijziging kan worden overgaan. Hij zegt toe de Kamer in dezen op de hoogte te houden. Enige houders van onder de Jachtwet afgegeven vergunningen voor het afschieten van vossen met gebruikmaking van kunstlicht die ook onder de Flora- en faunawet nog geldig waren, is alsnog de verplichting opgelegd te rapporteren over het aantal tijdens de kraam- en zoogperiode afgeschoten vossen. Volgens die rapportage zijn er tijdens de kraam- en zoogperiode geen vossen geschoten.

De vraag naar een overzicht per provincie van de stand van zaken ten aanzien van FBE's, faunabeheerplannen en knelpunten, doet de minister erop wijzen dat er nog geen erkende FBE's en goedgekeurde faunabeheerplannen zijn. Het IPO voorziet in zijn brief van 27 september (LNV-02-678) dat de FBE's nog in 2002 worden opgericht en meldt dat medio 2003 de faunabeheerplannen gereed moeten zijn. De minister zal hier de vinger aan de pols houden. De gevraagde inventarisatie zal aan de Kamer worden verstrekt; eveneens zal de jaarlijkse rapportage van het Faunafonds worden overgelegd. Hij zal het door mevrouw Van Velzen gevraagde kwantitatieve overzicht ter zake van de ontheffingsverlening op een later moment schriftelijk aan de Kamer doen toekomen. Bij de vraag of er in 2004 al geëvalueerd kan worden, zij bedacht dat 2002 een overgangsjaar is. Wanneer de beheerplannen van de FBE's eerst in de loop van 2003 van kracht worden, zou de evaluatie eventueel een jaar moeten worden uitgesteld, teneinde op basis van goed draaiende FBE's te komen tot een oordeelsvorming over hun adequaatheid.

Het blijven handelen in de geest van de Flora- en faunawet spreekt de minister zeer aan, maar het daarbij inschakelen van méér ambtenaren niet. Hij zal laten onderzoeken in hoeverre aanpassing in het functioneren van toezichthoudende ambtenaren soelaas kan bieden. De bedoeling is dat deze materie wordt geregeld in het kader van de FBE's en de daarbij behorende faunabeheerplannen. De FBE's maken de plannen en in die plannen komt te staan wat er kan en wat er niet kan. De minister heeft niet de indruk dat de geuite kritiek op de Flora- en faunawet te karakteriseren valt als «krokodillentranen». Hij zegt toe de Kamer voorafgaand de vrijstellingen te zullen voorleggen op basis van de AMvB ex artikel 75.

De plaatsing van de vos op de landelijke vrijstellinglijst acht de minister geen geschikt instrument voor de bescherming van weidevogels. Het belang is zelfs niet genoemd in artikel 65. De algemene jacht die vóór 1 april gold, is niet effectief gebleken, want het aantal vossen is de laatste jaren toegenomen. De problemen die de vos veroorzaakt, zijn per provincie verschillend. Het wordt gezien als een lokaal probleem dat lokaal moet worden opgelost en dat vergt maatwerk op provinciaal niveau. Landelijke maatregelen zouden disproportioneel zijn; de gewone jacht is, blijkens de ervaring vóór 1 april, niet afdoende en er zou dan naar verdergaande jachtmethoden worden gegrepen. Dat laatste kan alleen als het lokaal noodzakelijk is, bijvoorbeeld in verband met de predatie door vossen van legsels van bijvoorbeeld de grutto. Daarnaar loopt onderzoek en de minister wil dit onderzoek afwachten, teneinde daaruit blijkende causale verbanden als grondslag te kunnen nemen voor een eventueel ander beleid. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat lokaal een tijdelijk gebruik van de lichtbak mogelijk dient te zijn. Hij wil en kan zo'n methode echter niet in een algemene vrijstelling onderbrengen; dat zou de controle op stroperij ondoenlijk maken. Dit onderwerp is bij uitstek aan de orde bij het opstellen van een faunabeheerplan. De minister zal inventariseren welke maatregelen provincies nemen voor beheer en schadebestrijding ter zake van de vos in zijn algemeenheid, en hen aansporen daarbij optimaal invulling te geven aan de vrijstellingsmogelijkheden.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Schreijer-Pierik (CDA) houdt de nodige zorgen en staat daarin niet alleen. Naast de brieven van het IPO zijn er van andere zijden heel wat signalen gekomen die aangeven hoe er in de provincie over de uitvoering wordt gedacht. Zij wil benadrukken, zich daarbij beroepend op het dualisme, dat voor een goede uitvoering een adequate financiering is vereist. Een en ander betekent dat zij namens haar fractie een motie wil indienen en daartoe een VAO zal aanvragen.

De heer Blaauw (VVD) vindt dat de minister aan bepaalde punten niet voldoende is tegemoet gekomen. Hij sluit zich aan bij het voornemen van mevrouw Schreijer-Pierik het verslag van dit algemeen overleg op de agenda van de Tweede Kamer te doen plaatsen.

Aanvullend wijst de heer Blaauw op de hem gemelde klacht dat de verplichting om, conform artikel 68, lid 5, alle ontheffingen te publiceren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen én in de Staatscourant tot vertraging en extra kosten leidt. Is het niet mogelijk om hier tot een moderne interpretatie te komen en een andere weg te zoeken, bijvoorbeeld een verwijzing in de Staatscourant naar regionale bladen en voorts het openen van een website, hetzij per provincie, hetzij centraal? Dit zou tevens kunnen bijdragen aan een versnelling van beroep- en bezwaarprocedures.

Mevrouw Van Velzen (SP) waardeert het dat blijkens dit algemeen overleg het dualisme is teruggekeerd in de Kamer. Zelf is zij redelijk tevreden met hetgeen de minister heeft toegezegd, al vindt zij het voorleggen van diverse punten aan de provincies, zoals beoogd door de minister, nog wat vrijblijvend. Zij hoopt dat daar ook resultaten uit voortkomen en dat de minister, mocht dit laatste niet het geval zijn, er een sanctie op zet.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) begrijpt de minister aldus dat deze ervoor kiest de zaken goed uitgevoerd te krijgen en dat hij daartoe de provincies achter de broek wil zitten. Het spreekt haar aan dat de Flora- en faunawet op een betere manier, in de geest van deze wet, zal worden uitgevoerd. Dat is op dit moment een verstandiger aanpak dan het verwijzen naar de prullenbak of het nu al dreigen met moties. In reactie op verzoeken tot plaatsing van soorten op de landelijke vrijstellingslijst geeft de minister helder aan dat het hier in de eerste plaats gaat om lokale problemen die lokaal moeten worden opgelost en dat voorts de uitslag van een interdepartementaal onderzoek te dien aanzien moet worden afgewacht. Zij heeft er vertrouwen in dat het met de uitvoering door de provincies op de nu aangegeven wijze zal lukken, waarbij komt dat de minister bereid blijkt de financiering nog eens te bezien indien de middelen onvoldoende zouden zijn.

De heer Van der Ham (D66) heeft met de minister de indruk dat veel van de geuite bezwaren tegen de uitvoering van de Flora- en faunawet terecht zijn. De krokodillentranen zitten zijns inziens bij degenen die de wet net iets verder hadden willen laten gaan of juist minder ver. De vaststelling van een wet betreft echter een democratisch proces en daar heeft een ieder zich bij neer te leggen.

Het terugdringen van administratieve lasten en bureaucratie zal algemene instemming kunnen ontmoeten. De heer Van der Ham constateert met voldoening dat de minister te dien aanzien, ook al behoort hij tot het CDA en kiest de CDA-fractie zelf een wat andere opstelling, een aantal goede suggesties en toezeggingen heeft gedaan.

Het is de heer Van den Brink (LPF) uit de beantwoording niet duidelijk geworden hoe de minister, als deze afziet van plaatsing van een aantal soorten op de landelijke vrijstellingslijst, wil bereiken dat in de provincies met voldoende snelheid kan worden gewerkt om de schade te beperken.

Naar de mening van de heer Van den Brink heeft de minister nog niet de vraag beantwoord die met name van de zijde van LTO-Nederland is voorgelegd, betreffende de aanpak van het feit dat provincies een verschillend uitgangspunt hebben rondom het taxeren van schade.

De minister wil proberen de woordvoerders ervan te overtuigen dat hetgeen door hem is voorgesteld, een goede lijn is. Daarbij wil hij duidelijk maken waarom zijns inziens de «terme de grâce» voor de provincies, tot het einde van dit jaar, moet worden gehandhaafd.

Het departement is met de provincies op tal van gebieden in gesprek, bijvoorbeeld op dat van de uitvoering van het natuurbeheer; daarbij gaat het om elementaire plannen die gezamenlijk door Rijk en provincie moeten worden gerealiseerd. In het regeerakkoord is overeengekomen om waar het maar kan sterk te decentraliseren en het bestuur dichter bij de burger te brengen. Op dit moment kan voorts nog niet beoordeeld worden of de provincies op termijn voor de hun toebedeelde taken in het kader van de Flora- en faunawet zijn toegerust en deze ook willen aanvaarden. Dit zijn drie redenen voor de minister om vast te houden aan de termijn die loopt tot het einde van het jaar, teneinde dan tot een oordeel te komen en de maatregelen te treffen die noodzakelijk zullen blijken te zijn.

De minister gaat er niet op voorhand van uit dat een bestuurslaag als de provincie niet in staat zou zijn de uitvoering op zich te nemen, daar waar er duidelijke afspraken liggen op allerlei gebied en er een financiële onderbouwing is voor het oprichten van FBE's en het opstellen van faunabeheerplannen waarin alles geregeld kan worden. Het gaat dan niet aan om nu al te zeggen dat er maatregelen genomen zouden moeten worden om de vos en de kraai op de landelijke vrijstellingslijst te plaatsen, terwijl bovendien niet is gebleken dat toen de vos wél op de landelijke lijst stond en vrij bejaagbaar was, het aantal vossen afnam. Voor het overige wil hij eerst de tekst van een eventuele motie kunnen lezen, alvorens nader te reageren.

De thans geldende publicatieverplichting en de daarmee samenhangende kosten vloeien voort uit hetgeen de Kamer destijds zelf bij amendement heeft bepaald. Publicatie op websites en verwijzing naar lokale kranten zijn zaken die door de provincies goed tot uitvoering kunnen worden gebracht. De minister zal bezien of een dergelijke openbaarmaking effectiever is dan de huidige manier van publicatie; hij zal hier nader op terugkomen. Het gaat om het vinden van een praktische oplossing, opdat eenieder kennis kan nemen van verleende ontheffingen en daar zo nodig bezwaar tegen kan maken.

De minister zal onderzoeken of er inderdaad sprake is van verschillen in schadetaxaties tussen de provincies. Het is van belang om in dit kader tot een gemeenschappelijke basis te komen; het kan niet zo zijn dat er rechtsongelijkheid uit zou voortvloeien.

Hoe krijg je de provincies zover dat zij daadwerkelijk tot de gewenste uitvoering komen? De minister heeft in algemene zin aangegeven hoe hij dit wil doen. De Kamer kan ervan verzekerd zijn dat in het kader van de mogelijkheden die de tot stand te brengen faunabeheerplannen bieden, actuele schadegevallen op korte termijn tegemoet kunnen worden getreden, mede doordat de provincie een vrijstellingenlijst heeft voor incidenten en er ontheffingen gegeven kunnen worden in incidentele gevallen. Het komt aldus geheel neer op de feitelijke uitvoering door de provincies, iets waarvan de minister nog niet afstapt. Er is hem veel aan gelegen dat nu eerst de aan de provincies gegeven termijn wordt benut, voordat er tot drastische maatregelen zou moeten worden overgegaan.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Meijer

De wnd. griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Van Leiden


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Van Heemst (PvdA), Verbugt (VVD), Crone (PvdA), Vos (GroenLinks), Klein Molekamp (VVD), Meijer (CDA), voorzitter, Buijs (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), Oplaat (VVD), Verbeet (PvdA), Van den Brink (LPF), Dekker (LPF), Van den Brand (GroenLinks), Tichelaar (PvdA), Ormel (CDA), Teeven (Leefbaar Nederland), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), De Jong (LPF), Groenink (LPF) en Van Loon-Koomen (CDA).

Plv. leden: Cornielje (VVD), Van Dijke (ChristenUnie), K. G. de Vries (PvdA), Van Beek (VVD), Koenders (PvdA), G. M. de Vries (VVD), Mosterd (CDA), Spies (CDA), Van Lith (CDA), B. M. de Vries (VVD), Duivesteijn (PvdA), Herben (LPF), Eerdmans (LPF), Duyvendak (GroenLinks), Albayrak (PvdA), Jense (Leefbaar Nederland), Mastwijk (CDA), Van Geen (D66), Vergeer-Mudde (SP), Smolders (LPF), Jukema (LPF) en Jager (CDA).