28 385
Evaluatie Meststoffenwet

nr. 2
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 4 oktober 2002

Op 31 mei jl. is uw Kamer per brief geïnformeerd (Kamerstuk 28 385, nr. 1) over de onderzoeksresultaten van de Evaluatie Meststoffenwet 2002. Het vorige, destijds demissionaire, Kabinet heeft aan de resultaten geen beleidsconclusies verbonden. Inmiddels hebben de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en ik indringend kennis genomen van de genoemde resultaten en hebben wij een afweging gemaakt. In deze brief wordt u geïnformeerd over de besluiten die het Kabinet op basis daarvan heeft genomen.

Voor implementatie van de genomen besluiten is onder meer een wetswijziging nodig met terugwerkende kracht tot 1 januari aanstaande. Het is in het belang van de agrarische sector dat de periode van terugwerking zo kort mogelijk wordt gehouden. Gegeven de te doorlopen procedure voor de wetswijziging is daarom een spoedige behandeling van deze brief door uw Kamer gewenst.

Strategisch akkoord en mestdossier

In het Strategisch akkoord is de ambitie neergelegd dat het Kabinet werkt aan herstel van vertrouwen in politiek en bestuur. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is de lastenontwikkeling in het bedrijfsleven. In het LNV-Beleidsprogramma 2003–2006 wordt hierover gezegd dat herstel van vertrouwen tussen burgers, consumenten, overheid en de landbouwsector nodig is om de verdere transitie van de landbouw mogelijk te maken.

Dit werkt door naar het mestdossier. Ook hier spelen zaken als hoge regeldruk, grote administratieve lasten voor het bedrijfsleven en in samenhang daarmee een broos draagvlak voor de regelgeving. In dit dossier is een heroriëntatie nodig op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en maatschappelijke organisaties onder meer om te bezien hoe boeren meer ruimte kunnen krijgen voor vrij ondernemersschap. De internationale kaders vormen daarbij het vertrekpunt.

In dit licht zal ik het komende half jaar met maatschappelijke organisaties gezamenlijk in gesprek gaan over vereenvoudiging van het mestinstrumentarium. In deze gesprekken zullen organisaties kunnen aangeven welke problemen zij ervaren bij de instrumenten van het mestbeleid en hoe ze deze zouden willen oplossen. Op basis van deze gesprekken zullen oplossingen worden uitgewerkt.

Dit traject van vereenvoudiging staat overigens niet op zichzelf. Er zal nadrukkelijk een koppeling worden gelegd met het rijksbrede plan voor vermindering van de administratieve lasten en de LNV-uitwerking daarvan. Vooruitlopend hierop heb ik recent enkele maatregelen genomen waarover u per brief bent geïnformeerd (d.d. 12 september 2002, Kamerstuk 24 036/26 729, nr. 266).

Hoofdlijnen beleidsconclusies Evaluatie Meststoffenwet

De voorgenomen vereenvoudiging neemt niet weg dat thans op basis van de evaluatieresultaten besluiten moeten worden genomen over enkele urgente onderwerpen uit het mestbeleid. Dit zijn onder andere de MINAS-verliesnormen, die voor 2003 zijn vastgelegd in de Meststoffenwet en de problematiek van de loze contracten in de melkveehouderij. Op basis van de evaluatie zal de aanscherping van de verliesnormen voor stikstof en fosfaat op enkele onderdelen worden getemporiseerd. Hiertoe is besloten in een afweging tussen de spankracht van de sector, te bereiken milieudoelen en internationale verplichtingen. Om de problematiek van de loze contracten te verminderen zullen de excretieforfaits in de melkveehouderij voor 2003 worden bepaald op 85%, net zoals dat voor 2002 al het geval was.

Voor de aanpassing van de verliesnormen is een wijziging van de Meststoffenwet noodzakelijk. Bij een voortvarende behandeling van het wetsvoorstel in het Parlement kan de wijziging de tweede helft van 2003 ingaan en zal dan terugwerken tot en met 1 januari van dat jaar. De vaststelling van het percentage van 85% van het excretieforfait in de melkveehouderij zal worden geregeld bij ministeriële regeling waardoor een inwerkingtreding per 1 januari a.s. mogelijk is.

In het vervolg van deze brief worden de genomen besluiten verder toegelicht. Daaraan voorafgaand wordt eerst kort stilgestaan bij de argumenten voor de huidige instrumenten van het mestbeleid. Daarbij wordt een relatie gelegd met de lopende inbreukprocedure voor het Europese Hof over de implementatie van de Nitraatrichtlijn alsmede met derogatie voor de aanwending van dierlijke mest op grasland, die aan de Europese Commissie is gemeld.

Argumentatie instrumenten mestbeleid

Ons land kent onder meer als gevolg van de hoge grondprijzen een zeer intensieve landbouw. Ten opzichte van andere landen worden hoge producties per hectare gerealiseerd met een navenant hoog gebruik van energie, bestrijdingsmiddelen en meststoffen. Om te kunnen voldoen aan EU-regelgeving (Nitraatrichtlijn) en aan het nationale beleid (Nationale Milieubeleidsplannen en de 4e Nota Waterhuishouding) moet het gebruik van dierlijke mest en van kunstmest worden teruggedrongen tot een milieukundig verantwoord niveau. Dit kan – uitgaande van de hoge productie per hectare – alleen worden bereikt door een zeer efficiënt gebruik van mineralen door de agrarische sector.

Om de afgesproken milieudoelen te bereiken in combinatie met de gewenste efficiencyverbetering is gekozen voor wet- en regelgeving welke aan agrarische bedrijven een doelvoorschrift oplegt.

Binnen het mineralenaangiftesysteem (MINAS) zijn grenzen gesteld aan de hoeveelheid mineralen (stikstof en fosfaat) die per hectare naar de bodem mogen «weglekken» zonder dat onaanvaardbare milieugevolgen of gevolgen voor de volksgezondheid optreden. Deze verliezen naar de bodem worden berekend via een boekhouding waarin de in- en de output van mineralen op het bedrijf worden bijgehouden. Om de gestelde milieudoelen te realiseren biedt de wet de mogelijkheid om die maatregelen te kiezen die het best passen bij het individuele bedrijf. De Nitraatrichtlijn legt ons daarnaast een middelvoorschrift op van een maximale hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest (170 kg) die jaarlijks per hectare op grasland en op bouwland mag worden aangewend. Dit wordt in ons land geregeld via de stelsels van MINAS en mestafzetovereenkomsten (MAO). Het MAO-stelsel reguleert de mestproductie zodanig dat deze is afgestemd op de omvang van het te bemesten landbouwareaal. Het resultaat is evenwicht op de landelijke mestmarkt. Op termijn moet het MAO-stelsel het stelsel van dierrechten overbodig maken.

In 1998 is de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen Nederland gestart (ijkmoment 1999) onder meer omdat de Nitraatrichtlijn met MINAS onvoldoende zou zijn geïmplementeerd. Het alternatief voor MINAS zou zijn een systeem met bemestingsvoorschriften, waarbij per regio, grondsoort en gewas het maximale bemestingsniveau wordt vastgesteld dat op ieder bedrijf wordt gecontroleerd.

Ons land heeft zich tegen de ingebrekestelling verweerd en tegelijkertijd het beleid fors aangescherpt. De inbreukprocedure maakt dat de marge voor nationaal beleid op dit punt momenteel gering is. De uitspraak in deze zaak wordt voorjaar 2003 verwacht.

Naast de inbreukprocedure loopt een discussie met de Europese Commissie over de hoeveelheid dierlijke mest die op grasland kan worden aangewend. De Nitraatrichtlijn gaat uit van een maximale aanwending van 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, maar geeft lidstaten de ruimte om een hoger getal te kiezen (een zogenoemde derogatie) mits dit afdoende kan worden verantwoord. Nederland heeft in april 2000 aan de Europese Commissie medegedeeld dat ons land met ingang van 1 januari 2003 op grasland zal afwijken van de bovengenoemde aanwendnorm en een derogatie zal hanteren van 250 kg stikstof. Daarvoor heeft Nederland een sluitende wetenschappelijke onderbouwing aangeleverd. Sindsdien wordt hierover intensief overlegd met Brussel. Een aanwendingsnorm lager dan 250 kg is voor ons land niet aanvaardbaar. Een lagere norm is milieukundig niet nodig binnen het kader van de verliesnormen van MINAS. Door een lagere norm zou een nieuw mestoverschot ontstaan en zou de druk op de mestmarkt worden vergroot. Een nieuwe opkoopregeling met de bijbehorende hoge kosten is dan onvermijdelijk.

De discussies met de Europese Commissie over de Nederlandse implementatie van de Nitraatrichtlijn worden onder meer veroorzaakt doordat er enige spanning zit tussen de bovengenoemde doel- en middelvoorschriften. MINAS stuurt op het bereiken van het doelvoorschrift van een maximale concentratie van 50 mg nitraat per liter grondwater, zoals die in de Nitraatrichtlijn wordt genoemd. Dit doel kan in ons land – ondanks hoge mestgiften (hoge input) – worden gerealiseerd door een hoge gewasproductie waarbij zeer veel mineralen via het gewas worden afgevoerd (hoge output).

Het doelvoorschrift verstaat zich moeilijk met het middelvoorschrift van een aanwending van een maximale hoeveelheid dierlijke mest, die ligt beneden het niveau waarmee in ons land het doelvoorschrift nog gerealiseerd kan worden. Deze spanning tussen het doel- en het middelvoorschrift raakt zowel de overheid als de maatschappelijke actoren. Daarom zal het onderwerp van gesprek kunnen zijn tijdens de hierboven aangekondigde maatschappelijke consultatie over vereenvoudiging van het mestbeleid.

Verliesnormen 2003

Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) heeft in het evaluatieonderzoek enkele belangrijke conclusies getrokken. Zo is gebleken dat de agrarische sector de afgelopen jaren goede resultaten heeft geboekt bij het terugdringen van de mineralenbelasting naar het milieu. Dit heeft van de sector grote inspanningen gevraagd. Het onderzoek laat voorts zien dat de mineralenbelasting uit de landbouw verder zal moeten worden teruggebracht – met name in kwetsbare gebieden – om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater voldoende te verbeteren. Tot slot komt uit het onderzoek naar voren dat er een maximale snelheid is waarmee melkveehouderijbedrijven zich kunnen aanpassen aan vermindering van de stikstofverliezen. Deze maximale aanpassingsnelheid blijkt 30–50 kg per hectare per jaar te bedragen.

De vraag is welke beleidsmatige conclusies aan deze resultaten moeten worden verbonden voor de MINAS-verliesnormen voor 2003. Bij de beantwoording van deze vraag hebben wij een aantal uitgangspunten gehanteerd. Op de eerste plaats is het van belang dat rekening wordt gehouden met de spankracht van de sector, waar dat milieukundig verantwoord is. Daarnaast is – vanwege de continuïteit van de agrarische bedrijfsvoering – absolute duidelijkheid nodig over de hoogte van de verliesnormen voor de komende twee jaar. Tot slot is niet vooruitgelopen op de uitkomsten van de eerder genoemde inbreukprocedure voor het Europese Hof of het overleg met de Europese Commissie over de derogatie. Thans is daar geen reden toe. Daarmee hebben ondernemers bij het afsluiten van mestafzetovereenkomsten duidelijkheid over de aanwendingsnorm in 2003 van 250 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, zoals die in de derogatie is gemeld.

Stikstof

Op basis van het MNP-rapport kom ik tot de conclusie dat de vanaf 2003 wettelijk vastgelegde stikstofverliesnormen voor klei, veen en nat zand (categorie overige gronden) in stand dienen te blijven. Op deze gronden wordt de EU-norm van 50 mg nitraat in het bovenste grondwater reeds gerealiseerd, maar de voorgenomen aanscherping blijft nodig vanwege kwaliteitsnormen voor het oppervlaktewater en de internationale doelstelling voor emissiereductie van stikstof. De Nitraatrichtlijn dwingt de lidstaten expliciet tot het tegengaan van eutrofiëring van het oppervlaktewater. Het MNP-rapport wijst uit, dat de voorgenomen verliesnormen zowel voor de akkerbouw als voor de veehouderij op deze grondsoorten technisch en economisch haalbaar zijn.

Voor de categorie droge gronden gelden scherpere verliesnormen vanwege de uitspoelingsgevoeligheid voor stikstof. Deze gronden zijn in de Meststoffenwet gedefinieerd en hebben thans een oppervlakte van 360 000 hectare.

Het MNP-rapport stelt dat de matig droge gronden (grondwatertrap 6 met een oppervlakte van 220 000 hectare) – welke binnen de categorie droge gronden kunnen worden onderscheiden – in principe zouden moeten worden gesplitst in een droger en een natter deel. Voor het drogere gedeelte zijn de scherpere verliesnormen nodig en voor het nattere gedeelte niet. Omdat in de praktijk dit onderscheid thans niet kan worden gemaakt en om agrariërs op de nattere gedeelten niet te confronteren met onnodig scherpe verliesnormen heb ik besloten om de matig droge gronden (grondwatertrap 6) met ingang van 2003 uit de wettelijke definitie en dienovereenkomstige aanwijzing van droge gronden te verwijderen.

Ten aanzien van de dan overblijvende groep droge gronden (140 000 hectare met de grondwatertrappen 7 en 8) constateert MNP, dat de norm van 50 mg nitraat in de bovenste meter van het grondwater (toetsdiepte) niet wordt gerealiseerd met de wettelijk voor 2003 voorgenomen verliesnormen. De noodzaak van aanscherping in 2003 wordt hiermee bevestigd. In verband met het maximale aanpassingsvermogen van de sector heb ik echter besloten agrarische bedrijven met droge gronden een jaar extra tijd te gunnen en in 2003 een tussenstap in te bouwen. Dit om te voorkomen dat bedrijven – zonder enige milieuwinst – tot een MINAS-heffing worden gedwongen terwijl ze zich vanuit technisch oogpunt onmogelijk sneller kunnen aanpassen.

Momenteel is onderzoek gaande om de grondwaterkaart te actualiseren waarop de kaarten met droge gronden zijn gebaseerd. Met ingang van 2005 zal de aanwijzing van de droge gronden worden bijgesteld op grond van deze geactualiseerde grondwaterkaart. Dit zal leiden tot een areaalvergroting van de droge gronden, onder meer omdat een gedeelte van de bovengenoemde matig droge gronden weer in de aanwijzing wordt opgenomen. Om een zorgvuldige voorbereiding van de implementatie van de genoemde inzichten mogelijk te maken, gebeurt de bijstelling een jaar later dan eerder gemeld.

Het is op dit moment nog niet duidelijk in welke mate op de droge gronden een verdere aanscherping van verliesnormen na 2004 noodzakelijk is. Op basis van de huidige metingen op de huidige toetsdiepte zou aanscherping nodig zijn. In het MNP-rapport wordt echter melding gemaakt van afbraak van nitraat in het grondwater waardoor de 50 mg norm enkele meters beneden de toetsdiepte gemiddeld genomen wel wordt gerealiseerd. Daardoor zou de toetsdiepte wellicht kunnen worden verlaagd en zou een verdere aanscherping wellicht overbodig zijn. Het is bekend dat dit afbraakproces optreedt, maar over de omvang en de locatie ervan is thans nog onvoldoende kennis beschikbaar. Daarom worden de verliesnormen voor de droge gronden in de periode 2003–2004 gehandhaafd op het bovengenoemde niveau. Immers, een verdergaande aanscherping zou op bepaalde gronden onterecht kunnen zijn.

Het MNP-onderzoek maakt voorts duidelijk dat op een deel van de droge gronden de afbraak van nitraat in het grondwater wel heel gering is (uitspoeling heel hoog) waardoor de nitraatnorm van 50 mg beduidend zal worden overschreden. Om de nitraatnorm op deze gronden te realiseren zullen de verliesnormen vergaand moeten worden aangescherpt zowel voor grasland als voor bouwland.

Als gevolg daarvan zal intensief grondgebruik aldaar sterk onder druk komen te staan. Geconstateerd moet worden dat het instrument van generiek beleid in deze gebieden onvoldoende is. Hier is een specifieke, gebiedsgerichte aanpak nodig, gekoppeld aan het reconstructie-, ammoniak- en waterbeleid. Bekeken zal moeten worden op welke wijze dit kan worden ingevuld. De komende tijd zal onderzoek moeten worden uitgevoerd om het inzicht in het proces van nitraatafbraak te vergroten zodat deze gebieden kunnen worden afgebakend.

Voor 2003 en 2004 zullen de stikstofverliesnormen gelden volgens de onderstaande tabel. Geschat wordt dat het mestoverschot – bij toepassing van deze gebiedsindeling en met deze verliesnormen – bijna 1 miljoen kg fosfaat lager zal uitkomen dan het geval zou zijn bij toepassing van de wettelijk voorgenomen stikstofverliesnormen.

GrondenStikstofverliesnormen (kg N/ha)
 200220032004
 graslandbouwlandgraslandbouwlandgraslandbouwland
Overige220110/1502180100180100
Droog11901001608014060

1) Het areaal droge gronden bedraagt thans 140 000 hectare. Na de actualisatie van de grondwaterkaart in 2005 zal dit areaal toenemen.

2) Op klei en veen geldt de verliesnorm van 150 kg N/hectare en op niet-droog zand en löss 110 kg N/hectare.

Fosfaat

Het Milieuplanbureau-rapport laat zien, dat in Nederlandse landbouwgronden door overmatige bemesting met dierlijke mest sprake is van een sterke ophoping van fosfaat. Een groot deel van de gronden is met fosfaat verzadigd geraakt met als gevolg een langzame uitspoeling naar grond- en oppervlaktewater. Dit proces kan tientallen tot honderden jaren aanhouden. Vanuit milieukundig oogpunt is het van belang dat de ophoping van fosfaat in de bodem wordt gestopt. Dit kan worden bereikt door de MINAS-verliesnormen te verlagen naar uiteindelijk 0 kg/hectare, zoals ook in het NMP4 is gemeld als richtinggevende doelstelling voor 2030. Bij doorvoering op korte termijn zou een aanzienlijk mestoverschot ontstaan. Bovendien zijn de bedrijfseconomische kosten hiervan – vanwege de afnemende plaatsbaarheid van dierlijke mest – zeer hoog voor de intensieve varkens- en pluimveehouderij terwijl het milieueffect pas over tientallen tot honderden jaren kan worden waargenomen.

Op grond hiervan kom ik tot de volgende afweging. Op grasland is een minder sterke aanscherping niet mogelijk omdat de hoogte van de verliesnorm van 20 kg fosfaat per hectare nauw is gekoppeld aan de aanwendingsnorm van 250 kg stikstof uit dierlijke mest (derogatie), die Nederland heeft gemeld aan de Europese Commissie. Bij bouwland is er eveneens een relatie tussen de hoogte van de verliesnorm en de aanwendingsnorm van 170 kg stikstof, maar hierbinnen zit nog enige ruimte. Daarom heb ik besloten om de fosfaatverliesnorm voor 2003 en 2004 aan te scherpen naar 25 kg fosfaat per hectare in plaats van naar 20 kg. Daarmee wordt de aanwendingsnorm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest nog steeds gerealiseerd. Het mestoverschot zal door deze aanpassing naar schatting 4 miljoen kg fosfaat lager uitvallen dan het geval zou zijn bij toepassing van de oorspronkelijk voorgenomen normen.

GrondenFosfaatverliesnormen (kg P2O5/hectare)
 200220032004
 graslandbouwlandgraslandbouwlandgraslandbouwland
Alle gronden253020252025

Eén van de instrumenten om greep te krijgen op de fosfaatophoping van de bodem is het opnemen van kunstmestfosfaat in MINAS. Het Kabinet heeft in het NMP4 reeds gemeld, dat hiervoor bij de evaluatie van 2004 voorstellen zullen worden gedaan, waarbij ook het fosfaatgehalte van de bodem zal worden betrokken.

In het voorgaande is aangegeven dat de verminderde aanscherping van de verliesnormen voor zowel stikstof als fosfaat zal leiden tot een verlaging van het mestoverschot ten opzichte van het overschot dat de Permanente Commissie van Deskundigen voor 2003 heeft berekend. In het totaal gaat het om een verlaging van ongeveer 5 miljoen kg fosfaat, waarmee het voor 2003 geschatte mestoverschot geheel verdwijnt. Hierdoor zal er sprake zijn van een evenwicht op de mestmarkt met bijbehorende stabiliteit van de mestafzetprijzen, hetgeen in het belang is van de ondernemers en de werking van het stelsel.

Loze contracten

Ongeveer tweederde van de melkveehouders heeft te maken met het verschijnsel van loze contracten. Loze contracten worden veroorzaakt doordat melkveehouders voorafgaand aan een bepaald jaar mestafzetovereenkomsten moeten sluiten voor mest die ze volgens de MINAS-aangifte gedurende het jaar op hun eigen bedrijf kunnen aanwenden. Op grond van het MAO-stelsel moeten veehouders overeenkomsten sluiten als de geproduceerde hoeveelheid mest groter zal zijn dan de hoeveelheid die op het eigen bedrijf kan worden aangewend bij toepassing van de aanwendingsnorm 170 respectievelijk 250 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare. MINAS biedt hen echter de mogelijkheid om meer dierlijke mest aan te wenden als daar maar een hoge mineralenafvoer tegenover staat. Nederlandse melkveehouders kunnen dit realiseren indien ze door zorgvuldig graslandbeheer hoge gewasopbrengsten bereiken.

Uit het MNP-rapport blijkt dat melkveebedrijven bij de wettelijk voor 2003 vastgelegde aanwendings- en verliesnormen naar verwachting 46 miljoen kg stikstof aan mestafzetovereenkomsten zullen moeten sluiten op een totale stikstofproductie van 260 miljoen kg. Daarvan zal 34 miljoen kg – bij het voorgenomen excretieforfait van 95% – niet daadwerkelijk behoeven te worden afgevoerd omdat deze hoeveelheid binnen de MINAS-verliesnormen op het eigen bedrijf kan worden aangewend. De genoemde 34 miljoen kg stikstof komt overeen met 200 000 hectare landbouwgrond, die melkveehouders volgens MAO moeten contracteren maar waar hun mest uiteindelijk niet naar toe zal gaan.

Het verschijnsel van loze contracten is een hardnekkig probleem en is een gevolg van het hanteren van het stelsel van mestafzetovereenkomsten in combinatie met het stelsel van MINAS. MINAS stelt doelvoorschriften en geeft ondernemers de ruimte binnen hun bedrijfsvoering het mestgebruik te optimaliseren. Het MAO-stelsel stelt absolute grenzen aan de omvang van de plaatsingsruimte van dierlijke mest.

Niettemin ben ik van mening dat daar waar mogelijk naar een oplossing moet worden gezocht. Immers het verschijnsel van loze contracten werkt negatief op de acceptatie van de mestwetgeving. Daarom zal het excretieforfait voor melkvee in 2003 minder worden aangescherpt dan voorzien. In plaats van 95% zal een percentage van 85 worden gehanteerd. Dit lost het probleem voor bijna de helft op. In principe zou een gevolg van deze maatregel kunnen zijn dat de mestproductie toeneemt (verminderde sturingskracht MAO). Dit wordt thans voorkomen doordat de omvang van de veestapel wordt begrensd door het stelsel van dierrechten (mestproductie-, varkens- en pluimveerechten). Voordat het stelsel van rechten kan worden afgeschaft in 2005 zal eerst de sturingskracht van MAO voldoende moeten zijn.

Monitoring kwaliteit oppervlaktewater

In de eerder genoemde brief van 31 mei jl. is gemeld dat het meetprogramma voor de kwaliteit van het oppervlaktewater onvoldoende is. Daardoor kan niet een geheel eenduidig kwantitatief verband worden gelegd tussen de mineralenemissies uit de landbouw en de kwaliteit van het regionale oppervlaktewater. Voor toekomstig beleid is het van belang dat dit verband helder en betrouwbaar in beeld wordt gebracht. Daarom wordt hier de toezegging uit de brief van 31 mei jl. herbevestigd dat de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat initiatieven zal ontplooien voor het opzetten van een adequaat meerjarig monitoringprogramma. Dit programma zal passen bij de uitwerking van de stroomgebiedbenadering voor de Kaderrichtlijn Water.

Flankerend beleid

Uit de evaluatie van EC-LNV over het flankerend beleid (zie brief aan uw Kamer van 15 maart jl. LNV-02-226) komt naar voren dat de verschillende opkoopregelingen van fosfaat in hun opzet zijn geslaagd en dat ze aanzienlijk hebben bijgedragen aan de vermindering van het mestoverschot. Een derde tranche voor de opkoopregeling is niet nodig omdat er geen mestoverschot resteert met de thans voorgestelde verliesnormen.

Het is duidelijk dat van de agrarische sector de nodige inspanningen worden gevraagd om de verliesnormen te realiseren. Het is van belang dat het actieplan Nitraatprojecten wordt voortgezet. Bedrijven kunnen hun mineralenmanagement slechts geleidelijk verbeteren en bovendien is het zaak dat de grote groep ondernemers met toekomstperspectief de vele kennis, die de afgelopen tijd is ontwikkeld, op bedrijfsniveau gaat toepassen. Zo nodig zullen binnen het programma aanpassingen worden aangebracht. Aan het eind van het jaar zal op basis van een tussenevaluatie bekeken worden of en zo ja op welk niveau het programma zal worden voortgezet.

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

B. J. Odink

Naar boven