28 385 Evaluatie Meststoffenwet

Nr. 199 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 december 2010

Ter voorbereiding van het Algemeen Overleg mestbeleid op 15 december 2010 doe ik u hierbij een brief over twee onderwerpen toekomen. Het betreft een kabinetsreactie op de motie Koopmans «over meting van de nitraatconcentratie tot vijf meter diep (Kamerstuk 28 385, nr. 138)» en mijn reactie op het «Eindrapport van de evaluatie van het Landelijk Meetnet effecten mestbeleid (LMM)». Dit rapport is per brief van 5 oktober 2010 (Kamerstukken II, 28 385, nr. 192) aan uw Kamer aangeboden.

Motie Koopmans inzake meten nitraatconcentratie

De motie Koopmans van 22 april 2009 verzoekt de regering niet alleen in de bovenste meter van het grondwater te meten, maar ook dieper, tot vijf meter. De meetresultaten zouden moeten worden gebruikt ter onderbouwing van het derogatieverzoek dat tezamen met het Vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn (2014–2017) bij de Europese Commissie wordt ingediend.

Met de verfijning van het oppervlaktewatermeetnet van de Kaderrichtlijn Water en het grondwatermeetnet van de Grondwaterrichtlijn die in 2009 zijn afgerond, is de nitraatconcentratie in de bovenste meter van het grondwater niet langer als enige leidend voor de invulling van het nitraatactieprogramma. Dit past in de systematiek waarmee de Europese Commissie de grond- en oppervlaktewater¬normen beoordeelt. De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater zoals dat door het Landelijk Meetnet Mest wordt gevolgd, dient hierbij een dalende trend aan te tonen. Hieronder wordt dit nader uiteengezet.

De Nitraatrichtlijn is een brongerichte richtlijn die zich richt op het beperken van emissies uit agrarische bronnen via het toepassen van «goede landbouwpraktijk». De Nitraatrichtlijn bevat geen verplichting tot een nitraatconcentratie in grond¬water beneden 50 mg per liter.

Het Landelijk Meetnet effecten mestbeleid beoogt inzicht te bieden in de gevolgen van het gevoerde mestbeleid. Sinds de start in 1992, worden nitraatconcentratie gemeten in de eerste meter van het grondwater. De relatie tussen milieukwaliteit en landbouwkundig handelen – en met name (dalende) trends – zijn daar het snelst zichtbaar. De nitraatconcentraties die daar gemeten worden, zijn een indicatie van wat er op grotere diepte in het grondwater en verderop in het oppervlaktewater verwacht kan worden.

Echter, ten behoeve van de monitoring van de Grondwaterrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water zijn eveneens meetnetten operationeel. Voor de Grondwaterrichtlijn is een meetnet voor grondwaterkwaliteit ingericht, bestaande uit putten van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG) en de Provinciale Meetnetten Grondwaterkwaliteit (PMG’s). Er zijn circa honderd LMG-putten, die nabij een landbouwperceel op zandgrond staan met filters op een diepte van tien, vijftien en vijfentwintig meter beneden maaiveld. Het eerste filter op tien meter beneden maaiveld zit op ongeveer 8,5 meter onder de grondwaterspiegel.

Daarnaast bestaan er 310 putten in de provinciale meetnetten. Deze putten zijn meestal op vergelijkbare wijze uitgevoerd als de LMG-putten.

Op basis van de meetresultaten uit het LMG en de PMG’s wordt een formele toestandsbeoordeling gemaakt van de grondwaterkwaliteit ten behoeve van de Grondwaterrichtlijn. Daarbij wordt ook getoetst aan de nitraatnorm van 50 mg nitraat per liter die voor de grondwaterlichamen van toepassing is.

Grondwater en oppervlaktewater staan in onderling verband. Voor zover nodig, kan daarom tevens gebruik worden gemaakt van het meetnet voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Met dat meetnet wordt de toestand in de oppervlaktewaterlichamen, zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn Water, in beeld gebracht. Daarbij wordt zowel getoetst aan de 50 mg nitraatnorm alsmede aan de norm die in het betreffende waterlichaam van toepassing is voor eutrofiëring. Hiermee is de nitraatconcentratie in de bovenste meter van het grondwater niet langer als enige leidend en worden de extra gegevens gebruikt bij de onderhandelingen over het komende actieprogramma.

Daardoor wordt aan de achterliggende wens van de motie om de afname van de nitraatconcentratie in diepere bodemlagen zichtbaar te maken, voldaan. Het kabinet ziet de motie daarom als ondersteuning van zijn beleid. In dit verband merk ik nog op dat deze gegevens reeds voor het komende Actieprogramma beschikbaar zijn, terwijl een nieuw, kostbaar, meetnet voor dieper grondwater pas voor het daaropvolgende Actieprogramma gevolgen kan hebben.

Rapport en TCB-advies

Per brief van 6 september 2010 (Kamerstukken II, 28 385, nr. 190) is een rapport aan uw Kamer aangeboden met het resultaat van het onderzoek door een consortium bestaande uit RIVM, Alterra, Deltares en LEI naar de mogelijkheden om uitvoering te geven aan de motie Koopmans («Uitwerking van opties voor een Nitraatdieptemeetnet. Technische uitwerking van de motie Koopmans» (RIVM-rapport 680717011/2010)). Op 2 maart 2010 heeft de TCB advies uitgebracht over een Nitraatdieptemeetnet (Technische uitwerking nitraatdieptemeetnet, advies A058).

De belangrijkste conclusies uit het rapport en het TCB-advies zijn: De resultaten van een nieuw Nitraatdieptemeetnet komen te laat om een rol te kunnen spelen bij de onderhandelingen over het Vijfde Actieprogramma. De resultaten zullen geen wezenlijke verandering opleveren voor de opgave die Nederland nog rest in het Vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn en daarna. Een nieuw Nitraatdieptemeetnet is duur. De benodigde middelen staan niet op de begroting.

Eindrapport van de evaluatie van het LMM

Het Landelijk Meetnet effecten mestbeleid bestaat uit twee onderdelen, namelijk het basismeetnet en het derogatiemeetnet. Het basismeetnet vloeit voort uit de Nitraatrichtlijn, die de Lidstaten verplicht tot een structurele monitoring van de effecten van het mestbeleid. Met het derogatiemeetnet wordt voldaan aan de monitoringverplichting uit de derogatiebeschikking van de Nitraatrichtlijn zoals deze door de Europese Commissie aan Nederland is verleend voor de periode 2010–2013.

De derogatiebeschikking schrijft voor dat Nederland een derogatiemeetnet in stand dient te houden van minimaal 300 derogatiebedrijven. Omdat dit derogatiemeetnet rechtstreeks voortvloeit uit Europese afspraken, kan daarop geen efficiencywinst worden gerealiseerd. De evaluatie heeft zich daarom alleen gericht op het basismeetnet.

In het Eindrapport zijn voor het basismeetnet drie scenario’s uitgewerkt:

  • 1. Volledige invulling Europese verplichting met beperkte mogelijkheid tot onderbouwing van nationaal beleid;

  • 2. Beperkte invulling Europese verplichting met volledige mogelijkheid tot onderbouwing van nationaal beleid; en

  • 3. Beperkte invulling van zowel de Europese monitoringsverplichting als de mogelijkheid tot onderbouwing van nationaal beleid.

In scenario 1 blijven de monitoringkosten ongeveer gelijk. In scenario 2 nemen ze in beperkte mate af en in scenario 3 wordt een aanzienlijke besparing gerealiseerd.

Voorop staat dat Nederland dient te voldoen aan Europese verplichtingen. Het kabinet kiest er echter voor om taken zo efficiënt mogelijk uit te voeren. Dit is reeds noodzakelijk vanwege de bezuinigingen op de rijksmiddelen. Het kabinet kiest derhalve scenario 3 uit het eindrapport van de evaluatie van het LMM als uitgangspunt voor de inrichting van het basismeetnet LMM vanaf 2011. Met scenario 3 dalen de kosten van het basisnet LMM van 3,5 miljoen euro in 2010 via circa 3 miljoen euro in 2011 naar circa 2,5 miljoen euro per jaar vanaf 2012.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

J. J. Atsma

Naar boven