28 345 Aanpak huiselijk geweld

Nr. 119 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 februari 2012

Op 6 maart 2010 doodde een man in Zierikzee twee van zijn kinderen en sloeg daarna de hand aan zichzelf. Deze zaak leidde tot veel beroering. Over dit drama is op 10 maart 2010 tijdens een plenair debat over «huiselijk geweld» door de toenmalige minister van Justitie uitvoerig met de Kamer gesproken (Handelingen II, vergaderjaar 2009/10, nr. 61, blz. 5401–5418). Ten tijde van dat debat was het politieonderzoek, dat zich ondermeer richtte op de vraag of er meerdere betrokkenen waren, nog in volle gang. Inmiddels is bekend dat het onderzoek geen aanwijzingen heeft gegeven voor strafbare betrokkenheid van anderen.

Daarnaast werd begin mei 2010 duidelijk dat het OM-beleid voor het informeren van slachtoffers niet volledig was toegepast waardoor de slachtoffers van eerder huiselijk geweld van de dader (de vrouw en dochter), niet op de hoogte waren van de invrijheidstelling van de verdachte. Het openbaar ministerie (OM) heeft in mei 2010 aangegeven het ten zeerste te betreuren dat geen expliciet verzoek aan de politie was gedaan om de moeder en dochter te informeren over de invrijheidstelling van de man. Het College van Procureurs-Generaal heeft toen niet alleen opdracht gegeven de informatievoorziening rond de invrijheidstellingen van de man op drie verschillende momenten te onderzoeken maar ook opdracht gegeven om breder te onderzoeken of de informatievoorziening aan slachtoffers van huiselijk geweld aanpassing behoeft.

Bij de beantwoording van Kamervragen hierover heeft mijn voorganger mededeling van dit onderzoek gedaan en tevens aangegeven dat de Kamer over de uitkomsten zou worden geïnformeerd1.

Het College heeft mij op 23 december 2011 over de uitkomsten van het onderzoek geïnformeerd. Met deze brief breng ik u op de hoogte van de conclusies van het voormelde onderzoek.

Onderzoek naar informatievoorziening

Uit het onderzoek naar de informatievoorziening aan slachtoffers van huiselijk geweld bleken de door het onderzoeksteam getoetste werkinstructies betreffende deze informatievoorziening, niet geheel te voldoen aan de toen geldende landelijke aanwijzingen.

In de werkinstructies kwam onvoldoende tot uitdrukking dat het OM verantwoordelijk is voor de informatieverstrekking aan slachtoffers en dat invrijheidstellingen ten tijde van de voorlopige hechtenis extra aandacht verdienen. In het geval van Zierikzee bleek bijvoorbeeld dat de werkinstructie alleen voorzag in informatievoorziening aan slachtoffers indien er sprake was van een schorsing van de voorlopige hechtenis. In dat geval kon worden volstaan met het faxen van de beschikking aan de politie. Voor de gevallen van een afwijzing van een vordering bewaring of gevangenhouding of een onmiddellijke invrijheidstelling bevatte de werkinstructie geen expliciete regeling.

Ook bleek uit het onderzoek dat er onvoldoende sluitende werkafspraken tussen betrokken instanties en afdelingen waren gemaakt. In het geval van Zierikzee was bijvoorbeeld niet duidelijk afgesproken dat, als een beschikking houdende een schorsing van de voorlopige hechtenis naar de politie wordt gezonden, de politie het slachtoffer informeert.

Het onderzoeksteam concludeert verder dat de professionele rollen onvoldoende waren ingevuld. Zo vond er in de Zierikzee-zaak geen actieve controle plaats door het Openbaar Ministerie of een slachtoffer daadwerkelijk was geïnformeerd. Bovendien was informatie in verschillende kolommen onvoldoende gedeeld en had onvoldoende afstemming plaatsgevonden over te ondernemen actie. Er was geen sprake van gebrek aan urgentiebeleving, maar het was onvoldoende duidelijk wie wat op welk moment en met welk doel zou gaan doen.

Aanbevelingen en vervolg

De aanbevelingen uit het onderzoek richten zich op de geconstateerde tekortkomingen. Landelijke aanwijzingen dienen op een volledige wijze te worden vertaald naar werkinstructies. Er dienen duidelijke afspraken te worden gemaakt met alle ketenpartners. Aanbevolen wordt dat de slachtofferzorg, waaronder begrepen de informatievoorziening, bij ieder parket centraal wordt belegd en dat alle handelingen in de administratie worden vastgelegd (journaal). Daarnaast wordt aanbevolen dat regelmatig wordt gecontroleerd of slachtoffers daadwerkelijk zijn geïnformeerd.

Met de inwerkingtreding van de Wet versterking positie slachtoffers op 1 januari 2011 en de daarop gebaseerde nieuwe Aanwijzing slachtofferzorg (1 januari 2011), alsmede de Aanwijzing huiselijk en eergerelateerd geweld (1 juni 2010) zijn de in de onderzoeken geconstateerde tekortkomingen voor een belangrijk deel reeds ondervangen. Het onderzoek heeft bijgedragen aan een grote urgentiebeleving met betrekking tot de voorziening voor het informeren van slachtoffers.

Ondanks de verbeteringen die reeds in gang zijn gezet, heeft het College van Procureurs-Generaal, gelet op het grote belang, een werkgroep bestaande uit medewerkers van de politie en het Openbaar Ministerie opdracht gegeven om verder te onderzoeken hoe situaties van huiselijk geweld die dreigen uit te monden in excessen beter kunnen worden ingeschat en hoe deze situaties in de keten op zoveel mogelijk alertheid van alle betrokken kunnen rekenen.

De minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten


X Noot
1

Antwoorden van 25 mei 2010, TK vergaderjaar 2009–2010, Aanhangsel nr. 2548.

Naar boven