Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 augustus 2018
In uw brief van 10 juli 2018 verzoekt u om mijn reactie op de brief van het Centraal
Bureau Bouwbegeleiding (CBB) te Arnhem d.d. 28 juni 2018 naar aanleiding van het rondetafelgesprek
Veiligheid betonvloeren d.d. 31 mei 2018. De brief van het CBB gaat in op de volgende
onderwerpen: (1) het waarborgen van de constructieve veiligheid en (2) de veiligheid
van betonvloeren.
Het waarborgen van de constructieve veiligheid
In de brief pleit het CBB om op korte termijn binnen de huidige bouwregelgeving, dus
los van de voorgenomen Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), een waarborg te
realiseren dat aannemers op specifieke uitvoeringsmomenten (zogenaamde stopmomenten)
aantoonbaar maken dat voldaan wordt aan de eisen voor constructieve veiligheid en
ook brandveiligheid.
Binnen de huidige bouwregelgeving is de vergunninghouder (veelal de opdrachtgever)
primair verantwoordelijk dat voldaan wordt aan de eisen en is het is aan de gemeente
(bouwtoezicht) om hierop toe te zien. De huidige bouwregelgeving staat niet in de
weg dat de vergunninghouder privaatrechtelijk met de aannemer stopmomenten afspreekt
waarbij de kwaliteit wordt aangetoond alvorens verder te gaan met bouwen. De huidige
(publiekrechtelijke) bouwregelgeving geeft daarnaast aan de gemeente ruimte om afspraken
te maken met de vergunninghouder dat de gemeente wordt geïnformeerd bij bepaalde uitvoeringsmomenten
zodat zij toezicht kan houden alvorens verder wordt gebouwd.
Ik constateer dat de stopmomenten waarvoor het CCB pleit al gerealiseerd kunnen worden,
maar dat het aan de vergunninghouder en gemeente is om hieraan invulling te geven.
Van belang hierbij is ook dat veel gemeenten beleidsmatig de prioriteit hebben gelegd
bij het toezicht op de constructieve veiligheid en brandveiligheid. Mogelijke intensivering
van de kwaliteitsborging binnen de huidige kaders is vooruitlopend op de Wkb natuurlijk
altijd toe te juichen, maar ik zie dit nu vooral als aangelegenheid van opdrachtgevers
en gemeenten. Ook een privaat bouwtoezichtbedrijf als het CCB zou richting opdrachtgevers
de meerwaarde van goed bouwtoezicht onder de aandacht kunnen brengen.
De veiligheid van betonvloeren
In de brief vraagt het CBB om herbezinning van de landelijke aanpak van de onderzoeken
bij bestaande gebouwen naar aanleiding van het instorten van de parkeergarage Eindhoven
Airport.
Over deze landelijk aanpak heb ik uw Kamer meest recent geïnformeerd in mijn brief
van 31 mei 2018 (Kamerstuk 28 325, nr. 173). In deze brief heb ik u geïnformeerd dat bij de landelijke aanpak een brede klankbordgroep1 is betrokken. De aanpak heeft daarmee een groot draagvlak.
Volgens het CBB zijn er twee zaken die een herbezinning gepast maken, ten eerste de
resultaten van uitgevoerde proefbelastingen en ten tweede de invloed van een mogelijk
gebrekkige uitvoering bij de bouw van de parkeergarage Eindhoven Airport.
Voor wat betreft het eerste punt heeft het CBB gelijk dat (voor zover bekend) alle
proefbelastingen die zijn uitgevoerd een positief resultaat hebben opgeleverd. De
keuze om een proefbelasting uit te voeren is een facultatief onderdeel van de landelijke
aanpak. Het uitvoeren van een proefbelasting vindt in de praktijk vooral plaats bij
gebouwen waarbij is geconstateerd dat er rekenkundig niet wordt voldaan, maar waarbij
er ter plaatse geen waarnemingen zijn dat een vloer al tekenen geeft van beginnend
bezwijken. Het is in die gevallen gunstig als met een proefbelasting alsnog kan worden
aangetoond dat deze constructies veilig zijn. De positieve proefbelastingen vormen
echter onvoldoende bewijs dat de gekozen landelijke aanpak niet juist is. Ieder gebouw
is uniek en dat tot nu alle proefbelastingen positief zijn geweest, geeft geen garantie
dat dit steeds zo zal zijn. Belangrijk is verder dat er ook gebouwen zijn die rekenkundig
niet voldoen en waarbij wel tekenen van beginnend bezwijken zijn aangetroffen. Bij
die gebouwen is niet gekozen voor een proefbelasting omdat deze naar verwachting zou
leiden tot daadwerkelijk bezwijken en grote (gevolg-)schade aan de gebouwen. Bij deze
gebouwen is gekozen voor verstevigingsmaatregelen of gebruiksbeperkingen.
Voor wat betreft het tweede punt. De landelijke aanpak is gebaseerd op de onderzoeken
van TNO en Hageman naar de oorzaak van het instorten van de parkeergarage bij Eindhoven
Airport. Bij het rondetafelgesprek waren de betreffende onderzoekers aanwezig en hebben
daarbij aangeven, ook met de kennis over de problemen gedurende de uitvoering, nog
steeds achter hun conclusies te staan. Ik wacht het onderzoeksrapport van de Onderzoeksraad
voor Veiligheid over het instorten van de parkeergarage af.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.H. Ollongren